25.6.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 186/9
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 4 maart 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Dâmbovița — Roemenië) — Nicușor Grigore/Regia Națională a Pădurilor Romsilva — Direcția Silvică București
(Zaak C-258/10) (1)
(Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering - Sociale politiek - Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers - Richtlijn 2003/88/EG - Organisatie van arbeidstijd - Begrip „arbeidstijd” - Begrip „maximale wekelijkse arbeidstijd” - Boswachter die volgens zijn arbeidsovereenkomst en toepasselijke collectieve overeenkomst een flexibele arbeidsduur van 8 uur per dag en 40 uur per week heeft - Nationale wettelijke regeling op grond waarvan hij aansprakelijk is voor alle schade die zich voordoet in onder zijn beheer staande perceel bos - Kwalificatie - Gevolgen van overuren voor bezoldiging en financiële vergoedingen van betrokkene)
2011/C 186/15
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Tribunal Dâmbovița
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nicușor Grigore
Verwerende partij: Regia Națională a Pădurilor Romsilva — Direcția Silvică București
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal Dâmbovița — Uitlegging van de artikelen 2, sub 1, en 6 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9) — Begrip „arbeidstijd” — Nationale regeling volgens welke een boswachter aansprakelijk is voor alle schade die zich voordoet in zijn perceel bos, ondanks het feit dat zijn arbeidsovereenkomst voorziet in een arbeidstijd van maximaal acht uur per dag — Begrip „maximale wekelijkse arbeidstijd” — Daadwerkelijke wekelijkse arbeidstijd langer dan wettelijke maximale wekelijkse arbeidstijd — Gevolgen voor de bezoldiging en de financiële vergoedingen van de betrokkene
Dictum
1)
Artikel 2, sub 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat de tijd waarin een boswachter wiens dagelijkse arbeidstijd volgens zijn individuele arbeidsovereenkomst 8 uur bedraagt, verplicht is een perceel bos te bewaken, met betrekking tot hetwelk hij, naargelang van het geval, tuchtrechtelijk, vermogensrechtelijk, boeterechtelijk of strafrechtelijk aansprakelijk is voor de schade die zich voordoet in het onder zijn beheer staande perceel, ongeacht wanneer deze schade is ontstaan, alleen dan „arbeidstijd” in de zin van deze bepaling vormt indien de aard en de omvang van de op de boswachter rustende bewakingsverplichting en de voor hem geldende aansprakelijkheidsregeling vereisen dat hij fysiek aanwezig is op de arbeidsplaats en hij er zich tijdens die tijd ter beschikking moet houden van zijn werkgever. Het staat aan de verwijzende rechter om de nodige feitelijke en juridische vaststellingen te doen, met name met betrekking tot het toepasselijke nationale recht, om te beoordelen of dat het geval is in de bij hem aanhangige zaak.
2)
Voor de kwalificatie van een periode als „arbeidstijd” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2003/88 is niet van belang dat de boswachter een dienstwoning ter beschikking wordt gesteld in het onder zijn beheer staande perceel, voor zover deze terbeschikkingstelling niet impliceert dat hij verplicht fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever bepaalde plaats en er zich tot diens beschikking moet houden teneinde zo nodig onmiddellijk de adequate prestaties te kunnen verlenen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is in de bij hem aanhangige zaak.
3)
Artikel 6 van richtlijn 2003/88 moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling in beginsel in de weg staat aan een situatie waarin de boswachter, ofschoon zijn individuele arbeidsovereenkomst voorziet in een maximale arbeidstijd van 8 uur per dag en 40 uur per week, in feite als gevolg van wettelijke verplichtingen het onder zijn beheer staande perceel bos permanent dan wel langer dan de in dat artikel vastgestelde maximale wekelijkse arbeidstijd moet bewaken. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is in de bij hem aanhangige zaak, en in voorkomend geval, of in het hoofdgeding is voldaan aan de in artikel 17, lid 1, of artikel 22, lid 1, van richtlijn 2003/88 vastgestelde voorwaarden om af te wijken van voormeld artikel 6.
4)
Richtlijn 2003/88 moet aldus worden uitgelegd dat op de verplichting van de werkgever om loon of vergelijkbare vergoedingen te betalen voor de tijd waarin de boswachter verplicht is het onder zijn beheer staande perceel bos te bewaken, niet voornoemde richtlijn, maar de relevante bepalingen van nationaal recht van toepassing zijn.
(1) PB C 221 van 14.8.2010.
Full & Egal Universal Law Academy