16.4.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 120/3
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 18 januari 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Dioikitiko Efeteio Thessalonikis — Griekenland) — Souzana Berkizi-Nikolakaki/Anotato Symvoulio epilogis prosopikou (A.S.E.P.), Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis
(Zaak C-272/10) (1)
(Artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering - Sociale politiek - Artikel 155, lid 2, VWEU - Richtlijn 1999/70/EG - Clausule 8 van raamovereenkomst inzake arbeid van bepaalde tijd - Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in overheidssector - Opeenvolgende overeenkomsten - Misbruik - Sancties - Omzetting in arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd - Procedureregels - Dwingende termijn - Gelijkwaardigheid- en doeltreffendheidsbeginsel - Verlaging van algemeen niveau van bescherming van werknemers)
2011/C 120/05
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Dioikitiko Efeteio Thessalonikis
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Souzana Berkizi-Nikolakaki
Verwerende partijen: Anotato Symvoulio epilogis prosopikou (A.S.E.P.), Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Dioikitiko Efeteio Thessalonikis — Uitlegging van punt 3 van clausule 8 van de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43) — Nationale regeling die dwingende termijn invoert om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd
Dictum
1)
Artikel 155, lid 2, VWEU en de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeid van bepaalde tijd, die is opgenomen in bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling, als bedoeld bij artikel 11, lid 2, van presidentieel besluit 164/2004 houdende regelingen voor werknemers met overeenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector, dat bepaalt dat de aanvraag van een werknemer tot omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van een opeenvolging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die als misleidend kunnen worden beschouwd, bij de bevoegde instantie moet worden ingediend binnen een dwingende termijn van twee maanden vanaf de inwerkingtreding van dat besluit, op voorwaarde dat deze termijn niet ongunstiger is dan deze die geldt voor gelijkaardige beroepen inzake arbeidsrecht in intern recht en de uitoefening van de door het recht van de Unie verleende rechten niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Het staat aan de verwijzende rechter de naleving van deze voorwaarde na te gaan.
2)
Clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst inzake arbeid van bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling, als bedoeld bij artikel 11, lid 2, van presidentieel besluit 164/2004, dat bepaalt dat de aanvraag van een werknemer tot omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van een opeenvolging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die als misleidend kunnen worden beschouwd, bij de bevoegde instantie moet worden ingediend binnen een dwingende termijn van twee maanden vanaf de inwerkingtreding van dat besluit, hoewel de overeenkomstige termijnen die zijn vastgesteld in vergelijkbare eerdere wettelijke regelingen zijn verlengd, voor zover deze regelgeving niet raakt aan het algemeen niveau van bescherming van werknemers van bepaalde tijd.
(1) PB C 221 van 14.8.2010.
Full & Egal Universal Law Academy