CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
V. TRSTENJAK
van 16 december 2010 (1)
Zaak C‑78/10
Bérel e.a.
[verzoek van de Cour d’appel de Rouen (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Douane-unie – Kwijtschelding invoerrechten – Vertegenwoordiging – Hoofdelijke aansprakelijkheid – Mogelijkheid zich op kwijtschelding van douaneschuld ten aanzien van hoofdelijke medeschuldenaar te beroepen”
I – Inleiding
1. In de onderhavige prejudiciële procedure overeenkomstig artikel 267 VWEU wenst de Cour d’appel de Rouen (hierna: „verwijzende rechter”) te vernemen of een marktdeelnemer die als medeschuldenaar hoofdelijk aansprakelijk is voor een douaneschuld, zich erop kan beroepen dat de douaneautoriteiten de douaneschuld ten aanzien van een andere hoofdelijke medeschuldenaar gedeeltelijk hebben kwijtgescholden en derhalve ook zijn douaneschuld naar verhouding moet worden verlaagd.
II – Rechtskader
A – Unierecht(2)
2. De artikelen 3 en 4 van verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreffende de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld(3) bepalen:
„Artikel 3
Wanneer een douaneschuld is ontstaan krachtens artikel 2, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 2144/87, geldt als persoon die gehouden is tot betaling van deze schuld, degene die de goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht.
Eveneens zijn, overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen, hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden:
a) personen die aan het onregelmatig binnenbrengen hebben deelgenomen, alsmede de personen die het betrokken goed hebben verworven of in bezit hebben dan wel hebben gehouden;
b) alle andere personen die aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het feit dat het goed op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap is binnengebracht.
Artikel 4
1. Wanneer een douaneschuld is ontstaan krachtens artikel 2, lid 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 2144/87, geldt als persoon die gehouden is tot betaling van deze schuld, degene die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken.
Eveneens zijn overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden:
a) de personen die aan de onttrekking hebben deelgenomen, alsmede de personen die het betrokken goed hebben verworven of in bezit hebben gehouden;
b) alle andere personen die aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het feit dat het goed aan het douanetoezicht is onttrokken.
2. Eveneens is hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden de persoon die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de verplichtingen welke voor aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de voorlopige opslag of de gebruikmaking van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst.”
3. Deze bepalingen zijn opgeheven door de inwerkingtreding van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(4) (hierna: „douanewetboek” of „CDW”).
4. Titel I van het CDW bevat algemene bepalingen. In het eerste hoofdstuk ervan worden de werkingssfeer van het CDW omschreven en fundamentele begrippen gedefinieerd, zoals in artikel 4, punten 9 en 12:
„[...]
9. douaneschuld: de op een persoon rustende verplichting tot betaling van de rechten bij invoer (douaneschuld bij invoer) of de rechten bij uitvoer (douaneschuld bij uitvoer) die op bepaalde goederen van toepassing zijn uit hoofde van de geldende communautaire bepalingen;
[...]
12. schuldenaar: elke persoon die gehouden is tot betaling van het bedrag van de douaneschuld;
[...]”
5. Het tweede hoofdstuk van Titel I heeft met name betrekking op de rechten en verplichtingen van personen ten aanzien van de douanewetgeving. Afdeling 1 ervan, bestaande uit artikel 5, regelt het recht van vertegenwoordiging:
„1. Onder de in artikel 64, lid 2, gestelde voorwaarden en onder voorbehoud van de in het kader van artikel 245 geldende bepalingen kan iedere persoon zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten doen vertegenwoordigen.
2. De vertegenwoordiging kan:
– direct zijn wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel;
– indirect zijn, wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam, doch voor rekening van een andere persoon handelt.
[...]
4. De vertegenwoordiger dient te verklaren voor de vertegenwoordigde persoon te handelen; voorts dient hij aan te geven of het een directe dan wel een indirecte vertegenwoordiging betreft en moet hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten.
De persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.
5. De douaneautoriteiten kunnen van elke persoon die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, het bewijs eisen dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit.”
6. Titel VII van het CDW bevat bepalingen inzake de douaneschuld. Het tweede hoofdstuk ervan heeft betrekking op het ontstaan van de douaneschuld. De artikelen 202 en 203, die tot dit hoofdstuk behoren, bepalen het volgende:
„Artikel 202
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a) indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, of
b) indien dergelijke, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindende goederen op onregelmatige wijze in een ander deel van genoemd douanegebied worden binnengebracht.
Onder ‚op onregelmatige wijze binnenbrengen’ van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.
3. Schuldenaren zijn:
– de persoon die de goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht;
– de personen die aan dit binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde;
– de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die, op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze op onregelmatige wijze waren binnengebracht.
Artikel 203
1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.
3. Schuldenaren zijn:
– de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;
– de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;
– de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren ontrokken;
– alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.
[...]”
7. Artikel 213, dat eveneens tot voornoemd hoofdstuk behoort, bepaalt:
„Indien er voor eenzelfde douaneschuld verscheidende schuldenaren zijn, zijn zij hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden.”
8. Artikel 233, dat deel uitmaakt van Titel VII, hoofdstuk 4, van het douanewetboek, dat het tenietgaan van de douaneschuld regelt, bepaalt:
„Onverminderd de geldende bepalingen inzake de verjaring van de douaneschuld alsmede inzake de niet-invordering van het bedrag van de douaneschuld in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat de douaneschuld teniet
a) door betaling van het bedrag van de rechten;
b) door kwijtschelding van het bedrag van de rechten;
[...]”
9. Het vijfde hoofdstuk van Titel VII heeft betrekking op de terugbetaling en kwijtschelding van rechten. Artikel 239, dat hiervan deel uitmaakt, bepaalt:
„1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238
– welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;
– welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.
De douaneautoriteiten kunnen evenwel in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen toestaan dat deze termijn wordt overschreden.”
10. Artikel 86 van verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek)(5), die in plaats van het CDW is gekomen, maar ratione temporis niet van toepassing is, bepaalt onder meer:
„1. Onverminderd artikel 68 en de geldende bepalingen inzake de niet-invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan in‑ of uitvoerrechten in geval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet op een van de volgende wijzen:
[...]
b) behoudens lid 4, door kwijtschelding van het bedrag van de in‑ of uitvoerrechten;
[...]
4. Indien er voor het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan in‑ of uitvoerrechten meerdere schuldenaren zijn en deze schuld wordt kwijtgescholden, gaat de douaneschuld slechts teniet ten aanzien van de persoon of de personen aan wie kwijtschelding wordt verleend.
[...]”
11. Artikel 878 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(6) (hierna: „CDW-uitvoeringsverordening”) bepaalt:
„1. Het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of bij uitvoer, hierna ‚verzoek om terugbetaling of kwijtschelding’ genoemd, wordt ingediend door degene die deze rechten heeft voldaan of gehouden is deze te voldoen, dan wel door degenen die hem zijn opgevolgd in zijn rechten en verplichtingen.
Het verzoek om terugbetaling of kwijtschelding kan eveneens worden ingediend door de vertegenwoordiger van de in de eerste alinea bedoelde persoon of personen.
[...]”
12. Artikel 899 van verordening nr. 2454/93 bepaalt:
„Onverminderd overige omstandigheden die geval per geval worden beoordeeld in het kader van de in de artikelen 905 tot en met 909 bedoelde procedure, wanneer de beschikkende douaneautoriteit na ontvangst van het in artikel 239, lid 2, van het wetboek bedoelde verzoek om terugbetaling of kwijtschelding vaststelt:
– dat de tot staving van dit verzoek aangevoerde argumenten beantwoorden aan één van de omstandigheden bedoeld in de artikelen 900 tot en met 903 en deze geen manipulatie noch kennelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, staat zij de teruggave of de kwijtschelding van het bedrag van de rechten bij invoer toe.
Als ‚belanghebbende’ geldt de in artikel 878, lid 1, bedoelde persoon of personen alsmede, in voorkomend geval, iedere andere die een rol heeft gespeeld bij het vervullen van de douaneformaliteiten inzake de betrokken goederen of die de voor het vervullen van deze formaliteiten noodzakelijke opdrachten heeft gegeven;
– dat de tot staving van dit verzoek aangevoerde argumenten beantwoorden aan één van de omstandigheden bedoeld in artikel 904, staat zij de teruggave of de kwijtschelding van het bedrag van de rechten bij invoer niet toe.”
13. Deze bepaling luidt in de versie van verordening (EG) nr. 1335/2003 van de Commissie van 25 juli 2003(7) als volgt:
„1. Wanneer de beschikkende douaneautoriteit na ontvangst van het in artikel 239, lid 2, van het wetboek bedoelde verzoek om terugbetaling of kwijtschelding vaststelt,
– dat de tot staving van het verzoek aangevoerde argumenten beantwoorden aan een van de omstandigheden bedoeld in de artikelen 900 tot en met 903 en deze geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, staat zij de terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij in‑ of uitvoer toe;
– dat de tot staving van het verzoek aangevoerde argumenten beantwoorden aan een van de omstandigheden bedoeld in artikel 904, staat zij de terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij in‑ of uitvoer niet toe.
[...]
3. Voor de toepassing van artikel 239, lid 1, van het wetboek en van dit artikel wordt onder ‚belanghebbende’ verstaan de in artikel 878, lid 1, bedoelde persoon of personen of hun vertegenwoordigers evenals, in voorkomend geval, elke andere persoon die een rol heeft gespeeld bij het vervullen van de douaneformaliteiten voor de goederen in kwestie of die de voor het vervullen van deze formaliteiten noodzakelijke instructies heeft gegeven.
[...]”
14. Bij verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(8) is aan artikel 900, lid 1, CDW-uitvoeringsverordening een sub o toegevoegd, dat als volgt luidt:
„1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer wordt overgegaan wanneer:
[...]
o) de douaneschuld op een andere wijze is ontstaan dan op basis van artikel 201 van het wetboek en de betrokkene een certificaat van oorsprong, een certificaat inzake goederenverkeer, een document inzake intern communautair douanevervoer, dan wel enig ander passend document kan overleggen, waaruit blijkt dat de ingevoerde goederen, indien zij voor het vrije verkeer waren aangegeven, voor een communautaire behandeling of een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking hadden kunnen komen, mits aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 890 is voldaan.”
B – Nationaal recht
15. Artikel 1208 van de Code civil (Frans burgerlijk wetboek) bepaalt:
„Indien één van de hoofdelijke medeschuldenaren door de schuldeiser voor de rechter wordt gedaagd, kan hij alle excepties doen gelden die verband houden met de aard van de schuld en die hem persoonlijk of alle hoofdelijke medeschuldenaren gezamenlijk ter beschikking staan. Excepties die sommige van de hoofdelijke medeschuldenaren slechts persoonlijk ter beschikking staan, kan hij niet doen gelden.”
III – Geschil waarin de prejudiciële vraag is gerezen
A – Feiten en procesverloop voor de douaneautoriteiten
16. De onderneming Asia Pulp & Paper France (hierna: „APP”) heeft de onderneming Rijn Schelde Mondia France (hierna: „Mondia”) opdracht gegeven voor het vervoer en de invoer van papier van oorsprong uit Indonesië. Mondia is gespecialiseerd in de afwikkeling van in‑ en uitvoertransacties van houtproducten (papier, oud papier, houtpulp). Mondia bezit een exploitatievergunning voor douane-entrepots in Rouen en Le Havre, die zijn onderworpen aan de regeling inzake tijdelijke opslagmagazijnen en ‑plaatsen („magasins et aires de dépôt temporaires”). Deze entrepots zijn bestemd voor de tijdelijke opslag van goederen die niet binnen een dag na binnenkomst ervan in de Unie een douanebestemming hebben gekregen. Goederen uit dergelijke tijdelijke opslagmagazijnen en ‑plaatsen mogen volgens de toepasselijke bepalingen pas in het douanegebied van de Unie worden ingevoerd nadat zij ten invoer zijn aangegeven.
17. Mondia heeft van haar kant de douane-expediteur Société de manutention de produits chimiques et miniers (hierna: „Maprochim”) opdracht gegeven om op basis van haar aanwijzingen met name aangifte ten invoer te doen en de verschuldigde rechten te betalen.
18. De goederen die voorwerp zijn van het hoofdgeding, zijn bij aankomst in Frankrijk eerst voorlopig opgeslagen in de tijdelijke opslagmagazijnen en ‑plaatsen van Mondia. In de loop van het jaar 2000 hebben de Franse douaneautoriteiten onderzoek gedaan naar de door Maprochim en Mondia in 1998 en 1999 zowel in Le Havre als in Rouen verrichte in‑ en uitvoertransacties. Hierbij bleek dat Mondia in strijd met de artikelen 202 en 203 CDW had gehandeld door een deel van de betrokken goederen zonder aangifte te hebben binnengebracht in het douanegebied van de Unie en een ander deel pas ten invoer te hebben aangegeven nadat zij reeds in de Unie waren binnengebracht. De douaneautoriteiten stelden vervolgens het bedrag van de door Mondia en APP overeenkomstig voornoemde bepalingen verschuldigde rechten vast en deelden hen dit mede.(9)
19. Op 31 oktober 2000 diende Mondia bij de Franse douaneautoriteiten verzoeken om kwijtschelding van haar douaneschulden in overeenkomstig artikel 239 CDW juncto artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening. Ter motivering voerde zij aan dat zij bij adequate aangifte recht zou hebben gehad op preferentiële tariefbehandeling en dat haar geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid kon worden verweten.
20. Hoewel de Franse douaneautoriteiten ervan uitgingen dat Mondia niet klaarblijkelijk nalatig had gehandeld, waren zij echter van mening dat niet zijzelf, maar de Commissie deze kwestie diende te beoordelen. Vervolgens meenden zij echter alsnog dat zijzelf en dus niet de Commissie bevoegd waren om tot deze beoordeling over te gaan. Wel verzochten zij de Commissie om verduidelijkingen. Naar aanleiding daarvan deelde de Commissie de Franse douaneautoriteiten mee dat Mondia haars inziens kennelijk nalatig had gehandeld.(10)
21. Vervolgens wezen de Franse douaneautoriteiten de verzoeken van Mondia om kwijtschelding van de invoerrechten overeenkomstig artikel 239 CDW juncto artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening in eerste instantie af. Nadat Mondia verdere informatie had verstrekt, wezen zij haar verzoeken bij beschikkingen van 6 februari en 3 maart 2006 gedeeltelijk toe en scholden zij een deel van de door Mondia verschuldigde invoerrechten kwijt. Het door Mondia te betalen bedrag aan douanerechten werd dus verminderd met het kwijtgescholden bedrag.
22. Van APP, die zelf geen verzoek om kwijtschelding had ingediend, vorderden de Franse douaneautoriteiten daarentegen nog steeds het volledige, niet-verlaagde bedrag.
23. Douane-expediteur Maprochim werd door de Franse douaneautoriteiten verweten bij de schending van artikel 203 CDW betrokken te zijn geweest. Maprochim had een deel van de betrokken goederen te laat aangegeven alhoewel zij wist of had moeten weten dat deze goederen de tijdelijke opslagmagazijnen en ‑plaatsen reeds hadden verlaten en waren geleverd. Om deze reden eisten de Franse douaneautoriteiten van Maprochim betaling van een overeenkomstig bedrag aan rechten.
24. Maprochim diende vervolgens een verzoek om kwijtschelding in overeenkomstig artikel 236 CDW juncto artikel 890 CDW-uitvoeringsverordening. Dit verzoek werd door de Franse douaneautoriteiten afgewezen met het argument dat die bepalingen niet van toepassing zijn op een volgens artikel 203 CDW ontstane douaneschuld. Artikel 236 CDW is namelijk alleen van toepassing op invoer‑ of uitvoerrechten die niet wettelijk verschuldigd waren. Wanneer achteraf bewijzen van oorsprong worden voorgelegd, heeft dit niet tot gevolg dat een douaneschuld in de zin van artikel 203 CDW niet eens is ontstaan, maar bestaat alleen de mogelijkheid van kwijtschelding achteraf in de zin van artikel 239 juncto 890 CDW-uitvoeringsverordening.
B – Procesverloop voor de nationale rechters en prejudiciële vraag
25. Mondia, APP en Maprochim hebben bij het Tribunal d’instance du Havre en het Tribunal d’instance de Rouen beroep ingesteld. De beroepen voor het Tribunal d’instance du Havre zijn wegens connexiteit naar het Tribunal d’instance de Rouen verwezen. Op 16 november 2007 is het vermogen van Maprochim onder algemene titel overgegaan op de onderneming Port Angot développement (hierna: „PAD”), zodat die onderneming als rechtsopvolgster van Maprochim de procedure heeft voortgezet.
26. In zijn vonnis van 11 april 2008 heeft het Tribunal d’instance de Rouen onder meer vastgesteld dat
– de Franse douaneautoriteiten Mondia terecht een gedeeltelijke kwijtschelding van het bedrag van de rechten overeenkomstig artikel 239 CDW en artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening hebben toegekend;
– Mondia ten aanzien van dit verzoek om kwijtschelding niet als vertegenwoordigster van APP in de zin van artikel 5 CDW heeft gehandeld;
– Mondia echter overeenkomstig artikel 1208 van de Franse Code civil als vertegenwoordigster van APP moet worden beschouwd, aangezien die bepaling vastlegt dat een hoofdelijke medeschuldenaar de andere hoofdelijke medeschuldenaren noodzakelijkerwijs vertegenwoordigt.
27. Hiervan uitgaande heeft het Tribunal d’instance de Rouen de Mondia toegekende kwijtschelding ook ten gunste van APP in aanmerking genomen en deze in mindering gebracht op het door APP te betalen bedrag aan douanerechten.
28. Tegen dat vonnis van het Tribunal d’instance de Rouen hebben enerzijds de Franse douaneautoriteiten en anderzijds Mondia, APP en PAD beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Zij twisten met name over de vraag of de Mondia verleende gedeeltelijke kwijtschelding ook ten gunste van APP en PAD in aanmerking moet worden genomen.
29. Op 17 oktober 2008 is ten aanzien van PAD een faillissementsprocedure ingeleid en Maître Bérel aangewezen als gemachtigde.
30. Bij beslissing van 28 januari 2010 heeft de verwijzende rechter een gedeeltelijke uitspraak over de beroepen gedaan, de procedure voor het overige geschorst en de volgende prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof:
„Verzetten de artikelen 213, 233 en 239 van het communautair douanewetboek zich ertegen dat een hoofdelijke medeschuldenaar van een douaneschuld wiens schuld niet bij een beschikking is kwijtgescholden, teneinde zich te bevrijden van betaling van de douaneschuld, zich jegens de met de inning belaste douanedienst kan beroepen op de kwijtscheldingsbeschikking die deze dienst krachtens artikel 239 van het communautair douanewetboek heeft gegeven met betrekking tot een andere hoofdelijke medeschuldenaar?”
IV – Prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
31. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 8 februari 2010 neergelegd ter griffie van het Hof.
32. In de loop van de procedure hebben APP, Maître Bérel voor PAD, de Franse regering en de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.
33. Aan de terechtzitting op 11 november 2010 is deelgenomen door de procesvertegenwoordiger van APP, de Franse regering en de Commissie, die hun opmerkingen hebben aangevuld en vragen hebben beantwoord.
V – Voornaamste argumenten van partijen
34. APP is van mening dat ook zij in het genot moet komen van de Mondia verleende gedeeltelijke kwijtschelding.
35. Bij haar verzoek om kwijtschelding zou Mondia APP hebben vertegenwoordigd. Een verzoek om kwijtschelding kan namelijk ook door een vertegenwoordiger worden ingediend. Alhoewel Mondia niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij het verzoek om kwijtschelding ook namens APP indiende, is het in artikel 5, lid 4, CDW neergelegde beginsel dat een vertegenwoordigingsrelatie kenbaar moet zijn in een situatie als in casu niet van toepassing. Anders dan bij een invoeraangifte bestaat bij een verzoek om kwijtschelding namelijk geen onzekerheid omtrent de hoofdschuldenaar van de douaneschuld. In dit geval zijn de hoofdelijk tot betaling van de douaneschuld verplichte personen namelijk bekend. Bovendien heeft APP klaarblijkelijk groot belang bij kwijtschelding.
36. Voorts onderzoeken de douaneautoriteiten bij een verzoek om kwijtschelding in de zin van artikel 239, leden 1 en 2, CDW en artikel 899 CDW-uitvoeringsverordening dat door de met de invoer belaste onderneming wordt ingediend, niet alleen de objectieve voorwaarden voor een kwijtschelding, maar ook de subjectieve omstandigheden van alle betrokken marktdeelnemers. Het ligt voor de hand dat APP voldoet aan de subjectieve voorwaarden van artikel 239, leden 1 en 2, CDW en artikel 899 CDW-uitvoeringsverordening. Een onderneming als APP, die gebruikmaakt van de diensten van een andere onderneming zoals Mondia, kan zich volgens de rechtspraak niet op haar onervarenheid bij douaneformaliteiten beroepen. Veeleer staat zij in voor de handelingen van haar vertegenwoordigster. Omgekeerd echter komt een onderneming als APP in het onderhavige geval ten goede dat de handelingen van haar vertegenwoordigster niet van klaarblijkelijke nalatigheid getuigen. Indien Mondia niet klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld, dan geldt dit des te meer voor APP als minder ervaren marktdeelnemer. Ten slotte moet in aanmerking worden genomen dat Mondia naar aanleiding van een aanwijzing die zij van APP kreeg melding heeft gedaan bij de douaneautoriteiten en dat APP in de loop van de procedure niet is verweten nalatig te hebben gehandeld.
37. Overigens heeft de Mondia toegekende gedeeltelijke kwijtschelding ook gevolgen ten voordele van APP. Artikel 233 noemt vier soorten gevallen waarin de douaneschuld tenietgaat. Hiertoe behoort overeenkomstig artikel 233, sub b, CDW ook kwijtschelding. Deze bepaling legt niet vast dat de werking van de kwijtschelding zich tot een bepaalde schuldenaar beperkt. Wat het regime van de hoofdelijke aansprakelijkheid betreft, is het nationale recht van toepassing. Uit de bepalingen van de Franse Code civil, met name artikel 1208 ervan, volgt dat de gedeeltelijke kwijtschelding ten gunste van Mondia ook implicaties heeft voor APP. De douaneautoriteiten hebben zich namelijk niet ertoe beperkt, de douaneschuld alleen ten aanzien van Mondia kwijt te schelden. Voor het geval dat het regime van de hoofdelijke aansprakelijkheid zich niet naar het recht van de lidstaten, maar naar het recht van de Unie richt, moet dezelfde conclusie worden getrokken als uitgaande van de Code civil.
38. Maître Bérel voert namens PAD aan dat de betaling van de douaneschuld door een hoofdelijke medeschuldenaar volgens artikel 233, lid 1, sub a, CDW het tenietgaan van de douaneschuld tot gevolg heeft, hetgeen ook gevolgen ten voordele van de overige hoofdelijke medeschuldenaren heeft. Dit dient ook te gelden in gevallen waarin de douaneschuld van een van de hoofdelijke medeschuldenaren overeenkomstig artikel 233, lid 1, sub b, CDW wordt kwijtgescholden.
39. De implicaties van een kwijtschelding voor de hoofdelijke medeschuldenaren worden bij ontbreken van Unierechtelijke regelingen door het nationale recht geregeld. Derhalve is in het onderhavige geval de Franse Code civil van toepassing, waaruit volgt dat de Mondia verleende kwijtschelding ook gevolgen ten voordele van haar hoofdelijke medeschuldenaren APP en PAD heeft. Een dergelijke benadering strookt ook met het in het Unierecht verankerde gelijkheidsbeginsel.
40. Ten slotte zijn ook de Franse douaneautoriteiten ervan uitgegaan dat de beschikking inzake de gedeeltelijke kwijtschelding ten aanzien van Mondia ook gevolgen ten voordele van APP en PAD had. Zij hebben APP en Maprochim namelijk erop gewezen dat de beslissing over hun beroepen pas zou worden genomen zodra de beslissing omtrent Mondia’s verzoek om kwijtschelding vaststond.
41. Volgens de Franse regering kunnen APP en PAD, respectievelijk Maprochim, geen beroep doen op de gedeeltelijke kwijtschelding ten aanzien van Mondia. Artikel 239 CDW moet eng worden uitgelegd. Volgens het tweede lid ervan kan een verzoek om kwijtschelding slechts binnen een bepaalde termijn worden ingediend. Mondia heeft zich bij de indiening van haar verzoek aan de gestelde termijn gehouden. Zij heeft echter niet verklaard ook namens APP en Maprochim op te treden. Derhalve heeft Mondia haar verzoek om kwijtschelding niet als vertegenwoordigster van APP en Maprochim ingediend.
42. Voorts wordt de kwijtschelding in de zin van artikel 239 CDW slechts toegekend wanneer de indiener van het verzoek geen frauduleuze bedoelingen had en niet klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld. De beoordeling van een eventuele klaarblijkelijke nalatigheid hangt in het bijzonder af van de complexiteit van de bepalingen waarvan de niet-naleving tot het ontstaan van de douaneschuld heeft geleid, evenals van de beroepservaring en de zorgvuldigheid van de marktdeelnemer. De douaneautoriteiten dienen de individuele situatie en het individuele gedrag van de betrokken marktdeelnemer te beoordelen. Derhalve kan een beslissing in de zin van artikel 239 CDW niet automatisch tot andere hoofdelijk aansprakelijke medeschuldenaren worden uitgebreid.
43. Ten slotte zou, wanneer een kwijtschelding automatisch ook voor de andere hoofdelijke medeschuldenaren zou gelden, afbreuk worden gedaan aan het doel, de eigen middelen van de Unie te beschermen.
44. Volgens de Commissie heeft de gedeeltelijke kwijtschelding van een douaneschuld overeenkomstig artikel 239 CDW ten aanzien van een van de hoofdelijke medeschuldenaren geen werking voor de overige hoofdelijke medeschuldenaren.
45. Uit artikel 4, punten 9 en 12, CDW volgt dat een douaneschuld een verbinding vormt tussen een douaneautoriteit en een persoon, en niet tussen een douaneautoriteit en een transactie.
46. De in artikel 233 CDW genoemde criteria voor de kwijtschelding van een douaneschuld moeten met het oog op het doel, de eigen middelen van de Unie te beschermen, eng worden uitgelegd. Deze bepaling mag derhalve niet zo worden uitgelegd dat een kwijtschelding absolute werking ten opzichte van alle hoofdelijke medeschuldenaren heeft. Uit artikel 239 CDW volgt veeleer dat een kwijtschelding alleen maar relatieve werking heeft. Voorwaarde voor een kwijtschelding uit hoofde van die bepaling is namelijk niet alleen het bestaan van een bepaalde objectieve situatie, maar ook dat de betrokken indiener van het verzoek geen frauduleuze bedoelingen had en niet klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld. Derhalve kan een kwijtschelding uit hoofde van artikel 239 CDW alleen voor de indiener van het verzoek zelf gelden. Die zienswijze strookt ook met de wil van de Uniewetgever, die met de instelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid het risico van niet-invorderbaarheid van douaneschulden wilde verminderen.
47. Overeenkomstig het systeem van het CDW staat het dus aan iedere schuldenaar, een verzoek om kwijtschelding overeenkomstig artikel 239 CDW in te dienen. Het is weliswaar mogelijk dat een hoofdelijke medeschuldenaar een andere bij een dergelijk verzoek vertegenwoordigt. De regels inzake vertegenwoordiging in het kader van de douanewetgeving volgen echter niet uit het nationale recht, maar uit artikel 5 CDW. Aangezien Mondia bij haar verzoek om kwijtschelding niet als vertegenwoordigster van APP of Maprochim is opgetreden, is niet voldaan aan de voorwaarden voor vertegenwoordiging van artikel 5 CDW. Bovendien is Mondia in haar verzoek sowieso niet op het gedrag van APP ingegaan, zodat niet had kunnen worden onderzocht of APP klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten.
VI – Juridische beoordeling
48. In het onderhavige geval zijn drie marktdeelnemers, namelijk Mondia, APP en Maprochim, de rechtsvoorgangster van PAD, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van douanerechten. Eén van die hoofdelijke medeschuldenaren, Mondia, is het bedrag van die rechten uit hoofde van artikel 239 CDW juncto artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening gedeeltelijk kwijtgescholden.
49. De verwijzende rechter dient uitspraak te doen over de beroepen die zijn ingesteld tegen een vonnis waarin voor recht is verklaard dat de gedeeltelijke kwijtschelding ten gunste van Mondia ook gevolgen ten voordele van haar hoofdelijke medeschuldenaar APP heeft. De rechter in eerste aanleg heeft deze vaststelling gebaseerd op artikel 1208 van de Franse Code civil, dat bepaalt dat een hoofdelijke medeschuldenaar ten opzichte van de schuldeiser met name alle excepties kan doen gelden die verband houden met de aard van de schuld of die alle hoofdelijke medeschuldenaren gezamenlijk ter beschikking staan. De verwijzende rechter betwijfelt dat een dergelijke zienswijze verenigbaar is met de artikelen 213, 233 en 239 CDW.
50. In de onderhavige prejudiciële procedure staat derhalve de vraag centraal of de artikelen 213, 233 en 239 CDW in de weg staan aan de toepassing van nationale bepalingen uit hoofde waarvan de aan hoofdelijke medeschuldenaar Mondia verleende gedeeltelijke kwijtschelding ook gevolgen ten voordele van de overige hoofdelijke medeschuldenaren heeft, hetgeen een overeenkomstige verlaging van de door hen te betalen bedragen van de douanerechten tot gevolg zou hebben (B). Voordat ik op deze vraag inga, wil ik kort uiteenzetten waarom Mondia in casu niet als vertegenwoordigster van APP of Maprochim respectievelijk PAD kan worden beschouwd (A).
A – Geen vertegenwoordiging in de zin van artikel 5 CDW
51. De verwijzende rechter heeft vastgesteld dat Mondia niet als vertegenwoordigster in de zin van artikel 5 CDW kan worden beschouwd, omdat zij het verzoek om kwijtschelding van de douaneschuld alleen in eigen naam en niet tegelijkertijd in naam van APP en Maprochim heeft ingediend. Het in artikel 5, lid 4, CDW neergelegde beginsel dat een vertegenwoordigingsrelatie kenbaar moet zijn verzet zich in het onderhavige geval ertegen dat een vertegenwoordiging in de zin van die bepaling wordt aangenomen.
52. Voor zover APP in de onderhavige prejudiciële procedure uiteenzet waarom het in artikel 5, lid 4, CDW neergelegde beginsel dat een vertegenwoordigingsrelatie kenbaar moet zijn bij een verzoek om kwijtschelding niet van toepassing is respectievelijk Mondia het verzoek om kwijtschelding impliciet ook in haar naam heeft ingediend, lijkt mij die argumentatie reeds verder te gaan dan het voorwerp van de prejudiciële vraag. In het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 267 VWEU staat het uitsluitend aan de verwijzende rechter om het voorwerp van de prejudiciële vraag te bepalen. Aan de inhoud van de prejudiciële vraag is dus ieder initiatief van partijen vreemd.(11) Aangezien de verwijzende rechter geen prejudiciële vraag betreffende artikel 5 CDW heeft gesteld, zal ik hieronder slechts volledigheidshalve toelichten waarom hij een vertegenwoordiging in de zin van artikel 5 CDW terecht van de hand heeft gewezen.
53. De vertegenwoordiging in procedures betreffende de douanewetgeving wordt geregeld door artikel 5 CDW. Volgens artikel 5, lid 1, CDW kan iedere persoon zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten doen vertegenwoordigen. De vertegenwoordiging kan volgens artikel 5, lid 2, eerste alinea, eerste gedachtestreepje, CDW direct zijn wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel volgens artikel 5, lid 2, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, CDW indirect wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam, doch voor rekening van een andere persoon handelt. Artikel 878 CDW-uitvoeringsverordening verduidelijkt dat een schuldenaar zich ook bij het indienen van een verzoek om kwijtschelding kan laten vertegenwoordigen.
54. Ter waarborging van een effectieve vertegenwoordiging in procedures betreffende de douanewetgeving moet echter zijn voldaan aan de voorwaarden van artikel 5 CDW, waaronder in het bijzonder het in artikel 5, lid 4, eerste alinea, CDW neergelegde beginsel dat een vertegenwoordigingsrelatie kenbaar moet zijn. Dit houdt in dat de vertegenwoordiger moet verklaren in naam van de vertegenwoordigde persoon te handelen. Voorts moet hij aangeven of het om een directe of om een indirecte vertegenwoordiging gaat. Artikel 5, lid 4, tweede alinea, CDW legt vast dat de vertegenwoordiger in een geval waarin de vertegenwoordiging niet kenbaar is gemaakt, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.
55. In dit verband heeft de verwijzende rechter om te beginnen erop gewezen dat Mondia het verzoek om kwijtschelding uitdrukkelijk alleen in eigen naam heeft ingediend. Ook kan uit de opmerking van Mondia dat zij namens APP goederen voor invoer heeft aangegeven, nog niet worden geconcludeerd dat Mondia impliciet in naam van APP is opgetreden. Voorts ontbreekt iedere aanwijzing of het om een directe of om een indirecte vertegenwoordiging ging. Om deze reden heeft Mondia de verzoeken om kwijtschelding niet als vertegenwoordigster van APP ingediend.
56. De door APP aangevoerde bezwaren tegen deze zienswijze weten mij niet te overtuigen.
57. Ten eerste is het in artikel 5, lid 4, CDW neergelegde beginsel dat een vertegenwoordigingsrelatie kenbaar moet zijn, in tegenstelling tot de opvatting van APP, ook van toepassing met betrekking tot een verzoek om kwijtschelding. Zoals de verwijzende rechter terecht heeft vastgesteld, vormt dat beginsel een algemeen toepasselijke regel die ook voor een verzoek om kwijtschelding geldt.(12) Dit volgt uit de systematische plaats van deze bepaling aan het begin van het douanewetboek, de titel van het hoofdstuk, „Algemene bepalingen”, en niet in de laatste plaats de bewoordingen van de bepaling.
58. Ten tweede kan in een geval als in casu ook niet worden aangenomen dat Mondia impliciet in naam van APP heeft gehandeld. De verwijzende rechter heeft terecht vastgesteld dat alleen uit het feit dat APP Mondia opdracht heeft gegeven de betrokken goederen ten invoer aan te geven, niet automatisch volgt dat Mondia ook bij de indiening van haar verzoeken om kwijtschelding in de zin van artikel 239 CDW juncto artikel 900 CDW-uitvoeringsverordening in naam van APP wilde optreden. Een verzoek om kwijtschelding heeft namelijk alleen dan kans van slagen, wanneer de indiener ervan geen frauduleuze bedoelingen had en hem ook geen klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten. Bij de levering van het bewijs dat aan die subjectieve voorwaarde is voldaan, lopen de belangen van de marktdeelnemer die de betrokken goederen daadwerkelijk heeft ingevoerd en die van de marktdeelnemer in wiens naam de goederen zijn ingevoerd respectievelijk hadden moeten worden ingevoerd, niet noodzakelijk parallel. Het is goed mogelijk dat een vertegenwoordiger in bepaalde situaties zijn eigen gedrag tracht te rechtvaardigen door de schuld voor de douanerechtelijke overtreding bij de opdrachtgever te leggen. Alleen uit het feit dat een marktdeelnemer goederen in naam van een derde voor invoer heeft aangegeven, kunnen de douaneautoriteiten derhalve niet opmaken dat hij automatisch ook een verzoek om kwijtschelding in naam van een derde wil indienen.
59. In tegenstelling tot de opvatting van APP heeft de verwijzende rechter dus terecht vastgesteld dat Mondia het verzoek om kwijtschelding niet in haar hoedanigheid van vertegenwoordigster in de zin van artikel 5 CDW heeft ingediend.
B – De werking van een gedeeltelijke kwijtschelding overeenkomstig artikel 239, lid 1, CDW juncto artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening voor de overige hoofdelijke medeschuldenaren
60. De verwijzende rechter dient uitspraak te doen over de beroepen die zijn ingediend tegen een vonnis waarin voor recht is verklaard dat Mondia bij haar verzoek om kwijtschelding weliswaar niet overeenkomstig artikel 5 CDW als vertegenwoordigster van APP heeft gehandeld, maar als hoofdelijke medeschuldenaar de andere hoofdelijke medeschuldenaar APP overeenkomstig artikel 1208 van de Franse Code civil noodzakelijkerwijs mede heeft vertegenwoordigd.
61. In dit verband wijs ik om te beginnen erop dat de voorwaarden voor een effectieve vertegenwoordiging in douaneprocedures in artikel 5 CDW zijn geregeld. Het douanewetboek heeft als verordening overeenkomstig artikel 249, tweede alinea, EG voorrang boven nationaalrechtelijke regelingen. Dit betekent dat geen beroep op een nationale bepaling als artikel 1208 van de Franse Code civil kan worden gedaan om in strijd met artikel 5 CDW een effectieve vertegenwoordiging in een douaneprocedure te onderbouwen.
62. Nu speelt vertegenwoordiging in de eigenlijke zin in casu een ondergeschikte rol. Veeleer gaat het om de vraag of de gedeeltelijke kwijtschelding van de douaneschuld ten aanzien van een hoofdelijke medeschuldenaar als Mondia ook gevolgen ten voordele van APP en Maprochim als overige hoofdelijke medeschuldenaren heeft. Dit vraagstuk van de implicaties van een kwijtschelding voor de overige hoofdelijke medeschuldenaren is in artikel 5 CDW niet geregeld.
63. Derhalve moet om te beginnen worden nagegaan of het antwoord op deze vraag in het Unierecht of in het recht van de lidstaten moet worden gezocht.
1. Toepasselijk recht
64. Artikel 213 CDW bepaalt dat indien er voor eenzelfde douaneschuld verscheidene schuldenaren zijn, zij hoofdelijk tot betaling van die schuld gehouden zijn. Daarnaast bevat het douanewetboek geen andere uitdrukkelijke bepalingen inzake het regime van de hoofdelijke aansprakelijkheid.
65. Dit doet de vraag rijzen of in dat opzicht het recht van de lidstaten van toepassing is. Hiervan kan slechts worden uitgegaan wanneer een verwijzing naar het nationale recht uitdrukkelijk voorzien is dan wel uit de betrokken bepalingen van het Unierecht volgt dat de Uniewetgever dit vraagstuk aan het recht van de lidstaten wilde overlaten.(13)
66. Het douanewetboek bevat op dit punt geen uitdrukkelijke verwijzing naar de nationale bepalingen. Het verwijst evenmin naar het „vigerende recht”, hetgeen volgens artikel 4, punt 23, CDW als verwijzing naar het nationale recht moet worden begrepen indien geen overeenkomstige regeling op het vlak van het Unierecht bestaat. De historisch-genetische uitlegging van artikel 213 CDW, dat wil zeggen de vergelijking van die bepaling met de relevante voorafgaande bepalingen, pleit veeleer tegen een algemene verwijzing naar het nationale recht. De artikelen 3 en 4 van verordening nr. 1031/88, die vóór de inwerkingtreding van het douanewetboek golden, bepaalden namelijk uitdrukkelijk dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de schuldenaren door „de in de lidstaten geldende bepalingen” werd geregeld. Artikel 213 CDW voorziet niet meer in een dergelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten. Derhalve kan niet worden uitgegaan van een algemene verwijzing naar het recht van de lidstaten.
67. Ten aanzien van de details van het regime van de hoofdelijke aansprakelijkheid moet derhalve om te beginnen worden onderzocht of het Unierecht bepalingen ter zake bevat. Mocht dit niet het geval zijn, is bij wijze van aanvulling het recht van de lidstaten van toepassing.
68. In casu moet daarom eerst worden nagegaan of uit het douanewetboek kan worden afgeleid welke werking de gedeeltelijke kwijtschelding van douanerechten ten aanzien van een hoofdelijke medeschuldenaar overeenkomstig artikel 239 CDW juncto artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening voor de overige hoofdelijke medeschuldenaren heeft.
2. De aanwijzingen van het douanewetboek
69. Ik wil in dit verband om te beginnen erop wijzen dat de onderhavige vraag uitsluitend betrekking heeft op de verhouding tussen APP en PAD, enerzijds, en de Franse douaneautoriteiten, anderzijds. Het gaat dus om de verhouding tussen schuldenaren en douaneautoriteiten, maar niet om de verhouding tussen de individuele schuldenaren. Dit onderscheid lijkt mij met name relevant omdat de juridische vorm waarin de verhouding tussen schuldenaren en douaneautoriteiten is gegoten, rechtstreekse gevolgen heeft voor de douanerechten en dus voor de eigen middelen van de Unie. Verschillende overwegingen pleiten ervoor dat op vragen die betrekking hebben op het tenietgaan van de douaneschuld ten opzichte van de douaneautoriteiten en die dus rechtstreeks betrekking hebben op de eigen middelen van de Unie, een eenvormig antwoord te vinden is in het douanewetboek. De juridische vorm van de verhouding tussen de afzonderlijke hoofdelijke medeschuldenaren, in het bijzonder de vraag in hoeverre deze ten opzichte van elkaar uiteindelijk aansprakelijk zijn voor de douaneschuld, heeft daarentegen geen rechtstreekse implicaties voor de eigen middelen. Mijns inziens is hier dus bij de huidige stand van het Unierecht meer ruimte voor de nationale rechtsordes.
70. APP en Maprochim leiden hun argument dat de kwijtschelding ten gunste van Mondia ook ten voordele van hen gevolgen heeft, om te beginnen af uit de bewoordingen van artikel 233, lid 1, sub b, CDW. Volgens die bepaling gaat een douaneschuld teniet door kwijtschelding van het bedrag van de rechten. Louter op grond van de bewoordingen ervan zou die bepaling inderdaad aldus kunnen worden uitgelegd dat kwijtschelding ten aanzien van één van de medeschuldenaren het tenietgaan van de douaneschuld ten opzichte van alle medeschuldenaren tot gevolg heeft.
71. Voorts verwijzen zij naar het systematische verband tussen artikel 233, lid 1, sub a en sub b, CDW. Artikel 233, lid 1, sub a, regelt een ander geval waarin een douaneschuld tenietgaat, namelijk bij betaling van het bedrag van de rechten door één van de hoofdelijke medeschuldenaren. Dat in een dergelijk geval niet alleen de douaneschuld van de betalende, maar ook die van de andere hoofdelijke schuldenaren tenietgaat, ligt voor de hand. Kenmerkend voor de hoofdelijke aansprakelijkheid is immers dat de schuldeiser de schuld weliswaar van iedere hoofdelijke medeschuldenaar kan opeisen, maar dit slechts één keer.(14) Onder verwijzing naar het feit dat artikel 233, lid 1, CDW zowel in het geval van betaling van de douaneschuld als in het geval van kwijtschelding ervan het begrip tenietgaan gebruikt, zou derhalve kunnen worden geargumenteerd dat niet alleen de betaling van de douaneschuld in de zin van sub a, maar ook de kwijtschelding van het bedrag van de rechten in de zin van sub b ertoe leidt dat de douaneschuld voor alle hoofdelijke medeschuldenaren tenietgaat.
72. Een dergelijke uitlegging van artikel 233, lid 1, sub b, CDW, die ten dele in de rechtsleer wordt bepleit(15), zou echter niet stroken met de met de artikelen 202, 203, 213, 233 en 239 CDW nagestreefde doelstellingen en het nuttig effect ervan ondermijnen.
73. Om te beginnen moet in aanmerking worden genomen dat overeenkomstig artikel 202, lid 3, CDW en artikel 203, lid 3, CDW niet alleen degene die de douanerechtelijke overtreding begaat (telkens eerste gedachtestreepje), maar ook degene die bij die overtreding betrokken is (telkens tweede gedachtestreepje) evenals andere marktdeelnemers (zie de overige gedachtestreepjes in de desbetreffende leden) voor de douaneschuld aansprakelijk zijn. Deze meervoudige dekking dient het risico van niet-invorderbaarheid van de douaneschuld in gevallen waarin niet naar behoren aangifte is gedaan, te verminderen. Relevant is in dit verband vooral dat de douanerechten tot de eigen middelen van de Unie behoren en dus deel uitmaken van haar begroting. Bij de uitlegging van artikel 233, lid 1, sub b, CDW en artikel 239 CDW moet derhalve ook rekening worden gehouden met de noodzaak om de eigen middelen van de Unie te beschermen. Dit doel mag niet door de invoering van nieuwe gronden voor het tenietgaan van douaneschulden worden ondermijnd.(16)
74. Relevant is voorts dat in casu de douaneschuld van Mondia uit hoofde van artikel 239 CDW en artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening is kwijtgescholden. Artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening heeft met name betrekking op de gevallen waarin goederen vóór de invoer ervan niet naar behoren zijn aangegeven en op grond van die overtreding een douaneschuld in de zin van de artikelen 202 en 203 CDW is ontstaan. In dat geval worden bij de vaststelling van de douaneschuld noch de mogelijkheid van een Uniebehandeling noch die van een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking genomen. Echter voorziet artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening voor gevallen waarin die voordelen bij adequate aangifte in aanmerking hadden kunnen worden genomen, omwille van de billijkheid in de mogelijkheid van kwijtschelding achteraf. Voorwaarde voor een dergelijke kwijtschelding om redenen van billijkheid is echter niet alleen dat bij adequate aangifte een recht op Uniebehandeling of op preferentiële tariefbehandeling zou hebben bestaan, maar ook subjectief dat de indiener van het verzoek geen frauduleuze bedoelingen of klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten.
75. Indien artikel 233, lid 1, sub b, CDW aldus zou worden uitgelegd dat de gedeeltelijke kwijtschelding ten aanzien van Mondia overeenkomstig artikel 239 CDW juncto artikel 900 CDW-uitvoeringsverordening automatisch ook implicaties ten voordele van de hoofdelijke medeschuldenaren APP en Maprochim (respectievelijk PAD) heeft, zouden de voornoemde doelstellingen niet naar behoren in aanmerking worden genomen. Enerzijds valt namelijk niet in te zien waarom de Unie zou afzien van eigen middelen, louter op grond van het feit dat een kwijtschelding ten opzichte van Mondia weliswaar gerechtvaardigd is, maar niet noodzakelijkerwijs ook ten opzichte van de overige hoofdelijke medeschuldenaren. Overeenkomstig het reeds genoemde(17) beginsel van meervoudige dekking is het eerder zo dat de douaneautoriteiten in een dergelijk geval verhaal moeten zoeken op de overige hoofdelijke medeschuldenaren, voor zover hen het desbetreffende bedrag niet is kwijtgescholden.(18) Anderzijds lijkt het mij ook niet om redenen van billijkheid gerechtvaardigd dat een schuldenaar die mogelijkerwijs met frauduleuze bedoelingen of klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld, in het genot van een kwijtschelding zou komen, enkel omdat hij hoofdelijk aansprakelijk is en een andere hoofdelijke medeschuldenaar in het licht van diens eigen gedrag kwijtschelding is verleend.(19)
76. Een uitlegging die inhoudt dat de kwijtschelding overeenkomstig artikel 239 CDW juncto artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening slechts geldt ten gunste van de indiener van het verzoek die aan de voorwaarden van die bepalingen voldoet, strookt met het beginsel dat de kwijtschelding een uitzondering op de normale regeling inzake invoer‑ en uitvoer vormt, hetgeen impliceert dat de bepalingen die in kwijtschelding voorzien, eng moeten worden uitgelegd.(20)
77. Ook de bewoordingen van artikel 233, lid 1, sub b, CDW verzetten zich niet tegen een dergelijke uitlegging. Die bepaling kan namelijk aldus worden uitgelegd dat zij uitsluitend de verhouding tussen de betrokken schuldenaar en de douaneautoriteiten regelt. Voor zover artikel 233, lid 1, sub b, CDW bepaalt dat de douaneschuld door de kwijtschelding tenietgaat, wordt daarmee in casu alleen de verhouding tussen Mondia en de douaneautoriteiten bedoeld, maar niet de verhouding tussen APP en Maprochim, respectievelijk PAD, enerzijds, en de douaneautoriteiten, anderzijds.
78. Ten slotte wil ik erop wijzen dat een dergelijke uitlegging strookt met de situatie volgens artikel 86, lid 4, van het gemoderniseerde douanewetboek, dat bepaalt dat de kwijtschelding alleen ten aanzien van de betrokken hoofdelijke medeschuldenaar wordt verleend. Die bepaling is weliswaar ratione temporis niet van toepassing op het onderhavige geval, maar uit de wetgevingsprocedure die tot vaststelling van het gemoderniseerde douanewetboek heeft geleid, valt niet op te maken dat de Uniewetgever op dit punt de bestaande rechtssituatie heeft willen wijzigen. In zoverre kan de regeling van artikel 86, lid 4, van het gemoderniseerde douanewetboek mede in aanmerking worden genomen ter bevestiging van de uitlegging dat een kwijtschelding overeenkomstig artikel 239 CDW juncto artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening alleen ten gunste van de betrokken indiener van het verzoek werkt.
3. De overige argumenten van APP en PAD
79. Ook de overige argumenten die APP en PAD aanvoeren ter onderbouwing van hun standpunt dat de gedeeltelijke kwijtschelding ten aanzien van Mondia ook voor hen geldt, weten mij niet te overtuigen.
80. Ten eerste stelt APP dat de Mondia verleende kwijtschelding ook voor haar zou moeten gelden, aangezien de Franse douaneautoriteiten bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding van Mondia incidenteel ook hebben getoetst, respectievelijk hadden moeten toetsen, of APP geen frauduleuze bedoelingen had en niet klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld.
81. Dit argument houdt geen steek.
82. Om te beginnen wordt een kwijtschelding overeenkomstig artikel 239 CDW en artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening slechts verleend op verzoek van de betrokken schuldenaar.(21) Dat verzoek moet binnen een bepaalde termijn worden ingediend, normaliter binnen twaalf maanden na mededeling van het bedrag van de te betalen rechten aan de schuldenaar. Zoals de verwijzende rechter heeft benadrukt, heeft APP niet zelf binnen de termijn een verzoek om kwijtschelding overeenkomstig artikel 239 CDW en artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening ingediend en heeft Mondia haar verzoek om kwijtschelding niet als vertegenwoordigster van APP ingediend.
83. Nu ben ik toch al van mening dat reeds de premisse van APP dat de Franse douaneautoriteiten in het kader van de beoordeling van het verzoek van Mondia impliciet ook de handelingen van APP hebben getoetst c.q. hadden moeten toetsen, onjuist is. Principieel moeten de douaneautoriteiten bij een verzoek om kwijtschelding overeenkomstig artikel 239 CDW juncto artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening alleen maar ten aanzien van de betrokken indiener nagaan of aan de subjectieve voorwaarden van deze bepalingen is voldaan. Het is juist dat een marktdeelnemer die zich ten aanzien van zijn invoer door een douane-expediteur laat vertegenwoordigen, moet instaan voor de klaarblijkelijke nalatigheid van zijn vertegenwoordiger.(22) Dit ligt voor de hand, aangezien de vertegenwoordigde instaat voor het gedrag van zijn vertegenwoordiger als ware het zijn eigen gedrag. In een dergelijk geval kan het verzoek van een vertegenwoordigde om kwijtschelding met zich meebrengen dat ook het gedrag van de vertegenwoordiger incidenteel moet worden onderzocht. In tegenstelling tot de opvatting van APP volgt daaruit echter niet dat in het omgekeerde geval, dat wil zeggen bij een door de vertegenwoordiger ingediend verzoek om kwijtschelding, incidenteel ook moet worden onderzocht of de vertegenwoordigde frauduleuze bedoelingen had of klaarblijkelijk nalatig heeft gehandeld. De vertegenwoordigde handelt namelijk niet in naam van de vertegenwoordiger, zodat de vertegenwoordiger bij de beoordeling van zijn eigen gedrag niet automatisch behoeft in te staan voor het gedrag van de vertegenwoordigde.
84. Ten tweede tracht APP haar standpunt dat de Mondia verleende kwijtschelding ook ten aanzien van haar geldt, te baseren op artikel 899 CDW-uitvoeringsverordening. Haars inziens volgt uit die bepaling dat in een geval als het onderhavige naar aanleiding van het verzoek van Mondia ook een kwijtschelding ten aanzien van de douaneschuld van APP had moeten worden onderzocht. Volgens APP voorziet die bepaling volgens haar bewoordingen in een beoordeling van het gedrag van alle betrokkenen.
85. Ook dat argument weet mij niet te overtuigen. Uit artikel 899 CDW-uitvoeringsverordening valt niet op te maken dat een schuldenaar met zijn verzoek om kwijtschelding de douaneautoriteiten ertoe verplicht ten aanzien van alle voor de douaneschuld aansprakelijke medeschuldenaren te onderzoeken of zij met frauduleuze bedoelingen of klaarblijkelijk nalatig hebben gehandeld.
86. Reeds de bewoordingen van artikel 899 CDW-uitvoeringsverordening pleiten niet voor een dergelijke uitlegging. Hier is alleen sprake van „de belanghebbende” in het enkelvoud en niet van „de belanghebbenden” in het meervoud. Bedoeld wordt dus kennelijk alleen de respectievelijke indiener van het verzoek.
87. Tegen de opvatting van APP pleit voorts ook het bepaalde in artikel 899 CDW-uitvoeringsverordening, dat de douaneautoriteiten hun beslissing over het verzoek op basis van de tot staving van dit verzoek aangevoerde argumenten nemen. Zoals reeds uiteengezet(23), is het heel goed mogelijk dat de belangen van de afzonderlijke hoofdelijke medeschuldenaren bij een verzoek om kwijtschelding haaks op elkaar staan. Derhalve kan niet ervan worden uitgegaan dat de indiener in zijn verzoek automatisch ook de redenen aanvoert die voor de overige belanghebbenden gunstig zijn.
88. Ten derde wijst Maître Bérel voor PAD erop dat ook Maprochim door de beschikking van de douaneautoriteiten betreffende de gedeeltelijke kwijtschelding voor Mondia wordt bestreken. De Franse douaneautoriteiten hebben APP en Maprochim namelijk erop geattendeerd dat zij pas een besluit over hun beroepen zouden nemen nadat zij op het verzoek om kwijtschelding van Mondia hadden beslist.
89. In dit verband behoeft alleen maar erop te worden gewezen dat het in het kader van een prejudiciële procedure in de zin van artikel 267 VWEU niet aan het Hof, maar aan de nationale rechter staat, de inhoud van een beschikking van de nationale autoriteiten vast te stellen. Het Hof dient derhalve principieel uit te gaan van de vaststellingen van de verwijzende rechter.(24) Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing volgt dat de verwijzende rechter de beschikkingen van de douaneautoriteiten aldus opvat, dat alleen de douaneschuld van Mondia gedeeltelijk is kwijtgescholden.
C – Samenvatting
90. In het licht van het voorgaande stel ik vast dat uit de artikelen 213, 233 en 239 CDW volgt dat een beschikking van de douaneautoriteiten inzake een gedeeltelijke kwijtschelding overeenkomstig artikel 239 CDW en artikel 900, lid 1, sub o, CDW-uitvoeringsverordening ten gunste van een hoofdelijk aansprakelijke schuldenaar geen automatische werking kan hebben ten gunste van de overige hoofdelijke schuldenaren van die douaneschuld. Die bepalingen verzetten zich derhalve tegen de toepassing van een nationale bepaling die in een dergelijke werking voorziet.
VII – Conclusie
91. Tegen deze achtergrond geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„De artikelen 213, 233 en 239 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek moeten aldus worden uitgelegd dat in een geval als het onderhavige een hoofdelijke medeschuldenaar van een douaneschuld wiens schuld niet is kwijtgescholden, zich niet kan beroepen op een overeenkomstig artikel 239 van die verordening juncto artikel 900, lid 1, sub o, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92, met betrekking tot een andere hoofdelijke medeschuldenaar gegeven kwijtscheldingsbeschikking, om zich te bevrijden van de betaling van de douaneschuld.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – In navolging van de in het EU-Verdrag en het VWEU gebruikte terminologie gebruik ik het begrip „Unierecht” als globale aanduiding voor het gemeenschapsrecht en het Unierecht. Voor zover afzonderlijke bepalingen van primair recht een rol spelen, verwijs ik naar de ratione temporis toepasselijke bepalingen.
3 – PB L 102, blz. 5.
4 – PB L 302, blz. 1.
5 – PB L 145, blz. 1.
6 – PB L 253, blz. 1.
7 – PB L 187, blz. 16.
8 – PB L 346, blz. 1.
9 – Van APP en Maprochim worden ook andere bedragen ingevorderd (onder meer belastingen), die echter voor het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing niet relevant zijn.
10 – Aangaande de details van de procedure voor de nationale autoriteiten en de Commissie, zie beslissing van het Gerecht van 25 januari 2007, Rijn Schelde Mondia France/Commissie (T‑55/05, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
11 – Zie in deze zin arresten van 27 maart 1963, Da Costa e.a. (28/62‑30/62, Jurispr. blz. 63, 81); 1 maart 1973, Bollmann (62/72, Jurispr. blz. 269, punt 4); 10 juli 1997, Palmisani (C‑261/95, Jurispr. blz. I‑4025, punt 31), en 12 februari 2008, Kempter (C‑2/06, Jurispr. blz. I‑411, punten 41 e.v.).
12 – Zie ook Reiche, K., in: Witte, P., Zollkodex, Beck, 4e editie, 2006, artikel 5, punt 5.
13 – Arresten van 18 december 2007, Société Pipeline Méditerranée et Rhône (C‑314/06, Jurispr. blz. I‑12273, punt 21) ; 22 mei 2003, Commissie/Duitsland (C‑103/01, Jurispr. blz. I‑5369, punt 33) ; 2 april 1998, EMU Tabac e.a. (C‑296/95, Jurispr. blz. I‑1605, punt 30), en 17 juni 2010, Agra (C‑75/09, Jurispr. blz. I‑00000, punten 32 e.v.).
14 – Witte, P., in Witte, P. (aangehaald in voetnoot 12), artikel 233, punt 12.
15 – Zie Henke, R., Huchatz, W., „Das neue Abgabenverwaltungsrecht für Ein‑ und Ausfuhrabgaben”, Zeitschrift für Zölle und Verbrauchsteuern, 1996, blz. 226 e.v., 231.
16 – Arresten van 14 november 2002, SPKR (C‑112/01, Jurispr. blz. I‑10655, punt 31); 2 april 2009, Elshani (C‑459/07, Jurispr. blz. I‑2759, punt 31), en 29 april 2010, Dansk Transport og Logistik (C‑230/08, Jurispr. blz. I‑00000, punt 51).
17 – Zie punt 73 van deze conclusie.
18 – Witte, P. (aangehaald in voetnoot 14), artikel 233, punt 12.
19 – In deze zin ook Witte, P. (aangehaald in voetnoot 14), artikel 213, punt 11, en artikel 233, punt 12, die erop wijst dat de kwijtschelding van een douaneschuld ten opzichte van een douaneschuldenaar omwille van de billijkheid geboden is en dat in dat kader alsnog de stappen worden ondernomen die in het kader van de keuzevrijheid niet mogelijk waren.
20 – Arresten van 11 november 1999, Söhl & Söhlke (C‑48/98, Jurispr. blz. I‑7877, punt 52), en 13 maart 2003, Nederland/Commissie (C‑156/00, Jurispr. blz. I‑2527, punt 91).
21 – Andere bepalingen inzake kwijtschelding voorzien daarentegen in een vaststelling ambtshalve, zie artikel 236, lid 2, derde alinea, CDW.
22 – Arrest van 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriental Foods Trading/Commissie (C‑38/07 P, Jurispr. blz. I‑8599, punten 53 en 54).
23 – Punt 58 van deze conclusie.
24 – Zie arresten van 2 oktober 2008, Heinrich Bauer Verlag (C‑360/06, Jurispr. blz. I‑7333, punt 15), en 29 april 2004, Orfanopoulos en Oliveri (C‑482/01 en C‑493/01, Jurispr. blz. I‑5257, punt 42).
Full & Egal Universal Law Academy