CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. JÄÄSKINEN
van 26 mei 2011 (1)
Gevoegde zaken C‑89/10 en C‑96/10
Q-Beef NV
tegen
Belgische Staat
en
Frans Bosschaert
tegen
Belgische Staat,
Vleesgroothandel Georges Goossens en Zonen NV,
Slachthuizen Goossens NV
[verzoek van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]
„Met Unierecht onverenigbare heffingen – Vordering tot terugbetaling – Gelijkwaardigheids‑ en effectiviteitsbeginsel – Duur van verjaringstermijn – Vertrekpunt van verjaringstermijn – Tussenpersonen – Verschillen in termijnen”
I – Inleiding
1. De twee verzoeken van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing(2) betreffen de uitlegging van de Unierechtelijke beginselen inzake de terugbetaling van het onverschuldigd betaalde.
2. Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen Q-Beef NV (hierna: „Q-Beef”), een vennootschap die in vee handelt, en de Belgische Staat (C‑89/10) en tussen F. Bosschaert, een landbouwer, en de Belgische Staat en de vennootschappen Slachthuizen Georges Goossens en Zonen NV en Slachthuizen Goossens NV (hierna gezamenlijk: „vennootschappen Goossens”) (C‑96/10). De gedingen gaan over de vordering tot terugbetaling van bijdragen die door Q-Beef en Bosschaert zijn betaald aan het Fonds voor de gezondheid en de productie van dieren (hierna: „Fonds van 1987”) op grond dat deze bijdragen in strijd met het Unierecht zouden zijn geheven.
3. De drie vragen die in deze zaken worden gesteld, hebben kort gezegd betrekking op de duur van de verjaringstermijn, het vertrekpunt van deze termijn, en, in de zaak Bosschaert waarin sprake is van intermediairs tussen de schuldenaar en de Staat, de gevolgen van verjaringstermijnen van verschillende duur. Wat het gelijkwaardigheids‑ en effectiviteitsbeginsel betreft is de rechtspraak van het Hof toereikend om aanknopingspunten te verschaffen voor de beantwoording van de eerste en de tweede vraag. De derde vraag is mijns inziens volkomen nieuw en noopt tot een dieper gravend onderzoek.
4. Ik wijs er nu reeds op dat deze zaken twee adagia aan de orde stellen die in alle rechtsstelsels bekend zijn: in de eerste plaats het uitgangspunt dat het recht de waakzamen en niet de slapenden helpt (iura vigilantibus, non dormientibus prosunt) en, in de tweede plaats, het beginsel dat niemand door de rechter kan worden gehoord wanneer hij zich op zijn eigen ongeoorloofde bedoelingen beroept (nemo auditur propriam turpitudinem allegans).(3) Mijns inziens leidt de bestaande rechtspraak tot antwoorden die uitgaan van het eerste beginsel. Niettemin kan deze oplossing ertoe leiden dat de Belgische Staat zou kunnen profiteren van de inconsequente aanpak die hij sinds de aanvang van de jaren negentig heeft gevolgd, dat wil zeggen de nalatigheid om de economische gevolgen van zijn onrechtmatige optreden ten opzichte van particulieren ongedaan te maken.
5. Wat hun feitelijk en juridisch kader betreft, vertonen beide zaken zekere overeenkomsten met de arresten Lornoy e.a., Claeys, alsmede Demoor e.a.(4), alle gewezen in 1992, en met het arrest Van Calster e.a.(5) uit 2003.
II – Juridisch kader
A – Wet van 1998 en arrest Van Calster e.a.
6. De wet van 23 maart 1998 betreft de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten (hierna: „wet van 1998”).(6)
7. Met deze wet werden een in 1987 in het leven geroepen regeling en fonds vervangen. Deze niet aan de Europese Commissie gemelde regeling die een combinatie vormde van steunmaatregelen en verplichte bijdragen, werd door de Commissie in haar beschikking van 1991 en door het Hof in de reeds aangehaalde arresten Lornoy e.a., Claeys, alsmede Demoor e.a. die in 1992 zijn gewezen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard.
8. Bij brieven van december 1995 en mei 1996 heeft het Koninkrijk België een ontwerp van wet tot intrekking van de regeling van 1987 en tot vervanging ervan door een nieuwe regeling aangemeld. Het ontwerp dat de wet van 1998 zou worden, is door de Commissie bij beschikking van 30 juli 1996 zonder enig voorbehoud met de gemeenschappelijke markt verenigbaar verklaard.
9. Artikel 5 van de wet van 1998 bepaalt dat het Fonds van 1998 onder meer wordt gevoed met de opgelegde bijdragen ten laste van de natuurlijke en rechtspersonen die dieren of dierlijke producten voortbrengen, verwerken, vervoeren, bewerken, verkopen of verhandelen.
10. De wet van 1998 is niet enkel op toekomstige situaties van toepassing, maar bevat ook bepalingen die de regeling van 1987 met terugwerkende kracht vervangen.
11. Artikel 14 van de wet van 1998 legt met ingang van 1 januari 1988(7) bijdragen op aan de slachthuizen en de exporteurs. Het artikel specificeert, met terugwerkende kracht, zeven verschillende perioden vanaf 1 januari 1988 en de over elk van deze perioden verschuldigde bijdragen.
12. Artikel 15 van de wet van 1998 legt met ingang van 1 januari 1993(8) bijdragen op aan de verantwoordelijken van bedrijven waar varkens worden gehouden.
13. Op basis van artikel 17, tweede alinea, van de wet van 1998 vindt er van rechtswege schuldvergelijking plaats tussen schuldvorderingen uit hoofde van de bijdragen die betaald zijn krachtens de regeling van 1987 en de krachtens de regeling van 1998 te betalen bijdragen. Deze tweede alinea bepaalt het volgende:
„In voorkomend geval heeft van rechtswege schuldvergelijking plaats uit kracht van de wet tussen de bedragen verschuldigd krachtens de bepalingen van de artikelen 14, 15 en 16 en de bedragen betaald met toepassing van het koninklijk besluit van 11 december 1987 [...]”
14. Artikel 18 van de wet van 1998 luidt:
„[...]
De verplichte bijdragen bedoeld in artikel 14 worden in alle stadia van verhandeling of productie die de slachting of de uitvoer voorafgaan, geheel doorberekend naar de producent. Deze doorberekening heeft plaats bij de prijsvorming tussen partijen zowel naar aanleiding van de verkoop van dieren als naar aanleiding van het verrichten van diensten door het slachthuis of de uitvoerder.
Deze verplichte bijdrage mag niet worden vermeld op de factuur of op het stuk bedoeld bij artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde.
Deze verplichte bijdragen moeten door de slachthuizen worden betaald uiterlijk de laatste dag van de maand die volgt op de slachting of op het aangetekend schrijven van het Bestuur. Zij moeten door de uitvoerders worden betaald aan het Bestuur uiterlijk de laatste dag van de maand die volgt op het aangetekend schrijven van dit Bestuur.
De verplichte bijdragen bedoeld in artikel 15 zijn jaarlijks verschuldigd. Zij worden betaald aan het Bestuur binnen de dertig dagen die volgen op het verzoek tot betaling dat bij aangetekende brief wordt verzonden.
[...]”
15. Artikel 21 van de wet van 1998 bepaalt het volgende:
„Worden opgeheven:
1° artikel 32, §§ 2 en 3, van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990, 20 juli 1991, 6 augustus 1993, 21 december 1994 en 20 december 1995; [...]”
16. Ingevolge artikel 23 van de wet van 1998 treedt deze in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van onder andere de artikelen 14 en 15 van genoemde wet. Deze laatste is bekendgemaakt op 30 april 1998.
17. In een eerdere zaak met betrekking tot de wet van 1998 diende het Hof zich uit te spreken over de uitlegging van artikel 93, lid 3, EG (dat overeenstemt met het huidige artikel 108, lid 3, VWEU) en de beschikking van de Commissie van 1996. In het arrest Van Calster e.a.(9) heeft het Hof voor recht verklaard dat
– artikel 93, lid 3, van het Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat het in omstandigheden als die van de hoofdgedingen in de weg staat aan de heffing van bijdragen die specifiek dienen ter financiering van een steunregeling die bij een beschikking van de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, voor zover deze bijdragen met terugwerkende kracht worden opgelegd voor een periode die aan de datum van deze beschikking voorafgaat, en dat
– de beschikking van 1996 geen goedkeuring van de terugwerkende kracht van de wet van 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten inhoudt.
B – Nationale regeling betreffende de terugbetaling van het onverschuldigd betaalde en betreffende de verjaring
18. Artikel 1376 van het Burgerlijk Wetboek luidt:
„Hij die bij vergissing of met zijn weten iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, is verplicht het terug te geven aan degene van wie hij het ontvangen heeft zonder dat het verschuldigd was.”
19. Artikel 2262 bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek luidt:
„Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.
In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
[...]”
20. De verwijzende rechter constateert dat deze bepaling pas in het Burgerlijk Wetboek werd ingevoegd bij wet van 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de verjaring. Voordien gold als algemene regel een verjaringstermijn van dertig jaar. Voor vorderingen ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet werd deze termijn eveneens teruggebracht tot 10 jaar, met dien verstande dat de overgangsregeling vastgelegd in artikel 10 van deze wet bepaalt dat deze nieuwe termijn pas begon te lopen bij de inwerkingtreding van deze wet, zijnde op 27 juli 1998.
21. Artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt de voornaamste stuitingsgronden van de verjaring:
„Een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, vormen burgerlijke stuiting.
Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken. [...]”
22. Volgens de verwijzende rechter is de overheid in beginsel onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, althans volgens artikel 2227 van het Burgerlijk Wetboek:
„De Staat, de openbare instellingen en de gemeenten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen en kunnen zich eveneens daarop beroepen.”
23. Artikel 100 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit(10) luidt:
„Verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen:
1° de schuldvorderingen, waarvan de wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan;
2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd;
3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.
Voor de schuldvorderingen die voortkomen uit vonnissen blijft evenwel de (tienjarige) verjaring gelden; zij dienen te worden uitbetaald door de zorg van de Deposito‑ en Consignatiekas.”
24. Ingevolge artikel 101 van die wet „[schorst] [h]et instellen van een rechtsvordering [...] de verjaring totdat een definitieve beslissing is gewezen”.
25. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen geldt de verjaringstermijn van vijf jaar in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat. Zo is ook een tegen de overheid gerichte vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, gesteund op een onrechtmatigheid bij het uitvaardigen of uitvoeren van een ministerieel besluit, onderworpen aan de verjaringstermijn van vijf jaar.(11)
26. De verwijzende rechter merkt op dat artikel 100, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit ook van toepassing is op vorderingen op grond van een onverschuldigde betaling.
27. De verwijzende rechter benadrukt bovendien dat het Arbitragehof in verschillende arresten heeft geoordeeld dat uitgaande van de parlementaire geschiedenis, door vorderingen tegen de overheid te onderwerpen aan een verjaringstermijn van vijf jaar, de wetgever een maatregel heeft vastgesteld die niet in onevenredig verband staat met het door de wet nagestreefde doel dat erin bestond de rekeningen van de Staat binnen een redelijke termijn af te sluiten.
28. Ten slotte is nog van belang dat volgens artikel 2257, lid 2, van het Burgerlijk Wetboek de verjaring van een vrijwaringsvordering pas kan aanvangen vanaf de uitwinning van de hoofdvordering.
III – Hoofdgedingen, prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof
A – Zaak Q-Beef (C‑89/10)
29. Q-Beef is een Belgische onderneming die handelt in dieren. Naar aanleiding van de uitvoer van dieren heeft zij tussen januari 1993 en april 1998 uit hoofde van de regeling van 1987 diverse bijdragen betaald aan het Fonds van 1987.
30. Aangezien de regeling van 1998 met terugwerkende kracht in de plaats was gekomen van die van 1987 werden deze door Q-Beef betaalde bijdragen „bevestigd” door de nieuwe regeling en heeft de schuldvergelijking uit kracht van de wet plaatsgevonden zodra zij in werking was getreden, te weten op 30 april 1998.(12)
31. Gelet op de onrechtmatigheid van de regeling van 1998 heeft Q‑Beef op 2 april 2007 een vordering tegen de Belgische Staat ingesteld, strekkende tot terugbetaling van de tussen januari 1993 en april 1998 betaalde bijdragen.
32. Volgens de verwijzende rechter begon voor de schuldvordering van Q-Beef jegens de Belgische Staat de verjaringstermijn van vijf jaar op grond van artikel 100, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscompatibiliteit te lopen op 1 januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij was ontstaan, in casu het jaar waarin de wet van 1998 in werking is getreden, dat wil zeggen op 1 januari 1998, om te eindigen op 31 december 2002 om middernacht. Aangezien de Belgische Staat op 2 april 2007 is gedagvaard, is de vordering van Q-Beef jegens de Belgische Staat naar Belgisch recht verjaard.(13) Het reeds aangehaalde arrest Van Calster e.a. had naar nationaal recht slechts een declaratoire werking en deed de verjaring niet lopen.
33. Daarop heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Staat het [Unierecht] eraan in de weg dat de nationale rechter de verjaringstermijn van vijf jaar, die in de interne rechtsorde voorzien is voor schuldvorderingen lastens de Staat, toepast op de vorderingen tot teruggave van heffingen die aan een lidstaat betaald zijn op grond van een gemengd stelsel van steun en heffingen dat niet enkel deels onrechtmatig, maar tevens deels onverenigbaar bleek te zijn met het [Unierecht], en die betaald zijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van een nieuw stelsel van steun en verplichte bijdragen dat het eerste stelsel vervangt, en dat bij eindbeslissing van de Commissie verenigbaar met het [Unierecht] werd verklaard, maar niet voor zover deze bijdragen met terugwerkende kracht worden opgelegd voor een periode die aan de datum van deze beschikking voorafgaat?
2) Staat het [Unierecht] eraan in de weg dat een lidstaat voor die lidstaat in vergelijking met het intern gemeenrecht specifiek gunstige nationale verjaringstermijnen succesvol kan inroepen als verweer tegen een door een particulier tegen hem ingestelde procedure ter bescherming van de rechten die de particulier ontleent aan het [EG]-Verdrag, in een geval als dat voorgelegd door de nationale rechter, waarin deze specifiek gunstige nationale verjaringstermijnen tot gevolg hebben dat de terugvordering van heffingen die aan de lidstaat betaald zijn op grond van een gemengd stelsel van steun en heffingen dat niet enkel deels onrechtmatig, maar tevens deels onverenigbaar bleek te zijn met het [Unierecht], onmogelijk wordt gemaakt, terwijl de strijdigheid met het [Unierecht] pas werd vastgesteld door het toenmalige Hof van Justitie [...] na het verstrijken van die specifiek gunstige nationale verjaringstermijnen, zelfs als de onrechtmatigheid eerder bestond?”
B – Zaak Bosschaert (C‑96/10)
34. Bosschaert is een agrarisch ondernemer die in die hoedanigheid sinds 1970 varkens fokt. Hij heeft in de periode tussen 1989 en 1996 uit hoofde van de regeling van 1987 op de in zijn opdracht geslachte dieren bijdragen betaald aan het Fonds van 1987. Bosschaert betaalde de bijdragen aan Vleesgroothandel Georges Goossens en Zonen NV, die deze op haar beurt overmaakte aan Slachthuizen Goossens NV, die ze uiteindelijk doorstortte aan dit Fonds.
35. Aangezien de regeling van 1998 met terugwerkende kracht in de plaats was gekomen van die van 1987 werden deze door Bosschaert betaalde bijdragen „bevestigd” door de nieuwe regeling en heeft de schuldvergelijking uit kracht van de wet plaatsgevonden zodra zij in werking was getreden, te weten op 30 april 1998.(14)
36. Volgens de verwijzende rechter heeft Bosschaert blijkens de dagvaardingen van 30 en 31 juli 2007 deze zaak bij de Belgische rechter aanhangig gemaakt met het oog op, primair, terugbetaling door de Belgische Staat van de tussen 1989 en 1996 betaalde bijdragen, op grond van de onrechtmatigheid van de heffing ervan omdat de ter zake relevante wetgeving in strijd was met het Unierecht.
37. Subsidiair, en voor zover een actie tegen de Belgische Staat niet mogelijk blijkt, vordert eiser dat de vennootschappen Goossens samen met de Belgische Staat hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling van de betrokken bedragen.
38. Zoals in de zaak Q-Beef merkt de verwijzende rechter op dat de rechtstreekse vorderingen van Bosschaert (ingesteld op 31 juli 2007) en die van de vennootschappen Goossens (ingesteld op 21 november 2007) tegen de Belgische Staat zijn verjaard wegens de in artikel 100, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscompatibiliteit neergelegde bijzondere verjaringstermijn van vijf jaar, die is beginnen te lopen op 1 januari 1998 en die op 31 december 2002 is verstreken. Hij is ook van oordeel dat het arrest Van Calster e.a. louter declaratoir is, en niet constitutief is voor de onverschuldigdheid van de betalingen, omdat daarin enkel is vastgesteld dat de heffingen onrechtmatig waren voor zover zij met terugwerkende kracht waren opgelegd.
39. Uit de verwijzingsbeslissing volgt evenwel dat, doordat de beroepen van Bosschaert tegen de vennootschappen Goossens als persoonlijke vorderingen worden aangemerkt, zij na verloop van tien jaar verjaren. Die termijn van tien jaar is pas beginnen te lopen op 27 juli 1998, de datum van de inwerkingtreding van de wet van 10 juni 1998 waarbij deze nieuwe termijn van tien jaar voor geschillen tussen particulieren is ingevoerd. Die termijn heeft dus gelopen tot eind juli 2008, ruim na de uitspraak van het reeds aangehaalde arrest Van Calster e.a., zodat tegen die beroepen geen verjaring kan worden aangevoerd.
40. De indirecte vorderingen tot vrijwaring die de vennootschappen Goossens op 21 november 2007 tegen de Belgische Staat hebben ingesteld, zijn niet verjaard omdat zij volgen op de beroepen die Bosschaert op 30 en 31 juli 2007 heeft ingesteld.(15)
41. Daarop heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof drie prejudiciële vragen gesteld. De eerste en de derde vraag zijn identiek aan respectievelijk de hiervoor reeds weergegeven eerste en de tweede vraag in de zaak Q‑Beef. De tweede vraag luidt:
„Verzet het [Unierecht] zich ertegen dat wanneer een lidstaat heffingen oplegt aan een particulier die op zijn beurt verplicht is de heffingen door te berekenen aan andere particulieren met wie hij een handelsactiviteit uitoefent in een sector waarvoor de lidstaat een gemengd stelsel van steun en heffingen opgelegd heeft, maar dit stelsel vervolgens niet enkel deels onrechtmatig, maar tevens deels onverenigbaar bleek te zijn met het [Unierecht], deze particulieren dan ten gevolge van nationale bepalingen onderworpen zijn aan een kortere verjaringstermijn voor terugvordering van met het [Unierecht] strijdige bijdragen ten aanzien van de lidstaat, terwijl zij beschikken over een langere verjaringstermijn ten aanzien van een particuliere tussenpersoon om deze zelfde bijdragen terug te vorderen, zodat deze tussenpersoon zich mogelijk bevindt in een situatie waarbij de vordering tegen hem niet is verjaard, maar deze ten aanzien van de lidstaat wel, en deze tussenpersoon zodoende wel kan aangesproken worden door andere actoren en dan desgevallend de lidstaat in vrijwaring moet roepen, maar de bijdragen die hijzelf rechtstreeks betaalde aan de lidstaat, niet kan terugvorderen van deze lidstaat?”
C – Procesverloop voor het Hof
42. Bij beschikking van de president van het Hof van 6 april 2010 zijn de zaken C‑89/10 en C‑96/10 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
43. Q‑Beef, Bosschaert, de vennootschappen Goossens, de Belgische regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
44. Alle belanghebbenden waren vertegenwoordigd ter terechtzitting van 3 februari 2011.
IV – Analyse
A – Voorafgaande opmerkingen
45. Wat de terugbetaling van het onverschuldigd betaalde betreft, zijn de lidstaten, volgens vaste rechtspraak, in beginsel verplicht in strijd met het Unierecht geïnde heffingen terug te betalen.(16)
46. Dienaangaande heeft het Hof ook herhaaldelijk opgemerkt dat het vraagstuk van de terugbetaling van onverschuldigd betaalde heffingen in de verschillende lidstaten en zelfs binnen eenzelfde lidstaat uiteenlopende oplossingen heeft gevonden, afhankelijk van het betrokken type belasting of heffing.
47. Deze verscheidenheid van de nationale stelsels is met name een gevolg van het ontbreken van een regeling van de Unie inzake de terugbetaling van ten onrechte geïnde nationale heffingen. In een dergelijke situatie is het immers een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken, de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, mits die regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel), en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (effectiviteitsbeginsel).(17)
B – Eerste vraag in de zaken Q-Beef en Bosschaert
48. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter van het Hof een antwoord te verkrijgen op de vraag naar de verenigbaarheid met het Unierecht van de toepassing van een verjaringstermijn van vijf jaar, die de interne rechtsorde kent voor schuldvorderingen jegens de staat, op de vorderingen tot teruggave van heffingen die in strijd met het Unierecht betaald zijn op grond van een gemengd stelsel van steun en heffingen.
49. De termijnen die bij de nationale wettelijke regelingen zijn vastgesteld, mogen niet van dien aard zijn dat zij het verkrijgen van reparatie in feite onmogelijk of uiterst moeilijk maken (effectiviteitsbeginsel).(18)
50. Wat het effectiviteitsbeginsel betreft, is het volgens het Hof met het Unierecht verenigbaar dat in het belang van de rechtszekerheid, waarin zowel de belastingplichtige als de administratie bescherming vindt, redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht.(19) Dergelijke termijnen maken de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten immers niet nagenoeg onmogelijk of buitengewoon moeilijk.
51. Of een termijn redelijk is, moet per geval worden beoordeeld. Zo heeft het Hof verklaard dat een nationale vervaltermijn van drie jaar redelijk lijkt.(20) In de omstandigheden van het reeds aangehaalde arrest Recheio – Cash & Carry werd zelfs een termijn van 90 dagen redelijk geacht.(21)
52. In casu zou een verjaringstermijn van vier tot vijf jaar, afhankelijk van het tijdstip waarop de verplichting is ontstaan(22), als voldoende moeten worden beschouwd om de belastingplichtige in staat te stellen met volledige kennis van zaken te besluiten een beroep tot nietigverklaring in te stellen en hiertoe alle noodzakelijke elementen, feitelijk en rechtens, bijeen te brengen.
53. Ik geef het Hof derhalve in overweging voor recht te verklaren dat het Unierecht zich, in de omstandigheden van het hoofdgeding, niet ertegen verzet dat de nationale rechter de verjaringstermijn van vijf jaar die de interne rechtsorde voor schuldvorderingen jegens de staat kent, toepast op de vorderingen tot teruggave van heffingen die onrechtmatig zijn betaald aan de lidstaat op grond van een gemengd stelsel van steun en heffingen.
C – Tweede vraag in de zaak Q-Beef en derde vraag in de zaak Bosschaert
54. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter kort gezegd te vernemen of de door het Hof vastgestelde onverenigbaarheid van het retroactieve karakter van de wet van 1998 met het Unierecht in een naar aanleiding van een prejudiciële verwijzing gewezen arrest, van invloed is op het vertrekpunt van de verjaringstermijn die is opgenomen in het nationale recht ter zake van terugvorderingen van in strijd met het Unierecht betaalde bijdragen.
55. Met betrekking tot het vertrekpunt van de verjaringstermijn volgt uit vaste rechtspraak dat dit in beginsel een aangelegenheid van het nationale recht is. Dienaangaande komen verschillende oplossingen in aanmerking: het vertrekpunt van de termijn kan rechtstreeks door de datum van betaling worden bepaald, afhankelijk van deze datum(23), dan wel, zoals in casu, zich richten naar de inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke regeling.
56. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de uitlegging die het Hof krachtens de hem bij artikel 267 VWEU verleende bevoegdheid aan een voorschrift van Unierecht geeft, zo nodig de betekenis en de strekking van dat voorschrift zoals het sedert het tijdstip van de inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast, verklaart en preciseert.(24) Een prejudicieel arrest is met andere woorden louter declaratoir en niet constitutief van aard, zodat het in beginsel tot de datum van inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift terugwerkt.(25)
57. In het hoofdgeding begon, volgens de nationale rechter, de verjaringstermijn van vijf jaar te lopen op 1 januari 1998 om te eindigen op 31 december 2002. Het vertrekpunt van de verjaringstermijn ligt formeel weliswaar vóór de vaststelling, de bekendmaking en de inwerkingtreding van de wetgeving die hebben plaatsgevonden in respectievelijk maart en april 1998. Dit maakt de uitoefening van het beroepsrecht evenwel niet onmogelijk, zoals blijkt uit de reeds aangehaalde zaak Van Calster e.a. In casu heeft de in lichte mate retroactief vastgestelde verjaringstermijn in elk geval een mijns inziens voldoende ruime tijdsspanne gelaten om beroep in te stellen.
58. Bijgevolg heeft het feit dat het arrest Van Calster e.a. pas in 2003 is gewezen op zichzelf geen gevolgen voor het vertrekpunt van de verjaringstermijn die, volgens de verwijzende rechter, op 1 januari 1998 begon te lopen.
59. Het Hof bemoeit zich uiterst zelden met het vertrekpunt van verjaringstermijnen. Enkel in het arrest Emmott heeft het Hof dit gedaan door, na te hebben verklaard dat verzoekster de mogelijkheid van een doeltreffend beroep volledig was ontnomen, het „aanvaardbare” begin de verjaringstermijn te bepalen op de datum van de volledige omzetting van de richtlijn.(26)
60. In het onderhavige geval is hiervan geen sprake, aangezien de in het arrest Emmott gekozen aanpak is bijgesteld in de latere rechtspraak, met name in het arrest Fantask(27) dat recent nog is bevestigd door het arrest Danske Slagterier(28), waarin is verklaard dat verzoeksters zich niet konden beroepen op de in het arrest Emmott gekozen oplossing. Het Hof heeft ondubbelzinnig verklaard dat de in het arrest Emmott gevonden oplossing werd gerechtvaardigd door de specifieke omstandigheden van die zaak, waarin als gevolg van verval van recht verzoekster in het hoofdgeding geen enkele mogelijkheid meer had, haar recht op gelijke behandeling ingevolge een richtlijn van de Unie te doen gelden.(29)
61. Het vertrekpunt van de termijn valt dus onder het nationale recht. In het nationale recht is het weliswaar mogelijk om dit vertrekpunt te verbinden met verschillende gebeurtenissen, zoals een uitspraak van de rechter waarin de onverenigbaarheid van een nationale bepaling met het Unierecht wordt vastgesteld. Dit is een oplossing die niet onbekend is binnen de Unie. Het Hof heeft namelijk in dit opzicht in het arrest Roquette Frères de Franse wetgeving tegen het licht moeten houden en heeft hierbij deze mogelijkheid bevestigd.(30) Normaliter staat het echter aan de lidstaat om voor een dergelijke mogelijkheid te kiezen en het Koninkrijk België heeft klaarblijkelijk in casu deze keuze niet gemaakt.
62. Gelet op het voorgaande en hoewel het arrest Van Calster e.a. is gewezen na afloop van de verjaringstermijn, geef ik het Hof in overweging om deze vraag aldus te beantwoorden dat het Unierecht zich niet ertegen verzet dat, in de omstandigheden van het hoofdgeding, een lidstaat zich kan beroepen op nationale verjaringstermijnen die in verhouding tot het interne gemeen recht gunstiger zijn voor zijn verdediging in het kader van een tegen hem door een particulier ingestelde procedure ter waarborging van de rechten die laatstgenoemde ontleent aan het VWEU.
63. Tot slot evenwel nog een laatste precisering. Om hierna uiteen te zetten redenen is het namelijk denkbaar dat in bijzondere omstandigheden de lidstaat zich niet kan beroepen op een voor hem gunstige verjaringstermijn, indien een persoon door de gedraging van de nationale autoriteiten, in combinatie met het bestaan van een verjaringstermijn, elke mogelijkheid heeft verloren om zijn rechten voor de nationale rechter te doen gelden.(31)
D – Tweede vraag in de zaak Bosschaert
1. Analyse
64. Deze vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de verenigbaarheid van het Unierecht met een verjaringstermijn voor terugvordering van met het Unierecht strijdige bijdragen die krachtens nationale bepalingen langer is voor een tegen een particulier ingestelde vordering dan voor een vordering tegen de lidstaat. Hierdoor bevindt de particulier die als tussenpersoon de aan hem door de staat opgelegde bijdragen heeft afgewenteld op een andere particulier, zich mogelijk in een situatie waarbij de vordering tegen hem ter zake van met het Unierecht strijdige bijdragen niet is verjaard, maar deze ten aanzien van de lidstaat wel.(32)
65. Volgens de verwijzende rechter kunnen de particulieren in casu niet meer het onverschuldigd betaalde van de Staat terugvorderen op grond van het verstrijken van de termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de verbintenis uit hoofde van het onverschuldigd betaalde is ontstaan. Bijgevolg kunnen, volgens de nationale wetgeving, noch Bosschaert, noch de vennootschappen Goossens het onverschuldigd betaalde rechtstreeks van de Staat terugbetaald krijgen.(33)
66. Niettemin zou Bosschaert, die zijn bijdragen via de vennootschappen Goossens aan de Staat heeft betaald, deze bij laatstgenoemden moeten kunnen terughalen, aangezien de toepasselijke verjaringstermijn voor de terugvordering van het onverschuldigd betaalde tussen particulieren tien jaar is.
67. Voorts zouden de vennootschappen Goossens, indien zij veroordeeld worden tot terugbetaling aan Bosschaert van de onverschuldigd betaalde bijdragen, deze bedragen van de Staat kunnen terugvorderen en zulks niet via een terugvordering van het onverschuldigd betaalde, waarvoor immers een verjaringstermijn van vijf jaar bestaat, maar door middel van een vordering in vrijwaring ter zake van een persoonlijke verplichting.
68. Met betrekking tot de overeenstemming van deze situatie met het Unierecht moet op het navolgende worden gewezen.
69. Wat het effectiviteitsbeginsel betreft is zelfs in de verste verte geen melding gemaakt van een verschillende behandeling van „nationale” en „communautaire” situaties. Bijgevolg lijkt mij de betrokken wettelijke regeling in dit opzicht te voldoen.
70. In het licht van de eerdere rechtspraak lijkt de situatie ook met betrekking tot het gelijkwaardigheidsbeginsel vrij duidelijk.
71. In het arrest Prisco en CASER heeft het Hof voor recht verklaard „dat het gemeenschapsrecht niet eraan in de weg staat dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven belastingen beroept op een nationale vervaltermijn van drie jaar, die afwijkt van de gewone regeling voor rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, waarvoor een langere termijn geldt, wanneer die vervaltermijn gelijkelijk van toepassing is op vorderingen tot terugbetaling van die belastingen, welke op het gemeenschapsrecht zijn gebaseerd, en op die welke op het nationale recht zijn gebaseerd”.(34)
72. Gelet op dit arrest zou moeten worden geantwoord dat het Unierecht niet eraan in de weg staat dat een lidstaat zich bij vorderingen tot terugbetaling van in strijd met het Unierecht geheven bijdragen beroept op een nationale vervaltermijn van vijf jaar, die afwijkt van de gewone regeling van rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling tussen particulieren, waarvoor een gunstigere termijn geldt, wanneer die vervaltermijn gelijkelijk van toepassing is op vorderingen tot terugbetaling van die bijdragen, welke op het Unierecht zijn gebaseerd, en op die welke op het nationale recht zijn gebaseerd.
73. Deze benadering moet evenwel worden genuanceerd voor die gevallen waarin de bijdragen zijn betaald aan de staat via een tussenpersoon en waarin tussen particulieren een termijn van tien jaar geldt, terwijl de termijn ten opzichte van de staat vijf jaar is.
74. Een dergelijk geval zou in overeenstemming zijn met het Unierecht wanneer de tussenpersoon, die het onverschuldigd betaalde aan een andere particulier moet terugbetalen, beschikt over een redelijke termijn om de aldus betaalde bedragen van de staat terug te vorderen. Bij gebreke van een dergelijke termijn zou het uiteenlopen van de termijnen niet in overeenstemming met het Unierecht zijn, aangezien de gevolgen van de aan de staat toe te rekenen onrechtmatigheid voor rekening zouden komen van de tussenpersoon die geen wettelijke mogelijkheid zou hebben gehad om de afwenteling van de bijdragen op zijn klanten te vermijden.
75. In casu kan volgens de verwijzende rechter een dergelijke vordering in vrijwaring in beginsel worden ingesteld en zou zij zelfs slagen.
76. Nu al deze voorwaarden zijn vervuld, lijkt mij deze situatie in overeenstemming met het Unierecht.
2. Aanvullende opmerkingen
77. Hoewel ik reeds elementen ter beantwoording van deze vraag heb aangedragen, lijken mij de navolgende opmerkingen geboden.
a) Vertrekpunt en duur van de vervaltermijn
78. Ik heb hierboven aan het Hof in overweging gegeven om te verklaren dat het Unierecht zich niet verzet tegen een vervaltermijn van vijf jaar waarvan het vertrekpunt de eerste januari van het begrotingsjaar is in de loop waarvan de verbintenis is ontstaan.
79. Bijgevolg heb ik niet gekozen om opnieuw gebruik te maken van de in het reeds aangehaalde arrest Emmott gehanteerde oplossing, namelijk het voorstel van verzoeksters in het hoofdgeding om de looptijd van de vervaltermijn te laten aanvangen op de datum waarop het arrest van het Hof is gewezen.
80. Niettemin kan een arrest van het Hof dat uit hoofde van een prejudicieel verzoek wordt gewezen en een juridische situatie verheldert, zoals het reeds aangehaalde arrest Van Calster e.a., een bepaalde uitwerking hebben op buitengewone gevallen, zelfs wanneer de vervaltermijn is verlopen.
81. De wetgeving inzake de verjaringstermijn van schuldvorderingen jegens de Belgische Staat heeft tot gevolg dat de prejudiciële beslissing uit 2003 in de zaak Van Calster e.a. geen erga-omneswerking ontplooit, aangezien de schuldvorderingen van andere personen die zich in dezelfde juridische situatie bevinden, verjaard zijn.
82. Het Hof heeft zelf in het arrest Van Calster e.a. verklaard dat de Belgische wetgever door middel van de terugwerkende kracht van de wet van 1998 de situatie als gevolg van de niet-nakoming van de verplichting om de in de wet van 1987 vervat liggende steunmaatregel vooraf aan te melden, heeft willen rechtzetten.(35)
83. De Belgische regering nam in de zaak Van Calster e.a. een ander standpunt in en de hoogste rechterlijke instantie van het land, het Arbitragehof, heeft de retroactieve werking van de wet van 1998 goedgekeurd.(36) Alle betrokken marktdeelnemers, met uitzondering van Van Calster e.a., waren klaarblijkelijk van mening dat het nutteloos was om de regeling aan te vechten en hebben daarom geen beroep om terugbetaling te verkrijgen ingesteld.
84. Na het arrest Van Calster e.a. heeft het Koninkrijk België niet uit eigen beweging getracht om de bestaande situatie in overeenstemming met het Unierecht te brengen. Integendeel, door zich te beroepen op de afloop van de verjaringstermijn gaf België te kennen de in strijd met het Unierecht geïnde betalingen niet te willen terugbetalen.
85. In elk geval was het duidelijk dat de Belgische regering op geen enkele wijze de niet-terugbetaling kon rechtvaardigen.(37)
86. Om de erga-omneswerking van de rechtspraak van het Hof te verzekeren, zou mijns inziens de nationale rechter bij wijze van uitzondering en ondanks het einde van de verjaringstermijn, een vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde ontvankelijk moeten kunnen verklaren, ook wanneer deze is ingesteld na afloop van genoemde termijn, voor zover deze vordering is ingesteld binnen een redelijke termijn na het arrest waarin het Hof de onverenigbaarheid heeft vastgesteld.
87. Dit zou met name mogelijk moeten zijn in het geval waarin de lidstaat, actief en herhaaldelijk, heeft getracht de uitoefening te verhinderen van rechten die voortspruiten uit het Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof, want anders zou de lidstaat onrechtmatig kunnen profiteren van zijn onrechtmatige handelen, hetgeen in strijd is met het adagium nemo auditur propriam turpitudinem allegans. Het Hof heeft een dergelijke mogelijkheid overwogen voor die gevallen waarin de nalatigheid van een verzoeker tegen wie een dergelijke verjaringstermijn wordt ingeroepen, haar oorsprong vindt in onjuiste inlichtingen die de bevoegde nationale autoriteiten hem opzettelijk hebben verstrekt.(38)
88. Ik benadruk het buitengewone karakter van deze mogelijkheid. Bovendien staat het aan de nationale rechter om te beoordelen of een termijn redelijk is, maar mijns inziens moet dienaangaande eerder in maanden dan in jaren worden gedacht.(39) Wat het onderhavige geval betreft ben ik van mening dat verzoeksters in het hoofdgeding niet in aanmerking zouden moeten komen voor een dergelijke uitzondering, aangezien zij pas verschillende jaren na het arrest Van Calster e.a. beroep hebben ingesteld.
b) Mogelijke passiviteit van de lidstaat na de constatering van de onverenigbaarheid
89. Een andere vraag is of een lidstaat een uit het loyaliteitsbeginsel voortkomende verplichting heeft om een onverenigbaarheid met het Unierecht actief recht te zetten, wanneer deze door het Hof is geconstateerd.
90. Het Koninkrijk België was sinds de beschikking van de Commissie van 1991(40) waarschijnlijk volledig op de hoogte van de onverenigbaarheid van de regeling van 1987 met betrekking tot met name de nationale producenten en de exporteurs. De Belgische autoriteiten hebben blijkbaar geprobeerd het verzuim van de verplichting om de regeling van 1987 aan de Commissie mee te delen(41) te verhelpen door te voorzien in een retroactieve en automatische schuldvergelijking van alle krachtens de nieuwe regeling van 1998 verschuldigde bijdragen met de eerder aan de Staat betaalde bedragen. Deze retroactiviteit van de regeling, die door het Hof in het arrest Van Calster e.a. onverenigbaar is verklaard met het Unierecht, duidt mijns inziens op het bestaan van ernstige twijfels met betrekking tot de goede trouw van het Koninkrijk België in dit geval.
91. Ik heb de indruk dat de Belgische Staat uit zichzelf niets heeft ondernomen om de ten onrechte geïnde bedragen terug te betalen. Het Unierecht bevat evenwel geen enkel beletsel voor een lidstaat om actief op te treden.
92. Mijns inziens kan niet worden uitgesloten dat een lidstaat op zijn minst dan actief zou moeten optreden om de ten onrechte geïnde bedragen terug te betalen, wanneer het onwettige bedrag duidelijk of bij benadering kan worden vastgesteld, en tevens wanneer het bij de betrokkenen gaat om een groot aantal particulieren dat een zodanig klein nadeel heeft geleden dat het risico om individueel de aanzienlijke en onvermijdelijk met procederen verbonden kosten te moeten maken hier niet tegenop weegt.(42)
93. Dit is een praktijk waaraan het Unierecht zeker niet in de weg staat. Integendeel, zij zou aangemoedigd en misschien zelfs wel geëist moeten worden. Op bepaalde gebieden bestaan hiertoe zelfs specifieke procedures. Uiteraard zijn de onderliggende doelstellingen en de procedures niet dezelfde. Wat de doeltreffende werking van het Unierecht betreft, is deze vraag niettemin van aanzienlijk belang, vooral wanneer de bedragen waar het om gaat eerder te verwaarlozen kunnen zijn en dus geen prikkel vormen voor het instellen van een groot aantal rechtsvorderingen tot terugbetaling, waarvan de slaagkans in elk individueel geval alles behalve duidelijk is.(43)
94. Mijns inziens verplichtte het loyaliteitsbeginsel de Belgische Staat de juiste gevolgen uit het arrest Van Calster e.a. te trekken en de uitvoering ervan te bevorderen, in voorkomend geval door tussenkomst van de nationale wetgever.
95. Tot slot wijs ik erop dat de nationale wetgeving de staat als schuldenaar gunstiger behandelt dan enig andere schuldenaar, ongeacht de aard van het verschuldigde of enige andere omstandigheid. Dit zou worden gerechtvaardigd door de noodzaak van een snelle afsluiting van de rekeningen.
96. In het licht van het arrest Zouboulidis/Griekenland(44) is een dergelijke rechtvaardiging, dat wil zeggen het belang om snel de verbintenissen van de staat na te komen, ontoereikend om de staat een kortere verjaringstermijn te verlenen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in dit kader geconstateerd dat sprake was van een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: „EVRM”) betreffende het ongestoorde genot van de eigendom. Deze constatering zou ook krachtens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing moeten zijn.(45)
97. Niettemin vind ik een verjaringstermijn van vier tot vijf jaar ter zake van de terugbetaling van het onverschuldigd betaalde verband houdend met fiscale heffingen eerder royaal dan te kort. Gelet op de beoordelingsvrijheid die de staten hebben als partij bij het EVRM dient ook het Hof mijns inziens dit Handvest niet aldus uit te leggen dat de toepassing van de in de Belgische wet opgenomen verjaringstermijn voor verbintenissen van de Staat wordt uitgesloten.
V – Conclusie
98. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel te beantwoorden als volgt:
„1) Het Unierecht verzet zich niet ertegen dat, in de omstandigheden van het hoofdgeding, de nationale rechter de verjaringstermijn van vijf jaar die de interne rechtsorde voor schuldvorderingen jegens de staat kent, toepast op de vorderingen tot teruggave van heffingen die aan de betrokken lidstaat betaald zijn op grond van een gemengd stelsel van steun en heffingen.
2) Het Unierecht verzet zich niet ertegen dat, in de omstandigheden van het hoofdgeding, een lidstaat zich kan beroepen op nationale verjaringstermijnen die in verhouding tot het interne gemeen recht gunstiger zijn voor zijn verdediging in het kader van een tegen hem door een particulier ingestelde procedure ter waarborging van de rechten die laatstgenoemde put uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, terwijl de strijdigheid van de nationale bepalingen met het Unierecht pas door het Hof van Justitie van de Europese Unie werd vastgesteld na het verstrijken van die specifiek gunstige nationale verjaringstermijnen, zelfs als de onrechtmatigheid eerder bestond.
3) Het Unierecht verzet zich niet ertegen dat, in de omstandigheden van het hoofdgeding, wanneer een lidstaat heffingen oplegt aan een particulier die op zijn beurt verplicht is de heffingen door te berekenen aan andere particulieren met wie hij een handelsbetrekking heeft, deze particulieren dan ten gevolge van nationale bepalingen onderworpen zijn aan een kortere verjaringstermijn voor terugvordering van met het Unierecht strijdige bijdragen van de lidstaat, terwijl zij beschikken over een langere verjaringstermijn om deze zelfde bijdragen van een particuliere tussenpersoon terug te vorderen, zodat deze tussenpersoon zich mogelijk bevindt in een situatie waarbij de vordering tegen hem niet is verjaard, maar deze ten aanzien van de lidstaat wel, en deze tussenpersoon zodoende wel kan aangesproken worden door andere marktdeelnemers en dan in voorkomend geval de lidstaat in vrijwaring kan roepen, en enkel indien hij de bijdragen die hijzelf rechtstreeks betaalde aan de lidstaat, kan terugvorderen van deze lidstaat.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Volgens de Belgische regering vertegenwoordigen de onderhavige zaken slechts 2 van de 879 voor de verwijzende rechter aanhangige zaken die zijn ingeleid in het kader van de wet van 24 maart 1987 betreffende de dierengezondheid en de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten. In deze zaken zou het voorlopig gevorderde bedrag 119 miljoen EUR bedragen.
3 – Het eerste beginsel is in het Engelse recht, in het kader van de equity law, bekend als vigilantibus non dormientibus aequitas subvenit. Met het tweede beginsel is het Hof goed vertrouwd. Volgens een auteur is het zelfs het meest door het Hof en zijn advocaten-generaal aangehaalde adagium (zie Masson, A., „Usages et réflexivité du latin à la Cour de justice des Communautés européennes”, Revue trimestrielle de droit européen, 2007, nr. 4, blz. 609‑633).
4 – Zie arresten van 16 december 1992, Lornoy e.a. (C‑17/91, Jurispr. blz. I‑6523); Claeys (C‑114/91, Jurispr. blz. I‑6559), en Demoor e.a. (C‑144/91 en C‑145/91, Jurispr. blz. I‑6613).
5 – Arrest van 21 oktober 2003, Van Calster e.a. (C‑261/01 en C‑262/01, Jurispr. blz. I‑12249).
6 – Belgisch Staatsblad van 30 april 1998, blz. 13469.
7 – Zie artikel 23 van de wet van 1998.
8 – Idem.
9 – Aangehaald in voetnoot 5, punten 65 en 77.
10 – Belgisch Staatsblad van 21 augustus 1991, blz. 17960.
11 – Zie onder andere het arrest van het Hof van Cassatie van 14 april 2003.
12 – Zie artikelen 14, 17 en 21 van de wet van 1998.
13 – Zou evenwel de toepasselijke termijn tien jaar bedragen – te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de wet van 1998, dat wil zeggen 30 april 1998 – dan zou een op 2 april 2007 ingesteld beroep van vóór de afloop van deze termijn dateren.
14 – Zie artikelen 14, 17, 21 en 23 van de wet van 1998.
15 – Zie punt 28 van deze conclusie.
16 – Zie arresten van 14 januari 1997, Comateb e.a. (C‑192/95–C‑218/95, Jurispr. blz. I‑165, punt 20), en 17 juni 2004, Recheio – Cash & Carry (C‑30/02, Jurispr. blz. I‑6051, punt 15).
17 – Zie met name met betrekking tot de terugvordering van het onverschuldigd betaalde arrest van 15 september 1998, Edis (C‑231/96, Jurispr. blz. I‑4951, punt 34), en arrest Recheio – Cash & Carry (aangehaald in voetnoot 16, punt 17), alsmede in het algemeen arresten van 15 april 2008, Impact (C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punt 46) en 8 maart 2011, Lesoochranárske zoskupenie (C‑240/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 48).
18 – Zie onder meer arrest van 24 maart 2009, Danske Slagterier (C‑445/06, Jurispr. blz. I‑2119, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 – Zie arrest van 17 november 1998, Aprile (C‑228/96, Jurispr. blz. I‑7141, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20 – Zie onder meer arrest Aprile (aangehaald in voetnoot 19, punt 19) en arresten van 11 juli 2002, Marks & Spencer (C‑62/00, Jurispr. blz. I‑6325, punt 35), en 15 april 2010, Barth (C‑542/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).
21 – Punt 18 van het arrest.
22 – Gedefinieerd in artikel 100 van de gecoördineerde wetten (zie punt 23 van deze conclusie).
23 – Zoals het geval is in artikel 100 van de gecoördineerde wetten.
24 – Zie met name arresten van 27 maart 1980, Denkavit italiana (61/79, Jurispr. blz. 1205, punt 16); 10 februari 2000, Deutsche Telekom (C‑50/96, Jurispr. blz. I‑743, punt 43); 13 januari 2004, Kühne & Heitz (C‑453/00, Jurispr. blz. I‑837, punt 21), en 12 februari 2008, Kempter (C‑2/06, Jurispr. blz. I‑411, punt 35).
25 – Zie in die zin arresten van 19 oktober 1995, Richardson (C‑137/94, Jurispr. blz. I‑3407, punt 33), en 6 maart 2007, Meilicke e.a. (C‑292/04, Jurispr. blz. I‑1835, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest Kempter (aangehaald in voetnoot 24, punt 35).
26 – Zie arrest van 25 juli 1991, Emmott (C‑208/90, Jurispr. blz. I‑4269, punt 21).
27 – Zie arrest van 2 december 1997 (C‑188/95, Jurispr. blz. I‑6783, punt 51).
28 – Aangehaald in voetnoot 18 (punt 54).
29 – Zie ook arresten van 17 juli 1997, Haahr Petroleum (C‑90/94, Jurispr. blz. I‑4085, punt 52) en Texaco en Olieselskabet Danmark (C‑114/95 en C‑115/95, Jurispr. blz. I‑4263, punt 48).
30 – Arrest van 28 november 2000, Roquette Frères (C‑88/99, Jurispr. blz. I‑10465, punt 37).
31 – Zie in die zin arresten Barth (aangehaald in voetnoot 20, punt 33), en Aprile (aangehaald in voetnoot 19, punten 43‑45).
32 – De verwijzende rechter lijkt van mening te zijn dat een verschil bestaat tussen de toepasselijke verjaringstermijnen. De Belgische regering daarentegen heeft door de onderhavige zaken aan te merken als betrekking hebbend op de buitencontractuele aansprakelijkheid, ter terechtzitting een ander standpunt naar voren gebracht: zij heeft betoogd dat de verjaringstermijnen van gelijke duur waren, namelijk vijf jaar, ook al verschilden de vertrekpunten enigszins. Ik benadruk dat de verwijzende rechter de onderhavige zaken heeft aangemerkt als betrekking hebbend op de terugvordering van het onverschuldigd betaalde (condictio indebiti). Zie met betrekking tot het vraagstuk van de kwalificatie arrest van 12 december 2006, Test Claimants in the FII Group Litigation (C‑446/04, Jurispr. blz. I‑11753, punt 201).
33 – Ik wijs erop dat Q‑Beef die de bijdragen rechtstreeks aan de Staat heeft betaald, niets met deze prejudiciële vraag van doen heeft.
34 – Zie arresten Edis (aangehaald in voetnoot 17, punt 39); Aprile (aangehaald in voetnoot 19, punt 34), en arrest van 10 september 2002, Prisco en CASER (C‑216/99 en C‑222/99, Jurispr. blz. I‑6761, punt 70).
35 – Arrest Van Calster e.a. (aangehaald in voetnoot 5, punt 59). In punt 60 verklaart het Hof in aanvulling hierop: „Een dergelijke wetgevingstechniek kan niet verenigbaar met de aanmeldingsplicht van artikel 93, lid 3, van het Verdrag worden geacht. Anders zou aan de lidstaten de mogelijkheid worden geboden, een voorgenomen steunmaatregel zonder aanmelding onmiddellijk ten uitvoer te leggen en de gevolgen van het niet-aanmelden weg te werken door de maatregel op te heffen en tegelijkertijd met terugwerkende kracht opnieuw in te voeren.”
36 – Zie punt 16 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in de zaak Van Calster e.a. (aangehaald in voetnoot 5).
37 – Arrest van 20 maart 1997, Alcan Deutschland (C‑24/95, Jurispr. blz. I‑1591).
38 – Zie arrest van 1 december 1998, Levez (C‑326/96, Jurispr. blz. I‑7835, punt 34) en arrest Barth (aangehaald in voetnoot 20, punt 36).
39 – In bijvoorbeeld de zaak Kühne & Heitz (aangehaald in voetnoot 24) heeft de betrokken vennootschap zo’n twee maanden nadat het Hof een voor haar gunstige uitspraak had gedaan een verzoek tot betaling van bepaalde bedragen ingesteld (zie de conclusie van advocaat-generaal Léger, punt 14).
40 – Hetgeen trouwens niet is betwist door het Koninkrijk België.
41 – Zelfs ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Belgische regering het nalaten van de mededeling afgedaan als een procedurefout. Mijn inziens is het veel ernstiger dan dat: deze nalatigheid staat gelijk aan het niet-nakomen van een fundamentele verplichting op het gebied van staatssteun.
42 – Als voorbeeld is het nuttig te wijzen op het vervolg dat is gegeven aan het arrest van 7 september 2004, Manninen (C‑319/02, Jurispr. blz. I‑7477), waarin het Hof de Finse wettelijke regeling onverenigbaar met het Unierecht heeft verklaard. Toen de verwijzende rechter eenmaal zijn definitieve arrest had gewezen (arrest van het Korkein hallinto-oikeus van 22 december 2004 in zaak KHO:2004:117) is een reparatiewet vastgesteld. Uit de voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van deze wet blijkt dat zij is vastgesteld om een doeltreffende terugbetaling te verzekeren (zie ook regeringsvoorstel 57/2005).
43 – In punt 13 van de considerans van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1) wordt overwogen dat in gevallen van niet met de gemeenschappelijke markt verenigbare onrechtmatige steun, de daadwerkelijke mededinging dient te worden hersteld en dat het hiertoe noodzakelijk is dat de steun, met inbegrip van de rente, onverwijld wordt teruggevorderd.
44 – Arrest EHRM van 25 juni 2009, punten 33‑37. In die zaak ging het om schuldvorderingen jegens de Griekse staat die in een aantal gevallen na twee jaar verjaarden, terwijl voor de schuldvorderingen van deze staat zelf een verjaringstermijn gold die twee tot tien keer zo lang was. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft dienaangaande verklaard dat deze voorkeursbehandeling van de Griekse staat niet verenigbaar was met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van 4 november 1950.
45 – Artikel 17 betreffende het recht op eigendom.
Full & Egal Universal Law Academy