CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 14 april 2011 (1)
Zaak C‑110/10 P
Solvay SA
tegen
Europese Commissie
„Hogere voorziening – Mededinging – Kartel (artikel 81 EG) – Rechten van verdediging – Toegang tot dossier – Verdwijnen van stukken van administratieve procedure – Recht om te worden gehoord – Recht op beslissing binnen redelijke termijn – Buitensporig lange procedure – Europese markt voor natriumcarbonaat”
Inhoud
I – Inleiding
II – Achtergrond van het geding
III – Procedure voor het Hof
IV – Verzoek om vernietiging van het bestreden arrest
A – Rechten van de verdediging (tweede en derde middel)
1. Recht op toegang tot het dossier (tweede middel)
a) Ontvankelijkheid van het tweede middel
b) Gegrondheid van het tweede middel
2. Recht om te worden gehoord (derde middel)
a) Eerste onderdeel van het derde middel
b) Tweede onderdeel van het derde middel
c) Tussenconclusie
B – Recht op een beslissing binnen een redelijke termijn (eerste middel)
1. Criteria betreffende de beoordeling van de duur van de procedure (eerste en tweede onderdeel van het eerste middel)
a) De voorafgaande vraag betreffende ondeugdelijkheid van de grieven van Solvay
b) Noodzaak van beoordeling van de totale duur van de procedure (eerste onderdeel van het eerste middel)
c) Vermeend motiveringsgebrek (tweede onderdeel van het eerste middel)
2. Rechtsgevolgen van een buitensporig lange procedure (derde tot en met vijfde onderdeel van het eerste middel)
a) Vereiste van een inperking van de rechten van de verdediging (derde onderdeel van het eerste middel)
b) Gevolgen van duur van de procedure voor Solvays verdedigingsmogelijkheden in casu (vierde onderdeel van het eerste middel)
i) Motiveringsgebrek
ii) Inhoudelijke onjuistheid
iii) Enkele andere grieven
iv) Tussenconclusie
c) Solvay zou van een vermindering van de geldboete hebben afgezien (vijfde onderdeel van het eerste middel)
3. Tussenconclusie
C – Vernietiging van het bestreden arrest
D – Beslissing op het beroep in eerste aanleg
1. Recht op toegang tot het dossier
2. Recht om te worden gehoord
3. Recht op een beslissing binnen een redelijke termijn
4. Tussenconclusie
V – Verzoek om vermindering van de geldboete
A – Opmerking vooraf
B – Vermindering van de geldboete
1. De buitensporige duur van de administratieve en de gerechtelijke procedure
2. Omvang van de vermindering van de geldboete
VI – Kosten
VII – Conclusie
I – Inleiding
1. Reeds voor de tweede keer dient het Hof zich in hogere voorziening over de zaak Solvay/CFK te buigen.(2)
2. De onderhavige procedure houdt nauw verband met de parallel aanhangige zaak C‑109/10 P (Solvay/Commissie). Beide zaken vinden hun oorsprong in incidenten op de Europese markt voor natriumcarbonaat begin jaren tachtig van de vorige eeuw, die de Commissie er in 1989/1990 toe hebben bewogen een kartelprocedure op gang te brengen.(3)
3. In het onderhavige geding gaat het echter niet om het aspect van misbruik van machtspositie, maar om een kartelafspraak die volgens de vaststellingen van de Commissie in de periode 1987‑1990 tot een verdeling van de markt tussen de Belgische onderneming Solvay(4) en de Duitse onderneming CFK(5) had geleid. De Commissie heeft twee keer (in 1990 en 2000) een aanloop genomen om Solvay een geldboete ter zake op te leggen, waartegen die onderneming zich tot op de dag van vandaag voor de rechter verzet.
4. In het huidige stadium twisten partijen in wezen nog over twee fundamentele rechtsvragen, te weten het recht van toegang tot het dossier – in het bijzonder de gevolgen van het verdwijnen van een deel van de stukken – en het beginsel van de redelijke termijn.
5. Het verwijt van een buitensporig lange duur van de procedure voert Solvay overigens behalve in de onderhavige hogere voorziening ook aan in een beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”), dat tegen alle 27 lidstaten van de Europese Unie is gericht en gebaseerd is op schending van artikel 6, lid 1, EVRM.(6)(7)
II – Achtergrond van het geding
6. Zoals het Gerecht heeft vastgesteld(8), verrichtte de Commissie in april 1989 krachtens artikel 14 van verordening nr. 17(9) onaangekondigd inspecties („verificaties”) in de kantoren van diverse op de natriumcarbonaatmarkt(10) actieve ondernemingen, waaronder de Belgische vennootschap Solvay.(11) Later verzocht zij de betrokken ondernemingen om aanvullende inlichtingen.
7. Na afronding van haar onderzoek beschuldigde de Commissie Solvay enerzijds aan kartels te hebben deelgenomen, en anderzijds misbruik te hebben gemaakt van haar machtspositie op de natriumcarbonaatmarkt.
8. De onderhavige procedure heeft uitsluitend betrekking op één van de door de Commissie ontdekte kartels.(12) Volgens de bevindingen van de Commissie hadden Solvay en CFK een overeenkomst gesloten op grond waarvan de markt voor natriumcarbonaat vanaf ongeveer 1987 tot ten minste eind 1990 tussen de twee ondernemingen werd verdeeld. Solvay garandeerde CFK een op basis van het afzetvolume van CFK in 1986 berekende jaarlijkse minimumafzet natriumcarbonaat op de Duitse markt en kende CFK een compensatie toe door eventuele ontbrekende hoeveelheden ter hoogte van het verschil tot de gegarandeerde minimumafzet op te kopen.(13)
9. Wegens de deelname aan dat kartel heeft de Commissie in 1990 in een eerste beschikking overeenkomstig artikel 85 EEG-verdrag juncto verordening nr. 17 (beschikking 91/298/EEG(14)) aan beide ondernemingen een geldboete opgelegd. Solvay diende omgerekend 3 miljoen EUR, CFK omgerekend 1 miljoen EUR te betalen.(15) Aangezien bij die eerste beschikking echter vormvoorschriften inzake de waarmerking waren geschonden, werd zij door de rechter nietig verklaard.(16) Vervolgens stelde de Commissie in 2000 zonder verdere procedurele stappen te hebben ondernomen(17) – met name zonder Solvay opnieuw te hebben gehoord – een tweede beschikking vast, dit keer op basis van artikel 81 EG juncto verordening nr. 17, waarin zij Solvay(18) opnieuw een boete tot hetzelfde bedrag oplegde (beschikking 2003/5/EG).(19) De laatstgenoemde beschikking vormt het uitgangspunt van de onderhavige procedure.
10. In eerste aanleg had Solvay met haar tegen beschikking 2003/5 ingestelde beroep tot nietigverklaring slechts ten dele succes: bij arrest van 17 december 2009 verlaagde het Gerecht de hoogte van de geldboete weliswaar met 25 % tot 2,25 miljoen EUR, maar verklaarde het beroep van Solvay voor het overige ongegrond.(20) Tegen dat arrest, dat na niet minder dan acht jaar en negen maanden is gewezen, komt Solvay(21) thans op met de onderhavige hogere voorziening.
11. Chronologisch kunnen de belangrijkste stappen in dit geding tot dusver als volgt worden samengevat:
– Administratieve procedure voorafgaande aan de vaststelling van de eerste boetebeschikking
April 1989: Inspecties van de Commissie
Maart 1990: Mededeling van punten van bezwaar
December 1990: Boetebeschikking 91/298 van de Commissie
– Gerechtelijke procedure inzake nietigverklaring van de eerste boetebeschikking
Mei 1991: Beroep tot nietigverklaring van Solvay voor het Gerecht (T‑31/91)
Juni 1995: Nietigverklaring van beschikking 91/298
Augustus 1995: Hogere voorziening van de Commissie (C‑287/95 P)
April 2000: Afwijzing van de hogere voorziening
– Administratieve procedure voorafgaande aan de vaststelling van de tweede boetebeschikking
December 2000: Boetebeschikking 2003/5 van de Commissie
– Gerechtelijke procedure sinds de vaststelling van de tweede boetebeschikking
Maart 2001: Beroep tot nietigverklaring van Solvay voor het Gerecht (T‑58/01)
December 2009: Bestreden arrest van het Gerecht (T‑58/01)
Maart 2010: Onderhavige hogere voorziening van Solvay (C‑110/10 P)
III – Procedure voor het Hof
12. In de onderhavige hogere voorziening verzoekt Solvay het Hof,
– het bestreden arrest van 17 december 2009 te vernietigen;
– het beroep op de vernietigde punten opnieuw te onderzoeken en de beschikking van de Commissie van 13 december 2000 geheel of ten dele, afhankelijk van de omvang van de middelen, nietig te verklaren;
– de geldboete van 2,25 miljoen EUR nietig te verklaren, althans in zeer aanzienlijke mate te verlagen ter vergoeding van de ernstige schade die rekwirante door de buitensporig lange duur van de procedure heeft geleden;
– de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening en in die van de procedure voor het Gerecht.
13. De Commissie verzoekt het Hof,
– de hogere voorziening af te wijzen en
– rekwirante te verwijzen in de kosten.
14. Voor het Hof is de hogere voorziening eerst schriftelijk en vervolgens op 18 januari 2011 mondeling behandeld. De mondelinge behandeling in de zaken C‑109/10 P en C‑110/10 P heeft op dezelfde zitting plaatsgevonden.
IV – Verzoek om vernietiging van het bestreden arrest
15. Solvay vordert primair, op basis van drie middelen, vernietiging van het bestreden arrest. Ik zal deze middelen in gewijzigde volgorde bespreken: de problemen van procedurele aard in verband met de toegang tot het dossier en het recht om te worden gehoord komen eerst aan de orde (zie deel A hieronder), waarna ik zal ingaan op de problemen in verband met het recht op een beslissing binnen een redelijke termijn (zie deel B hieronder).
16. Alhoewel op de onderhavige zaak nog de oude antitrustverordening in de redactie van verordening nr. 17 van toepassing was, zijn de aan de orde gestelde rechtsvragen ook voor de tijd na de modernisering van het antitrustrecht door verordening (EG) nr. 1/2003(22) onverminderd relevant.
17. Anders dan in zaak C‑109/10 P(23) zijn in het onderhavige geval geen inhoudelijke problemen in verband met de toepassing van artikel 81 EG respectievelijk artikel 82 EG (thans artikel 101 VWEU respectievelijk artikel 102 VWEU) aan de orde.
A – Rechten van de verdediging (tweede en derde middel)
18. Met haar tweede en derde middel stelt Solvay in wezen schending van haar rechten van de verdediging.
19. De eerbiediging van de rechten van de verdediging is in elke procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten of dwangsommen, kan leiden, een grondbeginsel van het recht van de Unie, dat talloze malen in de rechtspraak van het Hof is bekrachtigd.(24) Inmiddels is het ook in de artikelen 41, lid 2, sub a, en 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten gecodificeerd.(25)
20. De door Solvay in het kader van haar tweede en derde middel aangevoerde grieven zijn van fundamenteel belang en stellen het Hof in staat zijn rechtspraak betreffende de rechten van de verdediging in een kartelrechtelijke administratieve procedure te verdiepen.
21. De procedurele context van deze drie middelen is de volgende:
– Vóór de vaststelling van haar eerste boetebeschikking van 1990 in deze zaak (beschikking 91/298) bood de Commissie Solvay op basis van een mededeling van punten van bezwaar de gelegenheid haar standpunt toe te lichten.(26) Solvay kreeg echter geen echte toegang tot het dossier; zij ontving slechts kopieën van de belastende bewijsstukken waarop de Commissie destijds haar punten van bezwaar gebaseerd had.(27) Het doel hiervan was de „procedure te vereenvoudigen”.(28)
– In het jaar 2000, dat wil zeggen vóór de vaststelling van de tweede, in casu litigieuze boetebeschikking (beschikking 2003/5) werd Solvay niet opnieuw gehoord(29), en evenmin kreeg zij toegang tot het dossier.(30)
– Pas tijdens de tweede procedure voor het Gerecht (zaak T‑58/01) legde de Commissie een deel van de stukken uit de administratieve procedure over, nadat zij door het Gerecht herhaaldelijk bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang hierom was verzocht.(31) Solvay kon tal van stukken waartoe zij daarvoor nooit toegang had gehad, ter griffie van het Hof inzien. Zij werd bovendien in staat gesteld, zich ten overstaan van het Gerecht over de bruikbaarheid van de geraadpleegde documenten voor haar verdediging uit te spreken.(32)
– Voor het Gerecht heeft de Commissie moeten toegeven dat zij het resterende deel van haar stukken – om precies te zijn vijf ordners – niet meer kon vinden.(33) Ook een inhoudsopgave van de ontbrekende stukken kon de Commissie niet overleggen.(34)
22. Solvay stelt tegen deze achtergrond enerzijds schending van haar recht op toegang tot het dossier (tweede middel, zie punt 1, hieronder) en anderzijds schending van haar recht om te worden gehoord (derde middel, zie punt 2, hieronder).
1. Recht op toegang tot het dossier (tweede middel)
23. Als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging impliceert het recht op toegang tot het dossier dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid moet bieden, alle voor haar verdediging eventueel relevante documenten in het onderzoeksdossier in te zien. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.(35)
24. Vaststaat dat Solvay in de administratieve procedure slechts op de hoogte is gesteld van die stukken die de Commissie in de litigieuze beschikking tegen haar heeft gebruikt. Tal van andere documenten uit het dossier waartoe Solvay op grond van haar rechten van verweer eveneens toegang had moeten worden geboden, konden door haar niet worden ingezien. Hierdoor heeft de Commissie in strijd met een fundamentele procedureregel gehandeld(36), die een uitvloeisel is van het recht op goed bestuur.(37) Een dergelijke procedurele onregelmatigheid kan na de vaststelling van de litigieuze beschikking niet meer worden gedekt, in het bijzonder niet door de presentatie van afzonderlijke stukken tijdens een latere gerechtelijke procedure.(38)
25. In het huidige stadium gaat het partijen alleen maar om de vraag of het Gerecht de litigieuze beschikking in het licht van de genoemde procedurele fout van de Commissie had moeten nietig verklaren. Volgens vaste rechtspraak leiden procedurele onregelmatigheden betreffende de toegang tot het dossier immers slechts tot nietigverklaring van een Commissiebeschikking wanneer zij gepaard gingen met een schending van de rechten van de verdediging.(39)
26. In tegenstelling tot zaak C‑109/10 P gaat het in casu alleen om een mogelijke schending van de rechten van de verdediging wat de verdwenen stukken betreft.(40)
27. In tegenstelling tot de Commissie en het Gerecht is Solvay van mening dat haar rechten van de verdediging zijn geschonden, en zij onderbouwt dit met tal van argumenten. Zij refereert in wezen aan de in het Unierecht erkende algemene rechtsbeginselen betreffende de eerbiediging van de rechten van de verdediging, het vermoeden van onschuld en de verdeling van de bewijslast. Daarnaast stelt Solvay schending van de motiveringsplicht van artikel 36 juncto artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof en schending van de artikelen 47, lid 2, 48 en 52, lid 3, van het Handvest van de grondrechten en van artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 1, VEU.
28. Solvay gaat echter alleen maar nader in op de rechten van de verdediging en zijdelings op het vermoeden van onschuld. Haar sporadische verwijzingen naar het Handvest van de grondrechten, artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 1, VEU hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven derhalve niet nader te worden onderzocht. Aangaande artikel 6, lid 1, VEU volstaat het erop te wijzen dat die bepaling op zich geen garanties betreffende de grondrechten bevat. Artikel 6 EVRM is vóór de toetreding van de Unie tot dit Verdrag(41) niet rechtstreeks van toepassing op de instellingen in de Unie, al wordt het wel bij de uitlegging en toepassing van de gelaakte algemene rechtsbeginselen en grondrechten van het Unierecht in aanmerking genomen.(42)
a) Ontvankelijkheid van het tweede middel
29. De Commissie betwist de ontvankelijkheid van grote delen van het tweede middel. Volgens haar maakt de beoordeling van de bruikbaarheid van bepaalde stukken voor de verdediging van een onderneming deel uit van de beoordeling van de feiten en het bewijs, die alleen de zaak is van het Gerecht en in hogere voorziening principieel niet kan worden getoetst.
30. Deze opvatting overtuigt mij niet. In casu wordt het Hof niet ertoe aangezet wat individuele stukken betreft zijn eigen beoordeling in plaats van die van het Gerecht te stellen.(43) Het wordt veeleer verzocht na te gaan of het Gerecht bij zijn beoordeling van de feiten en het bewijs is uitgegaan van de juiste criteria en maatstaven. Dit is een rechtsvraag die in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst.(44)
b) Gegrondheid van het tweede middel
31. Inhoudelijk is het tweede middel gericht tegen de punten 257 tot en met 264 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht ingaat op de vraag of het ontbreken van vijf ordners afbreuk doet aan de rechten van de verdediging van Solvay(45) en dit ontkent.(46)
32. Rekwirante uit verschillende bezwaren tegen de bestreden passage van het arrest, waarop de vijf onderdelen van het tweede middel betrekking hebben. Deze overlappen elkaar echter op tal van punten. In wezen gaat het altijd om dezelfde vraag: mocht het Gerecht uitsluiten dat de verloren stukken van nut konden zijn voor de verdediging van Solvay?(47)
33. Het uitgangspunt behoort te zijn dat een onderneming waaraan tijdens de administratieve procedure op onrechtmatige wijze de inzage in bepaalde delen van het dossier is geweigerd, ten overstaan van de rechter alleen maar behoeft aan te tonen dat het de betrokken stukken voor haar verdediging had kunnen gebruiken.(48) Het volstaat dat de onderneming aantoont dat er een – zij het nog zo kleine – kans bestond dat de stukken waarin in de administratieve procedure geen inzage is verleend, voor haar verdediging van nut hadden kunnen zijn.(49)
34. In casu werd de beoordeling door het Gerecht van het nut van de stukken die Solvay niet heeft kunnen raadplegen, natuurlijk bemoeilijkt door het feit dat die stukken niet meer konden worden teruggevonden.
35. Het zou beslist niet juist zijn altijd automatisch aan te nemen dat verloren stukken uit het dossier voor de verdediging van de betrokken onderneming van nut hadden kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld aan de hand van een gedetailleerde inhoudsopgave aannemelijk is dat de betrokken delen van het dossier uitsluitend documenten bevatten die sowieso niet hadden mogen worden ingezien – ontwerpbeschikkingen en interne documenten van de Commissie, maar in voorkomend geval ook andere vertrouwelijke stukken(50) –, kan een schending van de rechten van de verdediging bij voorbaat worden uitgesloten.
36. In het onderhavige geval kon de inhoud van de verdwenen delen van het dossier echter nog niet eens bij benadering gereconstrueerd worden.(51) Wie de verantwoordelijkheid hiervoor moet dragen, is in de rechtspraak – voor zover valt op te maken – nog niet uitgemaakt. De arresten tot dusver hadden namelijk betrekking op stukken uit de administratieve procedure waarvan de inhoud vaststond en door de rechter kon worden getoetst.(52)
37. Principieel is het aan de onderneming om aan te tonen en te bewijzen dat delen van het dossier die zij tijdens de administratieve procedure op onrechtmatige wijze niet heeft kunnen inzien, van nut zouden zijn geweest voor haar verdediging.(53) Dit veronderstelt echter wel dat de onderneming ten minste over gedetailleerde aanwijzingen betreffende de auteurs evenals de aard en de inhoud van de documenten die zij niet heeft mogen raadplegen, kan beschikken.
38. Dat delen van het dossier niet meer teruggevonden kunnen worden, valt echter onder de verantwoordelijkheid van de Commissie. Zij is overeenkomstig het beginsel van goed bestuur verplicht, het dossier adequaat te beheren en veilig te bewaren. Tot een adequaat beheer behoort niet in de laatste plaats ook de opstelling van een duidelijke inhoudsopgave met het oog op later te verlenen toegang tot het dossier.
39. Indien de inhoud van verloren stukken – zoals in casu – wegens het ontbreken van een dergelijke inhoudsopgave niet met zekerheid kan worden gereconstrueerd, dan is er met betrekking tot de rechten van de verdediging slechts één conclusie mogelijk: het kan niet worden uitgesloten dat de betrokken onderneming de verdwenen stukken voor haar verdediging had kunnen gebruiken.
40. Het Gerecht gaat in het bestreden arrest niettemin uit van het tegenovergestelde: zijns inziens kan worden uitgesloten dat rekwirante in de ontbrekende „subdossiers” documenten zou hebben kunnen vinden die dienstig waren geweest voor haar verdediging.(54)
41. Het neemt daarbij onder meer in aanmerking dat Solvay in haar verzoekschrift in eerste aanleg het bestaan van de door haar met CFK gesloten kartelafspraak niet heeft betwist.(55) De beoordeling van de bruikbaarheid van de verdwenen stukken voor de verdediging van Solvay wordt dus gekoppeld aan de door haar aangevoerde argumenten tegen de vaststellingen van de Commissie betreffende het bestaan van een mededingingsbeperkende overeenkomst.(56) Het Gerecht lijkt met andere woorden te vermoeden dat wie er al slecht voorstond, zijn heil ook niet in de resterende delen van het dossier had kunnen vinden.
42. Deze benadering getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Vanzelfsprekend moet aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval worden onderzocht of er sprake is van een schending van de rechten van de verdediging. Bij dat onderzoek moet echter worden uitgegaan van hetgeen de Commissie de betrokken onderneming ten laste legt, welke verwijten zij dus aan het adres van die onderneming richt.(57) Tegen die „grieven” van de Commissie moet de onderneming zich verdedigen. Welke materiële grieven de onderneming zelf tot dusver tegen de litigieuze beschikking heeft aangevoerd en of deze slagen, doet daarentegen geheel niet ter zake.
43. Ten onrechte laat het Gerecht de bruikbaarheid van de verloren gegane documenten voor Solvay ervan afhangen of zij bepaalde vaststellingen van de Commissie heeft betwist – namelijk die betreffende het bestaan van de kartelafspraak met CFK – en of zij bepaalde argumenten in het verzoekschrift ook zonder volledige toegang tot het dossier had kunnen aanvoeren.(58)
44. De enige vraag die het Gerecht had moeten interesseren, had echter moeten zijn of de ontbrekende stukken eventueel informatie bevatten die Solvay in staat had gesteld haar bestaande argumentatie tegen de litigieuze beschikking beter te onderbouwen of zelfs nieuwe argumenten naar voren te brengen(59), zij het betreffende het bestaan, het doel of de gevolgen van haar afspraak met CFK.
45. In dit verband herinner ik aan de – bij gebrek aan bewijs mislukte – poging van Solvay om haar litigieuze afspraak met CFK te rechtvaardigen met plannen voor een fusie van de twee ondernemingen.(60) Zo had Solvay in de administratieve procedure gesteld dat haar Duitse dochter DSW(61) in 1988, in het kader van onderhandelingen over een overname van de activiteiten van CFK, het voortbestaan van die onderneming had willen waarborgen. Te dien einde wilde men CFK de mogelijkheid bieden tijdelijk een bepaalde minimumafzet op de Duitse markt te bereiken om het overleven van de onderneming te garanderen en haar aantrekkelijkheid als overnameobject te handhaven.(62)
46. Ook de opmerkingen van CFK hadden nuttige informatie over de juistheid van de contacten tussen Solvay en CFK kunnen opleveren. Het is niet uit te sluiten dat de verdwenen ordners opmerkingen in die zin bevatten.(63) Zij hadden ten minste van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zwaarte en de duur van de inbreuk en voor de vaststelling van de hoogte van de door de Commissie opgelegde geldboete.(64)
47. In tegenstelling tot de kennelijke opvatting van het Gerecht was het niet aan Solvay om precies aan te tonen in hoeverre de verdwenen stukken voor haar voordelige elementen hadden kunnen bevatten. Het was onmogelijk de inhoud van die documenten voor het Gerecht te reconstrueren, en het onmogelijke kan van niemand worden verlangd. Ook de gevolgen van die onmogelijkheid mochten niet ten laste van Solvay worden gebracht, aangezien het verdwijnen van de betrokken documenten onder de verantwoordelijkheid van de Commissie viel.(65)
48. Al met al is het Gerecht bij de beoordeling van de vraag of de verdwenen stukken dienstig hadden kunnen zijn voor de verdediging van Solvay, uitgegaan van de verkeerde maatstaven. Het heeft niet onderkend welke eisen de rechten van de verdediging in dit opzicht meebrengen. Dit betekent dat het derde middel slaagt.
49. De door Solvay in dit verband eveneens gestelde schending van het vermoeden van onschuld heeft geen zelfstandige betekenis die verder gaat dan de reeds besproken vraagstukken betreffende de stelplicht en de bewijslast in het kader van de rechten van de verdediging. Hierop behoeft derhalve niet apart te worden ingegaan.
2. Recht om te worden gehoord (derde middel)
50. Met haar derde middel vecht Solvay de punten 165 tot en met 174 van het bestreden arrest aan, waarin het Gerecht tot de conclusie komt dat de Commissie niet verplicht was rekwirante vóór het vaststellen van de litigieuze beschikking opnieuw te horen.(66) Volgens Solvay had echter in het kader van de administratieve procedure in 2000 een nieuwe hoorzitting moeten plaatsvinden, omdat de eerste – door het Gerecht nietig verklaarde – boetebeschikking (beschikking 91/298) niet alleen niet naar behoren was gewaarmerkt, maar bovendien ook was vastgesteld zonder dat haar de noodzakelijke toegang tot het dossier was geboden.
a) Eerste onderdeel van het derde middel
51. In het eerste onderdeel van dit middel stelt Solvay schending van de motiveringsplicht van artikel 36 juncto artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof. Het bestreden arrest gaat niet in op de vraag of de procedurele onregelmatigheden met betrekking tot de toegang tot het dossier in de eerste administratieve procedure een nieuwe hoorzitting noodzakelijk maakten. Het Gerecht zou dus een klacht van Solvay niet hebben behandeld.
52. Deze grief moet worden afgewezen. Het Gerecht is, zij het ook maar in één zin, ingegaan op de vraag of Solvay vanwege de voorafgaande procedurefouten bij de toegang tot het dossier opnieuw diende te worden gehoord: het heeft als antwoord naar zijn opmerkingen inzake de toegang tot het dossier verwezen.(67) Dit was vanuit het oogpunt van het Gerecht logisch en consequent, aangezien het van oordeel was dat de Commissie in verband met de niet verleende inzage in het dossier niet in strijd met de rechten van de verdediging had gehandeld.(68) Het lag derhalve in de lijn van de in het bestreden arrest gekozen benadering dat Solvay niet nogmaals behoefde te worden gehoord.
53. Dit betekent dat het oordeel van het Gerecht betreffende het recht om te worden gehoord naar behoren is gemotiveerd. Of het ook inhoudelijk juist is, komt aan de orde in het tweede onderdeel van het derde middel, waarop ik thans zal ingaan.
b) Tweede onderdeel van het derde middel
54. In het tweede onderdeel van het derde middel gaat Solvay inhoudelijk in op de vraag of zij gezien de procedurefouten die zich in 1990 bij de toegang tot het dossier hadden voorgedaan, later – vóór de vaststelling van de tweede, in casu bestreden boetebeschikking (beschikking 2003/5) in het jaar 2000 – opnieuw had moeten worden gehoord.
55. Solvay stelt in wezen schending van haar recht om te worden gehoord, en van haar rechten van de verdediging in het algemeen. Daarnaast klaagt zij over inbreuken op de artikelen 47, lid 2, 48 en 52, lid 3, van het Handvest van de grondrechten, op artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 1, VEU, op het beginsel van goed bestuur en op artikel 266 VWEU (oud artikel 233 EG). Al deze grieven hebben met elkaar gemeen dat Solvay het Gerecht verwijt niet te hebben onderkend dat de Commissie rekwirante opnieuw had moeten horen.
56. Het recht om te worden gehoord maakt deel uit van de rechten van de verdediging die in het kader van kartelrechtelijke administratieve procedures moeten worden geëerbiedigd. Het houdt in dat de in een onderzoek betrokken onderneming tijdens die procedure in staat wordt gesteld haar standpunt kenbaar te maken over de juistheid en relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden alsook over de stukken waarop de Commissie zich baseert.(69) Op het vlak van de afgeleide wetgeving was dat beginsel ten tijde van de vaststelling van de litigieuze beschikking vastgelegd in artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17.(70)
57. Onbetwist is dat Solvay in de onderhavige zaak in 1990 – voorafgaande aan de vaststelling van de eerste boetebeschikking (beschikking 91/298) – door de Commissie op basis van een mededeling van punten van bezwaar is gehoord. Omstreden is alleen of tot de maatregelen die de Commissie na de nietigverklaring van die eerste boetebeschikking overeenkomstig artikel 233 EG (thans artikel 266 VWEU) diende te nemen, ook een nieuwe hoorzitting behoorde.
58. In een kartelrechtelijke administratieve procedure volgens verordening nr. 17 verplicht artikel 233 EG de Commissie niet automatisch de gehele procedure weer van voren af aan te beginnen. De Commissie kan de draad weer oppakken op het punt van de procedure waarop de fout volgens de rechters van de Unie is begaan. Voor zover de handelingen die in temporeel opzicht voorafgingen aan de procedurefout rechtmatig waren, behoeven zij niet te worden herhaald.
59. In de zaak PVC, waarin een eerste beschikking van de Commissie wegens een vormfout bij de definitieve vaststelling ervan door het college van Commissieleden was nietig verklaard, ging het Hof ermee akkoord dat de Commissie, zonder de betrokken ondernemingen opnieuw te horen, een tweede, in wezen gelijkluidende beschikking vaststelde.(71) Naar die rechtspraak heeft het Gerecht in het bestreden arrest verwezen ter onderbouwing van zijn standpunt dat ook in casu Solvay niet opnieuw hoefde te worden gehoord.(72)
60. Op het eerste gezicht vertonen de zaak PVC en de onderhavige zaak inderdaad sterke gelijkenissen. Ook in casu was de eerste boetebeschikking van de Commissie (beschikking 91/298) wegens een vormfout aan het einde van de administratieve procedure – om precies te zijn bij de waarmerking van de beschikking – nietig verklaard.
61. Maar bij nader onderzoek blijkt er een wezenlijk verschil te bestaan: in tegenstelling tot de zaak PVC was er in casu in de administratieve procedure reeds lang voor de fase van definitieve vaststelling en waarmerking van de boetebeschikking sprake van een ernstige onregelmatigheid, aangezien Solvay geen juridisch correcte toegang was verleend tot het dossier.(73)
62. De Unierechters zijn in hun arresten betreffende de eerste boetebeschikking (beschikking 91/298)(74) niet ingegaan op het recht op toegang tot het dossier en de rechten van de verdediging, maar hebben zich tot de problematiek van de waarmerking beperkt. Hieruit volgt echter niet dat de Unierechters hebben bevestigd dat de administratieve procedure wat de toegang tot het dossier en de rechten van de verdediging betreft naar behoren is verlopen.
63. Integendeel, met betrekking tot beschikking 91/297, waaraan dezelfde administratieve kartelprocedure ten grondslag ligt als aan beschikking 91/298, besliste het Gerecht dat de rechten van de verdediging wegens onvolledige toegang tot het dossier waren geschonden.(75) Bovendien bestond er reeds sinds 1982 een duidelijke praktijk van de Commissie ten aanzien van de verlening van toegang tot het dossier.(76)
64. Nu zou de Commissie ten goede kunnen worden gehouden dat de verschillende arresten van het Gerecht van 29 juni 1995 wat de doelstellingen en de omvang van de te verlenen toegang tot het dossier betreft geen duidelijk beeld te zien gaven.(77) Maar uiterlijk op het tijdstip van vaststelling van de in casu litigieuze tweede boetebeschikking in het jaar 2000 waren alle eventuele onduidelijkheden hierover allang uit de weg geruimd.(78)
65. Onder die omstandigheden had de Commissie in het onderhavige geval na de nietigverklaring van de eerste boetebeschikking de administratieve procedure weer opnieuw moeten oppakken in het stadium direct volgend op de betekening van de mededeling van punten van bewaar. Zij had Solvay in overeenstemming met de voorschriften ruime toegang tot het dossier moeten bieden en haar op die basis opnieuw moeten horen.
66. Aan de verplichting van de Commissie om Solvay na de toegang tot het dossier opnieuw te horen, doet ook het feit geen afbreuk dat aan de tweede in casu litigieuze boetebeschikking (beschikking 2003/6) geen nieuwe punten van bezwaar ten grondslag lagen.(79) Alhoewel Solvay reeds in 1990 een keer de gelegenheid had zich over alle punten van bezwaar te uiten waarop de Commissie zowel haar eerste als haar tweede boetebeschikking gebaseerd had, moest zij dit doen op basis van uiterst fragmentarische kennis van het dossier, aangezien haar uitsluitend belastende documenten waren verstrekt.(80)
67. Het recht om te worden gehoord houdt meer in dan alleen het recht om opmerkingen te maken over alle punten van bezwaar van de Commissie. De betrokken onderneming moet veeleer de kans krijgen om kennis te nemen van alle rechtmatig toegankelijke delen van het dossier en op die basis haar standpunt naar voren te brengen. Zo niet, zouden de rechten van de verdediging in kartelprocedures veel aan effectiviteit inboeten.
68. De gelegenheid om opmerkingen te maken heeft een heel andere kwaliteit wanneer de betrokken onderneming vooraf naar behoren toegang tot het dossier heeft gekregen. Het ligt met name voor de hand dat een onderneming die niet alleen inzage heeft gekregen in belastende, maar ook in ontlastende documenten, beter kan opkomen tegen de punten van bezwaar van de Commissie dan een onderneming waaraan uitsluitend belastend materiaal is verstrekt.
69. Het Gerecht heeft derhalve ten aanzien van het recht om te worden gehoord blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een nieuwe hoorzitting van de Commissie met Solvay niet noodzakelijk te achten. In wezen wordt de onjuiste rechtsopvatting waarvan het bestreden arrest met betrekking tot het recht op toegang tot het dossier getuigt, hier voortgezet.(81)
70. Op het door Solvay eveneens aangevoerde beginsel van goed bestuur behoeft niet nader te worden ingegaan, aangezien de hierop gebaseerde argumentatie naast die betreffende de rechten van de verdediging en het recht om te worden gehoord, geen zelfstandige betekenis heeft. Evenmin behoeft, zoals ik reeds heb uiteengezet(82), op artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 1, VEU te worden ingegaan.
c) Tussenconclusie
71. Al met al slaagt derhalve het tweede onderdeel van het derde middel.
B – Recht op een beslissing binnen een redelijke termijn (eerste middel)
72. Met haar eerste middel, dat gericht is tegen de punten 100 tot en met 123 van het bestreden arrest, stelt Solvay schending van het recht op een beslissing binnen een redelijke termijn. Dit grondrecht is in de rechtspraak van het Hof erkend als algemeen beginsel van Unierecht voor zowel de administratieve procedure voor de Commissie als de gerechtelijke procedure voor de rechters van de Unie.(83) Inmiddels is het ook verankerd in de artikelen 41, lid 1, en 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten.
73. Alhoewel de Unierechters zich reeds meerdere malen over de problematiek van de redelijke termijn in mededingingszaken hebben moeten uitspreken, lijken de door Solvay opgeworpen rechtsvragen mij bijzonder belangrijk. Enerzijds hebben zij betrekking op een zaak waarin de absolute duur van de procedure, alle fasen van de administratieve en gerechtelijke procedure samengeteld, ongetwijfeld bijzonder lang was. Anderzijds moeten zij worden gezien tegen de achtergrond van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, waardoor het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie rechtens bindend is geworden (artikel 6, lid 1, VEU).
74. Het eerste middel bestaat uit in totaal vijf onderdelen, die ten dele betrekking hebben op de duur van de procedure (zie punt 1, hieronder) en ten dele op de rechtsgevolgen van een buitensporig lange duur van de procedure (zie punt 2, hieronder).
1. Criteria betreffende de beoordeling van de duur van de procedure (eerste en tweede onderdeel van het eerste middel)
75. De juridische criteria betreffende de beoordeling van de duur van de procedure zijn het voorwerp van de eerste twee onderdelen van het eerste middel.
a) De voorafgaande vraag betreffende ondeugdelijkheid van de grieven van Solvay
76. In tegenstelling tot de opvatting van de Commissie is het niet zo dat de grieven van Solvay betreffende de duur van de procedure voor een groot deel „ondeugdelijk” zijn. Vanzelfsprekend zou voor een eventuele vernietiging van het bestreden arrest logisch gezien nog een stap verder moeten worden gezet (en moeten worden nagedacht over de sancties op een buitensporig lange duur van de procedure). Desalniettemin moet de duur van de procedure als zodanig worden onderzocht(84), omdat zolang niet is vastgesteld dat de procedure buitensporig lang heeft geduurd, het recht op een beslissing binnen een redelijke termijn per definitie niet als geschonden kan worden beschouwd. De criteria die het Gerecht bij de beoordeling van de duur van de procedure heeft toegepast, kunnen niet zijn onttrokken aan iedere vorm van toetsing in hogere voorziening.
77. De grieven van Solvay betreffende de duur van de procedure zouden hooguit ondeugdelijk zijn indien rekwirante deze los van grieven betreffende de rechtsgevolgen van een buitensporig lange duur van de procedure had aangevoerd. Dit is in casu echter niet het geval. Solvay komt veeleer vanuit beide invalshoeken op tegen het bestreden arrest, met dien verstande dat het derde tot en met het vijfde onderdeel van het eerste middel specifiek betrekking hebben op de rechtsgevolgen.
78. Tegen deze achtergrond moet het door de Commissie aangevoerde bezwaar van ondeugdelijkheid worden afgewezen.
b) Noodzaak van beoordeling van de totale duur van de procedure (eerste onderdeel van het eerste middel)
79. Met het eerste onderdeel van het eerste middel verwijt Solvay het Gerecht bij de beoordeling van de duur van de procedure de verschillende fasen van de administratieve en gerechtelijke procedure los van elkaar te hebben bezien in plaats van de procedure in haar totaliteit, die al met de inspecties van april 1989 was begonnen.
80. De redelijkheid van de duur van een procedure moet worden beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden van elke zaak, in het bijzonder de belangen die voor de betrokkene op het spel staan in het geschil, de ingewikkeldheid van de zaak en het gedrag van de verzoeker en de bevoegde autoriteiten.(85) En die lijst van relevante criteria is volgens het Hof niet uitputtend.(86)
81. Tot een adequate toetsing van de duur van de procedure behoort ongetwijfeld dat het Gerecht de duur van elke fase van de procedure apart onder de loep neemt.(87) Indien één van de fasen van de procedure buitensporig lang heeft geduurd, rechtvaardigt dit feit op zich reeds de vaststelling van een schending van het beginsel van de redelijke termijn.(88)
82. Tot een adequate toetsing van de duur van de procedure behoort echter niet alleen een dergelijke „gelaagde” benadering, maar ook een beoordeling van de totale duur van de administratieve procedure en eventuele gerechtelijke procedures.(89)
83. Tegen de eis van een globale beoordeling kan niet worden ingebracht dat de administratieve en gerechtelijke procedures elk een eigen karakter hebben en dat de eisen waaraan het bestuur respectievelijk de rechter dienen te voldoen, in het Handvest van de grondrechten niet op dezelfde plaats zijn geregeld. Vanuit het oogpunt van de betrokken onderneming is alleen maar belangrijk wanneer op haar „zaak” definitief wordt beslist door een onpartijdige instantie. De artikelen 41, lid 1, en 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten zijn enkel twee uitwerkingen van hetzelfde procedurerechtelijke beginsel, namelijk dat de rechtssubjecten recht hebben op een beslissing binnen een redelijke termijn.
84. Normaliter zal geen schending van het beginsel van de redelijke termijn kunnen worden aangenomen wanneer geen afzonderlijke fase van de administratieve en de gerechtelijke procedure op zich buitensporig lang was. Maar uit hoe meer fasen de procedure in haar geheel bestaat – één of meer administratieve en/of gerechtelijke procedures –, hoe belangrijker de beoordeling van de totale duur ervan wordt.
85. In het onderhavige geval volgde op het eerste deel van de administratieve procedure (van 1989 tot en met 1990) en een eerste gerechtelijke procedure (van 1991 tot en met 2000) een – zij het rudimentair – tweede deel van de administratieve procedure (2000) en een tweede gerechtelijke procedure (sinds maart 2001).(90) De gehele duur van al deze procedurele fasen besloeg op de datum van uitspraak van het bestreden arrest reeds meer dan 20 jaar. Tot de dag van vandaag zijn zelfs 22 jaar verstreken. Vrijwel geen andere procedure in het Europese kartelrecht heeft zoveel tijd in beslag genomen.(91)
86. Onder deze omstandigheden kon de duur van de procedure niet adequaat worden beoordeeld zonder de totale duur van de administratieve en de gerechtelijke procedure tot de datum van de uitspraak van het bestreden arrest in aanmerking te nemen. Aangezien het Gerecht een dergelijke globale beoordeling achterwege heeft gelaten, berust het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting. Dit betekent dat het eerste onderdeel van het eerste middel gegrond is.
c) Vermeend motiveringsgebrek (tweede onderdeel van het eerste middel)
87. Solvay klaagt bovendien over een motiveringsgebrek (artikel 36 juncto artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof), omdat het Gerecht de duur van de procedure voor het Gerecht zelf niet in aanmerking heeft genomen.
88. Inderdaad gaat het Gerecht met geen woord in op de duur van de fase van de procedure waarvoor het zelf verantwoordelijk is (procedure in zaak T‑58/01). In deze context moet echter worden bedacht dat de motivering van een arrest in eerste aanleg impliciet kan zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumentatie niet is gevolgd, en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen.(92)
89. In het onderhavige geval ging het Gerecht ervan uit dat niet reeds de duur van de procedure, maar alleen een – aan de duur van de procedure te wijten – schending van de rechten van de verdediging tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking kon leiden. Aangezien volgens het Gerecht geen sprake was van een schending van de rechten van de verdediging, kon het afzien van een uitdrukkelijke beoordeling van Solvays argumenten betreffende de duur van de procedure voor het Gerecht. Dit levert geen motiveringsgebrek op.
90. Het tweede onderdeel van het eerste middel kan derhalve niet slagen.
2. Rechtsgevolgen van een buitensporig lange procedure (derde tot en met vijfde onderdeel van het eerste middel)
91. In het derde tot en met het vijfde onderdeel van het vijfde middel gaat Solvay in op de rechtsgevolgen van een overschrijding van de redelijke duur van de administratieve en de gerechtelijke procedure.
a) Vereiste van een inperking van de rechten van de verdediging (derde onderdeel van het eerste middel)
92. In het kader van het derde onderdeel van het eerste middel wordt een rechtsvraag van fundamenteel belang aan de orde gesteld. Partijen twisten over de vraag of een schending van het grondrecht op een beslissing binnen een redelijke termijn op zich reeds de nietigverklaring van de litigieuze beschikking rechtvaardigt of dat bovendien moet worden aangetoond dat hierdoor afbreuk is gedaan aan de mogelijkheden van de betrokken onderneming om zich te verdedigen.(93)
93. Het Gerecht heeft in het bestreden arrest geoordeeld dat een buitensporig lange procedure slechts dan tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie kan leiden, wanneer is aangetoond dat de onderneming zich door het overdreven lange tijdsverloop minder goed heeft kunnen verdedigen.(94) Dit strookt met de inmiddels vaste rechtspraak van het Hof, die als algemene maatstaf hanteert of de duur van de procedure de uitkomst van het geschil kan hebben beïnvloed.(95)
94. Solvay beschouwt die rechtspraak echter als achterhaald en verzoekt het Hof om herziening ervan in het licht van het bindende karakter van het Handvest van de grondrechten sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon.
95. Van bijzonder belang is in dit verband het bepaalde in artikel 52, lid 3, van het Handvest. Deze bepaling bevat in de eerste volzin ervan een homogeniteitsclausule, die impliceert dat de grondrechten van het Handvest die corresponderen met die van het EVRM, dezelfde inhoud en draagwijdte hebben als die in dat Verdrag.
96. Het is een feit dat het grondrecht van de Unie op een beslissing binnen een redelijke termijn overeenkomstig de artikelen 41, lid 1, en 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten correspondeert met artikel 6, lid 1, EVRM.(96) In tegenstelling tot de opvatting van Solvay verlangt artikel 6, lid 1, EVRM zoals het thans door het EHRM wordt uitgelegd, echter niet dat een kartelrechtelijke boetebeschikking louter op grond van overschrijding van de redelijke termijn wordt nietig verklaard en de administratieve procedure wordt stopgezet.
97. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, biedt het EVRM de verdragsstaten in het algemeen een zekere beoordelingsvrijheid wat de maatregelen en middelen betreft om eventuele schendingen van grondrechten ongedaan te maken.(97)
98. Uit de rechtspraak van het EHRM betreffende artikel 6, lid 1, EVRM valt bovendien op te maken dat de volledige opheffing van strafrechtelijke sancties en de beëindiging van de betrokken strafzaken slechts een mogelijke vorm van genoegdoening in de zin van artikel 41 EVRM voor een schending van de grondrechten door een buitensporig lange procedure is.(98) Er is nergens sprake van een verplichting van de nationale instanties om de sancties op te heffen en de procedure stop te zetten. Het EHRM erkent veeleer uitdrukkelijk dat ook verlaging van een opgelegde straf als adequate genoegdoening voor een buitensporig lange procedure kan worden beschouwd.(99) In een zaak over economische criminaliteit bijvoorbeeld, waarin het om ernstige fraudedelicten ging en de procedure meer dan 17 jaar had geduurd, kon volgens het EHRM worden volstaan met de vaststelling van de buitensporig lange duur van de procedure en een verlaging van de straf.(100) Een dergelijke oplossing kan mijns inziens ook worden toegepast op kartelrechtelijke procedures, die gelijkenissen vertonen met strafzaken met een economisch karakter.
99. Hier komt met betrekking tot het mededingingsrecht nog bij dat het EHRM zelf dit rechtsgebied blijkbaar niet tot het klassieke strafrecht rekent; buiten de „harde kern” van het strafrecht behoeven de strafrechtelijke waarborgen van artikel 6, lid 1, EVRM volgens het EHRM niet noodzakelijkerwijs geheel naar de letter te worden toegepast.(101)
100. Dit betekent dat er bij de huidige stand van moet worden uitgegaan dat uit het homogeniteitsgebod van artikel 52, lid 3, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten geen verplichting voor de rechters van de Unie voortvloeit om in het kader van het Europese mededingingsrecht een schending van het beginsel van de redelijke termijn automatisch met een nietigverklaring van de litigieuze beschikking te beantwoorden.
101. Alhoewel het Unierecht volgens artikel 52, lid 3, tweede volzin, van het Handvest van de grondrechten een ruimere bescherming kan bieden dan het EVRM, bestaat hiervoor in de onderhavige mededingingsrechtelijke context geen aanleiding.
102. Bij de vaststelling van een sanctie wegens schending van het grondrecht op een beslissing binnen een redelijke termijn moet zowel naar behoren rekening worden gehouden met de belangen van de betrokken onderneming als met het algemeen belang.
103. Het belang van de betrokken onderneming bestaat erin een zo volledig mogelijke genoegdoening voor de gevolgen van de schending van het grondrecht te verkrijgen.(102) Het algemeen belang bestaat erin dat de mededingingsregels van de Europese interne markt, die tot de fundamentele bepalingen van de Verdragen behoren(103), doeltreffend worden gehandhaafd.(104)
104. Indien een kartelrechtelijke boetebeschikking van de Commissie alleen op grond van de overschrijding van de redelijke termijn in de administratieve of gerechtelijke procedure nietig zou worden verklaard, zou niet alleen maar de opgelegde geldboete, maar ook de vaststelling van de inbreuk op de mededingingsregels op zich komen te vervallen. Een dergelijke oplossing zou indruisen tegen het algemeen belang bij een doeltreffende handhaving van de mededingingsregels en zou verder gaan dan het gerechtvaardigde belang van de betrokken onderneming bij een zo volledig mogelijke genoegdoening voor de grondrechtschending waarvan zij de dupe is geworden.
105. De onderneming mag niet worden toegestaan enkel op grond van de niet-inachtneming van een redelijke termijn het bestaan van een inbreuk ter discussie te stellen.(105) De sanctie op niet-inachtneming van de redelijke termijn mag in geen geval ertoe leiden dat een onderneming gedragingen die als strijdig met de gemeenschapsregels zijn bevonden, kan voortzetten of herhalen.(106)
106. Tegen deze achtergrond zie ik geen aanleiding om het Hof voor te stellen zijn rechtspraak op dit punt te herzien. Het derde onderdeel van het eerste middel moet derhalve worden afgewezen.
b) Gevolgen van duur van de procedure voor Solvays verdedigingsmogelijkheden in casu (vierde onderdeel van het eerste middel)
107. Het vierde onderdeel van het eerste middel heeft betrekking op de punten 113 tot en met 117 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht vaststelt dat een eventuele schending van het beginsel van de redelijke termijn geen afbreuk heeft gedaan aan de mogelijkheid van Solvay om zich doeltreffend te verdedigen en dat er dus geen sprake is van een schending van haar rechten van verweer. Solvay ziet hierin in wezen een motiveringsgebrek en een schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het beginsel van de redelijke termijn. Haars inziens is het Gerecht niet naar behoren ingegaan op de moeilijkheden waarmee Solvay na zo lange tijd bij haar verdediging geconfronteerd wordt.
i) Motiveringsgebrek
108. Het motiveringsgebrek in de zin van artikel 36 juncto artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof bestaat volgens Solvay erin dat het Gerecht niet is ingegaan op tal van haar argumenten betreffende de moeilijkheden in verband met haar verdediging.
109. Dit betoog overtuigt mij niet. Zoals reeds uiteengezet, houdt de motiveringsplicht namelijk niet in dat het Gerecht alle door partijen in het geding aangevoerde argumenten één voor één uitputtend dient te behandelen. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden eruit kunnen opmaken waarom het Gerecht hun argumentatie niet is gevolgd, en het Hof er voldoende aanknopingspunten in kan vinden om zijn toezicht uit te oefenen.(107)
110. Het Gerecht gaat in het bestreden arrest zelfs uitdrukkelijk, zij het ook uiterst beknopt, in op Solvays stelling dat het voor haar moeilijk is zich na zo lange tijd tegen de verwijten van de Commissie te verdedigen. Het verklaart, kort gezegd, dat de Commissie sinds de eerste gerechtelijke procedure in de onderhavige zaak geen onderzoekshandeling meer heeft verricht en in de litigieuze beschikking ook geen nieuw punt in aanmerking heeft genomen dat de uitoefening van een recht van verdediging noodzakelijk zou maken.(108)
111. Alhoewel Solvay de omstandigheden van de zaak inhoudelijk wellicht anders beoordeelt, volgt hieruit nog niet dat er sprake is van een motiveringsgebrek.(109)
ii) Inhoudelijke onjuistheid
112. De vaststelling van het Gerecht dat het tijdsverloop geen afbreuk heeft gedaan aan de mogelijkheden van Solvay om zich te verdedigen, wordt door rekwirante echter ook inhoudelijk gekritiseerd. Volgens Solvay ligt hierin een schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging en van het beginsel van de redelijke termijn besloten.
113. Op het eerste gezicht lijkt het alsof Solvay het Hof verzoekt zijn eigen beoordeling van de feiten in de plaats van die van het Gerecht te stellen, hetgeen in hogere voorziening niet is toegestaan.(110)
114. Bij nader inzien verwijt Solvay het Gerecht echter niet zozeer de feiten onjuist te hebben beoordeeld, als wel een in haar ogen belangrijk feit buiten beschouwing te hebben gelaten: het heeft niet in aanmerking genomen dat de sinds het begin van de procedure verstreken tijd afbreuk heeft gedaan aan de mogelijkheden van Solvay om zich in de gerechtelijke procedure te verdedigen. Het Gerecht heeft zich ten onrechte geconcentreerd op de gevolgen van het tijdsverloop voor de verdedigingsmogelijkheden van Solvay ten overstaan van de Commissie (dat wil zeggen in de administratieve procedure).
115. Die argumentatie is steekhoudend.
116. Bij de beoordeling of een te lange procedure nadelige gevolgen heeft voor de verdedigingsmogelijkheden van de betrokken onderneming, mag het Gerecht niet alleen naar de verdediging in een bepaalde fase van de procedure kijken. Het dient veeleer in brede zin na te gaan of de duur van de procedure afbreuk kon doen aan de mogelijkheden van de onderneming om zich tegen de verwijten van de Commissie te verdedigen.(111)
117. Die verdediging vindt in eerste instantie plaats in het kader van de administratieve procedure, waarin de onderneming op basis van een mededeling van punten van bezwaar haar standpunt kan uiten. Maar de verdediging beperkt zich niet tot de administratieve procedure. De betrokken onderneming heeft de mogelijkheid om tegen een boetebeschikking van de Commissie in beroep te gaan bij de rechter van de Unie (artikel 263, lid 4, VWEU, oud artikel 230, lid 4, EG). Ook in het kader van de gerechtelijke procedure moet de onderneming zich doeltreffend kunnen verdedigen tegen hetgeen haar door de Commissie – in die fase in de vorm van een formele beschikking – ten laste wordt gelegd.
118. Het Gerecht heeft zich derhalve ten onrechte ertoe beperkt na te gaan of Solvay zich in de administratieve procedure doeltreffend kon verdedigen(112) en of de duur van een eerdere gerechtelijke procedure – in zaak T‑31/91, betreffende de eerste boetebeschikking (beschikking 91/298) – negatieve gevolgen heeft gehad.(113) Het heeft verzuimd de huidige verdedigingsmogelijkheden van de onderneming in de tweede gerechtelijke procedure – in zaak T‑58/01, betreffende de thans litigieuze beschikking 2003/5 – in zijn beoordeling te betrekken.
119. Dat de mogelijkheden van rekwirante om zich in zaak T‑58/01 voor het Gerecht te verdedigen in aanmerking hadden moeten worden genomen, lag eigenlijk om twee redenen voor de hand: enerzijds had Solvay uitdrukkelijk verzocht om de duur van de eerdere gerechtelijke procedure mee te nemen in de beoordeling, anderzijds had Solvay pas tijdens die procedure – om precies te zijn in 2005 – überhaupt toegang tot het dossier gekregen. De vraag of Solvay zich in 2005 nog op doeltreffende wijze tegen de verwijten respectievelijk de vaststellingen van de Commissie kon verdedigen, was dus van wezenlijk belang.
120. Het grondrecht op een beslissing binnen een redelijke termijn vereist dat de Commissie haar boetebeschikking in een kartelrechtelijke administratieve procedure op een zodanig vroeg tijdstip vaststelt, dat de betrokken onderneming zich hiertegen voor de rechterlijke instanties van de Unie nog doeltreffend kan verdedigen.
121. Aangezien het Gerecht dit juridisch relevante feit op geen enkele wijze heeft meegewogen, getuigt het bestreden arrest van een onjuiste rechtsopvatting.
iii) Enkele andere grieven
122. Ten slotte klaagt Solvay in het kader van dit vierde onderdeel van het eerste middel over onjuiste voorstelling van de feiten en schending van artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 1, VEU.
123. Op die grieven behoeft niet nader te worden ingegaan. Het verwijt van onjuiste voorstelling van feiten is niet onderbouwd(114), en ik zie ook geen aanwijzingen voor een dergelijke onjuiste voorstelling. Wat artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 1, VEU betreft, is de eerste bepaling niet rechtstreeks toepasselijk en bevat de laatste op zich geen grondrechtelijke waarborgen.(115)
iv) Tussenconclusie
124. Het vierde onderdeel van het eerste middel is ten dele gegrond.
c) Solvay zou van een vermindering van de geldboete hebben afgezien (vijfde onderdeel van het eerste middel)
125. Met het vijfde en laatste onderdeel van het eerste middel komt Solvay specifiek op tegen punt 122 van het bestreden arrest. Hierin stelt het Gerecht dat Solvay „in haar verzoekschrift uitdrukkelijk heeft afgezien van de mogelijkheid dat de geldboete zou worden verminderd als genoegdoening voor de vermeende schending van haar recht op een uitspraak binnen een redelijke termijn”. Solvay beschouwt dit als een onjuiste voorstelling van haar argumentatie in de procedure in eerste aanleg.
126. Volgens vaste rechtspraak is er sprake van een onjuiste voorstelling wanneer, zonder gebruik te maken van nieuw bewijs, de beoordeling van het voorhanden bewijs kennelijk onjuist is.(116) Dit betekent in casu dat de door rekwirante in eerste aanleg aangevoerde argumenten door het Gerecht slechts dan onjuist zijn voorgesteld, indien het deze kennelijk verkeerd heeft begrepen of de strekking ervan verkeerd heeft weergegeven.
127. Helaas valt uit de litigieuze formulering van het Gerecht in het bestreden arrest niet op te maken op welke passage uit het verzoekschrift van Solvay deze betrekking heeft. In hogere voorziening zijn partijen gezamenlijk tot de conclusie gekomen dat aan de door Solvay bekritiseerde vaststelling van het Gerecht waarschijnlijk de punten 88 en 89 van het verzoekschrift ten grondslag liggen. In punt 88 van het verzoekschrift benadrukt rekwirante in wezen dat alleen een nietigverklaring van de litigieuze beschikking de gelaakte schending van het grondrecht op een eerlijk proces kan herstellen; enkel een vermindering van de geldboete zou niet volstaan om de inbreuk op artikel 6 EVRM te compenseren. In punt 89 van het verzoekschrift concludeerde Solvay vervolgens dat de door haar gelaakte duidelijke overschrijding van de redelijke termijn alleen maar de nietigverklaring van de litigieuze beschikking tot gevolg kan hebben.(117)
128. Ik kan in de weergegeven passage van het verzoekschrift niet lezen dat Solvay zou hebben afgezien van een eventuele vermindering van de geldboete wegens de duur van de procedure. En uit de schriftelijke opmerkingen van Solvay valt al helemaal niet op te maken dat de onderneming „uitdrukkelijk” heeft afgezien van een dergelijke vermindering van de boete wegens een buitensporig lange procedure.
129. Solvay brengt in de punten 88 en 89 van haar verzoekschrift in eerste aanleg veeleer nadrukkelijk haar rechtsopvatting tot uitdrukking. Zij zet uiteen wat in haar ogen het rechtsgevolg van de vermeende schending van het beginsel van de redelijke termijn moet zijn: geen vermindering van de geldboete, maar nietigverklaring van de litigieuze beschikking.
130. Er bestaat een wezenlijk verschil tussen het uiteenzetten van een rechtsopvatting en het uitdrukkelijk afzien van de mogelijkheid van vermindering van de geldboete als compensatie voor een vermeende schending van het recht. Dit verschil heeft het Gerecht in punt 122 van het bestreden arrest miskend.
131. Uit punt 122 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht de argumentatie van Solvay in de procedure in eerste aanleg kennelijk verkeerd heeft begrepen en bovendien de strekking ervan verkeerd heeft weergegeven. Dit is een onjuiste voorstelling van de argumenten van rekwirante.
132. Die onjuiste voorstelling is des te opvallender aangezien Solvay in een andere context in haar verzoekschrift in eerste aanleg het Gerecht wel degelijk om vermindering van de geldboete verzoekt en daarbij uitdrukkelijk verwijst naar haar argumenten betreffende de nietigheidsgronden, waartoe ook haar argumenten met betrekking tot de buitensporig lange duur van de procedure behoren.(118)
133. Dit betekent dat het vijfde onderdeel van het eerste middel ten dele slaagt.
3. Tussenconclusie
134. Het eerste middel moet ten dele worden toegewezen.
C – Vernietiging van het bestreden arrest
135. Zoals blijkt uit het voorgaande zijn de drie door Solvay aangevoerde middelen voor het merendeel gegrond. Het welslagen van elk van die middelen rechtvaardigt op zich genomen al de vernietiging van het bestreden arrest in zijn geheel.
D – Beslissing op het beroep in eerste aanleg
136. Volgens artikel 61, eerste alinea, van zijn Statuut kan het Hof de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.
137. Dit is in casu het geval. Alle feitelijke en rechtsvragen die voor een beslissing op het beroep van Solvay relevant zijn, zijn reeds in eerste aanleg voor het Gerecht behandeld, en de partijen hadden de gelegenheid hun argumenten ter zake uit te wisselen. Dit betekent dat de zaak niet naar het Gerecht behoeft te worden verwezen, maar dat het Hof zelf op het beroep van Solvay tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking kan beslissen. Gezien de buitengewoon lange duur van de procedure – 22 jaar vanaf de inspecties van de Commissie in april 1989 tot de dag van vandaag – zou het Hof van die mogelijkheid gebruik moeten maken.
138. Ik zal mij hieronder ertoe beperken, de rechtmatigheid van de litigieuze beschikking vanuit drie specifieke oogpunten te behandelen: toegang tot het dossier (zie punt 1 hieronder), recht om te worden gehoord (zie punt 2 hieronder) en duur van de procedure (zie punt 3 hieronder).
1. Recht op toegang tot het dossier
139. Vaststaat dat Solvay vóór de vaststelling van de litigieuze beschikking niet op rechtmatige wijze toegang tot het dossier is verleend.(119)
140. Zoals reeds uiteengezet, kan onmogelijk worden uitgesloten dat Solvay in de verdwenen stukken met onbekende inhoud informatie had kunnen vinden die zij voor haar verdediging had kunnen gebruiken. Dit geldt des te meer aangezien de Commissie zelf ervan uitgaat dat sommige van de ontbrekende ordners „correspondentie met betrekking tot artikel 11 van verordening nr. 17” bevatten, dat wil zeggen inlichtingenverzoeken van de Commissie aan verschillende ondernemingen en hun antwoorden daarop.(120) De opmerkingen van andere ondernemingen hadden dienstige informatie kunnen bevatten voor de beoordeling van de afspraak tussen Solvay en CFK, al was het alleen maar wat de duur van de vastgestelde inbreuk en de hoogte van de vastgelegde geldboete betreft. Met name wat de duur van de inbreuk betreft was het door de Commissie gestelde in de litigieuze beschikking gebrekkig en tegenstrijdig.(121)
141. Dit betekent dat althans de mogelijkheid bestond dat de administratieve procedure bij adequate toegang tot het dossier een andere uitkomst had gehad, al was het maar wat de hoogte van de opgelegde boete betreft.
142. De litigieuze beschikking moet derhalve alleen al vanwege de procedurefouten wat de toegang tot het dossier betreft – verdwenen stukken van het dossier – in haar geheel nietig worden verklaard.
2. Recht om te worden gehoord
143. Buiten kijf staat voorts dat Solvay vóór de vaststelling van de litigieuze beschikking in 2000 niet opnieuw door de Commissie is gehoord, alhoewel dit juridisch vereist was.(122) Die procedurefout houdt nauw verband met de niet verleende toegang tot het dossier.
144. Het kan niet worden uitgesloten dat de administratieve procedure tot een andere uitkomst had geleid indien de Commissie rekwirante in 2000 de gelegenheid had geboden om zich – nadat zij naar behoren toegang tot het dossier had gekregen – opnieuw ten aanzien van de door haar aangevoerde verwijten te uiten.(123)
145. Ook om deze reden dient de litigieuze beschikking in haar geheel nietig te worden verklaard.
3. Recht op een beslissing binnen een redelijke termijn
146. Wat ten slotte de duur van de procedure betreft, deze dient aan de hand van alle omstandigheden van het individuele geval te worden beoordeeld.(124)
147. In casu moet in aanmerking worden genomen dat de Commissie in de periode tussen de nietigverklaring van haar eerste boetebeschikking (beschikking 91/298) en het eerste arrest van het Hof in hogere voorziening(125) totaal niets heeft ondernomen. Daardoor is een periode van vier jaar en zeven maanden onbenut gebleven.(126)
148. Dit stilzitten van de Commissie kan niet worden gerechtvaardigd met het feit dat zij destijds van haar kant hogere voorziening had ingesteld tegen de nietigverklaring van de eerste boetebeschikking. Het staat de Commissie vrij de haar ter beschikking staande processuele mogelijkheden volledig te benutten en in het geval dat zij in eerste aanleg in het ongelijk wordt gesteld, hogere voorziening in te stellen bij het Hof. Dit betekent echter geenszins dat de Commissie tijdens de hogere voorziening de administratieve procedure mag laten rusten.(127)
149. De hogere voorziening heeft geen opschortende werking (artikel 60, eerste alinea, van het Statuut van het Hof). De Commissie was dus vanaf 29 juni 1995, de datum van de uitspraak van het arrest in eerste aanleg in zaak T‑31/91, overeenkomstig artikel 233, lid 1, EG (thans artikel 266, lid 1, VWEU) verplicht, de uit de nietigverklaring door het Gerecht voortvloeiende maatregelen te nemen. Ook in het licht van het beginsel van goed bestuur was het noodzakelijk geweest snel een nieuwe beslissing ten gronde uit te werken dan wel de administratieve procedure te beëindigen.
150. De Commissie had de administratieve procedure makkelijk reeds vanaf juli 1995 kunnen voorzetten in plaats van daarmee tot april 2000 te wachten.(128) Zij had in haar nieuwe boetebeschikking alleen maar hoeven aan te geven dat deze kwam te vervallen, mocht zij in hogere voorziening in het gelijk worden gesteld.
151. Gezien deze omstandigheden kom ik tot de conclusie dat de administratieve procedure in casu alleen al op grond van het feit dat de Commissie gedurende bijna vijf jaar, van juli 1995 tot april 2000, niets heeft ondernomen, buitensporig lang was. Zoals ik reeds heb uiteengezet(129), is een nadere beoordeling van de duur van andere fasen van de procedure en een beoordeling van de totale duur van de procedure derhalve overbodig.(130)
152. Vanzelfsprekend rechtvaardigt de zojuist vastgestelde schending van het beginsel van de redelijke termijn slechts dan een nietigverklaring van de litigieuze beschikking wanneer de duur van de procedure afbreuk heeft gedaan aan de mogelijkheden van de betrokken onderneming om zich te verdedigen.(131) De bewijslast hiervan rust op de onderneming.
153. Het Hof stelt over het algemeen strenge eisen aan dergelijk bewijs(132): de argumenten van de betrokken ondernemingen moeten op overtuigend bewijs gebaseerd zijn en mogen niet te abstract en onnauwkeurig zijn.(133) Wanneer bijvoorbeeld – zoals in casu – wordt gesteld dat de verdedigingsmogelijkheden zijn ingeperkt omdat vroegere medewerkers de onderneming hebben verlaten, moet normaliter de naam van die personen, hun functie en de datum van hun vertrek worden aangegeven alsook de aard en de omvang van de van hen te verwachten inlichtingen of toelichtingen, en de omstandigheden waarom de betrokkenen niet meer kunnen worden gehoord.(134)
154. Dergelijke gedetailleerde gegevens heeft Solvay in de lopende gerechtelijke procedure voor de rechterlijke instanties van de Unie ongetwijfeld niet verstrekt.
155. In het onderhavige geval mag echter niet worden vergeten dat de periode van 1987 tot en met 1990, waarvoor Solvay deelneming aan een kartel wordt verweten, op het tijdstip van vaststelling van de tweede boetebeschikking eind 2000 reeds 3 jaar terug lag. Toen Solvay ten slotte in 2005 voor het Gerecht toegang tot het dossier werd verleend, waren sinds de periode waarin de inbreuken volgens de Commissie waren begaan, zelfs al 15 tot 18 jaar verstreken.
156. Het ligt voor de hand dat het herinneringsvermogen van de medewerkers – laat staan vroegere medewerkers – van een onderneming na verloop van zoveel tijd minder wordt.
157. Desalniettemin heeft Solvay het Gerecht bewijs aangeboden om de samenstelling van de afdeling „carbonaat” in de litigieuze periode te reconstrueren en de namen te noemen van het toenmalige leidinggevende personeel, alsmede de data waarop de betrokken personen de onderneming hebben verlaten, dan wel zijn overleden.
158. Meer kon van Solvay gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval redelijkerwijs niet worden verwacht.
159. In het bijzonder mag rekwirante geen nadeel ondervinden van het feit dat zij niet in detail heeft aangegeven over welke handelingen en bewijsstukken haar vroegere medewerkers informatie hadden kunnen verstrekken. Zij heeft namelijk tot op de dag van vandaag geen kennis van alle delen van het dossier waarin zij eigenlijk inzage had moeten krijgen.(135) Van Solvay kan niet worden verwacht dat zij aantoont of en in hoeverre haar vroegere medewerkers informatie hadden kunnen verstrekken over verdwenen stukken van het dossier waarvan de inhoud onbekend is en die op geen enkel tijdstip van de procedure konden worden ingezien.
160. Algemeen gezien mogen de eisen aan het bewijs van een inperking van de verdedigingsmogelijkheden die te wijten is aan het tijdsverloop, niet zo streng zijn dat het de betrokken onderneming praktisch onmogelijk of buitengewoon moeilijk wordt gemaakt welk bewijs dan ook te leveren.
161. Aangezien een deel van de stukken die mogelijk correspondentie van de Commissie met derde ondernemingen bevatten(136), onherroepelijk verloren is gegaan, kan niet worden uitgesloten dat de niet meer bij Solvay werkzame medewerkers, mochten zij bereikbaar zijn geweest, de onderneming bij haar verdediging hadden kunnen ondersteunen. Met name kan niet worden uitgesloten dat de betrokken medewerkers achtergrondinformatie hadden kunnen verstrekken die uit enkel de schriftelijke stukken niet was af te leiden.
162. In het licht van het voorgaande zijn er voldoende aanwijzingen dat de buitensporige duur van de procedure afbreuk heeft gedaan aan de mogelijkheden van Solvay om zich tegenover de Commissie te verdedigen. Alleen al op deze grond dient de litigieuze beschikking nietig te worden verklaard.
4. Tussenconclusie
163. Reeds uit de behandeling van enkele van de rechtsvragen die rekwirante in eerste aanleg in verband met de toegang tot het dossier, het recht om te worden gehoord en de duur van de procedure aan de orde heeft gesteld, volgt dat de litigieuze beschikking (beschikking 2003/5) van de Commissie in haar geheel nietig moet worden verklaard. Derhalve behoeft op de overige grieven die Solvay in eerste aanleg heeft aangevoerd, niet te worden ingegaan.
V – Verzoek om vermindering van de geldboete
164. Naast vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de litigieuze beschikking(137) vordert Solvay ook nietigverklaring of vermindering van de – door het Gerecht opnieuw vastgestelde – geldboete, en dit als compensatie voor de ernstige schade die zij haars inziens door de buitensporige lengte van de procedure heeft geleden.
165. In de door mij bepleite oplossing – vernietiging van het bestreden arrest(138) en nietigverklaring van de litigieuze beschikking(139) – heeft dit aparte verzoek van Solvay geen betekenis meer. Volledigheidshalve zal ik er desalniettemin subsidiair op ingaan.
A – Opmerking vooraf
166. Uit de rechtspraak van het Hof komen tot dusver twee uiteenlopende oplossingen voor het probleem van de buitensporige duur van de procedure naar voren: in de zaak Baustahlgewebe, waarin de betrokken onderneming een kartelrechtelijke geldboete was opgelegd, besloot het Hof tot een vermindering van die boete.(140) In de zaak Der Grüne Punkt, waarin geen dergelijke geldboete was opgelegd, kon het Hof de betrokken onderneming alleen maar attenderen op de mogelijkheid om een schadevordering in te stellen in de zin van artikel 268 VWEU juncto artikel 340, lid 2, VWEU (oud artikel 235 EG juncto artikel 288, lid 2, EG).(141)
167. Ter terechtzitting gaf de Commissie aan een voorkeur te hebben voor de weg die in de zaak Der Grüne Punkt is ingeslagen, en wel vanwege de noodzaak van een doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht. Een vermindering van de geldboete zou volgens haar daaraan afbreuk doen.
168. Dit argument weet mij niet te overtuigen.
169. Enerzijds is de handhaving van de Europese mededingingsregels, die voor de werking van de interne markt van doorslaggevend belang zijn(142), ongetwijfeld een fundamenteel doel van de Verdragen.(143) Om dit te bereiken zijn doeltreffende en afschrikkende sancties absoluut noodzakelijk.
170. Anderzijds moet echter in een procedure als een kartelrechtelijke administratieve procedure, die strafrechtelijke trekken heeft(144), in bijzondere mate rekening worden gehouden met de elementaire procedurele waarborgen. Het mededingingsrecht mag alleen met middelen die volledig in overeenstemming zijn met de rechtsstaat worden gehandhaafd. Wanneer in een kartelrechtelijke procedure een grondrecht als het beginsel van de redelijke termijn wordt geschonden, dan heeft de betrokken onderneming recht op een doeltreffend herstel.
171. De oplossing voor een overschrijding van de redelijke termijn ligt derhalve noodzakelijkerwijs in het spanningsveld tussen het vereiste van handhaving van de mededingingsregels en het vereiste om de schending van het grondrecht op doeltreffende wijze te herstellen.
172. Met het oog op de proceseconomie en de behoefte aan een rechtstreekse en doeltreffende voorziening in rechte voor de betrokken onderneming zou het Hof waar mogelijk – dus in gevallen waarin een geldboete is opgelegd – de weg moeten blijven volgen die het in het arrest Baustahlgewebe is ingeslagen.(145)
173. De doeltreffende handhaving van het mededingingsrecht wordt in een dergelijk geval gewaarborgd door het feit dat de vaststelling van de inbreuk en de verplichting van de betrokken onderneming tot beëindiging ervan blijft bestaan.(146) Ten opzichte van de andere marktdeelnemers blijft het bij de afschrikkende werking van de oorspronkelijk door de Commissie respectievelijk het Gerecht vastgestelde geldboete. Dat deze gezien de feiten gerechtvaardigd was, wordt door het Hof niet in twijfel getrokken. De „methode Baustahlgewebe” houdt alleen maar in dat de oorspronkelijke geldboete als het ware wordt verrekend met het bedrag dat als genoegdoening voor de buitensporig lange procedure wordt beschouwd.(147)
B – Vermindering van de geldboete
174. De rechtspraak Baustahlgewebe(148) berust in wezen op de onbeperkte rechtsmacht in de zin van artikel 261 VWEU, die het Hof met betrekking tot mededingingsrechtelijke sancties krachtens artikel 17 van verordening nr. 17(149) geniet. Het Hof kan geldboetes of dwangsommen dus vrijelijk opheffen, verminderen of verhogen.
175. Overeenkomstig het arrest Baustahlgewebe dient om te beginnen de duur van de procedure in aanmerking te worden genomen (zie punt 1 hieronder) en vervolgens de omvang van een eventuele vermindering van de boete te worden bepaald (zie punt 2 hieronder).
1. De buitensporige duur van de administratieve en de gerechtelijke procedure
176. Of de duur van een procedure redelijk is, dient, zoals reeds uiteengezet(150), te worden beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden van elke zaak, in het bijzonder de belangen die in het geschil voor de betrokkene op het spel staan, de complexiteit van de zaak en het gedrag van de verzoeker en de bevoegde autoriteiten.
177. Daarbij dienen de verschillende fasen van de procedure apart te worden onderzocht, maar moet tevens de totale duur van de administratieve en de gerechtelijke procedure worden bezien.(151)
178. Van de verschillende fasen van de procedure zijn er vanuit het oogpunt van het beginsel van de redelijke termijn vooral twee problematisch: de periode waarin de Commissie tijdens de eerste hogere voorziening geheel inactief was (procedure in de gevoegde zaken C‑287/95 P en C‑288/95 P) en de tweede procedure voor het Gerecht (procedure in zaak T‑58/01).(152)
179. Dat het stilzitten van de Commissie gedurende vier jaar en zeven maanden, van juli 1995 tot april 2000 – dat wil zeggen gedurende de eerste hogere voorziening – het grondrecht van Solvay op een beslissing binnen een redelijke termijn heeft geschonden, heb ik reeds uiteengezet.(153) Voor de onderhavige procedure kan derhalve in het midden blijven of het Hof als rechter in hogere voorziening in die periode met een procesduur van vier jaar en zeven maanden eveneens verantwoordelijk was voor een buitensporige duur van de procedure.
180. Wat de tweede procedure voor het Gerecht (zaak T‑58/01) betreft, lijkt deze – met een duur van acht jaar en negen maanden – al op het eerste gezicht ondraaglijk lang.
181. Rekwirante onderstreept terecht dat een dergelijk lange behandelingstijd in het onderhavige geval niet kan worden gerechtvaardigd met het feit dat de zaak in een of ander opzicht bijzonder complex was: het Gerecht had met slechts twee partijen te maken, er bestond vrijwel geen behoefte aan vertaling(154) en de door partijen aan de orde gestelde feitelijke en rechtsvragen waren ook niet buitengewoon ingewikkeld. Weliswaar hing de onderhavige zaak samen met de parallel aanhangige zaak T‑57/01, maar aangezien tal van middelen in beide zaken identiek waren, zou hun behandeling eigenlijk synergie-effecten hebben moeten opleveren en de procedure dus eerder hebben moeten bespoedigen dan vertragen.
182. De vertraging van de procedure is stellig in aanzienlijke mate te wijten aan het feit dat Solvay in de loop van het proces inzage in de stukken van de administratieve procedure moest worden verleend.(155) Dat hiermee echter anderhalf jaar gemoeid was – zelfs twee jaar, indien men de door de partijen ingediende schriftelijke opmerkingen meetelt –(156), is volledig onacceptabel. Dit tijdverlies mag niet voor rekening van Solvay komen. Zo nodig had het Gerecht de Commissie duidelijke termijnen moeten stellen en bij niet-naleving ervan de vereiste consequenties ten laste van de Commissie moeten trekken.
183. Overigens kan worden vastgesteld dat ook het Gerecht gedurende de procedure in eerste aanleg in sommige periodes de handen in de schoot heeft gelegd. Een goed voorbeeld hiervan is de periode van 29 maanden tussen het tijdstip waarop de Commissie haar standpunt over de bruikbaarheid van bepaalde documenten voor de verdediging van Solvay indiende en de opening van de mondelinge behandeling.(157) Vermeldenswaard is voorts de periode van bijna 18 maanden tussen de terechtzitting op 26 juni 2008 en de uitspraak van het bestreden arrest op 17 december 2009.(158)
184. Het spreekt vanzelf dat interne organisatieproblemen van het Gerecht, bijvoorbeeld in verband met de regelmatige vervanging van rechters of het feit dat rechters verhinderd zijn, niet in het nadeel van de justitiabelen mogen spelen.(159)
185. Onder deze omstandigheden waren zowel de administratieve als de gerechtelijke procedure in het onderhavige geval buitensporig lang.
186. Die indruk wordt bevestigd indien men de duur van alle fasen van de administratieve en de gerechtelijke procedure in hun totaliteit bekijkt:
– Als beginpunt voor de berekening van de duur van de procedure moet overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM betreffende artikel 6, lid 1, EVRM de dag worden genomen waarop Solvay voor het eerst werd geconfronteerd met maatregelen die op grond van tegen haar bestaande verdenkingen waren genomen en aanzienlijke gevolgen hadden voor haar situatie.(160) Dat tijdstip lag in casu ruim voor de mededeling van de punten van bezwaar (die met een formele „aanklacht” zou kunnen worden vergeleken). Het viel op de dag waarop de Commissie in april 1989 bij Solvay inspecties verrichtte.(161)
– In de tussentijd is de procedure op geen enkel tijdstip geschorst geweest.
– Naar verwachting zal de procedure zijn afgerond op de dag waarop het Hof in de onderhavige hogere voorziening uitspraak doet.(162)
187. Tot de dag van vandaag heeft de procedure dus in totaal al 22 jaar geduurd. De vraag of een dergelijk lange duur van een procedure überhaupt ooit te rechtvaardigen is, kan in het midden blijven. In elk geval zouden dan buitengewone omstandigheden moeten bestaan, bijvoorbeeld een bijzondere complexiteit van de te behandelen feitelijke en rechtsvragen en een aanzienlijke medeverantwoordelijkheid van de betrokken onderneming voor bepaalde vertragingen van de procedure. Hiervan kan in casu absoluut geen sprake zijn.
188. Terzijde wijs ik erop dat voor de rechtvaardiging van de totale duur van de procedure niet het loutere feit volstaat dat de vervolging nog niet is verjaard.(163) De verjaringstermijn geeft namelijk alleen het maximale temporele kader aan waarin maatregelen tot oplegging van een geldboete wegens inbreuk op de Europese mededingingsregels mogen worden genomen. Binnen de verjaringstermijn gebiedt het beginsel van de redelijke termijn dat het onderzoek snel wordt verricht, beslissingen onverwijld worden genomen en niet te rechtvaardigen periodes van inactiviteit worden voorkomen. De betrokken ondernemingen staan namelijk gedurende een lopende procedure onder verhoogde druk en verkeren continu in onzekerheid over de vraag wanneer de procedure tegen hen zal eindigen en wat de uitkomst ervan zal zijn. In die situatie biedt het beginsel van de redelijke termijn hen een versterkte bescherming die verder gaat dan de verjaring van de vervolging biedt.(164)
189. Al met al kom ik derhalve tot de conclusie dat inbreuk is gemaakt op het grondrecht van Solvay op een beslissing binnen een redelijke termijn.
190. In het licht van de rechtspraak Baustahlgewebe(165) zou het bestreden arrest wegens buitensporige duur van de procedure derhalve moeten worden vernietigd voor zover de hoogte van de geldboete hierin is bepaald op 2,25 miljoen EUR.
2. Omvang van de vermindering van de geldboete
191. Ter terechtzitting hebben partijen ten aanzien van de vraag in welke omvang de geldboete in casu eventueel zou moeten worden verminderd, sterk uiteenlopende standpunten ingenomen. Terwijl Solvay van mening is dat de geldboete gezien de duur van de procedure zover moet worden verminderd dat de sanctie alleen nog maar een symbolisch karakter heeft, stelt de Commissie zich op een diametraal tegenovergesteld standpunt: haars inziens moet niet de geldboete, maar de vermindering ervan een symbolisch karakter hebben.
192. In de zaak Baustahlgewebe, het enige vergelijkbare geval tot nog toe, werd de geldboete door het Hof slechts marginaal verminderd: een door het Gerecht op 3 miljoen ECU vastgestelde geldboete werd verlaagd met een bedrag van 50 000 ECU(166), hetgeen neerkomt op een reductie van niet meer dan 1,67 %.
193. Of een dergelijke minimale vermindering van de geldboete in het licht van de bepalingen van het EVRM tegenwoordig nog adequaat zou zijn, moet worden betwijfeld. Volgens de rechtspraak van het EHRM betreffende artikel 6, lid 1, van het EVRM, dat overeenkomstig artikel 52, lid 3, eerste volzin, van het Handvest van de grondrechten ook voor het Unierecht in aanmerking moet worden genomen, is met het oog op de genoegdoening beslissend in welke mate de redelijke termijn is overschreden.(167)
194. In het onderhavige geval is de redelijke termijn zowel in afzonderlijke fasen van de administratieve en gerechtelijke procedure als wat de procedure in haar geheel betreft in aanzienlijke mate overschreden: stilzitten gedurende vier jaar en zeven maanden gedurende de administratieve procedure(168), een acht jaar en negen maanden durende gerechtelijke procedure in eerste aanleg(169) en een globale duur van de procedure van 22 jaar tot de dag van vandaag, zonder dat van buitengewone omstandigheden sprake is(170). Dit laat elke in redelijkheid denkbare drempel ver achter zich.
195. In dit licht zou een relatief geringe vermindering van de geldboete, zoals het Hof in de zaak Baustahlgewebe en kennelijk ook de Commissie in casu voor ogen staat, in geen geval adequaat zijn.
196. Voor een uit een buitensporig lange procedure voortvloeiende schending van een grondrecht is een doeltreffende sanctie vereist. Daarbij moet worden uitgegaan van de zwaarte van de door de betrokken onderneming begane inbreuk, enerzijds, en de ernst van de schending van de grondrechten door de buitensporige duur van de procedure, anderzijds.(171)
197. In het onderhavige geval moet van een ernstige schending van het grondrecht op een beslissing binnen een redelijke termijn worden uitgegaan. Dit rechtvaardigt een duidelijke vermindering van de geldboete. Tegelijkertijd moet echter in aanmerking worden genomen dat de kartelafspraak tussen Solvay en CFK volgens de bevindingen van de Commissie een „bijzonder ernstige” inbreuk op een van de fundamentele bepalingen van de interne markt (artikel 81 EG) was.(172) Gezien alle aspecten van het geval zou ik derhalve een vermindering van de geldboete met 50 % adequaat achten. Het uitgangspunt voor de berekeningen zou moeten zijn het bedrag van de geldboete zoals vastgesteld door het Gerecht.
198. Mocht het Hof dus niet beslissen het bestreden arrest in zijn geheel te vernietigen en de litigieuze beschikking nietig te verklaren(173), stel ik voor althans de geldboete ter hoogte van 2,25 miljoen EUR met 50 % te verminderen.
VI – Kosten
199. Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof zelf over de kosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet.
200. Krachtens artikel 69, lid 2, juncto artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Solvay heeft gevorderd de Commissie zowel in de kosten van de hogere voorziening als in die van de procedure in eerste aanleg te verwijzen en aangezien de Commissie in beide instanties in het ongelijk is gesteld, dient zij te worden verwezen in de kosten van de twee procedures.
VII – Conclusie
201. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:
„1) Het arrest van het Gerecht van 17 december 2009 in zaak T‑58/01, Solvay/Commissie, wordt vernietigd.
1) Beschikking 2003/5/EG van de Commissie van 13 december 2000 wordt nietig verklaard.
2) De Commissie wordt verwezen in de kosten van de twee procedures.”
1 – Oorspronkelijke taal: Duits.
2 – Voor de eerste hogere voorziening, zie arrest Hof van 6 april 2000, Commissie/Solvay (C‑287/95 P en C‑288/95 P, Jurispr. blz. I‑2391).
3 – Zie bij wijze van aanvulling mijn conclusie van vandaag in de zaak Solvay/Commissie (C‑109/10 P, punten 1‑6).
4 – Solvay SA (voorheen Solvay et Cie SA) is een vennootschap naar Belgisch recht, die actief is in de farmaceutische, de chemische, de verwerkende en de kunststoffenindustrie.
5 – Chemische Fabrik Kalk GmbH.
6 – Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”, ondertekend te Rome op 4 november 1950).
7 – Het verzoekschrift van Solvay aan het EHRM is gedateerd 26 februari 2010 en is als bijlage bij haar verzoekschrift in hogere voorziening gevoegd.
8 – Zie hierover, en voor het volgende, de punten 5‑42 van het arrest Gerecht van 17 december 2009, Solvay/Commissie (T‑58/01, Jurispr. blz. II‑4781; hierna ook: „bestreden arrest”), evenals, bij wijze van aanvulling, punt 22 van het in de parallelle zaak gewezen arrest Gerecht van 17 december 2009, Solvay/Commissie (T‑57/01, Jurispr. blz. II‑4621).
9 – Verordening (EEG) nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, nr. 13, blz. 204).
10 – Natriumcarbonaat wordt bij de glasproductie (zwaar natriumcarbonaat) en in de chemische en de metaalverwerkende industrie (licht natriumcarbonaat) gebruikt. Er moet worden onderscheiden tussen natuurlijk natriumcarbonaat (zwaar natriumcarbonaat) en synthetisch natriumcarbonaat (zwaar en licht natriumcarbonaat). Natuurlijk natriumcarbonaat wordt verkregen door erts te vermalen, te zuiveren en te calcineren. Synthetisch natriumcarbonaat wordt van gewoon zout en kalksteen vervaardigd middels het „ammoniaknatrium”-proces, dat in 1863 is uitgevonden door de gebroeders Solvay.
11 – Verificaties werden behalve bij Solvay verricht bij AKZO, CFK, Imperial Chemical Industries (ICI), Matthes & Weber en Rhône Poulenc. De grondslag voor de verificaties was de verificatiebeschikking van de Commissie van 5 april 1989, waaruit in het arrest Solvay/Commissie (aangehaald in voetnoot 8, punt 19) wordt geciteerd.
12 – Wat het door de Commissie vastgestelde misbruik van machtspositie door Solvay betreft, verwijs ik naar mijn conclusie van vandaag in de bij het Hof aanhangige parallelle zaak Solvay/Commissie (C‑109/10 P).
13 – Zie met name de punten 23, 27 en 31 van het bestreden arrest.
14 – Beschikking 91/298/EEG van de Commissie van 19 december 1990 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/33.133 – B: Natriumcarbonaat – Solvay/CFK; PB 1991, L 152, blz. 16). Die beschikking is er slechts één van de vier die de Commissie op die dag tot de op de natriumcarbonaatmarkt actieve ondernemingen richtte. De andere beschikkingen waren gericht tot respectievelijk Solvay en ICI [beschikking 91/297/EEG van de Commissie van 19 december 1990 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/33.133 – A: Natriumcarbonaat – Solvay/ICI; PB 1991, L 152, blz. 1)], één tegen Solvay [beschikking 91/299/EEG van de Commissie van 19 december 1990 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/33.133 – C: Natriumcarbonaat – Solvay; PB 1991, L 152, blz. 21)] en één tegen ICI [beschikking 91/300/EEG van de Commissie van 19 december 1990 inzake een procedure op grond van artikel 86 van het EEG-Verdrag (IV/33.133 – D: Natriumcarbonaat – ICI; PB 1991, L 152, blz. 40)].
15 – Destijds 3 miljoen ECU respectievelijk 1 miljoen ECU.
16 – Arrest Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T‑31/91, Jurispr. blz. II‑1821), bekrachtigd door het arrest Commissie/Solvay van het Hof (aangehaald in voetnoot 2).
17 – Punt 247 van het bestreden arrest.
18 – Tegen CFK ondernam de Commissie in 2000 geen stappen meer, waarschijnlijk omdat die onderneming de productie van natriumcarbonaat inmiddels had gestaakt.
19 – Beschikking 2003/5/EG van de Commissie van 13 december 2000 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (COMP/33.133 – B: Natriumcarbonaat – Solvay, CFK; PB 2003, L 10, blz. 1; hierna: „litigieuze beschikking”). Diezelfde dag heeft de Commissie ook beschikking 2003/6/EG in een procedure op grond van artikel 82 van het EG-Verdrag (COMP/33.133 – C: Natriumcarbonaat – Solvay; PB 2003, L 10, blz. 10) vastgesteld, die ten grondslag ligt aan de parallel bij het Hof aanhangige hogere voorziening Solvay/Commissie (C‑109/10 P).
20 – Arrest Solvay/Commissie (T‑58/01, aangehaald in voetnoot 8). Diezelfde dag heeft het Gerecht ook uitspraak gedaan in de parallelle zaak Solvay/Commissie (T‑57/01, aangehaald in voetnoot 8); dat arrest is het voorwerp van de hogere voorziening in zaak C‑109/10 P, Solvay/Commissie.
21 – Hierna ook: „rekwirante”.
22 – Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1). Deze verordening is luidens artikel 45, lid 2, ervan sinds 1 mei 2004 van toepassing.
23 – Zie de punten 17‑122 van mijn conclusie van vandaag in zaak C‑109/10 P.
24 – Arrest van 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a. (C‑550/07 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 92); zie ook arresten van 2 oktober 2003, Thyssen Stahl/Commissie (hierna: „Thyssen Stahl”, C‑194/99 P, Jurispr. blz. I‑10821, punt 30), en 3 september 2009, Papierfabrik Augustus Koehler/Commissie (C‑322/07 P, C‑327/07 P en C‑338/07 P, Jurispr. blz. I‑7191, punt 34).
25 – Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is eerst op 7 december 2000 te Nice (PB 2000, C 364, blz. 1) en vervolgens op 12 december 2007 te Straatsburg (PB 2007, C 303, blz. 1, en PB 2010, C 83, blz. 389) plechtig afgekondigd.
26 – Punten 7 en 10 van het bestreden arrest.
27 – Punten 7, 242 en 243 van het bestreden arrest.
28 – Punt 243 van het bestreden arrest.
29 – Punt 25 van het bestreden arrest en punt 70 van de considerans van de litigieuze beschikking.
30 – Punten 247 en 248 van het bestreden arrest.
31 – Punten 40‑48 van het bestreden arrest.
32 – Punten 50 en 51 van het bestreden arrest.
33 – Punten 48, 49 en 254 van het bestreden arrest.
34 – Punten 49, 246 en 256 van het bestreden arrest.
35 – Arresten van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (hierna: „Aalborg Portland”, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 68), en 1 juli 2010, Knauf Gips (hierna: „Knauf Gips”, C‑407/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 22).
36 – Van een dergelijke procedurele onregelmatigheid gaat ook het Gerecht in de punten 245-248 van het bestreden arrest uit.
37 – Zie artikel 41, lid 2, sub b, van het Handvest van de grondrechten.
38 – Arresten van 8 juli 1999, Hercules Chemicals/Commissie (hierna: „Hercules”, C‑51/92 P, Jurispr. blz. I‑4235, punt 78); 2 oktober 2003, Corus UK/Commissie (hierna: „Corus UK”, C‑199/99 P, Jurispr. blz. I‑11177, punt 128), en 15 oktober 2002, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie (hierna: „PVC II”, C‑238/99 P, C‑244/99 P, C‑245/99 P, C‑247/99 P, C‑250/99 P–C‑252/99 P en C‑254/99 P, Jurispr. blz. I‑8375, punt 318), en arrest Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 104); zie ook arresten Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T‑30/91, Jurispr. blz. II‑1775, punt 98) en ICI/Commissie (T‑36/91, Jurispr. blz. II‑1847, punt 108).
39 – Arresten Hercules (aangehaald in voetnoot 38, punt 77), Corus UK (aangehaald in voetnoot 38, punt 127) en PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punten 317, 322 en 323).
40 – In zaak C‑109/10 P heeft het derde middel betrekking op de verdwenen stukken en het vierde middel op de documenten uit het dossier van de administratieve procedure waarin voor het Gerecht inzage is verleend (zie de punten 156‑206 van mijn conclusie van vandaag in die zaak).
41 – Artikel 6, lid 2, VEU in de versie van het Verdrag van Lissabon.
42 – Zie bijvoorbeeld arrest Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 64); in dezelfde zin arresten van 28 maart 2000, Krombach (C‑7/98, Jurispr. blz. I‑1935, punten 25 en 26); 14 februari 2008, Varec (C‑450/06, Jurispr. blz. I‑581, punten 44 en 46), en 23 december 2009, Spector Photo Group en Van Raemdonck (C‑45/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 43).
43 – Dit zou inderdaad onrechtmatig zijn (zie arresten PVC II, aangehaald in voetnoot 38, punten 330 en 331, en Aalborg Portland, aangehaald in voetnoot 35, punt 77 juncto punt 76).
44 – Arrest Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 125); in diezelfde zin arrest van 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie (C‑280/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 77, 155 en 195), waarin het Hof verschillende grieven ontvankelijk achtte die inhielden dat het Gerecht in zijn arrest was uitgegaan van juridisch onjuiste criteria; zie bovendien arresten van 25 januari 2007, Sumitomo Metal Industries en Nippon Steel/Commissie (hierna: „Sumitomo”, C‑403/04 P en C‑405/04 P, Jurispr. blz. I‑729, punt 40); 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (hierna: „Impala”, C‑413/06 P, Jurispr. blz. I‑4951, punt 117), en 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie (C‑47/07, Jurispr. blz. I‑9761, punt 77).
45 – Punt 257 van het bestreden arrest.
46 – Punten 263 en 264 van het bestreden arrest.
47 – Zie met name punt 262, eerste volzin, van het bestreden arrest.
48 – Arresten PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punten 318 en 324), Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 75) en Knauf Gips (aangehaald in voetnoot 35, punt 23).
49 – Arrest Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 131).
50 – Arresten Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 68) en Knauf Gips (aangehaald in voetnoot 35, punt 22).
51 – Punt 256 van het bestreden arrest.
52 – Zie met name arresten PVC II (aangehaald in voetnoot 38), Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35), Corus UK (aangehaald in voetnoot 38) en Knauf Gips (aangehaald in voetnoot 35).
53 – Arresten PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punten 318 en 324), Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 74, 75 en 131) en Knauf Gips (aangehaald in voetnoot 35, punten 23 en 24).
54 – Punt 262, eerste volzin, van het bestreden arrest.
55 – Punt 262 van het bestreden arrest.
56 – Punten 260‑262 van het bestreden arrest.
57 – Arrest Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punten 127, 128 en 131).
58 – Punten 262 en 263 van het bestreden arrest.
59 – Zie bij wijze van aanvulling ook de punten 170‑175 en 177 van mijn conclusie van vandaag in zaak C‑109/10 P.
60 – Naar die plannen heeft Solvay zowel in haar verzoekschrift in hogere voorziening als ter terechtzitting voor het Hof verwezen.
61 – Deutsche Solvay Werke.
62 – Zie punt 49 van de considerans van de litigieuze beschikking.
63 – Interessant genoeg lijkt de Commissie zelf ervan uit te gaan dat althans sommige van de ontbrekende ordners „correspondentie met betrekking tot artikel 11 van verordening nr. 17” bevatten, dat wil zeggen inlichtingenverzoeken van de Commissie aan verschillende ondernemingen en hun antwoorden hierop (zie punt 49 van het bestreden arrest).
64 – Zie arresten Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 75) en Knauf Gips (aangehaald in voetnoot 35, punt 23), waarin het Hof heeft vastgesteld dat het volstaat dat documenten „op enigerlei wijze het oordeel van de Commissie in de eventuele beschikking [hadden] kunnen beïnvloeden, althans wat de zwaarte en de duur van het haar verweten gedrag en derhalve het bedrag van de geldboete betreft”.
65 – Zie punt 38 van deze conclusie.
66 – Zie met name punt 172 van het bestreden arrest.
67 – Punt 173 van het bestreden arrest.
68 – Zie de punten 23‑49 van deze conclusie.
69 – Arresten van 25 januari 2007, Dalmine/Commissie (C‑407/04 P, Jurispr. blz. I‑829, punt 44), en 10 mei 2007, SGL Carbon/Commissie (C‑328/05 P, Jurispr. blz. I‑3921, punt 71); zie ook arresten van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie (100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 10), en 9 november 1983, Nederlandsche Banden-Industrie Michelin/Commissie (322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 7), en arresten PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punt 85) en Impala (aangehaald in voetnoot 44, punt 61); in dezelfde zin – op andere rechtsgebieden – arresten van 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a. (C‑32/95 P, Jurispr. blz. I‑5373, punt 21), 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C‑402/05 P en C‑415/05 P, Jurispr. blz. I‑6351, met name punt 348), en 1 oktober 2009, Foshan Shunde Yongjian Housewares & Hardware/Raad (C‑141/08 P, Jurispr. blz. I‑9147, punt 83).
70 – Thans artikel 27, leden 1 en 2, van verordening nr. 1/2003.
71 – Arrest PVC II (aangehaald in voetnoot 38, met name punt 88).
72 – Zie met name de punten 165 en 166 van het bestreden arrest.
73 – Zie de punten 245‑248 van het bestreden arrest en de punten 21 en 24 van deze conclusie.
74 – Arrest Gerecht Solvay/Commissie (T‑31/91, aangehaald in voetnoot 16) en arrest Hof Commissie/Solvay (aangehaald in voetnoot 2).
75 – Arresten Solvay/Commissie (aangehaald in voetnoot 38, met name de punten 99, 103 en 104) en ICI/Commissie (aangehaald in voetnoot 38, met name de punten 109, 113 en 118). Deze arresten zijn op dezelfde dag gewezen als het arrest in zaak T‑31/91 (aangehaald in voetnoot 16), waarbij het Gerecht beschikking 91/298 wegens gebrekkige waarmerking nietig verklaarde.
76 – Zie de publicatie in het Twaalfde verslag over het mededingingsbeleid van de Commissie (1982), blz. 40 en 41 (gedeeltelijk geciteerd in punt 244 van het bestreden arrest).
77 – Zie met name arrest Gerecht van 29 juni 1995, ICI/Commissie (T‑37/91, Jurispr. blz. II‑1901, punten 61‑66 en 73), waarin een schending van de rechten van de verdediging wordt ontkend.
78 – Zie enerzijds arrest Hercules van 1999 (aangehaald in voetnoot 38, punten 75 en 76) en anderzijds de reeds in 1997 gepubliceerde mededeling van de Commissie waarin zij zich verplichtte tot het verlenen van toegang tot het dossier [„Mededeling van de Commissie inzake de interne procedureregels voor de behandeling van verzoeken om toegang tot een dossier bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag, van de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag en van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad”, PB 1997, C 23, blz. 3].
79 – Punten 24, 167 en 171 van het bestreden arrest.
80 – Punten 7, 242 en 243 van het bestreden arrest.
81 – Zie de punten 23‑48 van deze conclusie.
82 – Zie punt 28 van deze conclusie.
83 – Arrest PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punt 179). Met betrekking tot de specifieke toepassing van dit beginsel in gerechtelijke procedures, zie ook arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie (hierna: „Baustahlgewebe”, C‑185/95 P, Jurispr. blz. I‑8417, punt 21); arresten Thyssen Stahl (aangehaald in voetnoot 24, punt 154) en Sumitomo (aangehaald in voetnoot 44, punt 115), en arrest van 16 juli 2009, Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie (hierna: „Der Grüne Punkt”, C‑385/07 P, Jurispr. blz. I‑6155, punten 177‑179); met betrekking tot de toepassing van datzelfde beginsel in administratieve procedures, zie arresten van 21 september 2006, Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie (hierna: „FEG”, C‑105/04 P, Jurispr. blz. I‑8725, punten 35‑52) en Technische Unie/Commissie (hierna: „TU”, C‑113/04 P, Jurispr. blz. I‑8831, punten 40‑57).
84 – In die zin ook arrest PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punten 176‑178); in het arrest Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 83, punten 176‑196) heeft het Hof eveneens onderzocht of de duur van de procedure redelijk was, alhoewel geen gevolgen voor de uitkomst van het geding konden worden vastgesteld.
85 – Arresten Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, punt 29), PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punt 187), Thyssen Stahl (aangehaald in voetnoot 24, punt 155), Sumitomo (aangehaald in voetnoot 44, punt 116) en Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 83, punt 181).
86 – Arresten Thyssen Stahl (aangehaald in voetnoot 24, punt 156), Sumitomo (aangehaald in voetnoot 44, punt 117) en Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 83, punt 182); zie ook arrest PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punt 188).
87 – In die zin arresten PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punt 184), FEG (aangehaald in voetnoot 83, met name de punten 37, 38 en 40) en TU (aangehaald in voetnoot 83, met name de punten 42, 43 en 45).
88 – De vraag welke consequenties aan een dergelijke procedurele onregelmatigheid moeten worden verbonden, staat hier los van; zie de punten 91‑124 en 164‑197 van deze conclusie.
89 – Alhoewel het Hof dit punt in het arrest PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punten 229 en 230) niet definitief heeft beslist, is gezien de rechtspraak van het EHRM geen twijfel mogelijk omtrent de relevantie van een beoordeling van de totale duur van de procedure. Zie in dit verband met name het arrest Eckle/Duitsland van 15 juli 1982 (serie A, punt 51, nr. 8130/78). Hierin achtte het EHRM de tijdsduur van de gehele procedure relevant (§§ 79, 80), en verklaarde dat de duur van de procedure de gehele procedure omvat, met inbegrip van de beroepsinstanties („couvre l’ensemble de la procédure en cause, y compris les instances de recours”, § 76). In het arrest Gorou/Griekenland (nr. 2, Grote kamer) van 20 maart 2009 (nr. 12686/03, § 46) werd een schending van artikel 6 EVRM vanwege de duur van de procedure in haar geheel aangenomen („durée de la procédure dans son ensemble”); in soortgelijke zin arrest Kakamoukas e.a./Griekenland (Grote kamer) van 15 februari 2008 (nr. 38311/02, § 32), waar naar de berekening van de gehele duur van de bestreden procedure werd verwezen („calcul de la durée totale des procédures litigieuses”).
90 – Zie het chronologisch overzicht in punt 11 van deze conclusie.
91 – De totale duur van de PVC-zaak lag echter dicht in de buurt van die van de onderhavige procedure wanneer men in aanmerking neemt dat de eerste verificaties van de Commissie in oktober 1983 hebben plaatsgevonden (zie arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 1) en de laatste gerechtelijke uitspraak (arrest PVC II, aangehaald in voetnoot 38) in oktober 2002 werd gegeven.
92 – Arresten van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie (C‑120/06 P en C‑121/06 P, Jurispr. blz. I‑6513, punt 96); 16 juli 2009, Commissie/Schneider Electric (C‑440/07 P, Jurispr. blz. I‑6413, punt 135); 20 mei 2010, Gogos/Commissie (C‑583/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 30), en 16 december 2010, AceaElectrabel Produzione/Commissie (C‑480/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 77).
93 – Ook al wordt dit punt ook in andere delen van het eerste middel aan de orde gesteld, zal ik de in dit opzicht uitgewisselde argumenten enkel in het kader van het onderhavige derde onderdeel van het eerste middel behandelen.
94 – Punt 113 evenals de punten 120‑122 van het bestreden arrest.
95 – Arresten Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, punt 49) en Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 83, punt 193); specifiek aangaande de koppeling aan de rechten van de verdediging, zie arresten FEG (aangehaald in voetnoot 83, met name de punten 42, 43 en 60‑62) en TU (aangehaald in voetnoot 83, met name de punten 47, 48 en 69‑71).
96 – Toelichting bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17), met name het gedeelte betreffende artikel 47, lid 2 (ibid., blz. 30).
97 – In het arrest Kudla/Polen van 26 oktober 2000 (nr. 30210/96, Recueil des arrêts et décisions 2000‑XI, § 154) heeft de Grote kamer van het EHRM erkend dat er in de rechtsordes van de verdragsstaten geen benadering is die prevaleert met betrekking tot de wijze van herstel in het geval van buitensporig lange procedures („pour l’heure il n’existe pas, dans les ordres juridiques des États contractants, un système prédominant en matière de recours permettant de dénoncer les durées excessives de procédure”); zie ook arrest EHRM Simaldone/Italië van 31 maart 2009 (nr. 22644/03, § 78). De Europese commissie voor democratie door recht (Commissie van Venetië) heeft in 2006 in het kader van de Raad van Europa een rechtsvergelijkende studie ter zake gepubliceerd (studie nr. 316/2004, op internet te raadplegen onder (2006)036rev-f.pdf >, het laatst bezocht op 26 januari 2011). Aangaande de uiteenlopende benaderingen binnen de Europese Unie, zie ook conclusie van advocaat-generaal Léger van 3 februari 1998 in de zaak Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, punten 52 en 53).
98 – Arresten EHRM Eckle/Duitsland (aangehaald in voetnoot 89, § 94) en Ommer/Duitsland (nr. 1) van 13 november 2008 (nr. 10597/03, § 68); zie bovendien beschikking EHRM Sprotte/Duitsland van 17 november 2005 (nr. 72438/01).
99 – Arresten EHRM Dželili/Duitsland van 10 november 2005 (nr. 65745/01, § 103), Ohlen/Denemarken van 24 februari 2005 (nr. 63214/00, §§ 29 en 30) en Ommer/Duitsland (nr. 1) (aangehaald in voetnoot 98, § 68), en beschikking EHRM Menelaou/Cyprus van 12 juni 2008 (nr. 32071/04); in dezelfde zin reeds arrest Eckle/Duitsland (aangehaald in voetnoot 89, § 67), waarin althans principieel een verlaging van de straf als genoegdoening werd aanvaard. Zie bovendien de punten 119‑123 van studie nr. 316/2004 van de Commissie van Venetië (aangehaald in voetnoot 97).
100 – Arrest EHRM Eckle/Duitsland (artikel 50) van 21 juni 1983 (serie A, punt 65, nr. 8130/78, § 24).
101 – Arrest EHRM Jussila/Finland (Grote kamer) van 23 november 2006 (nr. 73053/01, § 43).
102 – Zie in die zin ook artikel 41 EVRM.
103 – Het belang van een doeltreffende handhaving van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU (oude artikelen 81 EG en 82 EG) is recent bijvoorbeeld in de arresten van 11 juni 2009, X BV (C‑429/07, Jurispr. blz. I‑4833, punten 33‑35), en 7 december 2010, VEBIC (C‑439/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, met name punten 59 en 61), onderstreept.
104 – Arrest Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 83, punt 194). Zie in diezelfde zin met betrekking tot strafrechtelijke procedures in het algemeen de punten 228‑232 van de studie van de Commissie van Venetië (aangehaald in voetnoot 97); in punt 241 daarvan benadrukt de Commissie van Venetië dat vrijspraak en beëindiging van de strafprocedure de uitzondering zouden moeten zijn („[l]’acquittement et l’abandon des poursuites devraient rester des mesures exceptionnelles”).
105 – Arrest Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 83, punt 194).
106 – Conclusie van advocaat-generaal Bot van 31 maart 2009 in de zaak Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 83, punten 305 en 306); het Hof verwijst in punt 194 van zijn arrest in die zaak uitdrukkelijk naar die opmerkingen.
107 – Zie punt 88 en voetnoot 92 van deze conclusie.
108 – Punten 114‑116 van het bestreden arrest.
109 – Arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, Jurispr. blz. I‑4333, punt 80), en arrest Gogos/Commissie (aangehaald in voetnoot 92, punt 35).
110 – Arresten Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punten 47‑49), Wunenburger/Commissie (aangehaald in voetnoot 109, punt 66), Sumitomo (aangehaald in voetnoot 44, punt 38) en Commissie/Schneider Electric (aangehaald in voetnoot 92, punt 103).
111 – Een soortgelijke gedachtegang ligt reeds ten grondslag aan de arresten FEG (aangehaald in voetnoot 83, punten 45‑49) en TU (aangehaald in voetnoot 83, punten 50‑54), waaruit volgt dat het Gerecht rekening moet houden met de gevolgen van de duur van alle fasen van de administratieve procedure voor de verdedigingsmogelijkheden van de betrokken ondernemingen.
112 – Punten 115 en 116 van het bestreden arrest.
113 – Punten 118‑121 van het bestreden arrest (dat het om de afgelopen gerechtelijke procedure betreffende beschikking 91/298 gaat, volgt in het bijzonder uit het inleidende punt 118).
114 – Zie artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement van de procesvoering van het Hof alsook arrest Aalborg Portland (aangehaald in voetnoot 35, punt 50) en arresten van 25 oktober 2007, Komninou e.a./Commissie (C‑167/06 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 41), en 17 juni 2010 Lafarge/Commissie (C‑413/08 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 16).
115 – Aangaande artikel 6 EVRM en artikel 6, lid 1, VEU, zie ook punt 28 van deze conclusie.
116 – Arresten van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, Jurispr. blz. I‑439, punt 37), en 22 november 2007, Sniace/Commissie (C‑260/05 P, Jurispr. blz. I‑10005, punt 37), en arrest Lafarge/Commissie (aangehaald in voetnoot 114, punt 17).
117 – In het Franse origineel: „La requérante estime dès lors que le dépassement manifeste du délai raisonnable dans la présente procédure [...] ne peut qu’entraîner l’annulation pure et simple de la décision attaquée [...]” (punt 89 van Solvays verzoekschrift in eerste aanleg, aangehaald in punt 47 van haar verzoekschrift in hogere voorziening).
118 – Punt 209 van Solvays verzoekschrift in eerste aanleg (gedeeltelijk aangehaald in punt 49 van haar verzoekschrift in hogere voorziening) luidt als volgt: „[S]i, par impossible, le Tribunal devait rejeter l’ensemble des moyens d’annulation développés par la requérante, la requérante invite le Tribunal a prendre en compte [...] l’ensemble des considérations présentées dans la présente requête au titre des moyens d’annulation dans son appréciation de la nécessité d’infliger une amende à la requérante et du montant de celle-ci [...]”.
119 – Zie de punten 21 en 24 van deze conclusie.
120 – Punt 49 van het bestreden arrest.
121 – Punten 296‑303 van het bestreden arrest.
122 – Zie de punten 21 en 65 van deze conclusie.
123 – Zie de punten 54‑70 van deze conclusie.
124 – Zie punt 80 en voetnoot 85 van deze conclusie.
125 – Arrest Commissie/Solvay van 6 april 2000 (aangehaald in voetnoot 2).
126 – Zie het chronologische overzicht in punt 11 van deze conclusie.
127 – Daarop had Solvay reeds in eerste aanleg terecht geattendeerd (zie punt 93 van het bestreden arrest). In het arrest PVC II (aangehaald in voetnoot 38, met name de punten 204 en 205) heeft het Hof die vraag in het midden gelaten, omdat de rekwiranten geen desbetreffende grief hadden aangevoerd.
128 – Het arrest Commissie/Solvay van het Hof (aangehaald in voetnoot 2) dateert van april 2000.
129 – Zie punt 81 van deze conclusie.
130 – Aangaande de duur van de procedure in eerste aanleg voor het Gerecht in zaak T‑58/01 en de globale beoordeling van de procedure, zie de punten 176‑189 van deze conclusie.
131 – Zie de punten 92‑106 van deze conclusie.
132 – Arresten FEG (aangehaald in voetnoot 83, punten 56‑60) en TU (aangehaald in voetnoot 83, punten 64, 67 en 69).
133 – Arresten TU (aangehaald in voetnoot 83, punt 69) en FEG (aangehaald in voetnoot 83, punt 56).
134 – Arresten FEG (aangehaald in voetnoot 83, punten 57 en 58) en TU (aangehaald in voetnoot 83, punten 64‑69).
135 – Zie de punten 21 en 31‑49 van deze conclusie.
136 – Punt 49 van het bestreden arrest.
137 – Zie deel IV (punten 15‑163) van deze conclusie.
138 – Zie punt 135 van deze conclusie.
139 – Zie de punten 139‑163 van deze conclusie.
140 – Arrest Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, punten 48, 141 en 142).
141 – Arrest Der Grüne Punkt (aangehaald in voetnoot 83, punt 195).
142 – Arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss (C‑126/97, Jurispr. blz. I‑3055, punt 36), en 20 september 2001, Courage en Crehan (C‑453/99, Jurispr. blz. I‑6297, punt 20).
143 – Zie de in voetnoot 103 aangehaalde rechtspraak.
144 – Zie conclusie van advocaat-generaal Sharpston van 10 februari 2011 in de aanhangige zaak KME Germany e.a./Commissie (C‑272/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, met name punt 64), conclusie van advocaat-generaal Bot van 26 oktober 2010 in de aanhangige zaken ArcelorMittal Luxembourg/Commissie e.a. (C‑201/09 P en C‑216/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, met name punt 41) en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie (C‑352/09 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, met name punt 49) evenals mijn conclusies van 3 juli 2007 in de zaak ETI e.a. (C‑280/06, Jurispr. blz. I‑10893, punt 71) en 23 april 2009 in de zaak Akzo Nobel e.a./Commissie (C‑97/08, Jurispr. blz. I‑8237, punt 39); in dezelfde zin reeds mijn conclusie van 8 september 2005 in de zaken FEG (aangehaald in voetnoot 83, punt 108) en TU (aangehaald in voetnoot 83, punt 100).
145 – Arrest Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, met name punt 48). Slechts terzijde wil ik erop wijzen dat ook de Commissie soms voor vermindering van het boetebedrag kiest wanneer zij tot de conclusie komt dat een door haar ingestelde administratieve procedure te lang heeft geduurd (zie arresten FEG en TU, aangehaald in voetnoot 83, respectievelijk punt 9).
146 – Zie de punten 104 en 105 van deze conclusie.
147 – In die zin arrest Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, met name punt 141).
148 – Arrest Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, punten 48 en 142).
149 – Voortaan: artikel 31 van verordening nr. 1/2003.
150 – Zie punt 80 van deze conclusie.
151 – Zie met name de punten 81‑84 van deze conclusie.
152 – Zie het chronologische overzicht in punt 11 van deze conclusie.
153 – Zie de punten 147‑151 van deze conclusie.
154 – Aangezien de procestaal Frans is, waren de schriftelijke opmerkingen van alle partijen opgesteld in de taal waarin over de zaak werd beraadslaagd. Slechts aan het begin van het proces bestond een te verwaarlozen behoefte aan vertaling, namelijk in verband met de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (zie artikel 24, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht). Dat het bestreden arrest met het oog op de publicatie aan het einde van de procedure in eerste aanleg moest worden vertaald, belette het Gerecht niet, het arrest in de procestaal uit te spreken en te betekenen zodra de beraadslagingen ter zake waren afgerond.
155 – Punten 40‑50 van het bestreden arrest.
156 – Op 19 december 2003 verzocht het Gerecht de Commissie om overlegging van een gedetailleerde lijst van alle documenten die deel uitmaakten van het administratieve dossier; op 14 april 2005 werd Solvay ter griffie van het Gerecht inzage verleend in de door de Commissie overgelegde stukken (punten 40 en 50 van het bestreden arrest). Indien men hier de periode bij optelt die verstreek totdat de Commissie op 17 november 2005 haar opmerkingen over de bruikbaarheid van de betrokken stukken voor de verdediging van Solvay indiende, zijn bijna twee jaar verstreken.
157 – De Commissie heeft haar opmerkingen op 17 november 2005 ingediend, en de mondelinge behandeling werd in mei 2008 geopend (punten 51 en 55 van het bestreden arrest).
158 – Ter vergelijking: in de zaak Baustahlgewebe, waarin elf samenhangende zaken voor de mondelinge behandeling gevoegd waren, stelde het Hof schending van het beginsel van de redelijke termijn vast omdat in de procedure in eerste aanleg een periode van 32 maanden was verstreken tussen de afronding van de schriftelijke procedure en het besluit om de mondelinge behandeling te openen, en een periode van 22 maanden tussen de terechtzitting en de uitspraak van het arrest van het Gerecht (arrest Baustahlgewebe, aangehaald in voetnoot 83, punten 45 en 46).
159 – Zie mijn conclusie van 4 maart 2010 in de zaak Gogos/Commissie (aangehaald in voetnoot 92, punt 88).
160 – Arrest EHRM Pedersen en Baadsgaard/Denemarken (Grote kamer) van 17 december 2004 (nr. 49017/99, Recueil des arrêts et décisions 2004-XI, § 44); in dezelfde zin reeds arresten Ringeisen/Oostenrijk van 16 juli 1971 (serie A, punt 13, § 110) en Hozee/Nederland van 22 mei 1998 (Recueil des arrêts et décisions 1998-III, § 43).
161 – Arrest PVC II (aangehaald in voetnoot 38, punt 182); zie ten aanzien van het geheel ook mijn conclusies van 8 december 2005 in de zaken FEG (aangehaald in voetnoot 83, punten 108‑112) en TU (aangehaald in voetnoot 83, punten 100‑104).
162 – Arrest EHRM König/Duitsland van 28 juni 1978 (serie A, nr. 27, nr. 6232/73, § 98) en arrest Eckle/Duitsland (aangehaald in voetnoot 89, § 76).
163 – De verjaringstermijn bedraagt vijf jaar vanaf het einde van de inbreuk en wordt door alle onderzoeks‑ of vervolgingshandelingen gestuit. Absolute verjaring van de vervolging treedt uiterlijk in op de dag waarop een termijn gelijk aan tweemaal de verjaringstermijn is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of dwangsom heeft vastgelegd. De verjaring wordt echter geschorst zolang de beschikking van de Commissie het voorwerp vormt van een procedure bij het Hof van Justitie. Zie artikelen 1, 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers‑ en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 1); voortaan geldt artikel 25 van verordening nr. 1/2003. Op diverse problemen in verband met de verjaring en de stuiting ervan gedurende een gerechtelijke procedure is advocaat-generaal Bot ingegaan in zijn conclusies in de zaken ArcelorMittal Luxembourg/Commissie e.a. (aangehaald in voetnoot 144, met name punten 66‑81 en 245‑251) en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie (aangehaald in voetnoot 144, met name punten 177‑212).
164 – Zie mijn conclusies in de zaken FEG (aangehaald in voetnoot 83, punt 111) en TU (aangehaald in voetnoot 83, punt 103).
165 – Arrest Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, punten 48 en 142).
166 – Arrest Baustahlgewebe (aangehaald in voetnoot 83, punten 141 en 142).
167 – Arresten EHRM Dželili/Duitsland (aangehaald in voetnoot 99, § 103) en Ommer/Duitsland (aangehaald in voetnoot 98, § 50).
168 – Zie de punten 147‑151 en 179 van deze conclusie.
169 – Zie de punten 180‑84 van deze conclusie.
170 – Zie de punten 186 en 187 van deze conclusie.
171 – In deze zin arrest EHRM, Eckle/Duitsland (artikel 50) (aangehaald in voetnoot 100, § 24).
172 – Punt 62 van de considerans van de litigieuze beschikking. Ook het Gerecht heeft de deelname van Solvay aan het kartel als „ernstig” bestempeld (punten 276 en 286 van het bestreden arrest). Dit deel van het bestreden arrest heeft Solvay in hogere voorziening niet aangevochten.
173 – Zie met name de punten 135 en 163 van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy