CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 30 juni 2011 (1)
Zaak C‑224/10
Staatsanwaltschaft Baden-Baden
tegen
Leo Apelt
[verzoek van het Landgericht Baden-Baden (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 91/439/EEG – Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Intrekking van nationaal rijbewijs en afgifte van rijbewijs voor de categorieën B en D door een andere lidstaat – Weigering van erkenning door lidstaat van de verblijfplaats – Vereiste van bezit van geldig rijbewijs voor categorie B op moment van afgifte van rijbewijs voor categorie D”
1. Opnieuw wordt het Hof om uitlegging gevraagd van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs(2), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003(3).
2. Meer in het bijzonder vraagt het Landgericht Baden-Baden het Hof om uitlegging van artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439, dat bepaalt dat een rijbewijs voor categorie D (hierna: „rijbewijs D”) enkel kan worden afgegeven aan iemand die reeds bevoegd is voor categorie B.
3. In de onderhavige procedure hebben de Tsjechische autoriteiten aan verweerder in het hoofdgeding een rijbewijs voor de categorie B (hierna: „rijbewijs B”) afgegeven hoewel er in Duitsland een procedure tegen hem liep om zijn rijvaardigheid te beoordelen, naar aanleiding van een verkeersovertreding die vóór de afgifte van dat rijbewijs was begaan. Nadat zijn Duitse rijbewijs was ingetrokken en nadat het gerechtelijk verbod op de afgifte van een nieuw rijbewijs was verlopen, kreeg verweerder in het hoofdgeding van dezelfde Tsjechische autoriteiten een rijbewijs D.
4. De verwijzende rechter wil in wezen van het Hof weten of de Duitse autoriteiten, gelet op het bepaalde in richtlijn 91/349 en in het bijzonder op het beginsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen, verplicht zijn de geldigheid van de afgegeven rijbewijzen B en D te erkennen.
5. Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid om zich uit te spreken over de wisselwerking tussen B en D rijbewijzen en in het bijzonder om te beslissen of de niet-erkenning van een rijbewijs B tot niet-erkenning van het rijbewijs D leidt.
6. In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom een lidstaat naar mijn mening gerechtigd is de erkenning van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor de categorieën B en D te weigeren wanneer aan de houder op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat wegens een overtreding die vóór die ontzegging is vastgesteld de rijbevoegdheid is ontzegd na de afgifte van het rijbewijs B. Dat het rijbewijs D is afgegeven na afloop van de aan deze maatregel gekoppelde verbodstermijn voor de verlening van een nieuw rijbewijs is in dit verband irrelevant.
I – Rechtskader
A – Het recht van de Unie
1. Richtlijn 91/439
7. Om het vrije verkeer van personen in de Europese Gemeenschap dan wel hun vestiging in een andere lidstaat dan die waarin zij hun rijbewijs hebben verkregen, te vergemakkelijken, heeft richtlijn 91/439 het beginsel van de onderlinge erkenning van rijbewijzen ingevoerd.(4)
8. De vaststelling van minimumvoorwaarden voor de afgifte van het rijbewijs in deze richtlijn heeft ook tot doel, de veiligheid van het wegverkeer op het grondgebied van de Europese Unie te verbeteren.(5)
9. Artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439 luidt als volgt:
„De afgifte van het rijbewijs hangt van de volgende voorwaarden af:
a) het rijbewijs voor de categorieën C en D kan slechts worden afgegeven aan bestuurders die reeds bevoegd zijn voor categorie B;”
10. Daarnaast bepaalt artikel 7, lid 1, sub b, van de richtlijn het volgende:
„De afgifte van het rijbewijs is eveneens aan de volgende voorwaarden onderworpen:
[...]
b) de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven [(6)].”
11. Volgens artikel 7, lid 5, van richtlijn 91/439 kan eenieder slechts houder van één enkel rijbewijs zijn.
12. Artikel 8, lid 2, van deze richtlijn bepaalt dat de lidstaat van de gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen kan toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid.
13. Krachtens artikel 8, lid 4, eerste alinea, van richtlijn 91/439 kan een lidstaat, wanneer op zijn grondgebied tegen een persoon een van voornoemde maatregelen is getroffen, eveneens weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat aan deze persoon verstrekt rijbewijs te erkennen.
2. Richtlijn 2006/126/EG
14. Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs(7) herschikt richtlijn 91/439, die herhaaldelijk is gewijzigd.(8)
15. Volgens artikel 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 weigert een lidstaat de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat door een andere lidstaat aan een persoon is verstrekt, wanneer het rijbewijs van die persoon op het grondgebied van de eerstgenoemde staat is beperkt, geschorst of ingetrokken.
16. Krachtens artikel 17, eerste alinea, van die richtlijn wordt richtlijn 91/439 met ingang van 19 januari 2013 ingetrokken.
17. Artikel 18, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 bepaalt dat artikel 11, lid 4, van die richtlijn vanaf 19 januari 2009 van toepassing is.
B – Nationaal recht
18. De Verordnung über die Zulassung von Personen zum Straβenverkehr (verordening inzake de toelating van personen tot het wegverkeer; hierna: „FeV”) bepaalt in § 28, lid 1, eerste volzin, dat de houders van een geldig rijbewijs van de Unie of van de Europese Economische Ruimte (hierna: „EER”) die hun gewone verblijfplaats in de zin van § 7, lid 1 of 2, FeV in Duitsland hebben, onder de in de leden 2 tot en met 4 van de genoemde § 28 gestelde beperkingen in Duitsland motorrijtuigen mogen besturen onder de in het rijbewijs vastgestelde voorwaarden.
19. Volgens § 28, lid 4, FeV geldt de in lid 1 van die paragraaf bedoelde toestemming niet voor houders van een Unie‑ of een EER‑rijbewijs aan wie in Duitsland de rijbevoegdheid voorlopig of definitief is ontzegd bij rechterlijke beslissing of bij een onmiddellijk uitvoerbare of definitieve beschikking van een bestuursorgaan.
20. Op grond van § 21, lid 1, punt 1, van de wet op het wegverkeer (Straβenverkehrsgesetz) wordt degene die een voertuig bestuurt zonder in het bezit te zijn van het daartoe vereiste rijbewijs, of aan wie een rijverbod is opgelegd krachtens § 44 van het wetboek van strafrecht of § 25 van de wet op het wegverkeer, gestraft met vrijheidsstraf van ten hoogste een jaar of met geldboete.
II – De feiten van het hoofdgeding
21. Aan de heer Apelt, een Duits onderdaan, werd op 14 december 1998 een Duits rijbewijs afgegeven voor de klassen 1a, 1b, 3, 4 en 5(9).
22. Bij een verkeerscontrole op 23 januari 2006 stelden de Duitse autoriteiten vast dat Apelt onder invloed van alcohol reed. De volgende dag – op 24 januari 2006 – werd zijn rijbewijs in beslag genomen.
23. Bij strafbeschikking van 31 mei 2006, dat op 2 juni 2006 in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeelde het Amtsgericht Osterholz-Scharmbeck Apelt tot betaling van een geldboete wegens rijden onder invloed. Tevens werd hem zijn rijbevoegdheid ontzegd en werd een verbod tot afgifte van een nieuw rijbewijs opgelegd, welk verbod op 29 november 2006 afliep.
24. Nog voor de beslissing tot ontzegging van zijn rijbevoegdheid hebben de Tsjechische autoriteiten op 1 maart 2006 aan Apelt een rijbewijs B afgegeven, dat als verblijfplaats een adres in Duitsland vermeldde.
25. Op 30 april 2007 werd aan Apelt door de Tsjechische autoriteiten een rijbewijs D afgegeven, waarop een verblijfplaats in de Tsjechische Republiek voorkomt alsmede de datum van afgifte van het rijbewijs B.
26. Tijdens een verkeerscontrole op 11 juli 2009 toonde Apelt, die op dat moment op Duits grondgebied een autobus bestuurde, de Duitse autoriteiten zijn rijbewijs D dat door de Tsjechische autoriteiten was afgegeven. Naar aanleiding van deze controle verzocht het openbaar ministerie Baden-Baden het Amtsgericht Achern om Apelt te veroordelen wegens opzettelijk rijden zonder rijbewijs.
27. Bij beschikking van 30 december 2009 wees het Amtsgericht Achern deze vordering af met de overweging dat het rijbewijs voor voertuigen van categorie D, dat in de Tsjechische Republiek aan Apelt was afgegeven, ook in Duitsland geldig was. Het wees er onder meer op dat de Duitse autoriteiten niet bevoegd waren om te toetsen of aan de in richtlijn 91/439 neergelegde voorwaarden voor de afgifte van een rijbewijs was voldaan. Overigens merkte het Amtsgericht Achern op dat het rijbewijs D aan Apelt was afgegeven na afloop van de verbodstermijn voor de verlening van een nieuw rijbewijs. Volgens het Amtsgericht was dat rijbewijs dan ook geldig.
28. Het openbaar ministerie Baden-Baden heeft tegen deze beschikking beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.
III – Prejudiciële vragen
29. Daar het Landgericht Baden-Baden twijfels had over de uitlegging van een aantal bepalingen van richtlijn 91/439, heeft het besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
„1) Mag een lidstaat, rekening houdend met artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439/EEG[...], dat bepaalt dat een rijbewijs voor categorie D enkel mag worden afgegeven aan bestuurders die reeds rijbevoegd zijn voor categorie B, overeenkomstig de artikelen 1 en 8, leden 2 en 4, van deze richtlijn weigeren de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor de categorieën B en D te erkennen – in het bijzonder wat betreft categorie D – wanneer de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor categorie B heeft verkregen voordat een rechter in de eerstgenoemde lidstaat hem de rijbevoegdheid had ontzegd, maar de rijbevoegdheid voor categorie D pas is verkregen na die ontzegging en eveneens na afloop van de gelijktijdig bepaalde verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
Mag de eerstgenoemde lidstaat de erkenning van dit rijbewijs – in het bijzonder wat de rijbevoegdheid voor categorie D betreft – weigeren krachtens artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126/EG [...], dat bepaalt dat een lidstaat weigert de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat door een andere lidstaat is afgegeven aan een persoon wiens rijbewijs op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat is ingetrokken, wanneer de rijbevoegdheid voor categorie B op 1 maart 2006 en de rijbevoegdheid voor categorie D op 30 april 2007 is verleend en het rijbewijs op de laatstgenoemde dag is afgegeven?”
IV – Analyse
30. Alvorens in te gaan op de vragen van de verwijzende rechter, lijkt het mij nodig aandacht te besteden aan het stelsel dat door de wetgever van de Unie voor de afgifte van rijbewijzen in het leven is geroepen.
A – Het bij richtlijn 91/439 ingevoerde stelsel
31. Richtlijn 91/439 beoogt de voorwaarden voor de afgifte van het rijbewijs te harmoniseren om bij te dragen tot de verhoging van de veiligheid van het wegverkeer en om het verkeer te vergemakkelijken van personen die zich vestigen in een andere lidstaat dan die waar zij een rijexamen hebben afgelegd.(10)
32. Hiertoe heeft de wetgever van de Unie rijbewijzen ingevoerd van verschillende categorieën en subcategorieën. Zo machtigt een rijbewijs B bijvoorbeeld de houder om motorvoertuigen te besturen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en een rijbewijs D motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend.(11)
33. Door deze verdeling in categorieën en subcategorieën kunnen de minimumvoorwaarden voor de afgifte van een rijbewijs worden afgestemd op de afzonderlijke categorieën.
34. Zo geldt op grond van artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439 voor de afgifte van een rijbewijs D de voorwaarde, dat de bestuurder reeds bevoegd is voor categorie B. De kandidaat voor een rijbewijs D moet dus in eerste instantie aantonen dat hij bevoegd is voertuigen te besturen die binnen categorie B vallen, dat wil zeggen dat hij in staat wordt geacht dergelijke voertuigen te besturen. Het bewijs hiervan kan mijns inziens enkel worden geleverd door het bezit van het rijbewijs B, dat als enige de garantie biedt dat de vereiste minimumvoorwaarden zijn vervuld.
35. Ook zijn er voorwaarden betreffende de minimumleeftijd voor de afgifte van een rijbewijs. Die leeftijd varieert naargelang van de categorie waartoe het rijbewijs behoort. Zo is de minimumleeftijd voor categorie D 21 jaar.(12)
36. Verder moet de aanvrager volgens artikel 7, lid 1, sub a van richtlijn 91/439 met goed gevolg een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag en een theoretisch examen afleggen, alsmede voldoen aan bepaalde gezondheidseisen.
37. De bijlagen II en III bij deze richtlijn bevatten basisregels die voor alle rijbewijscategorieën gemeenschappelijk zijn. Voor de afgifte van alle rijbewijzen moet aan de minimumvoorwaarden van die gemeenschappelijke basisregels zijn voldaan.(13) Het gaat om zaken als controle over het voertuig teneinde geen gevaarlijke situaties te scheppen, en adequaat reageren wanneer dergelijke situaties zich voordoen(14), of bekendheid met de richtlijnen voor het bewaren van afstand, remweg en wegligging van het betrokken voertuig(15).
38. Afgezien van deze minimumvoorwaarden zijn er voor elke categorie, en in het bijzonder voor categorie D, specifieke examens.(16) De examens en gezondheidseisen variëren namelijk naargelang van de categorie waartoe het rijbewijs behoort, waarbij de minimumvoorwaarden voor categorieën als categorie D strenger zijn dan die voor de afgifte van een rijbewijs B.
39. Deze verschillen laten zich makkelijk verklaren. Het besturen van een autobus is iets heel anders dan het besturen van een personenauto of motorfiets. De verrichtingen zijn veel moeilijker en de wegligging is heel anders. Bovendien draagt de buschauffeur een grotere verantwoordelijkheid als gevolg van het aantal passagiers dat hij vervoert.
40. Hoewel de aanvrager van een rijbewijs D dus in beginsel reeds heeft aangetoond dat hij aan de minimumvoorwaarden van de gemeenschappelijke basisregels voldoet, omdat hij in het bezit moet zijn van een rijbewijs B, moet hij toch nog voor die specifieke examens slagen voordat hem een rijbewijs D kan worden uitgereikt.
41. Richtlijn 91/439 bepaalt dat aan aanvragers van een rijbewijs voor een bepaalde categorie die reeds houder zijn van een rijbewijs voor een andere categorie, vrijstelling kan worden verleend van de gemeenschappelijke regels in de punten 2, 3 en 4 van bijlage II bij die richtlijn.(17) De wetgever van de Unie is volgens mij uitgegaan van het beginsel, dat niet opnieuw examen met betrekking tot de gemeenschappelijke basisregels behoeft te worden afgelegd wanneer eenmaal kennis van die basisregels is verkregen.
42. En ten slotte stelt artikel 7, lid 1, sub b, van die richtlijn de verkrijging van het rijbewijs ook afhankelijk van het bestaan van een gewone verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat van afgifte.
B – De prejudiciële vragen
43. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 juncto artikel 5, lid 1, sub a, van die richtlijn in die zin moeten worden uitgelegd dat een lidstaat een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor de categorieën B en D mag weigeren te erkennen wanneer tegen de houder van dat rijbewijs in de eerstgenoemde lidstaat na de afgifte van het rijbewijs B een maatregel tot intrekking van de rijbevoegdheid is genomen als sanctie op een vóór die afgifte vastgesteld strafbaar feit, en het rijbewijs D is afgegeven na afloop van de tegelijk met deze maatregel bepaalde verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs.
44. Voor deze vraag moeten achtereenvolgens de volgende twee punten worden behandeld. Eerst moet worden vastgesteld of de Duitse autoriteiten in het licht van richtlijn 91/439 de erkenning van het door de Tsjechische autoriteiten afgegeven rijbewijs B mogen weigeren. Zo dit het geval is, moet worden nagegaan wat voor invloed de niet-erkenning kan hebben op de geldigheid van het rijbewijs D, gezien de terminologie die in artikel 5, lid 1, sub a, van die richtlijn wordt gehanteerd.
45. Ik ben met de verwijzende rechter(18) van oordeel, dat de Duitse autoriteiten gerechtigd zijn om het door de Tsjechische autoriteiten afgegeven rijbewijs B niet te erkennen.
46. Blijkens de door hem aangevoerde nadere gegevens heeft Apelt op 23 januari 2006 op Duits grondgebied verkeersveiligheidsregels overtreden. De volgende dag is zijn Duitse rijbewijs door de politie ingenomen. Bij uitspraak van 31 mei 2006 heeft het Amtsgericht Osterholz-Scharmbeck hem de rijbevoegdheid ontzegd en tegelijk bepaald dat hem vóór 29 november 2006 geen nieuw rijbewijs mocht worden afgegeven. Deze uitspraak is op 2 juni 2006 in kracht van gewijsde gegaan.
47. Ondanks dat het Duitse rijbewijs van Apelt tijdelijk was ingenomen en de genoemde maatregelen nog niet waren opgelegd, hebben de Tsjechische autoriteiten hem op 1 maart 2006 een rijbewijs B afgegeven.
48. Volgens de rechtspraak van het Hof kan richtlijn 91/439 de Duitse autoriteiten in een dergelijke casuspositie niet verplichten om de geldigheid van het door de Tsjechische autoriteiten afgegeven rijbewijs te erkennen.(19)
49. In een dergelijke situatie moet de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten en de rechterlijke instanties van een lidstaat om te weigeren de geldigheid te erkennen van het rijbewijs dat in een andere lidstaat is verkregen door een persoon wiens rijbewijs in de eerste lidstaat tijdelijk is geschorst, op basis van de bepalingen van richtlijn 91/439, en inzonderheid artikel 8, lid 4, ervan, onvoorwaardelijk en definitief worden aanvaard wanneer de tijdelijke schorsing wordt gevolgd door intrekking van de rijbevoegdheid wegens dezelfde feiten. De omstandigheid dat de intrekking van de rijbevoegdheid is bepaald na de datum waarop het nieuwe rijbewijs is afgegeven, is ter zake irrelevant, aangezien de rechtvaardigingsgronden voor deze maatregel op die datum bestonden.(20)
50. Gezien deze factoren ben ik dan ook van mening dat de Duitse autoriteiten in de onderhavige zaak gerechtigd zijn te weigeren het door de Tsjechische autoriteiten aan Apelt afgegeven rijbewijs B te erkennen.
51. Nu dit is vastgesteld, is thans de vraag of de Duitse autoriteiten eveneens mogen weigeren het rijbewijs D te erkennen dat door de Tsjechische autoriteiten is afgegeven na afloop van de verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs, nu artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439 bepaalt dat het rijbewijs voor de categorie D slechts kan worden afgegeven aan bestuurders die reeds bevoegd zijn voor categorie B.
52. Met andere woorden, kan de niet-erkenning van het rijbewijs B gevolgen hebben voor het door de Tsjechische autoriteiten afgegeven rijbewijs D en Apelt zodoende beletten om zich op dat rijbewijs te beroepen?
53. Volgens de Europese Commissie moet het door de Tsjechische autoriteiten afgegeven rijbewijs D door de Duitse autoriteiten worden erkend omdat het, anders dan het rijbewijs B, is afgegeven na afloop van de verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs en het een verblijfplaats op Tsjechisch grondgebied vermeldt.
54. Bovendien kan haars inziens een rijbewijs D weliswaar enkel worden afgegeven aan bestuurders die voor categorie B bevoegd zijn, maar was Apelt enkel vanuit het Tsjechische recht bezien bevoegd om voertuigen van laatstgenoemde categorie te besturen ten tijde van de afgifte van het rijbewijs D.
55. Als ik het goed begrijp, stelt de Commissie dat ondanks het feit dat bij de afgifte van het rijbewijs B onregelmatigheden zijn begaan en dat een lidstaat gerechtigd is om dat rijbewijs niet te erkennen, het rijbewijs D moet worden erkend omdat de houder daarvan is geslaagd voor de examens die zijn kennis, rijvaardigheid en rijgedrag toetsen en die hoe dan ook minstens zo zwaar zijn als die voor het rijbewijs B, en dat alle vereiste toetsen dus zijn verricht. De niet-erkenning van het rijbewijs B heeft volgens haar dan ook geen enkele invloed op de erkenning van het rijbewijs D.
56. Ik ben het met deze zienswijze niet eens, en wel om de volgende redenen.
57. Zoals wij hebben gezien, geldt voor de afgifte van een rijbewijs D de eis dat de bestuurder reeds bevoegd is voor categorie B, dat hij met goed gevolg de examens aflegt die zijn rijvaardigheid, rijgedrag en theoretische kennis toetsen, dat hij aan bepaalde gezondheidseisen voldoet en zijn normale verblijfplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat van afgifte.
58. Volgens vaste rechtspraak van het Hof voorziet artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/439 in de onderlinge erkenning zonder enige formaliteit van door lidstaten afgegeven rijbewijzen.(21) Wanneer de autoriteiten van een lidstaat overeenkomstig artikel 1, lid 1, van richtlijn 91/439 een rijbewijs hebben afgegeven, mogen de andere lidstaten dus niet nagaan of aan de in deze richtlijn gestelde afgiftevoorwaarden is voldaan. Het bezit van een dergelijk rijbewijs moet worden beschouwd als bewijs dat de houder op de dag van de afgifte ervan aan deze voorwaarden voldeed.(22)
59. Dit beginsel van onderlinge erkenning is echter ingeperkt. In de arresten van 26 juni 2008, Wiedemann en Funk(23) en Zerche e.a.(24) overweegt het Hof namelijk dat de lidstaat van ontvangst de rijbevoegdheid die voortvloeit uit een door een andere lidstaat later afgegeven rijbewijs, mag weigeren op zijn grondgebied te erkennen wanneer op basis van de vermeldingen op het rijbewijs of op basis van andere onbetwistbare inlichtingen van de afgiftestaat vaststaat dat ten tijde van de afgifte van dit rijbewijs de houder ervan, wiens vorig rijbewijs op het grondgebied van de eerste lidstaat is ingetrokken, niet zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de afgiftestaat had.(25)
60. In die arresten overwoog het Hof dat het verblijfplaatsvereiste van bijzonder belang is omdat het onmisbaar is voor de controle op de naleving van de rijvaardigheidsvoorwaarde, en ook de voorafgaande voorwaarde is die het mogelijk maakt na te gaan of een aanvrager voldoet aan de andere door richtlijn 91/439 gestelde voorwaarden.(26) Wanneer de verblijfsvoorwaarde niet in acht is genomen bij de afgifte van het rijbewijs, is het beginsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen dus niet van toepassing.(27)
61. Volgens mij is de voorwaarde van artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439 evenals het verblijfplaatsvereiste van bijzondere betekenis en mag een lidstaat een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs D weigeren te erkennen indien komt vast te staan dat aan deze voorwaarde niet is voldaan.
62. Zoals wij hebben gezien, is de verkrijging van een rijbewijs B immers de eerste minimumvoorwaarde voor de verkrijging van een rijbewijs D. De wetgever van de Unie gaat volgens mij ervan uit dat het rijbewijs B onmisbaar is voor en voorafgaat aan de verkrijging van een rijbewijs D.(28)
63. Wat dit betreft lijkt het mij volstrekt logisch dat iemand eerst de kunst van het rijden met auto’s van een kleinere categorie moet beheersen voordat hij kan stellen, voertuigen van de categorie autobussen te kunnen besturen. Het rijbewijs D is in zekere zin een uitbreiding van het rijbewijs B, die toegang geeft tot het besturen van voertuigen van een hogere categorie.
64. Het behalen van het rijbewijs B vormt hier dus een basis die garandeert dat de lidstaat van afgifte de minimumvoorwaarden van richtlijn 91/439 heeft nageleefd en dat de houder van het rijbewijs dus rijvaardig is en geen gevaar op de weg.
65. In de zaak die ons hier bezighoudt, lijdt deze basis – het rijbewijs B – echter aan gebreken. Het rijbewijs B is immers door de Tsjechische autoriteiten afgegeven hoewel blijkens de vermeldingen op het rijbewijs niet aan de verblijfplaatsvoorwaarde was voldaan en een eerste rijbewijs tijdelijk bij de houder was ingenomen wegens gevaarlijk rijgedrag. Zoals gezegd is de verblijfplaats van bijzonder belang omdat aan de hand daarvan kan worden getoetst of de aanvrager aan de andere voorwaarden van richtlijn 91/439 heeft voldaan.
66. Bijgevolg kan in redelijkheid worden aangenomen dat de Tsjechische autoriteiten bij de afgifte van het rijbewijs B niet in staat waren om te controleren of Apelt, aan wie het recht was ontnomen om op Duits grondgebied auto’s te besturen, gezien zijn voorgeschiedenis wel de vereiste vaardigheid en kennis bezat voor het besturen van auto’s en of hij geen gevaar op de weg vormde.
67. De Commissie voert aan, dat nu het rijbewijs D is afgegeven na afloop van de verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs en de eisen voor de verkrijging van dat rijbewijs strenger zijn dan die voor een rijbewijs B, de houder a fortiori bevoegd was voor categorie B. Volgens haar is dus aan de vereiste voorwaarden voldaan.
68. Zoals reeds gezegd, heeft de wetgever van de Unie echter bepaald dat aan aanvragers van een bepaalde categorie rijbewijs die reeds houder zijn van een rijbewijs van een andere categorie, vrijstelling kan worden verleend van de gemeenschappelijke bepalingen in de punten 2 tot en met 4 van bijlage II bij richtlijn 91/439.(29) In casu komt dit erop neer dat de aanvrager van een rijbewijs D niet de examens behoeft af te leggen die categorie B en categorie D gemeen hebben, omdat ervan wordt uitgegaan dat deze examens reeds met goed gevolg zijn afgelegd voor de afgifte van het rijbewijs B.
69. Het is daarom des te belangrijker dat het rijbewijs B met strikte inachtneming van de vereiste minimumvoorwaarden is afgegeven.
70. Nogmaals, indien de voorwaarden voor verkrijging van een rijbewijs B niet in acht zijn genomen, is er geen enkele garantie dat de minimumvoorwaarden die beide categorieën rijbewijs gemeen hebben, wel in acht zijn genomen.(30)
71. Het is in strijd met de beoogde verkeersveiligheid om een lidstaat te verplichten een rijbewijs D te erkennen dat onder dergelijke omstandigheden is afgegeven, terwijl niet is komen vast te staan dat de lidstaat van afgifte zich ervan heeft kunnen vergewissen dat de houder van het rijbewijs aan de vereiste minimumvoorwaarden voldeed.
72. Wanneer een lidstaat op grond van artikel 8, lid 4, van richtlijn 91/439 gerechtigd is om de geldigheid van een door de autoriteiten van een andere lidstaat afgegeven rijbewijs B niet te erkennen, is hij mijns inziens ook gerechtigd om de geldigheid van het rijbewijs D niet te erkennen dat op basis van het eerstgenoemde rijbewijs is afgegeven.
73. Het is niet logisch indien de intrekking van de rijbevoegdheid in dit geval enkel zou gelden voor het rijbewijs B en niet voor het besturen van autobussen, terwijl de niet-erkenning van dat rijbewijs het gevolg was van gevaarlijk rijgedrag van de houder, die, zoals gezegd, onder invloed van alcohol had gereden.
74. Op grond van het vorenstaande ben ik daarom van mening dat de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, juncto artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439 in die zin moeten worden uitgelegd dat een lidstaat de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor de categorieën B en D mag weigeren te erkennen wanneer tegen de houder van dat rijbewijs in de eerstgenoemde lidstaat na de afgifte van het rijbewijs B een maatregel tot intrekking van de rijbevoegdheid is genomen als sanctie op een strafbaar feit dat vóór die afgifte was vastgesteld. Dat het rijbewijs D is afgegeven na afloop van de tegelijk met deze maatregel bepaalde verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs is in dit verband niet van belang.
75. Aangezien ik voorstel om de eerste vraag van de verwijzende rechter bevestigend te beantwoorden, is een antwoord op de tweede vraag niet nodig.
76. Volgens mij is het Hof echter hoe dan ook niet bevoegd om de tweede vraag te beantwoorden
77. Artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126 is immers met ingang van 19 januari 2009 van toepassing.(31)
78. Welnu, de feiten van het hoofdgeding hebben zich afgespeeld in 2006, toen het Duitse rijbewijs B van Apelt werd ingetrokken en zijn Tsjechische rijbewijs B werd afgegeven, en in 2007, toen zijn Tsjechische rijbewijs D werd afgegeven.
79. Daar zodoende de feiten vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126 hebben plaatsgevonden, is het Hof mijns inziens niet bevoegd om zich over de tweede prejudiciële vraag uit te spreken.
V – Conclusie
80. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door het Landgericht Baden-Baden gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
„De artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, juncto artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003, moeten in die zin worden uitgelegd dat een lidstaat de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor de categorieën B en D mag weigeren te erkennen wanneer tegen de houder van dat rijbewijs in de eerstgenoemde lidstaat na de afgifte van het rijbewijs voor categorie B een maatregel tot intrekking van de rijbevoegdheid is genomen als sanctie op een strafbaar feit dat vóór die afgifte was vastgesteld.
Dat het rijbewijs voor categorie D is afgegeven na afloop van de tegelijk met deze maatregel bepaalde verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs is in dit verband niet van belang.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 237, blz. 1.
3 – PB L 284, blz 1; hierna: „richtlijn 91/439”.
4 – Zie artikel 1 van die richtlijn.
5 – Zie vierde overweging van de considerans van de richtlijn.
6 – Volgens artikel 9, eerste alinea, van de richtlijn wordt onder „gewone verblijfplaats” verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar. Indien de houder van het rijbewijs in die lidstaat studeert, moet hij bewijzen dat hij sinds ten minste zes maanden in die lidstaat is gevestigd.
7 – PB L 403, blz. 18.
8 – Zie punt 1 van de considerans van richtlijn 2006/126.
9 – Deze klassen komen overeen met de categorieën A, A1 en B [zie beschikking 2008/766/EG van de Commissie van 25 augustus 2008 inzake gelijkwaardigheid tussen bepaalde categorieën van rijbewijzen (PB L 270, blz. 31)].
10 – Eerste overweging van de considerans van die richtlijn.
11 – Artikel 3, lid 1, van de richtlijn.
12 – Zie artikel 6, lid 1, sub c, van richtlijn 91/439.
13 – Zie deel I, punten 1 en 2, en deel II van bijlage II bij die richtlijn.
14 – Zie deel II, eerste alinea, tweede streepje, van bijlage II.
15 – Zie deel I, punt 2.1.3. van genoemde bijlage.
16 – Zie deel I, punten 4 en 8, van bijlage II bij richtlijn 91/439.
17 – Zie deel I, punt 1, tweede alinea, van die bijlage.
18 – Zie punt 8 van de verwijzingsbeschikking.
19 – Arrest van 20 november 2008, Weber (C‑1/07, Jurispr. blz. I‑8571, punten 30 en 31).
20 – Ibidem (punt 36 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
21 – Arrest van 19 mei 2011, Grasser (C‑184/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19).
22 – Ibidem (punt 21).
23 – C‑329/06 en C‑343/06, Jurispr. blz. I‑4653.
24 – C‑334/06–C‑336/06, Jurispr. blz. I‑4691.
25 – Reeds aangehaalde arresten Wiedeman en Funk (punt 73) en Zerche e.a. (punt 70).
26 – Reeds aangehaalde arresten Wiedemann en Funk (punten 69 en 70) en Zerche e.a. (punten 66 en 67).
27 – Reeds aangehaald arrest Grasser (punt 24).
28 – In dit verband merk ik op dat een bestuurder in de Tsjechische Republiek ingevolge artikel 82, lid 2, junctis de artikelen 82, lid 1, sub e, en 91, lid 1, sub a, van wet nr. 361/2001 inzake het wegverkeer en tot wijziging van enkele andere wetten (zákon o silničním provozu zákon o provozu na pozemních komunikacích a o změnách některých zákonů), zoals luidend ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, absoluut in het bezit moest zijn van een vergunning voor categorie B om een voertuig van categorie D te mogen besturen.
29 – Zie punt 41 van deze conclusie.
30 – Volgens de Tsjechische wet op het wegverkeer kan de bevoegdheid om een voertuig van, bijvoorbeeld, categorie D te besturen, onder meer aan een beperking worden onderworpen indien de bestuurder niet meer in het bezit is van het rijbewijs voor de basiscategorie, dat vereist is voor de afgifte van een rijbewijs voor een hogere categorie.
31 – Zie de punten 15‑17 van deze conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy