CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 6 september 2011 ( 1 )
Zaak C-249/10 P
Brosmann Footwear (HK) Ltd,
Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd,
Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd,
Risen Footwear (HK) Co. Ltd
tegen
Raad van de Europese Unie
„Hogere voorziening — Gemeenschappelijke handelspolitiek — Dumping — Artikelen 2, lid 7, 3, lid 7, 5, lid 4, 9, leden 5 en 6, 17, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96 — Invoer van schoeisel met bovendeel van leder uit China en Vietnam — Behandeling als marktgerichte onderneming — Individuele behandeling — Steekproeftrekking — Medewerking van bedrijfstak van Gemeenschap”
I – Inleiding
1.
Met haar hogere voorziening verzoeken Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd en Risen Footwear (HK) Co. Ltd (hierna samen: „Brosmann Footwear e.a.”) het Hof om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 4 maart 2010, Brosmann Footwear (HK) e.a./Raad (hierna: „bestreden arrest”) ( 2 ), houdende verwerping van hun beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (hierna: „definitieve verordening”). ( 3 )
2.
De onderhavige zaak betreft in wezen de onderlinge samenhang tussen een aantal bepalingen van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap ( 4 ), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004 (hierna: „basisverordening”). ( 5 )
3.
In hoofdzaak noopt deze hogere voorziening met name tot een onderzoek van artikel 17 van de basisverordening dat de Europese Commissie de mogelijkheid biedt haar onderzoek te beperken tot een representatieve steekproef van de exporteurs of de producenten van het betrokken derde land en de verzoeken om een „individuele dumpingmarge” van ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen maar die binnen de daartoe gestelde termijnen alle nodige inlichtingen hebben verstrekt, niet te onderzoeken, indien „het aantal exporteurs of producenten zo groot is dat individuele onderzoeken te belastend zijn en aan een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg staan”.
4.
In dit verband dient inzonderheid te worden onderzocht of het Gerecht op goede gronden heeft geoordeeld dat de Commissie volgens artikel 17, lid 3, van de basisverordening eveneens mocht weigeren om over te gaan tot het onderzoek van de bij artikel 2, lid 7, sub b en c, van de basisverordening geregelde aanvragen voor een behandeling als marktgerichte onderneming (hierna: „BMO”) en de bij artikel 9, lid 5, van deze verordening geregelde aanvragen voor een zogenoemde individuele behandeling (hierna: „IB”) die door niet voor de steekproef geselecteerde exporteurs of producenten zijn ingediend.
II – Voorgeschiedenis van het geding en bestreden arrest
5.
Brosmann Footwear e.a. zijn in China gevestigde ondernemingen die schoeisel produceren en uitvoeren.
6.
Naar aanleiding van een klacht die de Confédération européenne de l’industrie de la chaussure (CEC) (Europese Confederatie van de schoennijverheid) op 30 mei 2005 had ingediend, heeft de Commissie een antidumpingprocedure betreffende de invoer van schoeisel met bovendeel van leder uit China en Vietnam ingeleid. Het bericht van inleiding van deze procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 7 juli 2005 (hierna: „bericht van inleiding”). ( 6 )
7.
Gelet op het kennelijk grote aantal bij deze procedure betrokken partijen werd in punt 5.1, sub a, van het bericht van inleiding vermeld dat overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening mogelijkerwijs een steekproef zou worden getrokken.
8.
Het bericht van inleiding gaf in punt 5.1, sub b, tevens aan dat de producenten/exporteurs die met het oog op de toepassing van de artikelen 17, lid 3, en 9, lid 6, van de basisverordening in aanmerking wensten te komen voor de berekening van een individuele marge, een naar behoren ingevulde vragenlijst dienden terug te sturen binnen de bij dit bericht gestelde termijn, te weten binnen de veertig dagen vanaf de datum van bekendmaking van het bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie.
9.
Punt 5.1, sub e, van het bericht van inleiding, met als opschrift „behandeling als marktgerichte onderneming”, preciseerde dat de normale waarde van schoenen met bovendeel van leder die werden verkocht door producenten die krachtens artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening aanspraak op een dergelijke behandeling maakten, zou worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub b, van deze verordening. De producenten die voornemens waren een BMO-aanvraag in te dienen, werden verzocht om hun aanvragen aan de Commissie te doen toekomen binnen de in punt 6, sub d, van het bericht van inleiding vastgestelde bijzondere termijn, te weten binnen vijftien dagen na de bekendmaking van dit bericht.
10.
Volgens punt 6, sub d, van het bericht van inleiding gold diezelfde termijn ook voor IB-aanvragen die uit hoofde van artikel 9, lid 5, van de basisverordening werden ingediend.
11.
Brosmann Footwear e.a. hebben contact opgenomen met de Commissie en haar binnen de gestelde termijnen de in punt 5.1, sub a-i, en sub e, van het bericht van inleiding gevraagde inlichtingen verstrekt, teneinde te worden opgenomen in de steekproef van Chinese producenten/exporteurs die deze instelling overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening zou trekken, alsook om in aanmerking te komen voor een BMO of, indien dat niet mogelijk was, voor een IB.
12.
Op 23 maart 2006 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 553/2006 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (hierna: „voorlopige verordening”) vastgesteld. ( 7 )
13.
Luidens punt 9 van de voorlopige verordening betrof het onderzoek naar dumping en schade de periode van 1 april 2004 tot en met 31 maart 2005 (hierna: „onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar de voor de schadebeoordeling relevante elementen had betrekking op de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2005.
14.
Daar voor het vaststellen van een normale waarde voor de producten van de Chinese en Vietnamese producenten/exporteurs die niet als marktgerichte onderneming konden worden beschouwd, gebruik moest worden gemaakt van gegevens uit een referentieland, in casu de Federatieve Republiek Brazilië, werd bij drie Braziliaanse ondernemingen een controlebezoek verricht (punt 8 van de voorlopige verordening).
15.
Voor de vaststelling van de dumping heeft de Commissie de steekproeftechniek toegepast. Blijkens punt 55 van de voorlopige verordening hebben 154 van de Chinese producenten/exporteurs die hebben meegedeeld dat zij bereid waren in de steekproef te worden opgenomen, in het onderzoektijdvak naar de Europese Gemeenschap uitgevoerd. Volgens ditzelfde punt zijn deze ondernemingen in een eerste fase als meewerkende ondernemingen beschouwd en voor de steekproef in aanmerking genomen.
16.
Volgens punt 57 van de voorlopige verordening heeft de Commissie uiteindelijk dertien Chinese producenten/exporteurs, die meer dan 20 % van het Chinese exportvolume naar de Gemeenschap vertegenwoordigden, in de steekproef opgenomen. Blijkens de punten 67 tot en met 69 van de voorlopige verordening zijn alle BMO-aanvragen van deze producenten-exporteurs door de Commissie verworpen. Volgens de punten 91 tot en met 94 van de voorlopige verordening zijn ook alle IB-aanvragen van deze producenten-exporteurs afgewezen.
17.
Volgens punt 62 van de voorlopige verordening werd aan de uiteindelijk niet in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs meegedeeld dat een eventueel aan hen opgelegd antidumpingrecht overeenkomstig artikel 9, lid 6, van de basisverordening zou worden berekend. Luidens punt 64 van de voorlopige verordening hebben vier niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs om de berekening van een individuele dumpingmarge verzocht volgens de artikelen 9, lid 6, en 17, lid 3, van de basisverordening. Deze verzoeken zijn evenwel niet onderzocht, aangezien de Commissie op grond van artikel 17, lid 3, van de basisverordening heeft geoordeeld dat een individueel onderzoek van deze verzoeken een te zware werklast zou vormen en een tijdige voltooiing van het onderzoek in de weg zou staan. In die omstandigheden is de dumpingmarge voor deze producenten op basis van de gewogen gemiddelde dumpingmarge van de ondernemingen uit de steekproef vastgesteld (punten 135 en 143 van de voorlopige verordening).
18.
Wat de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap betreft, heeft de Commissie er in punt 150 van de voorlopige verordening op gewezen dat de klagers 42 % van de totale productie van het betrokken product in de EU uitmaakten. Volgens de punten 65 en 151 van de voorlopige verordening heeft de Commissie een steekproef van tien EU-producenten geselecteerd op basis van de omvang van hun productie en hun plaats van vestiging. De in de steekproef opgenomen producenten waren goed voor 10 % van de productie van de klagers. Derhalve is geoordeeld dat de 814 EU-producenten namens wie de klacht was ingediend, „de bedrijfstak van de Gemeenschap” vormden in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening (punt 152 van de voorlopige verordening).
19.
Wat de identiteit van de voor de steekproef geselecteerde EU-producenten betreft, heeft de Commissie aangegeven dat sommige daarvan klanten in de Gemeenschap hadden die ook schoeisel uit China en Vietnam betrokken en dus rechtstreeks baat bij deze invoer hadden. Deze producenten bevonden zich bijgevolg in „een moeilijke positie”, omdat sommige van hun klanten bezwaar zouden hebben kunnen maken tegen het feit dat zij een klacht inzake schadelijk geachte dumpingpraktijken hadden ingediend of steunden. Volgens hen bestond dus het gevaar dat deze klanten om die reden „wraak” zouden willen nemen, mogelijk door beëindiging van de handelsrelatie. De Commissie heeft het verzoek om vertrouwelijke behandeling van de in de steekproef opgenomen ondernemingen dan ook toegewezen, wat de bekendmaking van hun naam betreft, (punt 8 van de voorlopige verordening).
20.
Op 5 oktober 2006 heeft de Raad de definitieve verordening vastgesteld. Bij deze verordening heeft de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van schoeisel met bovendeel van leder of kunstleder, met uitzondering van sportschoeisel, STAF, pantoffels en ander huisschoeisel en schoeisel met beschermende neus, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en ingedeeld onder verschillende codes van de gecombineerde nomenclatuur (artikel 1 van de definitieve verordening).
21.
Wat de representativiteit van de steekproef van de Chinese producenten betreft, heeft de Raad in punt 44 van de definitieve verordening benadrukt dat de daarvoor geselecteerde ondernemingen respectievelijk meer dan 12 % van de door de aan het onderzoek meewerkende producenten naar de EU uitgevoerde hoeveelheden voor hun rekening namen. Aangezien artikel 17 van de basisverordening geen drempel inzake representativiteit bevat, is de steekproef representatief in de zin van deze bepaling.
22.
Volgens punt 72 van de definitieve verordening heeft de Raad besloten om aan een van de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs, namelijk de onderneming Golden Step, een BMO te verlenen, gelet op de gewijzigde omstandigheden betreffende deze vennootschap.
23.
Bij artikel 1, lid 3, van de definitieve verordening is het definitieve antidumpingrecht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco EU-grens, vóór inklaring, voor de schoenen die door de elf voor de steekproef geselecteerde Chinese ondernemingen werden geproduceerd maar aan welke ondernemingen een BMO was geweigerd, vastgesteld op 16,5 %. Dit recht is vastgesteld op 9,7 % voor Golden Step. Volgens artikel 3 van de definitieve verordening waren deze rechten gedurende twee jaar van kracht.
24.
Aangaande de vragen die rezen naar aanleiding van de door verschillende ondernemingen geformuleerde aanvragen voor een BMO en/of een IB, waarover de Commissie zich niet had uitgesproken, heeft de Raad geoordeeld dat het feit dat de Commissie niet elk hiertoe voorgelegd verzoek individueel had beantwoord, geen schending van de basisverordening opleverde.
25.
Het antidumpingrecht voor de door deze ondernemingen — Brosmann Footwear e.a. daaronder begrepen — geproduceerde schoenen is vastgesteld op 16,5 %.
26.
Wat de steekproef van de EU-producenten betreft, heeft de Raad in de punten 53 tot en met 59 van de definitieve verordening alle bezwaren verworpen die ertoe strekten de representativiteit daarvan ter discussie te stellen, en bijgevolg de beoordeling van de Commissie in de voorlopige verordening bevestigd.
27.
Met betrekking tot de definitie van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft de Raad in punt 157 van de definitieve verordening onderstreept dat geen van de klagers had geweigerd om aan het onderzoek mee te werken. De volledige vragenlijsten betreffende de schade waren enkel aan de in de steekproef opgenomen EU-producenten toegestuurd, hetgeen uit de aard van de steekproeftechniek zelf voortvloeit (punt 158 van de definitieve verordening).
28.
Ter onderbouwing van hun beroep bij het Gerecht tot gedeeltelijke nietigverklaring van de definitieve verordening hebben Brosmann Footwear e.a. acht middelen aangevoerd. Zo stelden zij onder meer, ten eerste, schending van de artikelen 2, lid 7, sub b, en 9, lid 5, van de basisverordening alsook schending van het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, ten tweede, schending van de artikelen 2, lid 7, sub c, en 18 van de basisverordening alsook schending van de rechten van de verdediging, ten derde, kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 5, lid 4, van de basisverordening, ten vierde, kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 3, lid 2, van de basisverordening en artikel 253 EG, en ten vijfde, kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 3, lid 2, van de basisverordening.
29.
Het Gerecht heeft bij het bestreden arrest al deze middelen afgewezen en Brosmann Footwear e.a. verwezen in de kosten van de procedure in eerste aanleg.
III – Procesverloop voor het Hof en conclusies van partijen
30.
Op 18 mei 2010 hebben Brosmann Footwear e.a. bij het Hof hogere voorziening tegen het bestreden arrest ingesteld.
31.
Brosmann Footwear e.a. concluderen dat het het Hof behage:
—
het bestreden arrest te vernietigen voor zover het Gerecht de definitieve verordening niet nietig heeft verklaard en hen heeft verwezen in de kosten van de procedure voor het Gerecht;
—
de zaak definitief af te doen en de definitieve verordening in haar geheel nietig te verklaren;
—
de Raad te verwijzen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening en van de procedure voor het Gerecht.
32.
In zijn memorie van antwoord concludeert de Raad dat het het Hof behage:
—
de hogere voorziening af te wijzen;
—
subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht;
—
meer subsidiair, het beroep te verwerpen en hoe dan ook Brosmann Footwear e.a. te verwijzen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening.
33.
In haar memorie van antwoord verzoekt de Commissie het Hof, de hogere voorziening af te wijzen en Brosmann Footwear e.a. te verwijzen in haar kosten.
IV – Analyse
34.
Ter onderbouwing van hun hogere voorziening voeren Brosmann Footwear e.a. in wezen vijf middelen aan. Deze middelen komen overeen met de in punt 28 van de onderhavige conclusie opgesomde vijf middelen die in eerste aanleg zijn aangevoerd.
35.
De eerste twee middelen van de hogere voorziening zijn in hoofdzaak ontleend aan het feit dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de basisverordening aldus uit te leggen dat de instellingen niet verplicht waren om uitspraak over de BMO/IB-aanvragen van de niet in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs te doen. Het derde middel van de hogere voorziening is ontleend aan diverse onjuiste rechtsopvattingen en aan een onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal, wat de toereikende mate van medewerking van de bedrijfstak van de Gemeenschap aan het onderzoek en het verloop van het onderzoek betreft. Het vierde middel van de hogere voorziening is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting en een onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal inzake de beoordeling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade. Met het vijfde middel van de hogere voorziening, ten slotte, verwijten Brosmann Footwear e.a. het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bewijsmateriaal betreffende de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de dumping en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade onjuist te hebben opgevat.
A – Eerste en tweede middel van de hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de instellingen niet verplicht waren om de BMO/IB-aanvragen van de niet in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs te onderzoeken
36.
Alvorens de eerste twee middelen van de hogere voorziening toe te lichten en te onderzoeken, moet worden herinnerd aan de voornaamste overwegingen op basis waarvan het Gerecht de door Brosmann Footwear e.a. in eerste aanleg ontwikkelde stelling volgens welke de instellingen in wezen verplicht waren, de BMO/IB-aanvragen van de tijdens het antidumpingonderzoek niet voor de steekproef geselecteerde Chinese producenten-exporteurs te onderzoeken, heeft verworpen.
1. Overwegingen van het Gerecht
37.
Om te beginnen heeft het Gerecht er in punt 72 van het bestreden arrest op gewezen dat volgens de artikelen 17, leden 1 en 3, en 9, lid 6, van de basisverordening het gebruik van een steekproef, als techniek om het hoofd te bieden aan een groot aantal klagers, exporteurs, importeurs, productsoorten of transacties, een beperking van het onderzoek vormt. Op basis van diezelfde artikelen heeft het Gerecht gepreciseerd dat bij de toepassing van deze techniek niettemin twee verplichtingen moeten worden nagekomen. In de eerste plaats moet de steekproef namelijk representatief zijn en in de tweede plaats mag de dumpingmarge die wordt vastgesteld voor de niet voor de steekproef geselecteerde producenten niet hoger zijn dan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die voor de wel in de steekproef opgenomen partijen wordt vastgesteld (punt 73 van het bestreden arrest).
38.
Het Gerecht heeft eraan herinnerd dat elke niet in de steekproef opgenomen producent krachtens deze bepalingen om de berekening van een individuele dumpingmarge kan verzoeken, op voorwaarde dat hij binnen de daartoe gestelde termijnen alle nodige inlichtingen verstrekt en deze berekening niet te belastend is voor de Commissie en een tijdige afsluiting van het onderzoek niet in de weg staat (punt 74 van het bestreden arrest).
39.
Na ook de draagwijdte van artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening te hebben verduidelijkt, heeft het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest geoordeeld dat „de niet in de steekproef opgenomen producenten enkel op basis van artikel 17, lid 3, van deze verordening [kunnen] verzoeken om de berekening van een individuele dumpingmarge, hetgeen voor de in artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening genoemde landen vooronderstelt dat een aanvraag voor een BMO/IB is aanvaard. Krachtens eerstgenoemde bepaling is de Commissie evenwel bevoegd om te beoordelen of het onderzoek van deze aanvragen, gelet op het aantal aanvragen voor een BMO/IB, te belastend is en aan een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg staat”.
40.
Het Gerecht heeft hieruit afgeleid, ten eerste, dat ingeval de steekproeftechniek wordt gehanteerd, de basisverordening de niet in de steekproef opgenomen marktdeelnemers geen onvoorwaardelijk recht op de berekening van een individuele dumpingmarge verleent, aangezien de aanvaarding van een dergelijk verzoek immers van de beslissing van de Commissie over de toepassing van artikel 17, lid 3, van de basisverordening afhangt (punt 77 van het bestreden arrest), ten tweede, dat aangezien de verlening van een BMO of van een IB overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening enkel dient om de methode voor de berekening van de normale waarde te bepalen met het oog op de berekening van de individuele dumpingmarges, de Commissie niet verplicht was om de aanvragen voor een BMO/IB van niet in de steekproef opgenomen marktdeelnemers te onderzoeken wanneer zij in het kader van de toepassing van artikel 17, lid 3, van de basisverordening heeft geconcludeerd dat de berekening van dergelijke marges al te belastend zou zijn en haar zou beletten, het onderzoek tijdig te beëindigen (punt 78 van het bestreden arrest), en ten derde, dat in casu niet werd betwist dat de berekening van individuele dumpingmarges voor alle marktdeelnemers die niet in de steekproef waren opgenomen en daarom hadden verzocht, te belastend zou zijn geweest voor de instellingen en aan de tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg zou hebben gestaan (punt 79 van het bestreden arrest).
41.
Het Gerecht heeft hieruit geconcludeerd dat de stelling van Brosmann Footwear e.a. volgens welke de Commissie uit hoofde van artikel 2, lid 7, sub b en c, van de basisverordening verplicht was, de aanvragen voor een BMO/IB van de niet in de steekproef opgenomen marktdeelnemers te onderzoeken, ook wanneer op hen geen individuele dumpingmarge zou worden toegepast, diende te worden verworpen (punt 80 van het bestreden arrest).
42.
Het Gerecht heeft tevens hun betoog afgewezen dat was gebaseerd op schending van het beginsel van gelijke behandeling, enerzijds in die zin dat de ondernemingen die in de steekproef zijn opgenomen, anders zijn behandeld dan die welke er niet in zijn opgenomen, op grond dat deze twee categorieën van ondernemingen zich in verschillende situaties bevonden (punt 81 van het bestreden arrest), en anderzijds in die zin dat ook voor de ondernemingen die niet voor de steekproef waren geselecteerd, sprake was van een verschillende behandeling tussen de ondernemingen die „aanspraak op een BMO/IB konden maken” en de ondernemingen waarvan de BMO/IB-aanvragen hoe dan ook zouden zijn afgewezen, op grond dat de Commissie zich gelet op de haar bij artikel 17, lid 3, van de basisverordening toegekende beoordelingsmarge niet over alle aanvragen voor een BMO/IB hoefde uit te spreken (punten 83 tot en met 85 van het bestreden arrest).
43.
Met betrekking tot de niet-inachtneming van de bij artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening voor de afdoening van een BMO-aanvraag gestelde termijn van drie maanden heeft het Gerecht in punt 92 van het bestreden arrest geoordeeld dat „[a]angezien de Commissie, gelet op wat voorafgaat, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de aanvragen van [Brosmann Footwear e.a.] voor een BMO/IB niet te onderzoeken, [...] deze laatste zich niet [...] op overschrijding van [voornoemde] termijn [kunnen beroepen] [...] daar deze termijn ziet op gevallen waarin de Commissie deze aanvragen dient te onderzoeken”.
2. Argumenten van partijen
44.
In het kader van hun eerste middel betwisten Brosmann Footwear e.a. de vaststelling van het Gerecht — in punt 78 van het bestreden arrest — dat de instellingen niet verplicht waren om hun aanvragen voor een BMO/IB te onderzoeken. Brosmann Footwear e.a. stellen in dit verband dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in ditzelfde punt van dat arrest te oordelen dat de verlening van een BMO of van een IB enkel dient om de methode voor de berekening van de normale waarde te bepalen met het oog op de berekening van de individuele dumpingmarges.
45.
Volgens hen heeft het Gerecht aldus in de punten 76 tot en met 85 van het bestreden arrest de BMO/IB-aanvraag van Brosmann Footwear e.a. ten onrechte herleid tot een verzoek om de berekening van een individuele dumpingmarge in de zin van artikel 17 van de basisverordening. Brosmann Footwear e.a. hebben evenwel noch om de berekening van individuele dumpingmarges, noch van individuele rechten verzocht. Zij hebben wel verzocht om erkenning van het feit dat zij actief waren in „China, een land met een markteconomie” en hun derhalve de voor in „China, een land met een markteconomie” actieve producenten (te weten de in de steekproef opgenomen producenten die voor een BMO of een IB in aanmerking kwamen) geldende gewogen gemiddelde dumpingmarge zou worden toegekend. Brosmann Footwear e.a. preciseren in casu dat alle producenten die niet in de steekproef zijn opgenomen maar die „aanspraak konden maken” op een BMO, in aanmerking hadden moeten komen voor eenzelfde antidumpingrecht als hetwelk voor Golden Step is gehanteerd (9,7 %), de enige onderneming uit de steekproef die een BMO heeft verkregen, en niet de gewogen gemiddelde dumpingmarge die op alle niet in de steekproef opgenomen ondernemingen is toegepast (16,5 %). Aanvaarden dat de instellingen anders te werk kunnen gaan, levert schending van het beginsel van gelijke behandeling op.
46.
Het Gerecht kon volgens Brosmann Footwear e.a. dan ook niet oordelen dat de instellingen niet verplicht waren om de BMO/IB-aanvragen te onderzoeken op grond dat het aantal aanvragen zo groot was dat het onderzoek ervan de instellingen zou hebben belet het onderzoek tijdig te beëindigen, welke rechtvaardiging voor de verzoeken om de berekening van individuele dumpingmarges geldt.
47.
Met het tweede middel van hun hogere voorziening voeren Brosmann Footwear e.a. in de eerste plaats aan dat het Gerecht artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening onjuist heeft opgevat door in punt 92 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie niet gehouden was om de dwingende maximumtermijn van drie maanden waarin dit artikel voor het onderzoek van de BMO/IB-aanvragen van niet in de steekproef opgenomen ondernemingen voorziet, in acht te nemen.
48.
In de tweede plaats betogen Brosmann Footwear e.a. dat het Gerecht zijn motiveringsplicht heeft geschonden door niet aan te geven waarom hij de stelling dat de instellingen artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening hadden geschonden door niet binnen drie maanden vanaf de opening van het onderzoek uitspraak over de BMO/IB-aanvragen van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten te doen, niet heeft onderzocht.
49.
De Raad en de Commissie stellen voor deze twee middelen in hogere voorziening af te wijzen.
50.
Volgens de Raad heeft het Gerecht het verband tussen artikel 17 en artikel 2, lid 7, van de basisverordening correct uiteengezet. Bij een steekproeftrekking kunnen enkel de voor de steekproef geselecteerde exporteurs of de exporteurs die niet daarin zijn opgenomen en wier verzoek om berekening van een individuele dumpingmarge overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening is toegewezen, een individuele dumpingmarge verkrijgen. De exporteurs die geen deel uitmaken van de steekproef en wier voornoemd verzoek niet overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening is toegewezen, komen niet voor een individuele dumpingmarge in aanmerking, of zij nu in een land met een markteconomie gevestigd zijn of niet. De Raad is dan ook van mening dat de BMO/IB-aanvragen in geval van een land zonder een markteconomie tot doel hebben, de ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen of waarvan het verzoek om berekening van een individuele dumpingmarge is toegewezen overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening, de mogelijkheid te bieden een individuele dumpingmarge te verkrijgen. Het betoog van Brosmann Footwear e.a. is hoe dan ook irrelevant, aangezien zijzelf terecht benadrukken dat zij geen aanspraak op een individuele dumpingmarge hebben gemaakt.
51.
De vaststelling die het Gerecht in punt 78 van het bestreden arrest heeft verricht, is eveneens gegrond, daar het Gerecht niet heeft verklaard dat de Brosmann Footwear e.a. een BMO/IB-aanvraag hadden ingediend om in aanmerking te komen voor een individuele dumpingmarge. De andere vermeende onjuiste rechtsopvattingen die Brosmann Footwear e.a. aanvoeren, zijn ofwel niet onderbouwd, ofwel niet-ontvankelijk.
52.
De Commissie voegt hieraan toe dat de instellingen, zoals het Gerecht heeft geoordeeld, geenszins verplicht zijn om elke BMO/IB-aanvraag te onderzoeken, ook niet wanneer zij besluiten om de steekproeftechniek toe te passen. Zoals het Gerecht in punt 77 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, konden de instellingen zich beperken tot het onderzoek van de aanvragen van de ondernemingen die in de steekproef waren opgenomen, aangezien in casu niet wordt betwist dat, zoals het Gerecht in punt 84 van het bestreden arrest heeft gepreciseerd, de berekening van individuele dumpingmarges voor alle marktdeelnemers die niet in de steekproef waren opgenomen en die aanvragen in die zin hadden ingediend, te belastend zouden zijn geweest en aan een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg zouden hebben gestaan.
53.
Wat het tweede middel van de hogere voorziening betreft, zijn de Raad en de Commissie van mening dat dit middel deels ongegrond en deels niet-ontvankelijk is. Met betrekking tot de gestelde overschrijding van de termijn van drie maanden die voor het onderzoek van de BMO/IB-aanvragen van Brosmann Footwear e.a. is vastgesteld, verwijzen deze instellingen naar de afweging van het Gerecht in punt 92 van het bestreden arrest. De Raad en de Commissie stellen zich aldus op het standpunt dat aangezien de instellingen niet verplicht waren om de BMO/IB-aanvragen van de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen te onderzoeken, de termijn van drie maanden waarin artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening voorziet, voor deze ondernemingen volstrekt irrelevant was. Aangaande die niet-inachtneming van diezelfde termijn bij het onderzoek van de BMO/IB-aanvragen van de wel voor de steekproef geselecteerde ondernemingen verklaren de Raad en de Commissie dat dit onderdeel van het middel niet voor het Gerecht is aangevoerd en dus een nieuw middel vormt, dat in het stadium van hogere voorziening niet-ontvankelijk is.
3. Analyse
54.
Deze eerste twee middelen van de hogere voorziening betreffen de vraag welke draagwijdte artikel 17, lid 3, van de basisverordening heeft.
55.
Niet betwist wordt dat de Commissie krachtens artikel 17 van de basisverordening gebruik van de steekproeftechniek kan maken, inzonderheid wanneer het om een groot aantal klagers of exporteurs gaat.
56.
Verder komen Brosmann Footwear e.a. evenmin op tegen de in punt 72 van het bestreden arrest geformuleerde vaststelling van het Gerecht dat de toepassing van de steekproeftechniek een beperking van het onderzoek vormt.
57.
Zoals het Gerecht heeft geoordeeld, maken de niet in de steekproef opgenomen exporteurs of producenten derhalve geen deel uit van het onderzoek.
58.
Opgemerkt zij evenwel dat artikel 17, lid 3, van de basisverordening deze vaststelling enigszins afzwakt voor het bijzondere geval van verzoeken om de berekening van een „individuele dumpingmarge”.
59.
Deze bepaling schrijft immers voor dat wanneer de Commissie een beroep doet op de steekproeftechniek, de exporteurs of producenten die niet in de selectie zijn opgenomen maar die binnen de gestelde termijnen de nodige inlichtingen verstrekken, „niettemin” voor de berekening van een „individuele dumpingmarge” in aanmerking kunnen komen. De niet in de steekproef opgenomen producenten of exporteurs kunnen aanspraak daarop maken, „tenzij [hun] aantal [...] zo groot is dat individuele onderzoeken te belastend zijn en aan een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg staan”.
60.
Ik herinner eraan dat het Gerecht in het bestreden arrest — in de punten 76 en 77 — om te beginnen heeft geoordeeld dat de toewijzing van verzoeken om de berekening van een individuele dumpingmarge voor de in artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening genoemde landen vooronderstelt dat een aanvraag voor een BMO/IB is aanvaard, zonder dat artikel 17, lid 3, van de basisverordening de niet in de steekproef opgenomen marktdeelnemers evenwel een onvoorwaardelijk recht op berekening van een individuele dumpingmarge verleent. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 78 van datzelfde arrest geoordeeld dat aangezien de verlening van een BMO of van een IB enkel dient om de methode voor de berekening van de normale waarde te bepalen met het oog op de berekening van de individuele dumpingmarges, artikel 17, lid 3, van de basisverordening de Commissie toelaat om de aanvragen voor een BMO/IB van niet in de steekproef opgenomen marktdeelnemers niet te onderzoeken, indien de berekening van dergelijke marges al te belastend zou zijn en haar zou beletten, het onderzoek tijdig te beëindigen.
61.
Deze in de punten 76 en 77 van het bestreden arrest verrichte analyse wordt door Brosmann Footwear e.a. — terecht — niet gekritiseerd.
62.
Opdat de Commissie uiteindelijk individuele dumpingmarges zou kunnen berekenen, moeten de exporteurs of producenten van een land dat geen markteconomie heeft, maar lid van de Wereldhandelsorganisatie is, immers ofwel eerst een BMO hebben verkregen, dat wil zeggen de bij artikel 2, lid 7, sub b en c, van de basisverordening gestelde voorwaarden vervullen, ofwel, ingeval zij niet voor toepassing van deze bepalingen in aanmerking komen en voor hen de normale waarde dus op basis van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening wordt berekend, aanspraak op een individuele behandeling kunnen maken, waarvoor aan de voorwaarden van artikel 9, lid 5, van de basisverordening voldaan dient te zijn.
63.
Zoals het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, hangt de berekening van een individuele dumpingmarge bijgevolg af van de verlening van hetzij een BMO, hetzij een IB. Deze berekening is evenwel ook onderworpen aan het voorbehoud van artikel 17, lid 3, van de basisverordening, volgens welke bepaling het individuele onderzoek voor de Commissie niet al te belastend mag zijn en haar niet mag beletten, het onderzoek tijdig te beëindigen, zoals het Gerecht in punt 76 van dat arrest heeft aangegeven.
64.
Problematischer is volgens mij de in punt 78 van het bestreden arrest door het Gerecht gedane vaststelling volgens welke de BMO en de IB in wezen enkel voor de berekening van individuele dumpingmarges dienen en de Commissie derhalve krachtens artikel 17, lid 3, van de basisverordening kan weigeren om de aanvragen voor een BMO/IB van niet in de steekproef opgenomen exporteurs te onderzoeken, wanneer de berekening van deze marges al te belastend zou zijn en haar zou beletten, het onderzoek tijdig te beëindigen.
65.
Ook al is het juist dat een aanvraag voor een BMO of een IB moet zijn ingediend om voor de berekening van een individuele dumpingmarge in aanmerking te komen, wordt met een dergelijke aanvraag immers niet noodzakelijkerwijs de berekening van die marge beoogd. BMO/IB-aanvragen en verzoeken om de berekening van een individuele dumpingmarge worden geregeld door verschillende bepalingen en zijn aan verschillende termijnen onderworpen.
66.
Aldus preciseerde in casu het bericht van inleiding dat de op basis van artikel 2, lid 7, sub b, van de basisverordening ingediende aanvragen voor een BMO en de op basis van artikel 9, lid 5, van deze verordening ingediende aanvragen voor een IB aan de Commissie dienden te worden gericht binnen vijftien dagen na de bekendmaking van dat bericht, terwijl de uit hoofde van de artikelen 9, lid 6, en 17, lid 3, van de basisverordening geformuleerde verzoeken om de berekening van individuele dumpingmarges binnen een termijn van veertig dagen na de bekendmaking van het bericht van inleiding moesten worden ingediend. Voetnoot 1 van het bericht van inleiding, waarnaar het Gerecht in punt 89 van het bestreden arrest heeft verwezen, beklemtoont overigens dat de indiening van een verzoek om de berekening van een individuele dumpingmarge voor de exporteurs of de producenten die een BMO of een IB hebben aangevraagd, louter een mogelijkheid vormt. Zoals ook Brosmann Footwear e.a. erkennen, dient een verzoek om de berekening van een individuele dumpingmarge aanvullende informatie te bevatten ten opzichte van een aanvraag voor een BMO of een IB.
67.
Bovendien blijkt uit punt 64 van de voorlopige verordening, waaraan punt 95 van het bestreden arrest refereert, dat slechts vier niet door de Commissie in de steekproef opgenomen Chinese producenten/exporteurs om de berekening van een individuele dumpingmarge hebben verzocht en binnen de gestelde termijnen de voor toepassing van de artikelen 9, lid 6, en 17, lid 3, van de basisverordening noodzakelijke informatie hebben overgelegd, terwijl vaststaat dat 141 Chinese producenten-exporteurs een aanvraag voor een BMO of een IB hadden ingediend, waaronder ook Brosmann Footwear e.a., zonder dat deze laatste overigens binnen de voorgeschreven termijn de vragenlijst hebben ingevuld waarmee zij om de berekening van een individuele dumpingmarge konden verzoeken.
68.
Derhalve blijkt zeer duidelijk uit zowel het juridische kader als uit de stukken van de onderhavige zaak dat een marktdeelnemer die een aanvraag voor een BMO of een IB indient, niet noodzakelijkerwijs om de berekening van een individuele dumpingmarge verzoekt. Hij is daar overigens niet toe verplicht.
69.
Aangezien een aanvraag voor een BMO of een IB dus niet noodzakelijkerwijs aan een verzoek om de berekening van een individuele dumpingmarge gelieerd is, zie ik niet in hoe — wanneer een specifiek verzoek om de berekening van een dergelijke marge ontbreekt — artikel 17, lid 3, van de basisverordening kan worden uitgebreid tot de behandeling van de BMO/IB-aanvragen van niet in de steekproef opgenomen exporteurs of producenten.
70.
Volgens mij heeft het Gerecht dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 78 van het bestreden arrest te oordelen dat artikel 17, lid 3, van de basisverordening de Commissie toeliet om de BMO/IB-aanvragen van ondernemingen die — zoals Brosmann Footwear e.a. — niet voor de steekproef waren geselecteerd, niet te onderzoeken. Dit artikel laat de Commissie immers enkel toe, de verzoeken om de berekening van een individuele dumpingmarge van niet in de steekproef opgenomen ondernemingen niet te onderzoeken, onder de bij dit artikel gestelde voorwaarden.
71.
Ik ben evenwel van oordeel dat bedoelde blijk van een onjuiste rechtsopvatting irrelevant is, aangezien deze niet tot de vernietiging van het bestreden arrest kan leiden.
72.
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat, zonder ter zake door Brosmann Footwear e.a. te zijn weersproken, de steekproeftechniek een beperking van het onderzoek vormt.
73.
Zoals ik hierboven heb opgemerkt, betreft de enige uitzondering op deze beperking van het onderzoek — ofschoon ook deze beperking zelf al meteen wordt afgezwakt — de behandeling van verzoeken om de berekening van een individuele dumpingmarge van niet in de steekproef opgenomen exporteurs of producenten waarin artikel 17, lid 3, van de basisverordening voorziet. Aangezien deze uitzondering strikt dient te worden uitgelegd, ziet zij dus niet op de BMO/IB-aanvragen die door niet in de steekproef opgenomen exporteurs of producenten worden ingediend.
74.
In die omstandigheden kon de Commissie krachtens artikel 17, lid 1, van de basisverordening de BMO/IB-aanvragen van de niet voor de steekproef geselecteerde ondernemingen niet onderzoeken. Dat niet tot het onderzoek van deze aanvragen wordt overgegaan, is inherent aan de steekproeftechniek, ongeacht de toepassing van lid 3 van dit artikel.
75.
In die context moet ook worden onderstreept dat Brosmann Footwear e.a. niet opkomen tegen de wijze waarop de steekproef van de Chinese producenten-exporteurs is samengesteld en zij niet betwisten dat deze steekproef representatief is. Zij kritiseren in punt 22 van de hogere voorziening louter de uitlegging die het Gerecht aan artikel 17 van de basisverordening heeft gegeven, waarbij een steekproeftrekking volgens hen enkel geldig kan worden verricht nadat de Commissie zich over de BMO/IB-aanvragen heeft uitgesproken.
76.
Gesteld kan evenwel niet worden dat de beperking van het onderzoek die met de steekproeftechniek gepaard gaat, slechts kan worden doorgevoerd nadat de Commissie uitspraak over alle BMO/IB-aanvragen heeft gedaan, daaronder begrepen dus de door de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen ingediende aanvragen. Aangezien in het bericht van inleiding van de procedure de opening van een onderzoek wordt aangekondigd, zoals artikel 5, lid 10, van de basisverordening voorschrijft, en de BMO/IB-aanvragen pas ná deze opening van het onderzoek kunnen worden ingediend, impliceert de beperking van het onderzoek waartoe de steekproeftechniek leidt, noodzakelijkerwijs dat de aanvragen voor een BMO en/of een IB van de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen niet hoeven te worden onderzocht.
77.
Het ontbreken van dergelijk onderzoek levert, anders dan Brosmann Footwear e.a. tevens betogen, geen schending op van het beginsel van gelijke behandeling tussen de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen, in het nadeel van niet voor de steekproef geselecteerde ondernemingen die „aanspraak zouden hebben kunnen maken” op een BMO of een IB en die inzake de berekening van de dumpingmarge op dezelfde wijze zijn behandeld als de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen, maar waarvan de BMO/IB-aanvragen zijn afgewezen.
78.
Naast het feit dat een dergelijk betoog in het geval van Brosmann Footwear e.a. per definitie puur hypothetisch is, moet er immers op worden gewezen dat artikel 9, lid 6, van de basisverordening bepaalt dat het antidumpingrecht van niet voor de steekproef geselecteerde producenten/exporteurs niet hoger mag zijn dan de gewogen gemiddelde dumpingmarge die voor de in de steekproef opgenomen partijen is vastgesteld. Deze bepaling, waarvan de geldigheid door Brosmann Footwear e.a. op geen enkel tijdstip ter discussie is gesteld, verleent de niet in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs die een aanvraag voor een BMO of een IB hebben ingediend, geenszins het recht om van de instellingen de berekening te kunnen vorderen van een andere gewogen gemiddelde dumpingmarge dan die welke uit de inaanmerkingneming van alle in de steekproef opgenomen ondernemingen voortvloeit, ongeacht of deze al dan niet een BMO of een IB hebben verkregen.
79.
Gelet op deze overwegingen en in weerwil van de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht bij de uitlegging van artikel 17, lid 3, van de basisverordening blijk heeft gegeven, heeft het Gerecht in punt 92 van het bestreden arrest, met betrekking tot het argument dat was ontleend aan de overschrijding van de termijn van drie maanden waarover de Commissie beschikt om de BMO/IB-aanvragen van Brosmann Footwear e.a. te onderzoeken, in wezen niettemin op goede gronden geoordeeld dat deze termijn niet ziet op het onderzoek van de aanvragen die zijn ingediend door de ondernemingen die deel uitmaken van het onderzoek, te weten de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs.
80.
Aangaande de niet-inachtneming van deze termijn die is vastgesteld voor het onderzoek van voornoemde BMO/IB-aanvragen die door laatstgenoemde ondernemingen zijn ingediend, kunnen Brosmann Footwear e.a. het Gerecht niet verwijten, deze grief niet te hebben beantwoord, aangezien die grief in eerste aanleg in wezen niet is aangevoerd. Hoewel de vertegenwoordiger van Brosmann Footwear e.a. ter terechtzitting voor het Hof heeft betoogd dat deze grief in punt 67 van het verzoekschrift is aangevoerd, blijkt uit de context waarin bedoeld punt is geformuleerd dat de niet-inachtneming van de termijn van drie maanden enkel betrekking had op de BMO/IB-aanvragen die door Brosmann Footwear e.a. en — in het uiterste geval — door de andere niet in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs waren ingediend. Dit punt maakt immers deel uit van een onderdeel van het verzoekschrift dat op schending van artikel 2, lid 7, sub c, van de basisverordening alsook met name op schending van de rechten van de verdediging was gebaseerd. Aangezien het daarbij om naar hun aard subjectieve rechten gaat, kon dit onderdeel, zoals het aldus was geformuleerd, duidelijk niet geldig betrekking hebben op de in de steekproef opgenomen Chinese ondernemingen waarvan de BMO/IB-aanvragen door de instellingen waren onderzocht. Ik stel dan ook voor om deze grief als een in het stadium van hogere voorziening niet-ontvankelijke grief te beschouwen.
81.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de eerste twee middelen van de hogere voorziening af te wijzen, het eerste middel omdat het geen doel dient, het tweede middel omdat het ongegrond is.
B – Derde middel van de hogere voorziening: onjuiste rechtsopvattingen en onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal betreffende de voldoende mate van medewerking van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoek en betreffende het verloop van dat onderzoek
82.
Dit middel bestaat uit twee onderdelen die zijn ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen en onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal betreffende respectievelijk de voldoende mate van medewerking van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoek en betreffende het verloop van dat onderzoek.
1. Eerste onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen en onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal betreffende de voldoende mate van medewerking van de bedrijfstak van de Gemeenschap tijdens het onderzoek
a) Argumenten van partijen
83.
Volgens Brosmann Footwear e.a. heeft het Gerecht enkel onderzocht of de klacht voldoende werd gesteund om een antidumpingonderzoek te kunnen inleiden, maar niet of de instellingen terecht hadden vastgesteld dat de 804 niet voor de steekproef geselecteerde EU-producenten, die alleen de eerste, vóór het onderzoek overgelegde vragenlijst hebben beantwoord (hierna: „vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid”), voldoende hadden meegewerkt om de vereiste „bevoegdheid om tijdens het onderzoek in rechte op te treden”) te verkrijgen. Met andere woorden, het Gerecht heeft niet geverifieerd of de instellingen op goede gronden hadden geoordeeld dat tijdens het onderzoek nog steeds aan de voorwaarde inzake de procesbevoegdheid voldaan was. Zo betogen Brosmann Footwear e.a. dat het niet zeker is dat de grote steun die de klacht genoot voordat het onderzoek werd geopend, overeenstemt met de mate van medewerking en procesbevoegdheid zodra het onderzoek was ingeleid. Het Gerecht had dus moeten vaststellen dat de instellingen gehouden waren om de medewerking van de 804 klagers te verifiëren door hun de steekproefvragenlijst te doen toekomen. Zoals het Gerecht in punt 108 van het bestreden arrest heeft erkend, is het immers deze vragenlijst die normalerwijs aan de EU-producenten wordt toegestuurd om hun medewerking aan het onderzoek na te gaan. Door in de punten 110 tot en met 112 van het bestreden arrest echter in hoofdzaak te oordelen dat de instellingen niet verplicht waren om de steekproefvragenlijst tot de niet in de steekproef opgenomen 804 EU-producenten te richten, teneinde hun medewerking tijdens het onderzoek verifiëren, en door te aanvaarden dat hun loutere verklaring tot ondersteuning van de klacht die zij ter beantwoording van de vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid hadden afgelegd, ter verificatie daarvan volstond, heeft het Gerecht de artikelen 4, lid 1, en 5, lid 4, van de basisverordening alsook de verplichting om zijn arrest te motiveren, geschonden.
84.
Ook de in punt 111 van het bestreden arrest formuleerde vaststellingen berusten volgens hen op een onjuiste opvatting van de bewijselementen, aangezien het Gerecht uit de vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid niet kon afleiden dat de EU-producenten er zich van bewust waren dat alle meegedeelde informatie in de loop van het onderzoek kon worden gecontroleerd en dat de antwoorden op dit document volstonden als bewijs van medewerking tijdens het onderzoek.
85.
Op basis van deze bevindingen stellen Brosmann Footwear e.a. dat het Gerecht derhalve had moeten concluderen dat slechts 10 ondernemingen van de Unie die in de steekproef waren opgenomen, aan het onderzoek hadden meegewerkt, hetgeen evenwel lager is dan de drempel van 25 % die moet zijn bereikt alvorens sprake is van „de bevoegdheid om tijdens het onderzoek in rechte op te treden”. In die omstandigheden konden deze ondernemingen „de bedrijfstak van de Gemeenschap” niet geldig vertegenwoordigen in de antidumpingprocedure.
86.
De Raad en de Commissie stellen voor om dit eerste onderdeel van het derde middel af te wijzen. Deze instellingen zijn in wezen van mening dat de EU-producenten die de vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid hebben beantwoord en hebben bevestigd dat zij de klacht steunden, hebben meegewerkt. De 814 ondernemingen moeten dan ook als „de bedrijfstak van de Gemeenschap” in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening worden beschouwd. Niets verplichtte de Commissie om opnieuw na te gaan of deze ondernemingen na de opening van het onderzoek meewerkten.
b) Analyse
87.
Zoals artikel 6, lid 2, van de basisverordening bepaalt, doet de Commissie de belanghebbende partijen in het kader van een antidumpingonderzoek verschillende soorten vragenlijsten toekomen.
88.
Aard en opzet van deze vragenlijsten worden in de basisverordening evenwel niet gepreciseerd.
89.
Zoals de Raad heeft uiteengezet en zonder dat dit door Brosmann Footwear e.a. is weersproken, bezorgt de Commissie de EU-producenten die de klacht hebben ingediend, in de regel twee soorten vragenlijsten.
90.
De vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid, waarvan de juiste benaming in casu, zoals in punt 110 van het bestreden arrest in herinnering is gebracht, „Waarschijnlijke inleiding van een antidumpingonderzoek betreffende invoer van schoeisel met bovendeel uit leder uit de Volksrepubliek China en uit Vietnam” luidt, betreft de vragenlijst aan de hand waarvan wordt nagegaan in welke mate de klacht wordt gesteund. Deze vragenlijst wordt dus overgelegd vóórdat het onderzoek wordt geopend.
91.
De tweede vragenlijst, steekproefvragenlijst genoemd, wordt de EU-producenten bezorgd ná de opening van het onderzoek. Deze vragenlijst wordt gewoonlijk in twee stappen ingevuld. Om te beginnen ontvangen alle producenten een korte steekproefvragenlijst waarin hun om de noodzakelijke inlichtingen wordt verzocht, inzonderheid betreffende hun productie- en verkoophoeveelheden. De antwoorden op deze vragen dienen meestal om een representatieve steekproef te kunnen samenstellen. In het kader van deze eerste vragenlijst vraagt de Commissie eveneens of de EU-producenten — ingeval de steekproeftechniek wordt toegepast — bereid zijn om aan de steekproef deel te nemen, de voor de beoordeling van de schade noodzakelijke gegevens te verstrekken en de Commissie toe te staan om ter plaatse controlebezoeken te verrichten. Zodra de steekproef is samengesteld, richt de Commissie vervolgens enkel aan de voor de steekproef geselecteerde EU-producenten het tweede deel van de vragenlijst — de zogenoemde „volledige vragenlijst” — die de beoordeling van de schade van de bedrijfstak van de Unie betreft.
92.
In casu staat vast dat de Commissie, zoals het Gerecht in punt 109 van het bestreden arrest heeft aangegeven, wegens het uitzonderlijk hoge aantal EU-producenten een andere procedure heeft toegepast. Zij heeft de steekproef namelijk samengesteld aan de hand van de via de vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid verzamelde gegevens, en de tweede vragenlijst enkel doen toekomen aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen van de Unie die aan de basis van de klacht lagen, opdat deze laatste ondernemingen met name de voor de beoordeling van de schade noodzakelijke gegevens verstrekten. De niet voor de steekproef geselecteerde EU-producenten, te weten 804 ondernemingen van de 814 producenten namens wie de klacht is ingediend, hebben de korte steekproefvragenlijst dus niet ontvangen.
93.
Zo met het Gerecht wordt aanvaard dat de Commissie aldus kan te werk gaan, is dit volgens Brosmann Footwear e.a. in strijd met de artikelen 4, lid 1, en 5, lid 4, van de basisverordening. Volgens deze benadering hoeft de Commissie onder die voorwaarden immers de medewerking aan het onderzoek van de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen niet te verifiëren. Deze ondernemingen moeten dan ook worden uitgesloten van de definitie van de „bedrijfstak van de Gemeenschap” in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Bijgevolg dient volgens hen eveneens te worden geconcludeerd dat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan, wat de steun van de klacht, de medewerking aan het onderzoek en de beoordeling van de door de bedrijfstak van de Unie door de dumping geleden schade betreft, niet zijn vervuld.
94.
Dat betoog kan mij niet overtuigen.
95.
Om te beginnen staat vast dat, zoals het Gerecht in punt 103 van het bestreden arrest heeft gepreciseerd, artikel 5, leden 1 en 4, van de basisverordening bepaalt dat behoudens toepassing van lid 6 van dit artikel —welke bepaling in casu evenwel niet toepasselijk is — geldig een antidumpingonderzoek wordt geopend wanneer door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap een klacht is ingediend. Een klacht wordt geacht door of namens de bedrijfstak van de Gemeenschap te zijn ingediend, indien zij wordt gesteund door de EU-producenten wier gezamenlijke productie meer dan 50 % bedraagt van de totale productie van het soortgelijke product dat wordt vervaardigd door dat deel van de bedrijfstak van de Gemeenschap dat zich voor of tegen de klacht heeft uitgesproken. Bovendien moeten de EU-producenten die de klacht uitdrukkelijk steunen, minstens 25 % van de totale productie van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Gemeenschap voor hun rekening nemen.
96.
Zoals het Gerecht in punt 105 van het bestreden arrest eveneens heeft geoordeeld — en door Brosmann Footwear e.a. niet is betwist — impliceert het „steunen” van een door of namens „de bedrijfstak van de Gemeenschap” ingediende klacht, in de zin van artikel 5, leden 2 en 4, van de basisverordening, dat de klager(s) en de personen in wier naam deze klacht is ingediend, ten eerste, informatie verstrekken waarom de Commissie verzoekt teneinde te kunnen verifiëren of de voor oplegging van een antidumpingrecht vervulde voorwaarden zijn vervuld, en ten tweede, bereid zijn zich te onderwerpen aan elk onderzoek dat de Commissie zou kunnen verrichten om na te gaan of de overgelegde informatie aan de werkelijkheid beantwoordt.
97.
Deze tweede verbintenis betreft de medewerking aan het onderzoek, waarvan de basisverordening geen enkele positief geformuleerde definitie bevat maar waarvan uit de artikelen 6, lid 8, en 18 van de basisverordening blijkt dat deze in wezen betrekking heeft op de houding van de belanghebbende partijen om het onderzoek goed te laten verlopen, met name door hun bereidheid om de Commissie toegang tot informatie te verlenen of haar inlichtingen te verstrekken en zich aan de door de Commissie onverwijld verrichte verificaties te onderwerpen.
98.
In dit verband dient erop te worden gewezen dat de basisverordening geen specifieke methode voorschrijft aan de hand waarvan de steun aan de klacht kan worden geïdentificeerd of de medewerking aan het onderzoek door de producenten kan worden geverifieerd. Brosmann Footwear e.a. geven in hun verzoekschrift in hogere voorziening overigens herhaaldelijk toe dat, zoals het Gerecht in wezen heeft geoordeeld, er niet één enkele methode bestaat waaraan de Commissie zich heeft te houden. ( 8 ) Gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de instellingen dus beschikken, kan de Commissie niet op goede gronden worden verplicht om een specifieke methode te hanteren, wat de identificatie van de steun van de klacht of de verificatie van de medewerking aan het onderzoek door de EU-producenten betreft, inzonderheid wanneer vaststaat dat — zoals in casu — een uitzonderlijk hoog aantal EU-producenten een klacht had ingediend.
99.
Ook al is het voorts duidelijk dat de in de steekproef opgenomen ondernemingen gedurende de gehele duur van het onderzoek hun volledige medewerking dienen te verlenen, bestaat de medewerking van de niet voor de steekproef geselecteerde producenten van de Unie evenwel uit het meedelen van informatie op basis waarvan in de eerste plaats kan worden uitgemaakt of deze producenten al dan niet tot „de bedrijfstak van de Gemeenschap” behoren, zodat hun steun aan de klacht kan worden geverifieerd, en in de tweede plaats tot de samenstelling van de steekproef kan worden overgegaan. Zodra de steekproef is samengesteld, nemen de niet daarin opgenomen EU-producenten overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening immers per definitie niet meer deel aan het onderzoek.
100.
Wat het eerste element betreft, te weten het onderzoek van de mate waarin de klacht wordt gesteund, betwisten Brosmann Footwear e.a. niet dat het Gerecht dit gegeven in de punten 110 en 111 van het bestreden arrest daadwerkelijk heeft getoetst. Tegen de achtergrond van de in het vorige punt van de onderhavige conclusie geformuleerde precisering voeg ik hieraan toe dat, anders dan Brosmann Footwear e.a. stellen, de rechter in eerste aanleg „de bevoegdheid [van de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen] om in de loop van het onderzoek in rechte op te treden” niet hoefde te verifiëren. Gesteld al dat laatstgenoemde uitdrukking aldus moet worden begrepen dat zij op de verificatie van de medewerking ná de samenstelling van de steekproef ziet, is deze verrichting enkel ten aanzien van de in de steekproef opgenomen ondernemingen onverkort verplicht.
101.
Wat het tweede element betreft, te weten de samenstelling van de steekproef, merken Brosmann Footwear e.a. terecht op dat het Gerecht in punt 164 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie via de vragenlijst die zij aan de 814 EU-producenten had gericht ( 9 ), over de inlichtingen beschikte die noodzakelijk waren om de steekproef van EU-producenten op basis van de volgens haar meest relevante criteria samen te stellen. Het betoog van Brosmann Footwear e.a. dat het Gerecht het bewijsmateriaal onjuist heeft opgevat, aangezien de vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid vragen bevatte die een andere periode dan die van het onderzoek betroffen, is niet alleen niet onderbouwd maar ook en vooral, zoals de Raad terecht opmerkt, wordt dit betoog ontkracht door de inhoud zelf van deze vragenlijst, die onder meer betrekking had op de productie tijdens het onderzoektijdvak van elke onderneming die mee de klacht had ondertekend. ( 10 )
102.
In die omstandigheden moet het eerste onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening mijns inziens worden afgewezen.
2. Tweede onderdeel: onjuiste rechtsopvattingen en onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal betreffende het verloop van het onderzoek
a) Argumenten van partijen
103.
Brosmann Footwear e.a. stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot artikel 6, lid 1, van de basisverordening, door te erkennen dat de instellingen de vóór het bericht van inleiding verzamelde informatie geldig voor de steekproeftrekking konden gebruiken.
104.
Subsidiair voeren Brosmann Footwear e.a. aan dat de Commissie, doordat zij de haar in het kader van de vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid meegedeelde informatie heeft gebruikt, een aanvang met haar onderzoek heeft gemaakt vóór de datum waarop het bericht van inleiding is bekendgemaakt. Volgens hen heeft de Commissie haar onderzoek dan ook niet beëindigd binnen de bij artikel 6, lid 9, van de basisverordening vastgestelde termijn van vijftien maanden.
105.
Volgens de Raad en de Commissie is dit betoog ongegrond.
b) Analyse
106.
Vaststaat dat de door de Commissie via de antwoorden op de vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid verzamelde gegevens zijn verkregen vóórdat het bericht van inleiding van het onderzoek is bekendgemaakt.
107.
Het Gerecht heeft er in punt 114 van het bestreden arrest terecht op gewezen dat wanneer de Commissie bepaalde door de klagers vóór de inleiding van de procedure meegedeelde informatie dient in te zamelen en te verifiëren, geen enkele bepaling van de basisverordening haar belet om in het kader van het onderzoek rekening met die gegevens te houden.
108.
Dat de Commissie een aanvang met haar onderzoek maakt nadat het bericht van inleiding is bekendgemaakt, zoals artikel 6, lid 1, van de basisverordening preciseert, betekent niet dat de informatie die haar vóór het onderzoek ter beschikking is gesteld, niet mag worden gebruikt tijdens het onderzoek.
109.
Elke andere benadering zou ertoe leiden dat de Commissie de EU-producenten die de klacht hebben ingediend, herhaaldelijk om de overlegging van grotendeels identieke gegevens zou moeten verzoeken, hetgeen tegen het vereiste van behoorlijk bestuur en het doeltreffend beheer van beperkte middelen zou indruisen, inzonderheid wanneer het — zoals in casu — om een uitzonderlijk hoog aantal klagers gaat.
110.
Zoals ik reeds heb aangegeven, betwisten Brosmann Footwear e.a. overigens niet echt dat de steekproef van EU-producenten rechtens genoegzaam kon worden samengesteld op basis van de gegevens die zijn ingezameld voordat de opening van het onderzoek is bekendgemaakt.
111.
Wat verder de inachtneming van de voor oplegging van definitieve rechten vastgestelde termijn van vijftien maanden vanaf de bekendmaking van de opening van het onderzoek betreft, heeft het Gerecht in punt 118 van het bestreden arrest op goede gronden geconcludeerd dat de definitieve verordening deze bij de basisverordening gestelde verplichting volkomen had geëerbiedigd. Ook al heeft de Commissie informatie bij de klagende EU-producenten ingezameld voordat de opening van het onderzoek is bekendgemaakt, is deze informatie immers pas voor de samenstelling van de steekproef gebruikt en geverifieerd nadat dit onderzoek is geopend. De Commissie heeft het onderzoek dus niet geopend vóórdat het bericht van inleiding is bekendgemaakt.
112.
Om die redenen stel ik voor om het tweede onderdeel van het derde middel van de hogere voorziening te verwerpen, en dit middel bijgevolg in zijn geheel af te wijzen.
C – Vierde middel van de hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting en onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal, wat de beoordeling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade betreft
1. Overwegingen van het Gerecht
113.
In eerste aanleg hebben Brosmann Footwear e.a. aangevoerd dat de instellingen zich op onbetrouwbare gegevens hadden gebaseerd om de macro-economische en micro-economische factoren betreffende de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade te beoordelen. Op basis van voornamelijk via de pers verkregen en aan de Commissie overgelegde informatie stelden Brosmann Footwear e.a. inzonderheid dat sommige Italiaanse ondernemingen die wellicht in de steekproef van EU-producenten zijn opgenomen, valse inlichtingen hadden bezorgd en een aantal frauduleuze handelingen op nationaal niveau hadden gesteld teneinde profijt uit steunmaatregelen, dan wel uit inbreuken op het arbeidswetboek te kunnen trekken.
114.
Het Gerecht heeft deze beweringen verworpen.
115.
Het heeft in punt 168 van het bestreden arrest allereerst onderstreept dat het feit dat een onderneming op nationaal niveau fraude heeft gepleegd, niet noodzakelijkerwijs betekent dat deze onderneming niet aan een antidumpingonderzoek van de Commissie meewerkt en dienaangaande onjuiste informatie verstrekt. Gesteld al dat dergelijke feiten zouden zijn bewezen, kan hieruit op zich niet worden geconcludeerd dat de in het kader van het antidumpingonderzoek verstrekte gegevens onbetrouwbaar zijn indien deze gegevens geen verband met die fraude houden. Bovendien heeft het Gerecht in punt 169 van het bestreden arrest, ter beantwoording van een argument dat was ontleend aan het feit dat een bestuurder van een van deze Italiaanse ondernemingen was veroordeeld wegens het voeren van een onregelmatige boekhouding, geoordeeld dat de desbetreffende feiten betrekking hadden op een periode die het onderzoektijdvak meerdere jaren voorafging en deze feiten niet afdeden aan de betrouwbaarheid van de gegevens die in het kader van het antidumpingonderzoek waren overgelegd.
116.
Vervolgens heeft het Gerecht, betreffende met name de beweringen van Brosmann Footwear e.a. aangaande de beweerdelijk vervalste gegevens die twee Italiaanse ondernemingen zouden hebben verstrekt, in punt 173 van het bestreden arrest in wezen verklaard dat dit argument enkel als relevant kon worden beschouwd indien deze gegevens afdeden aan de (macro-economische en micro-economische) factoren die door de Raad in aanmerking waren genomen om te beoordelen of de bedrijfstak van de Gemeenschap schade had geleden.
117.
Met betrekking tot het onderzoek van de impact die voornoemde gegevens op de macro-economische schade-indicatoren konden hebben gehad, heeft het Gerecht de argumenten van Brosmann Footwear e.a. in de punten 174 tot en met 176 van het bestreden arrest achtereenvolgens afgewezen. Betreffende inzonderheid de gestelde fraude die door een van de twee Italiaanse ondernemingen zou zijn gepleegd in de vorm van de inning van staatssteun voor de aankoop van nieuwe machines die evenwel in een derde land zijn geïnstalleerd, heeft het Gerecht in punt 176 van het bestreden arrest gepreciseerd dat, gesteld al dat deze bewering juist was, zulks enkel een negatieve impact op het reële niveau van de investeringen op de communautaire markt kon hebben gehad, hetgeen de conclusies van de Raad dienaangaande bevestigde.
118.
Wat de — in de punten 178 en 179 van het bestreden arrest onderzochte — invloed van deze gegevens op de micro-economische schade-indicatoren betreft, heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat zelfs indien de door de twee Italiaanse ondernemingen meegedeelde gegevens de berekening van de gemiddelde prijs van schoenen met bovendeel van leder in de Europese Unie hadden beïnvloed, het criterium van de gemiddelde verkoopprijs op zich geen doorslaggevende factor vormde. Ook al zou deze prijs in werkelijkheid meer hebben bedragen, volstond dit niet om twijfels te doen rijzen over de conclusies van de Raad betreffende de kasstroom, de rentabiliteit, het rendement van de investeringen, het vermogen om kapitaal aan te trekken en de investeringen, welke factoren alle op een beduidende verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap wezen.
2. Argumenten van partijen
119.
Brosmann Footwear e.a. betogen in de eerste plaats dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bewijsmateriaal heeft verdraaid door in punt 179 van het bestreden arrest met betrekking tot de micro-economische schade-indicatoren te oordelen dat zelfs indien de gemiddelde prijs van schoenen met bovendeel van leder méér bedroeg, dit niet afdeed aan de conclusies van de Raad betreffende de kasstroom, de rentabiliteit, het rendement van de investeringen, het vermogen om kapitaal aan te trekken en de investeringen. Volgens hen zou een hogere verkoopprijs van deze schoenen noodzakelijkerwijs een positieve weerslag op elk van deze factoren hebben gehad en met name tot hogere winstmarges en een grotere kasstroom hebben geleid. Evenzo voeren Brosmann Footwear e.a. met betrekking tot de micro-economische schade-indicatoren enerzijds aan dat het Gerecht louter naar de beoordeling van de Raad heeft verwezen, zonder te refereren aan de veroordeling voor valse inschrijvingen en vervalste facturen van de door Brosmann Footwear e.a. gekritiseerde Italiaanse ondernemingen, waardoor de Commissie geen vertrouwen in de juistheid van de door deze ondernemingen overgelegde informatie had mogen stellen. Anderzijds zijn zij van mening dat het Gerecht in punt 176 van het bestreden arrest is voorbijgegaan aan de ontegenzeggelijke impact van de fraude op de tendens op het gebied van investeringen, waardoor de achteruitgang die zich in de loop van het onderzoektijdvak heeft voorgedaan, aanzienlijk is versterkt.
120.
In de tweede plaats stellen Brosmann Footwear e.a. zich op het standpunt dat het Gerecht in het bestreden arrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door niet te verifiëren of de instellingen de informatie die zij hun hadden bezorgd over het frauduleuze gedrag van de Italiaanse ondernemingen die aan het onderzoek hadden meegewerkt, nauwgezet en onpartijdig hadden onderzocht.
121.
In de derde plaats heeft het Gerecht volgens Brosmann Footwear e.a. blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 182 van het bestreden arrest te oordelen dat de Raad had voldaan aan zijn motiveringsplicht.
122.
Volgens de Raad is het onderhavige middel van de hogere voorziening deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. De Commissie is het daarmee eens.
3. Analyse
123.
Ik ben van oordeel dat dit middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond moet worden verklaard.
124.
Ik roep in herinnering dat het Hof volgens vaste rechtspraak in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd is om de feiten vast te stellen en in beginsel evenmin om de bewijzen te onderzoeken die het Gerecht tot staving van deze feiten in aanmerking heeft genomen. Wanneer deze bewijzen regelmatig zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde aan de hem voorgelegde bewijzen moet worden gehecht. Deze beoordeling levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van dit bewijs. ( 11 )
125.
In casu moet worden vastgesteld dat Brosmann Footwear e.a. met hun eerste reeks grieven, betreffende de impact die volgens hen de door de Italiaanse ondernemingen beweerdelijk gepleegde investeringsfraude op de macro-economische schade-indicatoren heeft gehad enerzijds, en betreffende de invloed van een eventuele verhoging van de gemiddelde verkoopprijs van schoenen met bovendeel van leder in de Unie op de micro-economische schade-indicatoren anderzijds, het Hof verzoeken om de door het Gerecht in de punten 176 en 179 van het bestreden arrest verrichte beoordeling van de feiten opnieuw te onderzoeken, waarvoor het Hof in het kader van een hogere voorziening niet bevoegd is.
126.
Ik voeg hieraan toe dat Brosmann Footwear e.a. geen elementen overleggen ter onderbouwing van de vermeende onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal waardoor diezelfde punten van het bestreden arrest mank zouden gaan. Een dergelijke onjuiste opvatting moet evenwel duidelijk blijken uit de stukken, zonder dat de feiten en de bewijzen opnieuw hoeven te worden beoordeeld. ( 12 )
127.
Bovendien heeft het Gerecht, anders dan Brosmann Footwear e.a. stellen, in plaats van met betrekking tot de macro-economische schade-indicatoren louter naar de beoordeling van de Raad te verwijzen, de invloed die de aangevoerde fraude en vervalste facturen hebben gehad op de factoren die door de Raad in aanmerking zijn genomen om uit te maken of sprake was van schade, dan wel meer algemeen op de betrouwbaarheid van de informatie die door de betrokken Italiaanse ondernemingen in de loop van het antidumpingonderzoek aan de Commissie is meegedeeld, wel degelijk onderzocht, zoals uit de punten 169 en 174 tot en met 176 van het bestreden arrest blijkt.
128.
Bijgevolg moet deze eerste reeks grieven deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond worden verklaard.
129.
Deze ontvankelijkheid dient zich gedeeltelijk uit te strekken tot de twee andere door Brosmann Footwear e.a. ter onderbouwing van het onderhavige middel aangevoerde grieven, die tegen de punten 174, 175, 178 en 181 van het bestreden arrest zijn gericht en beide aan een onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal zijn ontleend, zonder dat enig bewijs van deze onjuiste opvatting is overgelegd.
130.
Voor het overige kunnen Brosmann Footwear e.a. het Gerecht niet verwijten, niet te hebben geantwoord op hun stelling volgens welke de relevante informatie die zij de Commissie met betrekking tot het gedrag van twee Italiaanse ondernemingen hadden doen toekomen, nauwgezet en onpartijdig diende te worden onderzocht, aangezien dit argument, zoals zij dit hebben aangevoerd door naar punt 69 van hun in eerste aanleg neergelegde memorie van repliek te verwijzen, laattijdig en slechts in één enkele zin van die memorie is geformuleerd en bedoeld argument bovendien slechts subsidiair is aangevoerd in de context van de op de instellingen rustende motiveringsplicht.
131.
Hoe dan ook blijkt uit het bestreden arrest dat het Gerecht, veeleer dan de juistheid van de informatie die door Brosmann Footwear e.a. met betrekking tot het gedrag van de twee door Brosmann Footwear e.a. gelaakte Italiaanse ondernemingen aan de Commissie is meegedeeld, ter discussie te stellen, grondig heeft onderzocht welke invloed deze informatie — in de veronderstelling dat die juist was — op de door de Raad verrichte beoordeling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade kon hebben. Door het betoog van Brosmann Footwear e.a. ten gronde af te doen en door te oordelen dat de door deze ondernemingen overgelegde elementen irrelevant waren voor de conclusie dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijke schade had geleden, heeft het Gerecht zich dus impliciet maar noodzakelijkerwijs uitgesproken over de vraag of de instellingen verplicht waren, „nauwgezet en onpartijdig de relevante elementen” van elk concreet geval te onderzoeken, door die vraag ontkennend te beantwoorden. Met andere woorden, door te hebben geconcludeerd dat de door Brosmann Footwear e.a. verstrekte gegevens irrelevant waren, heeft het Gerecht daaruit impliciet afgeleid dat de instellingen geenszins verplicht waren om deze gegevens te onderzoeken.
132.
Hieruit volgt dat de tweede door Brosmann Footwear e.a. aangevoerde grief — voor zover ontvankelijk — ongegrond moet worden verklaard.
133.
Wat ten slotte de in het kader van de derde grief gestelde onjuiste rechtsopvatting betreft die aan punt 181 van het bestreden arrest zou kleven, Brosmann Footwear e.a. leveren daarvan niet het bewijs, aangezien het Gerecht er zich terecht toe heeft beperkt, te constateren dat de Raad in de definitieve verordening duidelijk had uiteengezet waarom hij van mening was dat de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijke schade had geleden.
134.
Voor zover met betrekking tot de door Brosmann Footwear e.a. aan de Commissie meegedeelde litigieuze gegevens is geoordeeld dat deze geen enkele invloed op de schade-indicatoren hadden gehad en voor de beoordeling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade dus volstrekt irrelevant waren, heeft het Gerecht hieruit hoe dan ook correct afgeleid dat de Raad niet specifiek hoefde te motiveren waarom deze gegevens niet in aanmerking waren genomen daartoe.
135.
Gelet op een en ander stel ik voor om het vierde middel van de hogere voorziening af te wijzen.
D – Vijfde middel van de hogere voorziening: onjuiste rechtsopvatting en onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal, wat de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de dumping en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade betreft
1. Argumenten van partijen
136.
Brosmann Footwear e.a. stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en het bewijsmateriaal onjuist heeft opgevat, waardoor het de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de dumping en de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade heeft miskend en artikel 3 van de basisverordening heeft geschonden. Hun grieven betreffen twee aspecten.
137.
In de eerste plaats heeft het Gerecht volgens hen ten onrechte niet erkend dat het gebrek aan competitiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap de voornaamste factor was die de schade van deze bedrijfstak heeft veroorzaakt, los van de invoer van schoeisel met bovendeel van leder uit China. Het Gerecht is immers voorbijgegaan aan het — in verschillende punten van de considerans van de definitieve verordening benadrukte — feit dat de Gemeenschap in de laatste vijftien jaar nooit behoorlijke winsten heeft behaald, alsook aan het feit dat het voortdurende marktaandelenverlies van deze bedrijfstak op lange termijn aan het relatieve gebrek aan competitiviteit van de EU-productie toe te schrijven is. Dit competitiviteitsgebrek wordt bevestigd door de vermindering van de uitvoer van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
138.
In de tweede plaats verwijten Brosmann Footwear e.a. het Gerecht, geen rekening te hebben gehouden met het feit dat de extra verlaging van de door de Chinese producenten/exporteurs gehanteerde prijzen te wijten was aan een wijziging van hun productenassortiment — na 2002 — die samenviel met de intrekking van de contingentregeling. Deze wijziging van het productassortiment verklaart waarom de gemiddelde eenheidsprijs van de uitvoer uit China sterker is gedaald dan de prijs van de uitvoer uit andere derde landen. Ofschoon dit argument in eerste aanleg is toegelicht, heeft het Gerecht het zonder enige uitleg verworpen. Ook daardoor heeft het Gerecht de op hem rustende verplichting tot motivering van zijn uitspraken geschonden.
139.
De Raad stelt voor om het onderhavige middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te verklaren.
2. Analyse
140.
Zoals het Gerecht in punt 190 van het bestreden arrest op goede gronden heeft vastgesteld, zijn de Raad en de Commissie bij de vaststelling van de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap kan hebben geleden, verplicht te onderzoeken of de door hen in aanmerking genomen schade wel degelijk door de invoer met dumping is veroorzaakt, en moeten zij alle schade die door andere factoren is veroorzaakt, buiten beschouwing laten, met name schade die haar oorzaak vindt in de eigen gedragingen van de producenten uit de Gemeenschap. ( 13 ) Deze verplichting vloeit immers uit artikel 3, lid 7, van de basisverordening voort.
141.
In casu staat vast dat de instellingen overeenkomstig dit artikel daadwerkelijk hebben geverifieerd of er een oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade en de invoer van schoeisel met bovendeel van leder uit China bestond.
142.
Evenzo staat vast dat het Gerecht de gegrondheid van hun conclusies in de punten 192 tot en met 200 van het bestreden arrest heeft getoetst aan de door Brosmann Footwear e.a. in eerste aanleg aangevoerde argumenten volgens welke de slechte uitvoerresultaten van de bedrijfstak van de Gemeenschap, de invoer uit andere derde landen en de intrekking van de contingentregeling vanaf het eerste trimester van 2005, bij een juiste beoordeling van dit oorzakelijk verband in aanmerking hadden moeten zijn genomen, dan wel deze elementen van dien aard waren dat dit verband werd verbroken.
143.
Brosmann Footwear e.a. verwijten het Gerecht echter in de eerste plaats het bewijsmateriaal onjuist te hebben opgevat door niet te hebben erkend dat het gebrek aan competitiviteit van de bedrijfstak van de Unie de voornaamste factor vormde die de schade van deze bedrijfstak heeft veroorzaakt. Zij baseren deze stelling op drie elementen waarmee het Gerecht geen rekening heeft gehouden.
144.
Los van de omstandigheid dat twee van deze drie elementen enerzijds niet in eerste aanleg zijn aangevoerd en het derde element de beoordeling van het Gerecht niet had kunnen wijzigen aangezien, zoals Brosmann Footwear e.a. impliciet erkennen, het door de Raad reeds in de definitieve verordening in aanmerking was genomen ( 14 ), en anderzijds de beweerde onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal niet kennelijk uit de stukken van het dossier blijkt, ben ik met de Raad van oordeel dat een „gebrek aan competitiviteit” geen „andere factor” in de zin van artikel 3, lid 7, van de basisverordening vormt.
145.
Dit algemene begrip is in werkelijkheid immers slechts het resultaat van factoren zoals hoge productiekosten, een gebrek aan investeringen, ontoereikende productiviteit, slechte uitvoerresultaten, welke factoren in artikel 3, lid 7, van de basisverordening zijn opgesomd of die door de instellingen hoe dan ook krachtens deze bepaling in aanmerking kunnen worden genomen.
146.
In die omstandigheden heeft het Gerecht, ter afdoening van het specifieke betoog dat Brosmann Footwear e.a. in eerste aanleg hebben ontwikkeld, in punt 192 van het bestreden arrest op goede gronden onderzocht of de slechte uitvoerresultaten van de bedrijfstak van de Unie de door deze bedrijfstak geleden aanzienlijke schade konden hebben veroorzaakt uit hoofde van een van de andere factoren waarvan sprake is in artikel 3, lid 7, van de basisverordening.
147.
Wat in de tweede plaats het argument betreft dat het Gerecht zich niet heeft uitgesproken over de stelling dat de prijzen van de Chinese producenten/exporteurs extra zijn verlaagd omdat vanaf 2002 hun productassortiment is gewijzigd, dient erop te worden gewezen dat dit argument niet in die bewoordingen in eerste aanleg is geformuleerd. Zoals uit punt 106 van de hogere voorziening blijkt, hebben Brosmann Footwear e.a. voor het Gerecht namelijk aangevoerd dat de betrokken prijsverlaging te wijten was aan de wijziging van het productassortiment die ná de intrekking van de contingentregeling heeft plaatsgevonden, te weten vanaf januari 2005 en niet vanaf 2002. Brosmann Footwear e.a. kunnen het Gerecht dan ook niet verwijten, zich niet over dit argument te hebben uitgesproken.
148.
Hoe dan ook ben ik — ten gronde — van oordeel dat niets de instellingen verplicht om in het kader van een antidumpingonderzoek na te gaan welke de oorzaken zijn van een extra verlaging van de prijzen van goederen die in de Unie worden ingevoerd met dumping.
149.
Ik stel dan ook voor om het vijfde middel van de hogere voorziening te verwerpen en de hogere voorziening bijgevolg in haar geheel af te wijzen.
V – Kosten
150.
Artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer de hogere voorziening ongegrond is, het Hof ten aanzien van de proceskosten beslist. Volgens artikel 69, lid 2, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 118 daarvan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Brosmann Footwear e.a. naar mijn mening in het ongelijk moeten worden gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Raad te worden verwezen in de kosten van de hogere voorziening.
VI – Conclusie
151.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
„1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
2)
Brosmann Footwear (HK) Ltd, Seasonable Footwear (Zhongshan) Ltd, Lung Pao Footwear (Guangzhou) Ltd en Risen Footwear (HK) Co. Ltd worden verwezen in de kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) T-401/06, Jurispr. blz. II-671.
( 3 ) PB L 275, blz. 1.
( 4 ) PB 1996, L 56, blz. 1.
( 5 ) PB L 77, blz. 12.
( 6 ) PB C 166, blz. 14.
( 7 ) PB L 98, blz. 3.
( 8 ) Zie de punten 50 en 51 van de hogere voorziening.
( 9 ) Opgemerkt zij dat het Gerecht in dat punt van het bestreden arrest wellicht door een onachtzaamheid van de steekproefvragenlijst en niet van de vragenlijst betreffende de procesbevoegdheid gewaagt.
( 10 ) Zie bijlage 7 bij de hogere voorziening (blz. 289) die aan de klagende EU-producenten overgelegde tabellen bevat betreffende 2003, 2004 en het eerste trimester van 2005.
( 11 ) Zie onder meer arrest van 18 maart 2010, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie (C-419/08 P, Jurispr. blz. I-2259, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) Zie arrest Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie, reeds aangehaald (punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 13 ) Zie dienaangaande arrest van 3 september 2009, Moser Baer India/Raad (C-535/06 P, Jurispr. blz. I-7051, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 14 ) Zie punt 137 van de onderhavige conclusie.
Full & Egal Universal Law Academy