CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 6 oktober 2011 ( 1 )
Zaak C-338/10
Grünwald Logistik Service GmbH (GLS)
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Stadt
[verzoek van het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Verordening tot instelling van een antidumpingrecht op de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten van oorsprong uit China — Geldigheid — Vaststelling van de normale waarde — Land van uitvoer zonder markteconomie — Verplichting van de Commissie om zorgvuldigheid te betrachten bij de vaststelling van normale waarde op basis van de prijs van een soortgelijk product in een derde land met een markteconomie”
1.
Het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) verzoekt het Hof om een uitspraak over de geldigheid van twee verordeningen ( 2 ) op basis waarvan aan een Duitse vennootschap die conserven van mandarijnen en andere citrusvruchten afkomstig uit China invoert in de Europese Gemeenschap, voorlopige en vervolgens definitieve antidumpingrechten zijn opgelegd.
2.
De verwijzende rechter twijfelt aan de rechtmatigheid van deze verordeningen, omdat de gemeenschapsinstellingen de normale waarde van het betrokken product zouden hebben vastgesteld op basis van de prijzen die in de Gemeenschap voor een soortgelijk product werden betaald, zonder aan de vereisten van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad ( 3 ) te voldoen.
3.
De normale waarde van een product bij invoer uit een land zonder markteconomie kan volgens de basisverordening namelijk enkel worden vastgesteld aan de hand van de prijzen in de Gemeenschap, indien het niet mogelijk is uit te gaan van de waarde van een soortgelijk product op de markt van een ander derde land met een markteconomie, of van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk land naar andere landen.
4.
De verwijzende rechter verzoekt het Hof dus na te gaan of de gemeenschapsinstellingen, alvorens zich te baseren op de prijzen die in de Gemeenschap worden toegepast en dus deze subsidiaire berekeningsmethode toe te passen, de noodzakelijke zorgvuldigheid aan de dag hebben gelegd.
5.
Hij geeft aan op dit punt twijfels te hebben, aangezien de instellingen die methode voetstoots hebben toegepast nadat zij hadden vastgesteld dat de twee Thaise bedrijven die tijdens het onderzoek waren verzocht om inlichtingen, niet hadden geantwoord op de hun toegezonden vragenlijsten, en geen verder onderzoek hebben verricht in Thailand of naar een ander derde referentieland hebben gezocht, hoewel een der partijen tijdens het onderzoek had opgemerkt dat een soortgelijk product werd vervaardigd in Japan.
6.
In deze prejudiciële procedure krijgt het Hof dus de gelegenheid nader te bepalen aan welke verplichtingen de Europese Commissie moet voldoen bij het vaststellen van de normale waarde van een product dat wordt ingevoerd uit een land dat net als de Volksrepubliek China geen markteconomie heeft.
7.
In deze conclusie zal ik om te beginnen aangeven dat dit verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid slechts ontvankelijk is ten aanzien van verordening nr. 1355/2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht.
8.
Ik zal vervolgens aangeven dat, hoewel de Commissie in het kader van het antidumpingonderzoek van deze verordening aan termijnen is gebonden en de partijen opmerkingen kunnen maken, met name met betrekking tot de grondslag van de berekening van de normale waarde die deze instelling wil hanteren, zij overeenkomstig de basisverordening niettemin zorgvuldigheid moet betrachten bij het zoeken naar een derde land met een markteconomie, dat in aanmerking kan worden genomen bij de berekening van deze normale waarde.
9.
Ik zal uiteenzetten dat wanneer uit de gegevens van Eurostat die beschikbaar zijn bij de opening van het onderzoek blijkt dat er producten met dezelfde tariefindeling als het product uit de klacht en afkomstig uit een of meer derde landen met een markteconomie zijn ingevoerd in de Gemeenschap, en dat de omvang van deze invoer niet kennelijk te verwaarlozen is, de Commissie ambtshalve moet onderzoeken of de normale waarde van het betrokken product kan worden vastgesteld op basis van de prijzen die in een van deze landen worden betaald, of bij uitvoer uit een van deze landen. Ik zal betogen dat de Commissie deze normale waarde niet op geldige wijze kan berekenen aan de hand van de prijzen die voor een soortgelijk product worden betaald in de Gemeenschap, zonder te hebben geprobeerd om de prijzen te gebruiken die worden toegepast in een geschikt derde land of bij uitvoer uit een dergelijk land, of uiteen te zetten waarom dit voor haar onmogelijk was.
10.
Ik zal concluderen dat verordening nr. 1355/2008 onrechtmatig is, omdat uit deze verordening niet naar voren komt dat de gemeenschapsinstellingen zich serieus en voldoende hebben ingespannen om de normale waarde van conserven van mandarijnen en andere soortgelijke citrusvruchten te bepalen aan de hand van de prijzen die worden betaald in een van de derde landen met een markteconomie of bij uitvoer uit een dergelijk land, die in de statistieken van Eurostat worden vermeld als landen waaruit producten met dezelfde tariefindeling als het betrokken product in 2006 of in 2007 zijn ingevoerd in de Gemeenschap in hoeveelheden die niet kennelijk te verwaarlozen zijn.
I – Toepasselijke bepalingen
A – Basisverordening
11.
De verordeningen nr. 642/2008 en nr. 1355/2008 zijn vastgesteld krachtens de basisverordening. De bepalingen uit deze laatste verordening die mij in deze zaak relevant lijken, betreffen ten eerste de vaststelling van de normale waarde en ten tweede het verloop van de procedure.
12.
Uit de punten 2, 3 en 5, van de considerans van de basisverordening blijkt dat de verordening erop gericht is, voor zover mogelijk uitvoering te geven aan de verplichtingen van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT) en van de Overeenkomst inzake de toepassing van dit artikel.
1. Vaststelling van de normale waarde
13.
De basisverordening geeft de Raad van de Europese Unie en de Commissie de bevoegdheid belasting te heffen over de invoer in de Gemeenschap van een product waarvan dumping plaatsvindt, wanneer een bedrijfstak van de Gemeenschap door deze dumping schade lijdt. Er is sprake van dumping wanneer het product in de Gemeenschap te koop wordt aangeboden voor een prijs die onder de normale waarde ervan ligt.
14.
De basisverordening voorziet in verschillende berekeningsmethoden van deze normale waarde naargelang het derde land waaruit het product wordt ingevoerd, al dan niet een markteconomie heeft.
15.
Wanneer dit wel het geval is, wordt de waarde in beginsel bepaald aan de hand van de prijzen die door onafhankelijke afnemers in dit land in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald voor dit product of een soortgelijk product. De basisverordening stelt vervolgens andere berekeningsmethoden vast indien deze eerste methode niet toepasbaar is, hetgeen bijvoorbeeld het geval is wanneer het betrokken product of een soortgelijk product niet in het desbetreffende land in de handel wordt gebracht, of in een hoeveelheid die ontoereikend is om een geldige vergelijking te kunnen maken, of wanneer de handelstransacties plaatsvinden tussen geassocieerde partijen.
16.
Wanneer het uitvoerende land geen markteconomie heeft, gelden de berekeningsmethoden van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening, dat luidt als volgt:
„Bij invoer uit landen zonder markteconomie wordt de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie of aan de hand van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, waaronder de Gemeenschap of, indien dit niet mogelijk is, op een andere redelijke grondslag zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Gemeenschap, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.
Een geschikt derde land met een markteconomie wordt op redelijke wijze geselecteerd, met inachtneming van alle betrouwbare gegevens die op het tijdstip van de selectie beschikbaar zijn. Voorts wordt rekening gehouden met termijnen; in voorkomend geval wordt gebruik gemaakt van een derde land met markteconomie dat bij hetzelfde onderzoek betrokken is.
De naam van het voorziene derde land met een markteconomie wordt de bij het onderzoek betrokken partijen, kort na de inleiding van de procedure medegedeeld. Zij hebben tien dagen de tijd om opmerkingen te maken.”
17.
Daarenboven moeten, krachtens artikel 18, lid 5, van de basisverordening, indien bij gebreke van medewerking van een belanghebbende de vaststellingen, met inbegrip van die betreffende de normale waarde, worden gebaseerd op de beschikbare bronnen, met name op de in de klacht verstrekte gegevens, deze gegevens indien mogelijk en met inachtneming van de voor het onderzoek vastgestelde termijnen, worden getoetst aan gegevens uit andere beschikbare onafhankelijke bronnen, zoals gepubliceerde prijslijsten, officiële invoerstatistieken en douaneaangiften.
18.
Tot slot wordt in artikel 1, lid 4, van de basisverordening onder „soortgelijk product” verstaan een product dat identiek is, dat wil zeggen in ieder opzicht gelijk aan het betrokken product, of, bij gebreke van een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken product.
2. Procedureregels
19.
Volgens artikel 5, leden 1 tot en met 4, van de basisverordening wordt de procedure ingeleid naar aanleiding van een klacht die, om ontvankelijk te zijn, diverse gegevens moet bevatten en moet zijn ingediend door producenten in de Gemeenschap die een aanzienlijk deel van de Europese productie vertegenwoordigen.
20.
Krachtens artikel 5, lid 9, van de basisverordening beschikt de Commissie over een termijn van 45 dagen na de indiening van de klacht om te besluiten om al dan niet een onderzoek te openen. Zij dient de opening van een onderzoek aan te kondigen in het Publicatieblad van de Europese Unie. In de aankondiging moet zij met name het betrokken product en de betrokken landen vermelden en de termijn aangeven waarbinnen belanghebbenden zich bekend kunnen maken, inlichtingen kunnen verstrekken en kunnen verzoeken te worden gehoord.
21.
Volgens artikel 6, leden 1 en 2, van de basisverordening heeft het onderzoek zowel betrekking op de dumping als op de schade en worden deze beide elementen terzelfder tijd onderzocht. De Commissie moet een onderzoektijdvak vaststellen van ten minste zes maanden, dat onmiddellijk voorafgaat aan de procedure. Belanghebbenden die een vragenlijst ontvangen, beschikken over ten minste 30 dagen om deze te beantwoorden. Deze termijn kan worden verlengd.
22.
Krachtens artikel 6, leden 3 en 4, van de basisverordening kan de Commissie de lidstaten verzoeken haar gegevens te verstrekken en kan zij alle noodzakelijke controles en inspecties uit te voeren.
23.
Overeenkomstig artikel 6, lid 5, van de basisverordening worden de belanghebbenden die zich binnen de gestelde termijn bekend hebben gemaakt naar aanleiding van de aankondiging van de opening van het onderzoek, gehoord wanneer zij aantonen daadwerkelijk belanghebbende te zijn en geldige redenen hebben om te worden gehoord.
24.
Artikel 6, lid 6, van de basisverordening bepaalt daarenboven dat een ontmoeting kan worden georganiseerd tussen de importeurs, de exporteurs, de vertegenwoordigers van de overheid van het land van uitvoer, de klagers en de partijen met tegengestelde belangen, waarbij de belanghebbenden door hun afwezigheid niet in hun belangen mogen worden geschaad. Krachtens artikel 6, lid 6, laatste volzin, van de basisverordening wordt met uit hoofde van dit lid verstrekte informatie rekening gehouden voor zover zij later in schriftelijke vorm worden bevestigd.
25.
Artikel 6, lid 8, van de basisverordening bepaalt dat voor zover mogelijk wordt gecontroleerd of de door belanghebbenden verstrekte inlichtingen waarop de bevindingen worden gebaseerd, juist zijn.
26.
Krachtens artikel 6, lid 9, van de basisverordening wordt een onderzoek voor zover mogelijk binnen één jaar afgesloten, en in ieder geval binnen 15 maanden na de opening.
27.
Artikel 7 van de basisverordening bepaalt dat voorlopige rechten kunnen worden ingesteld onder de daar vastgestelde voorwaarden, niet eerder dan 60 dagen en niet later dan negen maanden na de inleiding van de procedure, en voor een duur van ten hoogste negen maanden.
28.
Krachtens artikel 9, lid 4, van de basisverordening stelt de Raad, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Raadgevend Comité, een definitief antidumpingrecht in, wanneer uit de definitief vastgestelde feiten blijkt dat er dumping plaatsvindt, schade wordt veroorzaakt en het belang van de Gemeenschap dit rechtvaardigt. Deze bepaling stelt tevens dat het antidumpingrecht niet hoger mag zijn dan de vastgestelde dumpingmarge en lager dient te zijn dan deze marge indien dit lagere recht toereikend is om de schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschap weg te nemen.
B – Verordeningen nr. 642/2008 en nr. 1355/2008
29.
Naar aanleiding van een klacht die op 6 september 2007 werd ingediend door de Spaanse nationale federatie van verenigingen in de sector groenten- en fruitconserven, heeft de Commissie volgens het in het Publicatieblad van de Europese Unie van 20 oktober 2007 ( 4 ) bekendgemaakte bericht besloten een antidumpingprocedure in te leiden betreffende de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit China.
30.
In punt 5.1, sub d, van dit bericht wees de Commissie erop dat zij bij gebreke van producenten van het betrokken product buiten de Gemeenschap en China, de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening wilde baseren op een andere redelijke grondslag, dit wil zeggen de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Gemeenschap. Zij riep belanghebbenden op, eventuele op- of aanmerkingen over deze basis binnen tien dagen na de bekendmaking van het bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie toe te zenden.
31.
De onderzoeksperiode liep van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007.
32.
Op 4 juli 2008 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 642/2008 vastgesteld. De punten 40 tot en met 42 van de considerans van deze richtlijn luiden:
„(40)
Volgens informatie vervat in de klacht wordt het betrokken product buiten de Gemeenschap en het betrokken land niet in aanzienlijke hoeveelheden geproduceerd. Derhalve werd in het bericht van inleiding voorgesteld de normale waarde te baseren op een andere redelijke grondslag, d.w.z. de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het soortgelijke product in de Gemeenschap. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen ter zake te maken. De Commissie zelf zocht na publicatie van het bericht van inleiding verder naar mogelijke referentielanden. De Commissie verzocht twee ondernemingen in Thailand om medewerking. Een van hen stemde er aanvankelijk in toe, maar reageerde uiteindelijk niet op de vragenlijst. De andere onderneming reageerde helemaal niet.
(41)
Twee producenten/exporteurs uit het betrokken land en een vereniging van importeurs en groothandelaren gaven te kennen niet in te stemmen met het baseren van de normale waarde op de werkelijk betaalde of te betalen prijzen in de Gemeenschap, maar kwamen niet met een andere oplossing die zou voldoen aan de basisverordening.
(42)
Gelet op het bovenstaande werd voorlopig besloten de normale waarde voor alle producenten/exporteurs in de steekproef te baseren op een andere redelijke grondslag, in dit geval de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het soortgelijke product in de Gemeenschap, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a, van de basisverordening.”
33.
Op 18 december 2008 heeft de Raad verordening (EG) nr. 1355/2008 vastgesteld. In punt 17 van de considerans van deze verordening staat te lezen:
„Na de instelling van de voorlopige maatregelen zetten de drie medewerkende Chinese producenten/exporteurs in de steekproef en twee niet-verbonden importeurs in de Europese Gemeenschap vraagtekens bij het gebruik van de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap voor de berekening van de normale waarde. Aangevoerd werd dat de normale waarde berekend had moeten worden aan de hand van de productiekosten in [China], rekening houdend met eventuele correcties voor de verschillen tussen de [Gemeenschap] en die van [China]. In dit verband zij opgemerkt dat het gebruik van informatie uit een land zonder markteconomie en met name van ondernemingen waaraan geen BMO is toegekend, in strijd zou zijn met artikel 2, lid 7, onder a, van de basisverordening. Dit argument wordt daarom afgewezen. Ook werd aangevoerd dat, gezien het gebrek aan medewerking van een referentieland, prijsgegevens uit alle andere landen van invoer of relevante openbaar gemaakte informatie een redelijke oplossing geweest zouden zijn. Dergelijke algemene informatie had echter in tegenstelling tot de door de Commissie gebruikte gegevens niet op haar juistheid kunnen worden gecontroleerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 8, van de basisverordening. Dit argument wordt derhalve afgewezen. Er werden geen andere argumenten aangedragen die reden geven eraan te twijfelen dat de door de Commissie gehanteerde methode in overeenstemming is met artikel 2, lid 7, onder a, van de basisverordening, en met name dat die in dit bijzondere geval de enige redelijke grondslag vormt voor de berekening van de normale waarde.”
34.
Bij artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1355/2008 werd een definitief antidumpingrecht ingesteld op bereide of verduurzaamde mandarijnen, tangerines en satsuma’s daaronder begrepen, en clementines, wilkings en andere dergelijke kruisingen van citrusvruchten, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, zoals gedefinieerd onder post 2008 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”), van oorsprong uit China, die vallen onder de GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en ex 2008 30 90.
35.
In artikel 1, lid 2, van deze verordening wordt het bedrag in euro per ton productgewicht vastgesteld dat elk van de hierin genoemde ondernemingen verschuldigd is, en wordt het door alle andere ondernemingen verschuldigde bedrag vastgesteld op 531,20 EUR per ton productgewicht.
36.
In artikel 3, lid 1, ervan staat dat de bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht overeenkomstig verordening (EG) nr. 642/2008 als zekerheid zijn gesteld, definitief worden geïnd tot het bedrag van het voorlopige recht.
II – Feiten, verzoek om een prejudiciële beslissing en procesverloop voor het Hof
37.
Grünwald Logistik Service GmbH (GLS) ( 5 ) heeft in de Gemeenschap conserven van mandarijnen en soortgelijke citrusvruchten ingevoerd uit China onder GN-code 2008 30 55, waarvoor zij voorlopige rechten heeft moeten voldoen in de vorm van een te stellen zekerheid ten bedrage van 5311,92 EUR. Dit voorlopige recht is vervolgens definitief geïnd.
38.
Nadat haar bezwaar tegen deze heffing was afgewezen, stelde GLS beroep in bij het Finanzgericht Hamburg-Stadt.
39.
Tot staving van haar beroep voert zij aan dat verordening nr. 1355/2008 onrechtmatig is, omdat de Commissie zich onvoldoende heeft ingespannen om de voor de vaststelling van de normale waarde vereiste gegevens uit het Koninkrijk Thailand te verkrijgen, en geenszins heeft getracht overeenkomstig artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening een ander referentieland te vinden, hoewel een belanghebbende haar erop had gewezen dat een soortgelijk product werd vervaardigd in Japan.
40.
De verwijzende rechter vermeldt dat de beslechting van het voor hem aanhangige geding afhankelijk is van de vraag of de verordeningen nr. 642/2008 en nr. 1355/2008 geldig zijn. Hij zet, gelet op het bovenstaande, uiteen dat hij ernstig betwijfelt of de door de Commissie ondernomen inspanningen om een geschikt derde land te vinden aan de vereisten van de basisverordening voldoen.
41.
Het Finanzgericht Hamburg heeft dan ook besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Is een antidumpingregeling die door de [...] Commissie is vastgesteld volgens de procedure van [de basisverordening] nietig, omdat de Commissie de normale waarde daarbij heeft bepaald op een ‚andere redelijke grondslag’ (in casu de werkelijk in de Unie voor gelijksoortige producten betaalde of te betalen prijzen) zonder verder onderzoek naar een normale waarde te verrichten, nadat de Commissie in een referentieland dat zij aanvankelijk op het oog had, tevergeefs twee ondernemingen had aangeschreven — waarvan de ene in het geheel niet heeft gereageerd en de andere haar medewerking heeft toegezegd, maar na toezending van de vragenlijst niet meer heeft gereageerd — en zij door de bij de procedure betrokkenen op een ander mogelijk referentieland was gewezen?”
42.
Naar aanleiding van de betekening van de verwijzingsbeslissing door de griffier van het Hof overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie hebben GLS, de Raad en de Commissie schriftelijke opmerkingen ingediend.
43.
Gelet op de informatie van de verwijzende rechter en deze schriftelijke opmerkingen heeft het Hof bij beschikking van 15 juni 2011 de Commissie verzocht binnen drie weken na de betekening van deze beschikking over te leggen:
—
het proces-verbaal van de hoorzitting die op 19 december 2007 heeft plaatsgevonden bij de Commissie, alsook alle opmerkingen die na deze hoorzitting zijn ingediend en nog niet aan het Hof zijn gezonden, en
—
de op 18 december 2008 beschikbare statistieken van Eurostat over de jaren 2005 tot en met 2008 inzake de invoer in de Gemeenschap van producten die onder de GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en ex 2008 30 90 vielen, met vermelding van de landen van uitvoer.
44.
Deze documenten zijn binnen de gestelde termijn overgelegd. Uit de statistieken van Eurostat die eind 2006 en 2007 beschikbaar waren, komt naar voren dat producten die onder de GN-codes 2008 30 55, 2008 30 75 en 2008 30 90 vielen, uit meerdere derde landen met een markteconomie in de Gemeenschap zijn ingevoerd in de volgende, in tonnen uitgedrukte hoeveelheden:
Periode tussen januari en december 2006
Land van invoer
Hoeveelheid (in ton)
Israël
3 590,30
Filipijnen
149,30
Marokko
252,90
Swaziland
3 241,00
Thailand
576,80
Turkije
2 176,50
Periode tussen januari en december 2007
Land van invoer
Hoeveelheid (in ton)
Israël
4 319,20
Filipijnen
117,90
Marokko
234,80
Swaziland
3 230,90
Thailand
735,70
Turkije
2 387,30
III – Beoordeling
45.
De verwijzende rechter verzoekt het Hof om een uitspraak over de geldigheid van de verordeningen nr. 642/2008 en nr. 1355/2008. Alvorens de zaak ten gronde te onderzoeken, wil ik enkele opmerkingen plaatsen bij de ontvankelijkheid van deze prejudiciële vraag.
A – Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
46.
Zoals door de Raad en de Commissie is betoogd, is deze procedure naar mijn mening enkel ontvankelijk voor zover zij verordening nr. 1355/2008 betreft.
47.
Wanneer in een antidumpingprocedure de voorlopige rechten zijn geïnd krachtens de verordening waarbij een definitief recht is ingesteld, hebben de marktdeelnemers namelijk geen belang meer bij het betwisten van de rechtmatigheid van de verordening waarbij het voorlopig recht is ingesteld, aangezien deze verordening is vervangen door de verordening waarbij een definitief recht is ingesteld. ( 6 )
48.
In deze zaak komt uit de door de verwijzende rechter verstrekte aanwijzingen naar voren dat de voorlopige antidumpingrechten ten bedrage van 5311,92 EUR die van GLS waren geheven, in hun geheel als definitieve rechten door de nationale douaneautoriteiten zijn geïnd. Ook moet de verwijzende rechter beslissen op een beroep van GLS tot nietigverklaring van het besluit van deze autoriteiten waarbij betaling van de definitieve antidumpingrechten wordt gevorderd krachtens verordening nr. 1355/2008 moest betalen, te laten vernietigen.
49.
Overeenkomstig de hierboven aangehaalde rechtspraak heeft GLS geen belang meer bij de betwisting van de rechtmatigheid van verordening nr. 642/2008.
50.
Daarentegen wordt niet betwist, en lijkt niet te kunnen worden betwist, dat GLS ontvankelijk is in haar betwisting van de rechtmatigheid van verordening nr. 1355/2008 bij wege van een exceptie voor de nationale rechter.
51.
Uit de gegevens in het dossier blijkt namelijk niet dat GLS als rechtstreeks en individueel door deze verordening geraakt zou moeten worden beschouwd en dientengevolge het recht had gehad het Gerecht van de Europese Unie te verzoeken om nietigverklaring ervan. Met name komt hieruit niet naar voren, en dit wordt ook niet gesteld, dat GLS de importeur zou zijn die is verbonden met een van de in verordening nr. 1355/2008 met name genoemde vennootschappen, wiens prijzen bij wederverkoop van het betrokken product waren gebruikt als grondslag voor de berekening van de exportprijs die deze verordening hanteert om de dumpingmarges betreffende deze vennootschap vast te stellen. ( 7 )
52.
Volgens de rechtspraak raakt een verordening waarbij een antidumpingrecht wordt ingesteld, een importeur als GLS niet uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hem onderscheidt van alle andere personen, doch uitsluitend uit hoofde van zijn objectieve hoedanigheid van importeur van de bedoelde producten, op soortgelijke wijze als alle andere marktdeelnemers die zich daadwerkelijk of potentieel in een soortgelijke situatie bevinden. ( 8 )
53.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging dit verzoek om een prejudiciële beslissing over de geldigheid enkel te behandelen wat verordening nr. 1355/2008 betreft.
B – Ten gronde
54.
Zoals de Raad en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen hebben betoogd, is het zaak de vraag die de verwijzende rechter heeft gesteld, te herformuleren. Deze instellingen hebben echter uiteenlopende standpunten over de te kiezen formulering, die een afspiegeling vormen van hun verschillende wijzen van uitlegging van de verwijzingsbeslissing voor zover het de redenen betreft waarom, de rechtmatigheid van verordening nr. 1355/2008 in twijfel wordt getrokken.
55.
Zo is de Commissie van mening dat de verwijzende rechter slechts de twee volgende nietigheidsgronden voor ogen heeft, ten eerste dat deze instelling geen verdere stappen heeft genomen ten aanzien van de twee Thaise producenten tot wie zij zich had gewend, en ten tweede dat zij niet heeft onderzocht of Japan een geschikt derde land kon vormen.
56.
Evenals GLS en de Raad deel ik deze restrictieve uitleg van de verwijzingsbeslissing niet. De verwijzende rechter zet hierin volgens mij duidelijk uiteen dat zijn twijfels in bredere zin zijn gebaseerd op de bewering van GLS dat de gemeenschapsinstellingen zich onvoldoende inspanningen hebben getroost, een geschikt derde land te vinden.
57.
Ik geef het Hof dus in overweging om de prejudiciële vraag aldus op te vatten dat de verwijzende rechter in wezen wenst te vernemen of verordening nr. 1355/2008 ongeldig is omdat de Commissie de normale waarde van het betrokken product heeft vastgesteld op basis van de prijzen die worden betaald of moeten worden betaald in de Gemeenschap voor een soortgelijk product zonder serieuze en voldoende inspanningen te hebben verricht om deze waarde vast te stellen aan de hand van prijzen die gelden in een geschikt derde land, in strijd met de vereisten van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening.
1. Opmerkingen van partijen
58.
GLS meent dat het Hof de vraag bevestigend moet beantwoorden om verschillende redenen, die aldus kunnen worden samengevat.
59.
De Commissie heeft artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening geschonden door de normale waarde vast te stellen op basis van de prijs die in de Gemeenschap wordt betaald, hoewel deze berekeningsmethode subsidiair is en er meerdere derde landen waren, zoals Japan, die als referentieland konden dienen.
60.
Gelet op de in artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening genoemde verplichting en op de rechtspraak ( 9 ) had de Commissie ambtshalve moeten onderzoeken of er een geschikt derde land bestond, daarbij gebruik makend van alle informatiebronnen die voor haar beschikbaar waren, zoals de gegevens van Eurostat met betrekking tot de invoer.
61.
In de onderhavige zaak bleek uit deze gegevens dat een soortgelijk product werd vervaardigd in Israël, in de Filipijnen en in Turkije. De Commissie had dus moeten onderzoeken of een van deze landen een geschikt land vormde. Overigens zou een partij tijdens de hoorzitting van 19 december 2007 erop hebben gewezen dat deze productie bestond in Japan.
62.
Ook had de Commissie, alvorens de in de Gemeenschap toegepaste prijzen te gebruiken, moeten onderzoeken of een product dat overeenkomstig de definitie van het begrip „soortgelijk product” in artikel 1, lid 4, van de basisverordening erg op het betrokken product leek, in derde landen met een markteconomie werd vervaardigd.
63.
Daar zij in verordening nr. 642/2008 had aangegeven dat de producten van GN-code 2008 30 90, dat wil zeggen bereide citrusvruchten zonder toegevoegde alcohol of toegevoegde suiker, kunnen worden beschouwd als soortgelijke producten en deze producten met name werden vervaardigd in Israël, Marokko, Swaziland, Turkije en de Verenigde Staten, had zij moeten onderzoeken of ondernemingen in deze landen bereid waren tot samenwerking.
64.
Tot slot had de Commissie zich niet mogen beperken tot de verzending van een enkele vragenlijst aan de twee Thaise ondernemingen en uit het uitblijven van hun antwoord afleiden dat het onmogelijk was de normale waarde vast te stellen aan de hand van de in Thailand toegepaste prijzen.
65.
GLS stelt subsidiair dat de normale waarde die is vastgesteld aan de hand van prijzen in de Gemeenschap, onjuist is geëvalueerd, aangezien de Commissie niet de correcties heeft toegepast die noodzakelijk waren in het licht van de voordelen waarvan de Chinese producenten-exporteurs profiteren ten opzichte van de Spaanse producenten, met name wat de toegang tot grondstoffen en het productieproces betreft. GLS benadrukt dat de Commissie in andere zaken dergelijke correcties wel heeft toegepast.
66.
Zij betoogt dat de Commissie in de onderhavige zaak rekening had moeten houden met het feit dat de grondstoffen in de Gemeenschap 45 % duurder zijn dan in China en dat de productiekosten in Spanje veel hoger liggen wegens het gebruik van dure machines die een groot deel van het jaar niet worden gebruikt.
67.
De Raad en de Commissie betwisten dat de onderzochte verordening ongeldig is en baseren hun standpunt op de volgende argumenten.
68.
De Commissie zet uiteen dat in de klacht werd aangegeven dat mandarijnenconserven enkel in het Koninkrijk Spanje en de Volksrepubliek China werden vervaardigd en dat zij om deze reden in de aankondiging van het onderzoek aangaf dat zij van plan was de normale waarde vast te stellen aan de hand van de prijzen in de Gemeenschap.
69.
Zij zet tevens uiteen dat zij informatie had dat er in Thailand ook twee producenten van mandarijnenconserven waren.
70.
Wat haar stappen ten aanzien van deze twee producenten betreft, betoogt zij dat zij hun geschreven heeft op 29 oktober 2007, dat de één niet heeft geantwoord en dat de ander heeft laten antwoorden door een Europese vennootschap, die bij brief van 5 december 2007 verzocht om toezending van een vragenlijst in elektronische vorm, alsook om verlenging van de termijn om hier op te antwoorden. De Commissie voert aan dat zij direct heeft geantwoord dat de termijn werd verlengd tot 17 december 2007, en dat deze vennootschap bij brief van 14 december 2007 heeft aangegeven dit formulier niet binnen deze termijn te kunnen invullen.
71.
De Commissie concludeert hieruit dat zij ten aanzien van deze Thaise producenten voldoende inspanningen heeft verricht.
72.
Op het punt of zij de mogelijkheid moest onderzoeken om Japan als geschikt derde land te kiezen, wijst de Commissie om te beginnen op de omvang van de verplichtingen die haar door de basisverordening worden opgelegd.
73.
Zij voert aan dat deze verordening voorziet in een procedure op tegenspraak, die in het algemeen naar aanleiding van een klacht wordt geopend. De Commissie zet vervolgens uiteen dat zij volgens artikel 2, lid 7, sub a, tweede alinea, van deze verordening haar besluiten binnen de gestelde termijnen moet baseren op de betrouwbare informatie die beschikbaar is.
74.
De Commissie herinnert er tevens aan dat de naam van het derde land dat zij van plan is te selecteren om de normale waarde vast te stellen, wordt meegedeeld aan partijen en dat deze tien dagen de tijd hebben om hun opmerkingen in te dienen.
75.
Tot slot benadrukt zij dat zij krachtens de rechtspraak ( 10 ) over een ruime beoordelingsmarge beschikt bij de vaststelling van de normale waarde. Zo is uitgemaakt dat de Commissie niet kan worden verweten dat zij geen diepgaand onderzoek heeft gedaan naar andere mogelijke referentielanden, indien partijen haar geen voorstellen in die zin hebben gedaan.
76.
De Commissie trekt hieruit de conclusie dat zij in de onderhavige zaak geen enkele reden had te onderzoeken of Japan een geschikt land kon vormen, aangezien zij geen sporen heeft van een verklaring tijdens de hoorzitting van 19 december 2007 dat op dat moment in dat land mandarijnenconserven werden geproduceerd, en dat zij, gesteld dat een dergelijke verklaring zou zijn afgelegd, niet verplicht was een onderzoek in te stellen ten aanzien van dat land.
77.
Volgens de Commissie was zij namelijk ten eerste niet binnen de termijn van tien dagen na de bekendmaking van het bericht van inleiding van het onderzoek geattendeerd op Japan als referentieland, en ten tweede mag krachtens artikel 6, lid 6, van de basisverordening alleen rekening worden gehouden met tijdens een hoorzitting verstrekte informatie indien zij schriftelijk wordt bevestigd.
78.
De Raad baseert zijn standpunt op dezelfde argumenten als de Commissie en voegt hieraan toe dat hij noch de Commissie reden had op eigen initiatief te gaan zoeken naar andere geschikte derde landen, aangezien de Commissie zich op het standpunt mocht stellen dat belanghebbenden de markt kenden en haar zouden hebben gewezen op mogelijke referentielanden.
2. Mijn beoordeling
79.
Ik ben met GLS van mening dat verordening nr. 1355/2008 is vastgesteld in strijd met artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening, omdat de gemeenschapsinstellingen, meer bepaald de Commissie, geen serieuze en voldoende inspanningen hebben verricht om de normale waarde van het betrokken product vast te stellen aan de hand van de prijzen die gelden in een derde land met een markteconomie.
80.
Alvorens te verklaren waarom ik van mening ben dat de Commissie in deze zaak niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, lijkt het me dienstig in het kort te herinneren aan het voorwerp van de normale waarde in de antidumpingprocedure en de wijze van berekening ervan.
a) Het voorwerp van de normale waarde en de wijze van berekening ervan
81.
Om te beginnen moet worden benadrukt dat de normale waarde in een antidumpingprocedure een zeer belangrijk gegeven is.
82.
Ten eerste kan hiermee worden vastgesteld of een product al dan niet met dumping in de Gemeenschap wordt ingevoerd, aangezien volgens artikel 1, lid 2, van de basisverordening, dumping ten aanzien van een product geacht wordt plaats te vinden indien de prijs van dit product bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan zijn normale waarde.
83.
Ten tweede kan aan de hand hiervan het maximale antidumpingrecht worden vastgesteld dat de Gemeenschap aan een onderneming kan opleggen, aangezien dit bedrag krachtens artikel 9, lid 4, van de basisverordening niet hoger mag zijn dan de dumpingmarge, die in grote lijnen overeenkomt met het verschil tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer, nadat op deze gegevens de noodzakelijke correcties zijn toegepast om ze te kunnen vergelijken.
84.
Hieruit volgt dat hoe hoger de normale waarde ligt bij een gelijkblijvende uitvoerprijs, hoe groter de dumpingmarge is en derhalve het maximumbedrag van het antidumpingrecht dat de uitvoerende ondernemingen van het betrokken product kan worden opgelegd.
85.
Ten tweede is de normale waarde een objectieve waarde. Zij is, zoals uit artikel 2, lid 1, van de basisverordening naar voren komt, in beginsel gebaseerd op de prijs die door onafhankelijke afnemers in het kader van normale handelstransacties in het land van uitvoer voor het betrokken product wordt betaald, dat wil zeggen onder ideale omstandigheden voor de uitoefening van vrije mededinging.
86.
De moeilijkheid is gelegen in het feit dat deze prijs in de realiteit niet altijd bestaat of niet altijd bruikbaar is. De basisverordening voorziet daarom tot in detail in verschillende berekeningswijzen om deze prijs op zo redelijk mogelijke wijze samen te stellen, op basis van ofwel de prijzen die door de verkopers van een soortgelijk product worden toegepast in het land van uitvoer, ofwel op basis van een reconstructie aan de hand van de productiekosten in dit land, ofwel, tot slot, op basis van de prijzen bij uitvoer naar een geschikt derde land.
87.
Toch moet telkens wanneer dit mogelijk is, worden uitgegaan van de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het uitvoerende land voor het betrokken product worden betaald. De voorrang van dit criterium op de andere in artikel 2 van de basisverordening genoemde berekeningsmethoden steunt volgens mij op de opvatting dat het vaststellen van een objectieve realiteit de beste weg is om de normale waarde te bepalen.
88.
Naar mijn mening berust de in artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening voorziene voorrang in het geval van invoer uit landen zonder markteconomie op dezelfde opvatting.
89.
In dit geval is het onmogelijk de prijzen die worden toegepast in het land van uitvoer in aanmerking te nemen, aangezien deze prijzen gewoonlijk niet voortvloeien uit de wetten van de vraag en aanbod op deze markt. ( 11 ) De gemeenschapswetgever moest dus andere referenties kiezen. Daarom heeft hij bepaald dat de normale waarde in eerste instantie moet worden vastgesteld aan de hand van prijzen die worden toegepast in een derde land met een markteconomie, dat op redelijke wijze wordt geselecteerd, of, enkel indien dit onmogelijk is, op elke redelijke grondslag, zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs in de Gemeenschap.
90.
Die voorrang voor de prijzen van een soortgelijk product in een derde land dat op redelijke wijze wordt geselecteerd, wordt volgens mij eveneens verklaard door een voorkeur voor de vaststelling van een objectieve realiteit, die in dit geval de situatie in het uitvoerende land het meest benadert. De gemeenschapswetgever wilde dus dat de Commissie telkens wanneer dat mogelijk is, de normale waarde vaststelt aan de hand van prijzen in een derde land dat het meeste overeenkomsten vertoont met het uitvoerende land, met name wat betreft de kenmerken van het product, de verkochte hoeveelheid, de toegang tot grondstoffen en energie, het productieproces, en dat op grond van deze gelijkenissen kan worden beschouwd als een referentieland.
91.
Het gebruik van de prijzen van een soortgelijk product in de Gemeenschap is dus slechts als subsidiaire optie voorzien, aangezien deze prijzen kunnen zijn beïnvloed door factoren als loon- en grondstoffenkosten, die in het algemeen hoger liggen dan in een derde land zonder markteconomie.
92.
De Commissie kan en moet, zoals GLS heeft betoogd in haar subsidiaire middel tot nietigverklaring, weliswaar correcties toepassen om deze verschillen te compenseren. Deze correcties vinden echter plaats op basis van ramingen die duidelijk meer discutabel zijn dan de objectieve vaststelling van de prijzen die werkelijk worden betaald in een derde land dat vergelijkbaar is met het land van uitvoer van het betrokken product.
93.
De voorrang die in artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening uitdrukkelijk wordt gegeven aan de prijzen voor een soortgelijk product in een derde referentieland met een markteconomie, is er naar mijn mening dus op gericht te verzekeren dat het antidumpingrecht niet hoger is dan de dumpingmarge, in overeenstemming met de eis in artikel 9, lid 4, van de basisverordening en met het beginsel van artikel VI, lid 2, van de GATT alsook van artikel 9 van de overeenkomst inzake de toepassing van dit artikel VI.
94.
In het licht van het bovenstaande zal ik de redenen toelichten waarom ik van mening ben dat de Commissie in de onderhavige zaak niet aan haar verplichtingen heeft voldaan.
b) Redenen waarom de Commissie niet aan haar verplichtingen heeft voldaan.
95.
Uit artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening komt naar voren dat de Commissie de normale waarde slechts rechtmatig kan vaststellen aan de hand van de prijs die in de Gemeenschap wordt betaald, indien zij met de betrouwbare gegevens die beschikbaar zijn en rekening houdend met de haar opgelegde termijnen, geen derde land met een markteconomie kan selecteren dat geschikt lijkt.
96.
Zoals het Gerecht heeft aangegeven in zijn arrest van 23 oktober 2003, Changzhou Hailong Electronics & Light Fixtures en Zhejiang Yankon/Raad ( 12 ), mogen de Raad en de Commissie de in artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening geformuleerde algemene regel voor de vaststelling van de normale waarde van producten uit landen zonder markteconomie slechts passeren en een andere redelijke grondslag hanteren, wanneer het niet mogelijk is deze algemene regel toe te passen. Een dergelijke onmogelijkheid kan zich enkel voordoen wanneer de voor de vaststelling van de normale waarde vereiste gegevens niet beschikbaar of niet betrouwbaar zijn. ( 13 )
97.
Uit dit arrest kunnen wij de volgende lezing trekken. In de eerste plaats beschikt de Commissie, anders dan zij in haar schriftelijke opmerkingen te kennen heeft gegeven, bij haar keuze voor de subsidiaire rekenmethode in plaats van de prijzen die in of bij uitvoer uit een geschikt derde land worden gehanteerd, niet over een ruime beoordelingsmarge. De rechtspraak waarnaar de Commissie verwijst, op basis waarvan zij bij de vaststelling van de normale waarde over een ruime beoordelingsmarge beschikt, is in dit soort gevallen niet van toepassing. De vraag of zij gezien de beschikbare gegevens inderdaad onmogelijk kon uitgaan van de prijzen in een geschikt derde land of bij uitvoer uit dit land, behoeft geen analyse van een complexe economische situatie, en moet dus volledig door de rechter kunnen worden getoetst.
98.
Ten tweede kan het begrip „beschikbare gegevens” in de zin van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening niet worden beperkt tot de gegevens die de klager in zijn klacht verstrekt, noch tot de informatie die later door partijen tijdens het onderzoek wordt meegedeeld.
99.
Zoals de Raad en de Commissie herhalen, is het in de basisverordening geregelde onderzoek wel contradictoir van aard en hebben belanghebbenden het recht hun opmerkingen in te dienen, met name inzake de keuze van de wijze waarop de Commissie de normale waarde wil berekenen. Ook klopt het dat het onderzoek in het algemeen wordt geopend naar aanleiding van een klacht en dat de Commissie rekening moet houden met de hierin vervatte gegevens, met name wat de vervaardiging van het betrokken product in de wereld betreft.
100.
De Commissie kan zich echter niet beperken tot deze informatie. Een dergelijke beperking is namelijk niet in artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening voorzien.
101.
De Commissie moet ambtshalve alle relevante gegevens onderzoeken waartoe zij zelf toegang heeft. Zij speelt, wanneer zij een antidumpingprocedure leidt, namelijk niet de rol van arbiter die enkel bevoegd is te beslissen in het licht van de informatie en het bewijs die door partijen zijn overgelegd.
102.
Deze analyse vindt met name bevestiging in artikel 6, leden 3 en 4, van de basisverordening, waarbij de Commissie de bevoegdheid wordt toegekend de lidstaten te verzoeken haar gegevens te verstrekken en alle noodzakelijke controles en inspecties uit te voeren.
103.
Gezien het belang van een antidumpingprocedure voor betrokkenen, moet de Commissie in de documenten waarover zij beschikt en die de garantie bieden van voldoende betrouwbaarheid, ambtshalve nagaan of er derde landen met een markteconomie bestaan waar producten worden vervaardigd die identiek zijn aan of vergelijkbaar met het betrokken product, en die als referentieland voor het uitvoerende land kunnen worden gekozen.
104.
In dit opzicht zijn de statistieken van Eurostat, het bureau voor de statistiek van de Europese Unie, een directoraat-generaal van de Commissie, dat als taak heeft een kwalitatief hoogwaardige dienst op het gebied van statische informatie te leveren, het zonder enige twijfel waard te worden beschouwd als informatiebron die systematisch door de Commissie zou moeten worden geraadpleegd.
105.
Dientengevolge staat het aan de Commissie om, wanneer op basis van de Eurostat-statistieken die beschikbaar zijn op het moment dat het onderzoek wordt ingeleid of tijdens dit onderzoek, kan worden verondersteld dat producten die vergelijkbaar zijn met het betrokken product in verschillende derde landen met een markteconomie worden vervaardigd in hoeveelheden die niet kennelijk te verwaarlozen zijn, ambtshalve te onderzoeken of een van deze landen als referentieland in de zin van artikel 2, lid 7, sub a, van de basisverordening kan dienen.
106.
Krachtens artikel 2, lid 7, sub a, derde alinea, van de basisverordening is het ook aan de Commissie om spoedig aan de partijen die naar haar mening betrokken zijn bij het onderzoek, mee te delen welk derde land met een markteconomie zij wil kiezen, zodat deze partijen binnen tien dagen na deze mededeling hun opmerkingen op dit punt kunnen maken.
107.
In deze zaak moet echter worden vastgesteld dat de Commissie niet aan deze verplichtingen heeft voldaan.
108.
Uit de statistieken van Eurostat die beschikbaar waren toen de Commissie de klacht onderzocht die tot deze zaak heeft geleid, blijkt namelijk dat producten onder dezelfde post van de GN als het betrokken product vanuit Israël, de Filipijnen, Marokko, Swaziland, Thailand en Turkije werden ingevoerd in de Gemeenschap. Op basis van het feit dat deze producten onder dezelfde post als het betrokken product waren ingedeeld in het gemeenschappelijke douanetarief, kan worden verondersteld dat zij kunnen worden beschouwd als soortgelijke producten in de zin van de basisverordening.
109.
Uit het onderzoek van deze gegevens komt ook naar voren dat de ingevoerde hoeveelheden, hoewel kleiner dan die uit China, niet kennelijk te verwaarlozen lijken. Op basis van deze gegevens kon dus worden vermoed dat producten die vergelijkbaar waren met het betrokken product, in deze landen in voldoende hoeveelheden werden vervaardigd om hun prijzen als representatief voor de betrokken markt te kunnen beschouwen.
110.
De Commissie heeft ter terechtzitting uitgelegd dat de statistieken van Eurostat voor ieder derde land de totale hoeveelheden ingevoerde producten die onder drie GN-codes vallen vermelden, zodat hieruit geen significante hoeveelheid van met het betrokken product vergelijkbare producten is te herleiden. Niettemin moet worden vastgesteld dat deze statistieken een objectieve aanwijzing vormen, dat er andere derde landen bestaan waarin dergelijke producten mogelijk worden vervaardigd.
111.
Ik stel ook vast dat de Raad in punt 17 van de considerans van verordening nr. 1355/2008 aangeeft, dat de berekening van de normale waarde door de Commissie op basis van de prijzen in de Gemeenschap de enige redelijke grondslag vormde voor de berekening, zonder te motiveren waarom geen van de bovengenoemde derde landen, met een markteconomie, als referentieland kon worden gebruikt.
112.
Tot slot blijkt uit de gegevens van het dossier, met name het bericht van opening van een onderzoek, dat de Commissie gelet op de aanwijzingen in de klacht, is uitgegaan van de vooronderstelling dat het betrokken product niet buiten de Gemeenschap en China werd geproduceerd.
113.
Zoals volkomen terecht door GLS wordt uiteengezet, heeft de Commissie de wereldwijde productie van het betrokken product en de referentielanden die eventueel in aanmerking kwamen, dus onjuist beoordeeld, hoewel zij beschikte over de statistieken van Eurostat waaruit bleek dat uit verschillende derde landen met een markteconomie in niet kennelijk te verwaarlozen hoeveelheden producten werden ingevoerd, die als soortgelijke producten konden worden beschouwd.
114.
De Commissie heeft haar vergissing overigens erkend, aangezien zij in punt 40 van de considerans van verordening nr. 642/2008 uiteenzet dat het Koninkrijk Thailand als referentieland kon dienen en dat zij tevergeefs vragen heeft gesteld aan twee Thaise ondernemingen.
115.
Zij heeft hiermee getracht haar oorspronkelijke beoordelingsfout te herstellen, en haar kan naar mijn mening niet worden verweten dat zij niet meer stappen heeft ondernomen ten aanzien van de twee betrokken ondernemingen.
116.
Zo wordt niet betwist dat deze ondernemingen onder de omstandigheden waarin hen de vragen waren gesteld en de termijn waarbinnen zij het formulier moesten invullen, hadden kunnen antwoorden, zodat hun stilzitten geheel aan hen kan worden toegeschreven. Overigens moet worden vastgesteld dat de Commissie niet beschikt over enig pressiemiddel ten aanzien van ondernemingen in derde landen om hen tot medewerking te dwingen.
117.
Deze aanpak van de Commissie kan echter niet leiden tot de conclusie dat zij haar verplichtingen naar behoren heeft vervuld. Nadat haar actie in december 2007 mislukt bleek, heeft de Commissie, hoewel zij hier nog de tijd voor had, namelijk niet onderzocht of uit de andere landen met een markteconomie die in de statistieken van Eurostat stonden vermeld en net als het Koninkrijk Thailand in aanmerking konden komen als producenten van het betrokken product, een ander derde land als referentieland kon worden gekozen. Hoewel de Commissie geen rekening hoefde te houden met een land als Japan, aangezien de vermelding van dit land tijdens een hoorzitting in strijd met artikel 6, lid 6, laatste volzin, van de basisverordening niet later schriftelijk was bevestigd, had zij echter op basis van de aanwijzingen uit haar eigen statistieken wel de nodige controles moeten uitvoeren voor andere derde landen.
118.
Naar mijn mening heeft de Commissie aldus niet de voorschriften van artikel 18, lid 5, van de basisverordening in acht genomen, op basis waarvan, het zij nogmaals gezegd, wanneer in geval van niet-medewerking van een belanghebbende de vaststellingen, met inbegrip van die betreffende de normale waarde, worden gebaseerd op de beschikbare gegevens, met name de informatie in de klacht, deze gegevens indien mogelijk en met inachtneming van de voor het onderzoek vastgestelde termijnen, moeten worden getoetst aan andere beschikbare onafhankelijke bronnen, zoals gepubliceerde prijslijsten, officiële invoerstatistieken en douaneaangiften.
119.
Om deze reden ben ik met GLS van mening dat de Commissie in de onderhavige zaak geen serieuze en voldoende inspanningen heeft geleverd om de normale waarde van het betrokken product vast te stellen op basis van de prijzen in een derde land met een markteconomie. Ik geef het Hof dan ook in overweging om op de gestelde vraag te antwoorden dat verordening nr. 1355/2008 om deze reden onrechtmatig is.
IV – Conclusie
120.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Finanzgericht Hamburg te beantwoorden als volgt:
„Verordening (EG) nr. 1355/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China, is ongeldig aangezien de Europese Commissie de normale waarde van het betrokken product heeft vastgesteld op basis van de prijzen die in de Europese Gemeenschap voor een soortgelijk product worden betaald of dienen te worden betaald, zonder zich voldoende te hebben ingespannen om deze waarde vast te stellen aan de hand van de in een geschikt derde land geldende prijzen, in strijd met de vereisten van artikel 2, lid 7, sub a, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad van 21 december 2005.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Verordening (EG) nr. 642/2008 van de Commissie van 4 juli 2008 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 178, blz. 19), en verordening (EG) nr. 1355/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 350, blz. 35).
( 3 ) Verordening van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad van 21 december 2005 (PB L 340, blz. 17; hierna: „basisverordening”).
( 4 ) PB C 246, blz. 15.
( 5 ) Hierna: „GLS”.
( 6 ) Arrest van 11 juli 1990, Neotype Techmashexport/Commissie en Raad (C-305/86 en C-160/87, Jurispr. blz. I-2945, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 7 ) Zie dienaangaande, arrest van 15 februari 2001, Nachi Europe (C-239/99, Jurispr. blz. I-1197, punt 39).
( 8 ) Arrest van 11 juli 1990, Electroimpex e.a./Raad (C-157/87, Jurispr. blz. I-3021, punten 10-13).
( 9 ) GLS noemt hoofdzakelijk het arrest van 22 oktober 1991, Nölle (C-16/90, Jurispr. blz. I-5163).
( 10 ) De Commissie verwijst tevens naar het arrest Nölle, reeds aangehaald, alsook naar het arrest van 29 mei 1997, Rotexchemie (C-26/96, Jurispr. blz. I-2817), en het arrest van het Gerecht van 28 september 1995, Ferchimex/Raad (T-164/94, Jurispr. blz. II-2681).
( 11 ) Arrest Rotexchemie, reeds aangehaald (punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) T-255/01, Jurispr. blz. II-4741.
( 13 ) Punt 59.
Full & Egal Universal Law Academy