CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 9 juni 2011 (1)
Zaak C‑426/10 P
Bell & Ross BV
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
„Hogere voorziening – Ondertekende origineel verzoekschrift buiten termijn neergelegd – Afwijzing als kennelijk niet-ontvankelijk – Regulariseerbaar verzuim – Begrippen verschoonbare dwaling en toeval – Beginselen van gewettigd vertrouwen en evenredigheid”
1. Na per faxbericht, vóór het verstrijken van de beroepstermijn, aan de griffie van het Gerecht van de Europese Unie (hierna: „griffie”) een verzoekschrift strekkende tot vernietiging van een beslissing van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) te hebben gezonden, heeft de advocaat van Bell & Ross BV (hierna: „rekwirante”) de griffie zeven exemplaren van datzelfde verzoekschrift toegezonden. Deze exemplaren zijn bij de griffie ingekomen na het verstrijken van de beroepstermijn, maar binnen de vastgestelde termijn van tien dagen voor het neerleggen van het origineel, na een toezending per faxbericht.
2. Aangezien de griffie niet kon vaststellen welk van de zeven exemplaren het origineel was, heeft zij de advocaat verzocht om toezending van het origineel van het verzoekschrift. De advocaat heeft het nog in zijn bezit zijnde exemplaar toegezonden, dat bij de griffie is binnengekomen na de genoemde termijn van tien dagen. Na met behulp van een vochtig doekje de handtekening te hebben geverifieerd, heeft de griffie geconcludeerd dat het ging om het origineel van het verzoekschrift en dat de andere exemplaren er afschriften van waren.
3. Het Gerecht heeft vervolgens, zonder de behandeling van de zaak voort te zetten, het beroep bij met redenen omklede beschikking kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, aangezien het origineel van het verzoekschrift na het verstrijken van de beroepstermijn was neergelegd.
4. De onderhavige hogere voorziening betwist deze beslissing(2), met name wat betreft de begrippen regulariseerbaar verzuim, verschoonbare dwaling of toeval, de evenredigheid van de door het Gerecht genomen beslissing en de bescherming van het gewettigd vertrouwen.
Rechtskader
Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie
5. Artikel 21, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) bepaalt met name dat een verzoekschrift, indien daartoe aanleiding bestaat, vergezeld gaat van de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevraagd. Indien dat stuk niet bij het verzoekschrift is gevoegd, „nodigt de griffier de betrokkene uit [het] alsnog binnen een redelijke termijn over te leggen; verval van het recht tot beroep kan niet worden tegengeworpen indien het verzuim eerst is hersteld na het verstrijken van de termijn van beroep”.
Reglement voor de procesvoering van het Gerecht
6. Artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht (hierna: „Reglement voor de procesvoering”) bepaalt:
„1. Het origineel van elk processtuk wordt ondertekend door de gemachtigde of de advocaat van de partij.
Dit processtuk, vergezeld van alle bijlagen waarnaar daarin wordt verwezen, wordt overgelegd tezamen met vijf afschriften voor het Gerecht en één voor elke andere partij. De afschriften worden voor eensluidend gewaarmerkt door de partij van wie zij afkomstig zijn.
[...]
6. [...] [D]e dag waarop een kopie van het ondertekende origineel van een processtuk [...] per telefax of door middel van enig ander technisch communicatiemiddel waarover het Gerecht beschikt, ter griffie binnenkomt, wordt voor de berekening van de procestermijnen in aanmerking genomen, mits het ondertekende origineel van het stuk, vergezeld van de bijlagen en afschriften bedoeld in lid 1, tweede alinea, uiterlijk tien dagen later ter griffie wordt neergelegd. Artikel 102, lid 2[(3)], is niet van toepassing op deze termijn van tien dagen.
[...]”
7. Artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt:
„Indien het verzoekschrift niet beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in de leden 3 tot en met 5 van dit artikel[(4)], stelt de griffier de verzoeker een redelijke termijn om de verzuimen in het verzoekschrift te herstellen dan wel de bovenbedoelde stukken over te leggen. Wordt aan deze aanwijzingen binnen bedoelde termijn geen gevolg gegeven, dan beslist het Gerecht, of het niet in acht nemen van bedoelde voorwaarden tot de formele niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift leidt.”
8. Artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt:
„Wanneer het Gerecht kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, kan het, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.”
Instructies voor de griffier van het Gerecht
9. De Instructies voor de griffier van het Gerecht (hierna: „Instructies voor de griffier”) zijn vastgesteld op de grondslag van artikel 23 van het Reglement voor de procesvoering. Artikel 7 ervan luidt:
„1. De griffier ziet erop toe dat de processtukken in overeenstemming zijn met het bepaalde in het Statuut, in het Reglement voor de procesvoering, in de Praktische aanwijzingen voor de partijen en in deze instructies.
In voorkomend geval stelt hij de partijen een termijn waarbinnen zij formele onregelmatigheden van de ingediende stukken kunnen herstellen.
De betekening van een memorie wordt uitgesteld in geval van niet-inachtneming van de in de punten 55 en 56 van de Praktische aanwijzingen voor de partijen bedoelde bepalingen van het Reglement voor de procesvoering.
De niet-inachtneming van de bepalingen van de punten 57 en 59 van de Praktische aanwijzingen voor de partijen leidt ertoe of kan er, naargelang van het geval, toe leiden dat de betekening van de memorie wordt uitgesteld.
[...]
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering inzake de neerlegging van stukken per telefax of door middel van enig ander technisch communicatiemiddel, accepteert de griffier slechts de stukken die de originele handtekening van de advocaat of gemachtigde van de partij dragen.
[...]”
Praktische aanwijzingen voor de partijen
10. De praktische aanwijzingen van het Gerecht voor de partijen (hierna: „Praktische aanwijzingen”) zijn vastgesteld op de grondslag van artikel 150 van het Reglement voor de procesvoering. Onderdeel B ervan, met als opschrift „De opmaak van de memories”, bepaalt met name:
„[...]
7. De memorie bevat aan het einde de originele handtekening van de advocaat of de gemachtigde van de betrokken partij. Indien er meerdere vertegenwoordigers zijn, volstaat de handtekening van een van hen.
[...]
9. Op elk van de afschriften van elk processtuk dat de partijen op grond van artikel 43, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering dienen over te leggen, plaatst de advocaat of de gemachtigde van de betrokken partij de door hem geparafeerde vermelding dat het afschrift conform is aan het originele stuk.”
11. Onderdeel F, met als opschrift „Regularisatie van memories”, preciseert in de punten 55 tot en met 59 de voorwaarden waaronder verzoekschriften kunnen worden geregulariseerd.
12. Volgens punt 55 wordt een verzoekschrift dat niet voldoet aan de volgende voorwaarden niet betekend aan de verwerende partij en wordt een redelijke termijn verleend voor de regularisatie ervan:
„(a) overlegging van het legitimatiebewijs van de advocaat (artikel 44, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering);
(b) bewijs van het bestaan rechtens van de privaatrechtelijke rechtspersoon (artikel 44, lid 5, sub a, van het Reglement voor de procesvoering);
(c) volmacht (artikel 44, lid 5, sub b, van het Reglement voor de procesvoering);
(d) bewijs dat de volmacht op regelmatige wijze werd verstrekt door een daartoe gerechtigd vertegenwoordiger (artikel 44, lid 5, sub b, van het Reglement voor de procesvoering);
(e) overlegging van de bestreden handeling (beroep tot nietigverklaring) [...] (artikel 21, tweede alinea, van het Statuut; artikel 44, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering).”
13. Punt 56 bepaalt:
„In intellectuele-eigendomszaken waarin de wettigheid van een beslissing van een kamer van beroep van het BHIM wordt betwist, wordt een verzoekschrift dat niet voldoet aan de volgende voorwaarden van artikel 132 van het Reglement voor de procesvoering niet betekend aan de andere partij/partijen en wordt een redelijke termijn verleend voor de regularisatie ervan:
(a) de namen van de partijen in de procedure voor de kamer van beroep alsmede de door deze partijen opgegeven adressen waaraan de in de loop van die procedure te verrichten kennisgevingen moeten geschieden (artikel 132, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering);
(b) de datum van kennisgeving van de beslissing van de kamer van beroep (artikel 132, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering);
(c) opname van de bestreden beslissing in de bijlage (artikel 132, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering).”
14. Punt 57 bepaalt met name:
„Indien een verzoekschrift niet voldoet aan de volgende voorwaarden, wordt de betekening van het verzoekschrift uitgesteld en wordt een redelijke termijn verleend voor de regularisatie ervan:
[...]
(b) originele handtekening van de advocaat of van de gemachtigde aan het einde van het verzoekschrift (punt 7 van de Praktische aanwijzingen);
[...]
(o) overlegging van de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van het verzoekschrift (artikel 43, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering; punt 9 van de Praktische aanwijzingen).”
15. Punt 58 bepaalt dat indien het verzoekschrift niet voldoet aan de vormvoorwaarden met betrekking tot de domiciliekeuze, het legitimatiebewijs voor elke aanvullende advocaat, de samenvatting van de argumenten en de vertaling van bijlagen in de procestaal, het verzoekschrift wordt betekend en een redelijke termijn wordt verleend voor de regularisatie ervan.
16. Ten slotte bepaalt punt 59 dat een verzoekschrift, naargelang het geval, dient of kan worden geregulariseerd wanneer het aantal bladzijden het in de Praktische aanwijzingen vastgestelde aantal overschrijdt; in een dergelijk geval wordt de betekening ervan uitgesteld.
Voorgeschiedenis van de zaak
17. Bij op 22 januari 2010 per faxbericht ter griffie van het Gerecht ingekomen verzoekschrift heeft rekwirante beroep ingesteld tegen een beslissing van het BHIM.(5) Aangezien de genoemde beslissing op 13 november 2009 aan rekwirante is betekend, vloeide uit de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering voor de berekening van de procestermijnen voort dat de beroepstermijn op 25 januari 2010 verstreek.
18. De advocaat van rekwirante heeft vervolgens de griffie zeven exemplaren van het verzoekschrift met de bijbehorende bijlagen, en de bij artikel 44, leden 3 tot en met 5, van het Reglement voor de procesvoering vereiste stukken toegezonden, vergezeld van een brief waarin werd verduidelijkt dat de zending het origineel van het verzoekschrift en de bijbehorende bijlagen omvatte en zeven eensluidende afschriften van deze stukken.(6) De zending is op 1 februari 2010, de tiende dag na de toezending per faxbericht, bij de griffie ingekomen.
19. Op 2 februari 2010 heeft de griffie de advocaat verzocht om het ondertekende origineel van het verzoekschrift, dat in de zending leek te ontbreken.
20. Bij brief van 3 februari 2010 heeft de advocaat de griffie het enige exemplaar van het verzoekschrift dat in zijn dossier voorkwam, toegezonden en verklaard:
„Aangezien ik ervan ben overtuigd dat ik u al eerder het origineel van het stuk met een stel afschriften heb toegezonden, kan ik u niet zeggen of het bijgevoegde stuk al dan niet een origineel is. Het gaat voor mij om het afschrift dat wij in het dossier hebben bewaard. Ik laat het onderzoek ervan aan u over en wacht derhalve uw opmerkingen af.”
21. Op 5 februari 2010 heeft de griffie de advocaat medegedeeld te hebben geconcludeerd dat dat stuk een origineel was: na een vochtig doekje over de handtekening te hebben gehaald, was de (zwarte) inkt licht uitgelopen.
22. De griffie heeft het verzoekschrift derhalve de dato 5 februari 2010 ingeschreven, dus zowel na het verstrijken van de beroepstermijn, als na het verstrijken van de bij artikel 43, lid 6, van de Reglement voor de procesvoering vastgestelde termijn van tien dagen.
23. Bij brief van 12 februari 2010 aan de griffie heeft de advocaat van rekwirante een verschoonbare dwaling aangevoerd als rechtvaardigingsgrond voor het neerleggen van het ondertekende origineel van het verzoekschrift na afloop van de hierboven genoemde tiendagentermijn.
24. Gelet op deze omstandigheden is het verzoekschrift niet aan het BHIM betekend.
De bestreden beschikking
25. Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht, dat zich door de stukken in het dossier voldoende ingelicht achtte en krachtens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering heeft besloten uitspraak te doen zonder de behandeling van de zaak voort te zetten, het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
26. Het Gerecht heeft eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak(7) de beroepstermijn van openbare orde is, aangezien hij is ingesteld teneinde met betrekking tot de rechtens bestaande situaties duidelijkheid en zekerheid te waarborgen en om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden, en dat het aan de rechter van de Unie is om ambtshalve na te gaan of hij is geëerbiedigd.(8) Het Gerecht heeft vervolgens vastgesteld dat het verzoekschrift op 22 januari 2010, vóór het verstrijken van de beroepstermijn, per faxbericht bij de griffie is ingekomen en dat, gelet op de bij artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde termijn van tien dagen, het origineel vóór 1 februari 2010 aldaar had moeten worden ontvangen. Aangezien dit origineel pas op 5 februari 2010 is ontvangen, was de neerlegging van het verzoekschrift tardief.(9)
27. Vervolgens heeft het Gerecht de in de brief van 12 februari 2010 aangevoerde argumenten voor het bestaan van een verschoonbare dwaling onderzocht: de dienstverrichter die de afschriften van het verzoekschrift heeft gemaakt, heeft het origineel met een van de afschriften verwisseld; de advocaat heeft de gewoonte om met zwarte inkt te ondertekenen; de kwaliteit van de afschriften heeft het moeilijk gemaakt om het origineel van de afschriften te onderscheiden; de test met het vochtige doekje kan niet stelselmatig van een rekwirant worden verlangd, en het bestaan van de mogelijkheid tot regularisatie volgens punt 57, sub o, van de Praktische aanwijzingen kan de oplettendheid van rekwiranten met betrekking tot de noodzaak om het origineel van de afschriften te onderscheiden, doen afnemen.
28. Het Gerecht heeft geoordeeld dat geen van deze argumenten tot een verschoonbare dwaling kon leiden. Volgens de rechtspraak(10) betreffende de beroepstermijnen moet het begrip verschoonbare dwaling restrictief worden uitgelegd en ziet het alleen op uitzonderlijke omstandigheden waarin, met name, de betrokken instelling zich aldus heeft gedragen dat dit gedrag alleen of in doorslaggevende mate bij een justitiabele te goeder trouw, die alle zorgvuldigheid aan de dag legt die van iemand met normale kennis van zaken mag worden verwacht, tot een begrijpelijk misverstand heeft geleid. In het onderhavige geval heeft rekwirante toegegeven zelf bij de voorbereiding van het dossier een misverstand te hebben veroorzaakt, en is noch van het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden, noch van het aan de dag leggen van de vereiste zorgvuldigheid, gebleken. De moeilijkheid om het ondertekende origineel van het verzoekschrift te onderscheiden van de afschriften daarvan, had kunnen worden opgelost.(11)
29. Het verzuim om het ondertekende origineel binnen de termijn neer te leggen, komt overigens niet voor onder de in de punten 55 tot en met 59 van de Praktisch aanwijzingen voorziene gevallen van regularisatie van verzoekschriften. De in punt 57, sub o, voorziene regularisatiemogelijkheid kan er niet toe leiden dat de verzoekende partijen, die het origineel van de afschriften behoren te onderscheiden, minder oplettend zouden hoeven te zijn.(12)
Conclusies en middelen in hogere voorziening
30. Rekwirante concludeert dat het het Hof behage de bestreden beschikking te vernietigen, vast te stellen dat het beroep tot vernietiging ontvankelijk is, de zaak te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak ten gronde op dit beroep en het BHIM te verwijzen in de kosten in beide instanties.
31. Zij voert zes middelen aan, die respectievelijk zijn ontleend aan schending van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering, schending van artikel 43 van dat Reglement, niet-eerbiediging van punt 57, sub b, van de Praktische aanwijzingen en artikel 7, lid 1, van de Instructies voor de griffier, niet-erkenning van een verschoonbare dwaling, het bestaan van een toeval en schending van het evenredigheidsbeginsel en van het beginsel van het gewettigd vertrouwen.
32. Het BHIM concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirante in de kosten.
Beoordeling
Opmerkingen vooraf
33. Om te beginnen acht ik het van belang om de belangrijkste omstandigheden van deze zaak helder voor ogen te hebben.
34. In de eerste plaats wordt niet bestreden dat ten gevolge van een verwisseling het exemplaar van het verzoekschrift dat op 5 februari 2010 bij de griffie is binnengekomen, de originele handtekening van de advocaat droeg en dat de op 1 februari ontvangen exemplaren er exacte afschriften van waren. Evenmin wordt bestreden dat het op 5 februari ontvangen stuk het origineel was van het op 22 januari ontvangen faxbericht. Verder staat vast dat de beroepstermijn op 25 januari 2010 is verstreken (en derhalve is geëerbiedigd wat betreft de toezending van het verzoekschrift per telefax op 22 januari) en dat de termijn van tien dagen voor het indienen van het origineel van het verzoekschrift, volgend op de toezending per telefax, op 1 februari 2010 is verstreken.
35. In de tweede plaats lijkt het mij van belang om op te merken dat om zeer duidelijke redenen het aan het Gerecht gerichte verzoekschrift zelf geen argumentatie bevatte met betrekking tot de oorzaken van de bovengenoemde verwisseling, de mogelijke rechtvaardiging van het tardieve neerleggen van het verzoekschrift of de mogelijkheden tot regularisatie. Aangezien het verzoekschrift niet aan het BHIM is betekend en er geen terechtzitting is georganiseerd, hebben partijen niet de gelegenheid gehad om zich rechtstreeks voor het Gerecht over deze aspecten uit te laten.(13) Het Gerecht is derhalve op basis van zowel telefonische als schriftelijke mededelingen tussen de advocaat en de griffie, en op basis van de vaststelling door laatstgenoemde van de originele handtekening van de advocaat, tot de beslissing gekomen die is vervat in de bestreden beschikking.
36. Vervolgens moet ik herinneren aan de, voor de beoordeling van deze hogere voorziening meest relevant lijkende rechtsbeginselen van de Unie: het rechtszekerheidsbeginsel, krachtens hetwelk beroepstermijnen van openbare orde zijn en niet naar believen van partijen en de rechter kunnen worden ingeroepen; het recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor een gerecht onder de bij artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vastgestelde voorwaarden; het evenredigheidsbeginsel, dat vereist dat de bij een bepaling van het recht van de Unie toegepaste middelen geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is, en het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, dat van toepassing is op iedere justitiabele bij wie een instelling van de Unie, door hem nauwkeurige toezeggingen te doen, gegronde verwachtingen heeft gewekt.
37. Gezien deze beginselen en de omstandigheden van het onderhavige geval komt het mij voor dat het derde en het zesde middel bijzondere aandacht verdienen zodat ik deze eerst zal behandelen. De andere middelen kunnen daarna korter worden onderzocht.
Derde middel: niet-eerbiediging van artikel 7, lid 1, van de Instructies voor de griffier en punt 57, sub b, van de Praktische aanwijzingen
38. Rekwirante voert aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet de mogelijkheid te bieden om het beroep overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de Instructies voor de griffier (volgens hetwelk de griffier in voorkomend geval de partijen een termijn stelt waarbinnen zij formele onregelmatigheden van de ingediende stukken kunnen herstellen) en punt 57, sub b, van de Praktische aanwijzingen (volgens hetwelk een redelijke termijn wordt verleend voor de regularisatie indien het verzoekschrift niet voldoet aan het vormvoorschrift dat het verzoekschrift aan het einde de originele handtekening van de advocaat bevat) te regulariseren.
39. Om te beginnen kan ik niet instemmen met het door het BHIM aangevoerde bezwaar tegen de ontvankelijkheid van dit middel. Het BHIM stelt namelijk dat rekwirante voor het Gerecht punt 57, sub b, van de Praktische aanwijzingen niet heeft aangevoerd.
40. Het is in principe juist dat een middel met betrekking tot de bodemprocedure dat niet is aangevoerd voor het Gerecht, niet voor de eerste maal kan worden opgeworpen voor het Hof.(14) In het onderhavige geval komt het mij echter voor dat de ontvankelijkheid van de middelen van de hogere voorziening niet kan worden beoordeeld aan de hand van de al dan niet gelijksoortigheid ervan met de in eerste aanleg aangevoerde middelen. Rekwirante heeft immers in de procedure voor het Gerecht niet de mogelijkheid gehad om welk middel dan ook betreffende de litigieuze bepaling op te werpen. Het verzoekschrift zelf kon geen uiteenzetting bevatten van de omstandigheden inzake de neerlegging daarvan, die om duidelijke redenen niet waren voorzien bij de opstelling ervan. Wat de wederzijdse mededelingen – zelfs schriftelijke – tussen de advocaat van rekwirante en de griffie betreft, gaat het in geen geval om stukken waarin rekwirante een middel zou hebben kunnen opwerpen dat in het kader van haar beroep ontvankelijk had kunnen zijn.
41. Ten gronde acht ik de door rekwirante aangevoerde argumenten overtuigend, terwijl ik de door het BHIM geuite bezwaren niet doorslaggevend vind.
42. Hoewel artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering inderdaad slechts met betrekking tot de voorwaarden van de leden 3 tot en met 5 ervan voorziet in een mogelijkheid tot herstel van verzuimen binnen een door de griffier te stellen redelijke termijn, is deze opsomming – anders dan het BHIM stelt – niet uitdrukkelijk limitatief.
43. Artikel 7, lid 1, van de Instructies voor de griffier bepaalt wat dat betreft dat deze erop toeziet dat de processtukken in overeenstemming zijn met het bepaalde „in het Statuut, in het Reglement voor de procesvoering, in de Praktische aanwijzingen voor de partijen en in deze instructies” en dat in voorkomend geval „hij de partijen een termijn [stelt] waarbinnen zij formele onregelmatigheden van de ingediende stukken kunnen herstellen.” Ik concludeer hieruit dat de bedoelde formele onregelmatigheden alle voorschriften omvatten die in de bepalingen van de vier genoemde instrumenten worden genoemd.
44. Het ontbreken van de originele handtekening van de advocaat aan het einde van het verzoekschrift is inderdaad geen zuiver formele onregelmatigheid (zoals bijvoorbeeld het gebruik van een ander papierformaat dan het in punt 8, sub a, van de Praktische aanwijzingen voorgeschreven A4-formaat), omdat zij de identificatie van het stuk als afkomstig van een bevoegde bron en derhalve de inhoud ervan betreft. De handtekening vormt evenwel slechts een van de factoren die deze identificatie mogelijk maken. Daartoe behoren eveneens het bewijs van het bestaan rechtens van een verzoekende partij, indien zij een rechtspersoon is, de aan de advocaat verleende volmacht, het bewijs dat de volmacht op regelmatige wijze is verleend en het legitimatiebewijs van de advocaat. Het ontbreken van een van deze elementen maakt het onmogelijk om de bevoegde herkomst van het document na te gaan en leidt derhalve tot de niet-ontvankelijkheid ervan. Omdat vaststaat dat het ontbreken van een van deze andere stukken een regulariseerbare formele onregelmatigheid vormt, concludeer ik daaruit dat voor de originele handtekening van de advocaat hetzelfde geldt.
45. Indien volgens punt 57, sub b, van de Praktische aanwijzingen een verzoekschrift niet voldoet aan het vormvoorschrift dat het verzoekschrift aan het einde de originele handtekening van de advocaat bevat, „wordt de betekening van het verzoekschrift uitgesteld en wordt een redelijke termijn verleend voor de regularisatie ervan”.
46. Het komt mij derhalve voor dat de gecombineerde bepalingen van artikel 7, lid 1, van de Instructies voor de griffier en van punt 57, sub b, van de Praktische aanwijzingen – duidelijk – voorzien in het verlenen van een redelijke termijn voor de regularisatie van het verzoekschrift, wanneer dat aan het einde ervan niet van de originele handtekening van de advocaat is voorzien.
47. Het BHIM werpt echter tegen dat de Instructies voor de griffier geen aanvullende regularisatiemogelijkheden na het verstrijken van de beroepstermijn kunnen bieden, waarin in het Statuut of het Reglement voor de procesvoering niet is voorzien.
48. Dat argument gaat in de eerste plaats uit van een onderscheid tussen regularisatie na het verstrijken van de beroepstermijn (waarin uitsluitend het Statuut en het Reglement voor de procesvoering kunnen voorzien en wat is geregeld voor de in artikel 21, tweede alinea, van het Statuut en artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering genoemde gevallen) en regularisatie vóór het verstrijken van de beroepstermijn (waarin kan worden voorzien in de door het Gerecht vastgestelde aanwijzingen).
49. Om te beginnen ben ik niet van mening dat uit de precisering „verval van het recht tot beroep kan niet worden tegengeworpen indien het verzuim eerst is hersteld na het verstrijken van de termijn van beroep” in artikel 21, tweede alinea, van het Statuut kan worden afgeleid dat het ontbreken van een dergelijke precisering in andere bepalingen met betrekking tot gevallen van regularisatie, noodzakelijkerwijs inhoudt dat deze andere gevallen van regularisatie niet kunnen plaatsvinden na het verstrijken van genoemde termijn.
50. Vervolgens merk ik op dat noch in artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering, noch in artikel 7, lid 1, van de Instructies voor de griffier, noch in punt 57 van de Praktische aanwijzingen, uitdrukkelijk of impliciet, wordt gesteld dat de regularisatie al dan niet kan plaatsvinden na het verstrijken van de beroepstermijn. De drie bepalingen zijn in zeer gelijkluidende bewoordingen gesteld en elke van de drie voorziet in het vaststellen van een (redelijke) termijn door de griffier voor de regularisatie van een processtuk dat een formele onregelmatigheid vertoont. Indien derhalve de in artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering genoemde gevallen kunnen worden geregulariseerd na het verstrijken van de beroepstermijn, is er geen reden om te concluderen dat niet hetzelfde geldt voor de in de andere twee bepalingen genoemde gevallen.(15)
51. Ik ben overigens van mening dat van elke mogelijkheid tot regularisatie van een verzoekschrift die is voorzien in een procedurele bepaling, noodzakelijkerwijs gebruik moet kunnen worden gemaakt na het verstrijken van de beroepstermijn. Zolang immers de beroepstermijn nog niet is verstreken(16), staat het de verzoekende partij altijd vrij, op eigen initiatief dan wel na een mededeling van de griffie die haar informeert over een formele onregelmatigheid, om haar beroep aan te vullen, zonder dat een uitdrukkelijke bepaling noodzakelijk is die haar dat toestaat. Indien er geen uitdrukkelijke bepaling noodzakelijk is die regularisatie toestaat vóór het verstrijken van de beroepstermijn, moet uit het bestaan van een dergelijke bepaling worden afgeleid dat zij regularisatie na het verstrijken van genoemde termijn toestaat – en juist deze omstandigheid maakt de tussenkomst van de griffie en het vaststellen van een redelijke termijn ter zake noodzakelijk.(17)
52. Maar het BHIM voert eveneens aan dat geen geval van regularisatie waarin niet is voorzien bij het Reglement voor de procesvoering, door de Praktische aanwijzingen kan worden ingevoerd.
53. De Praktische aanwijzingen vormen inderdaad een regeling van lagere rang dan het Reglement voor de procesvoering, dat de rechtsgrondslag ervan is. Beide regelingen zijn niettemin gezamenlijk toepasselijk en moeten derhalve zoveel mogelijk in overeenstemming met elkaar worden uitgelegd. In het onderhavige geval bevat het Reglement voor de procesvoering geen bepaling waaruit kan worden afgeleid dat alleen de erin voorziene gevallen kunnen worden geregulariseerd (of na het verstrijken van de beroepstermijn kunnen worden geregulariseerd). Een consistente uitlegging van het Reglement voor de procesvoering en de Praktische aanwijzingen is bijgevolg mogelijk voor zover de in laatstgenoemde voorziene gevallen van regularisatie niet zijn beperkt tot de periode vóór het verstrijken van de beroepstermijn. Indien er daarentegen tussen beide een tegenstrijdigheid zou bestaan, zou de bepaling in het Reglement voor de procesvoering moeten prevaleren. Ik ben echter van mening dat zelfs indien de Praktische aanwijzingen verder zouden gaan dan het Statuut of het Reglement voor de procesvoering toestaat, partijen mogen verwachten dat het Gerecht zich gebonden acht aan de aanwijzingen die het zelf heeft vastgesteld, a fortiori wanneer het Gerecht ambtshalve, en zonder partijen te horen, beslist over de niet-ontvankelijkheid van een beroep.
54. Ten slotte voert het BHIM aan dat de in de punten 55 tot en met 59 van de Praktische aanwijzingen voorziene gevallen van regularisatie geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, maar uitsluitend op de betekening ervan aan de verwerende partij.
55. Dat argument kan mijns inziens niet worden aanvaard. Het is juist dat elk van de litigieuze punten van de Praktische aanwijzingen preciseert of de betekening al dan niet moet worden uitgesteld. Het is overigens aannemelijk dat sommige van de genoemde verzuimen – bijvoorbeeld het in punt 57, sub c, genoemde ontbreken van nummering van de alinea’s – niet tot niet-ontvankelijkheid zouden kunnen leiden wanneer zij niet zouden worden geregulariseerd. Andere daarentegen – met inbegrip van het in punt 57, sub b, genoemde ontbreken van de originele handtekening van de advocaat of van de gemachtigde aan het einde van het verzoekschrift, en dat in het onderhavige geval ter discussie staat – zouden noodzakelijkerwijs leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift wanneer zij niet zouden worden hersteld. Er kan derhalve niet worden gesteld dat de in punt 57 van de Praktische aanwijzingen voorziene regularisaties slechts betrekking hebben op de betekening van het verzoekschrift en niet op de ontvankelijkheid daarvan.
56. Het komt mij overigens voor dat de stelling in punt 28 van de bestreden beschikking, dat punt 57, sub o, van de Praktische aanwijzingen het Gerecht toestaat „de beoordeling van de in artikel 43, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het verzoekschrift uit te stellen”, wat dat betreft niet relevant is. Immers, wanneer de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een verzoekschrift in twijfel worden getrokken, vindt de beoordeling van het Gerecht noodzakelijkerwijs altijd later plaats ten opzichte van de relevante datum voor de beoordeling, zonder dat daartoe een uitdrukkelijke bepaling noodzakelijk is.
57. Ik ben derhalve van mening dat het derde middel in hogere voorziening gegrond is.
Zesde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van het gewettigd vertrouwen
58. Rekwirante voert aan dat door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren terwijl er zeven exemplaren van het verzoekschrift, alle voorzien van de handtekening van de advocaat, per faxbericht binnen de termijnen waren ontvangen, het Gerecht het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel heeft miskend. Zowel de Instructies voor de griffier (artikel 7) als de Praktische aanwijzingen (punt 57, sub b) bepalen dat het verzoekschrift kan worden geregulariseerd, zodat het alsnog van een originele handtekening van de advocaat kan worden voorzien.
59. Het BHIM benadrukt dat het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming niet wordt aangetast door een strikte toepassing van procestermijnen en andere wezenlijke vormvoorschriften. De niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening van het verzoekschrift is noch in strijd met het genoemde recht, noch onevenredig. Punt 57, sub b, van de Praktische aanwijzingen kan naar zijn aard geen gewettigd vertrouwen scheppen in de regularisatie van een verzoekschrift waarop de originele handtekening ontbreekt, en het kan op geen enkele wijze afwijken van het duidelijke vereiste van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering.
Bescherming van het gewettigd vertrouwen
60. Wat om te beginnen het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen betreft, herinner ik eraan dat het recht om op dat beginsel een beroep te doen aan iedere justitiabele toekomt bij wie een instelling van de Unie met door haar gedane nauwkeurige toezeggingen gegronde verwachtingen heeft gewekt. Er kan daarentegen geen beroep op schending van dat beginsel worden gedaan wanneer dergelijke toezeggingen ontbreken.(18)
61. Kan in het onderhavige geval worden geconcludeerd dat er door het Gerecht (of de griffie daarvan) nauwkeurige toezeggingen zijn gedaan die bij rekwirante de verwachting hebben kunnen wekken dat haar verzoekschrift kon worden geregulariseerd?
62. Het is zeker waar dat rekwirante niet stelt uitdrukkelijke toezeggingen wat dat betreft te hebben ontvangen. In de eerste plaats kon echter het bestaan van de verschillende aangehaalde bepalingen van de Instructies voor de griffier (met name artikel 7 ervan) en van de Praktische aanwijzingen (met name punt 57 ervan) aldus worden uitgelegd dat er uitzicht bestond op een mogelijkheid tot regularisatie als in het onderhavige geval aan de orde. Elke verzoeker zou er wat dat betreft in het algemeen op moeten kunnen vertrouwen dat het Gerecht de voorschriften die het zelf heeft vastgesteld, naleeft. In de tweede plaats blijkt uit de bestreden beschikking en uit de brief van 3 februari 2010 dat de griffie op 2 februari 2010, de dag volgend op het verstrijken van de in artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering voorziene termijn van tien dagen, „aan [rekwirante] om de toezending van het ondertekende origineel van het verzoekschrift heeft verzocht”(19). Bezien in het licht van de genoemde bepalingen kan een dergelijk verzoek alleen als een nauwkeurige toezegging (zij het impliciet) worden uitgelegd dat er sprake was van een mogelijkheid tot regularisatie van het verzoekschrift bij ontvangst van het ondertekende origineel. Aangezien de griffie immers genoemd origineel niet in bezit had en zowel de beroepstermijn als de termijn van tien dagen waren verstreken, kon de overlegging ervan geen ander doel dienen dan de regularisatie ervan. Een verzoekende partij die van de griffie een dergelijk verzoek ontvangt, en weet dat zowel de beroepstermijn als de termijn van tien dagen zijn verstreken, kan slechts concluderen tot een mogelijkheid tot regularisatie, omdat het, indien de griffie het origineel op dat moment niet in bezit had, zinloos zou zijn geweest nog de overlegging ervan te verzoeken louter ter bevestiging.
63. Gelet op het bestaan van deze nauwkeurige toezegging, zij het impliciet, van de griffie alsmede op artikel 7 van de Instructies voor de griffier en punt 57 van de door het Gerecht vastgestelde Praktische aanwijzingen, hetgeen derhalve aanleiding geeft tot het vermoeden dat het ze zal eerbiedigen, mocht rekwirante er volgens mij gewettigd op vertrouwen dat het Gerecht niet onmiddellijk de mogelijkheid zou afwijzen dat het neerleggen van het verzoekschrift kon worden geregulariseerd door in antwoord op het verzoek van de griffie het origineel over te leggen, en dat zelfs zonder een verschoonbare dwaling van rekwirante of haar advocaat, aangezien geen voorwaarde betreffende het bestaan van een dergelijke dwaling wordt genoemd in de aangehaalde bepalingen, noch door de griffie is gesteld.
64. In de bestreden beschikking heeft het Gerecht de niet-ontvankelijkheid erop gebaseerd dat, in de eerste plaats, alleen de datum van indiening van het ondertekende origineel van het verzoekschrift, namelijk 5 februari 2010, voor de naleving van de beroepstermijn in aanmerking mag worden genomen, en dat, in de tweede plaats, de verzuimde indiening van het ondertekende origineel van het verzoekschrift binnen de in artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde termijn van tien dagen niet voorkomt in de in de punten 55 tot en met 59 van de Praktische aanwijzingen voorziene gevallen van regularisatie.(20) Voor het overige heeft het zich beperkt tot het onderzoeken en afwijzen van de door de advocaat van rekwirante aangevoerde argumenten in zijn brief aan de griffie van 12 februari 2010, waarin hij zich op een verschoonbare dwaling heeft beroepen.
65. De stelling dat het niet binnen de termijn indienen van het ondertekende origineel van het verzoekschrift niet voorkomt in de in de punten 55 tot en met 59 van de Praktische aanwijzingen voorziene gevallen van regularisatie, lijkt mij wat dat betreft onjuist, aangezien tot deze gevallen in punt 57, sub b, het ontbreken van de originele handtekening van de advocaat aan het einde van het verzoekschrift behoort.
66. Het Gerecht heeft in elk geval geen rekening gehouden met de mogelijkheid tot regularisatie van het verzoekschrift door eenvoudige indiening van het ondertekende origineel in antwoord op het verzoek van de griffie – een mogelijkheid waarop rekwirante gewettigd kon vertrouwen – maar heeft uitsluitend beoordeeld of de vastgestelde niet-ontvankelijkheid kon worden hersteld omdat er sprake was van een verschoonbare dwaling. Het komt mij derhalve voor dat het Gerecht aldus het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen van rekwirante heeft miskend.
Evenredigheidsbeginsel
67. Wat het evenredigheidsbeginsel betreft, moet ik nagaan of de toepassing die het Gerecht in de bestreden beschikking heeft gegeven aan zijn procedurele bepalingen geschikt was om het nagestreefde doel te bereiken en niet verder ging dan daartoe noodzakelijk was.
68. Zoals het Gerecht in zijn beschikking in herinnering heeft geroepen is het nagestreefde doel duidelijkheid en zekerheid van de rechtens bestaande situaties te waarborgen en elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden. De strikte toepassing van de beroepstermijnen en van het vereiste dat een verzoekschrift wordt ingediend dat is voorzien van de originele handtekening van een daartoe naar behoren gemachtigd persoon, stellen (met name) de instellingen, organen of agentschappen van de Unie waarvan een handeling zou kunnen worden betwist, in staat na te gaan of, nadat een bepaalde termijn is verstreken, een ontvankelijk bezwaar tegen deze handeling is ingediend.
69. Het belang van een potentiële verwerende partij om aldus zekerheid te verkrijgen over de status – bestreden of onaantastbaar – van zijn handeling, moet echter worden afgewogen tegen het belang van elke persoon die zich door de handeling benadeeld acht, om deze onder redelijke voorwaarden te kunnen betwisten. Er wordt derhalve een tweeledig doel, namelijk duidelijkheid en rechtszekerheid, nagestreefd. Het gaat er niet alleen om de verwerende partij te beschermen tegen een te laat of niet geauthentiseerd ingesteld beroep, maar ook om waarborging van het recht van de verzoeker op een doeltreffende voorziening in rechte. Elke bepaling of handeling die het noodzakelijke evenwicht tussen beide delen van de doelstelling verstoort door het ene buitensporig te bevorderen ten koste van het andere, is naar mijn mening onverenigbaar met het evenredigheidsbeginsel.
70. In het onderhavige geval wordt niet gesteld dat de litigieuze termijnen of het vereiste van authenticatie van het verzoekschrift van dien aard waren dat rekwirante werd belemmerd in de mogelijkheid om tegen de aangevochten beslissing beroep in te stellen. Door de formele niet-ontvankelijkheid vast te stellen na een fout van rekwirante, heeft het Gerecht aan deze mogelijkheid echter een einde gemaakt. Aangezien ik van mening ben, zoals ik hierboven heb uiteengezet, dat de niet-ontvankelijkverklaring niet door de toepasselijke bepalingen werd voorgeschreven, moet ik onderzoeken of de beschikking van het Gerecht de bescherming van het BHIM niet buitensporig heeft bevorderd, ten koste van het recht van rekwirante op een doeltreffende voorziening in rechte.
71. Het ijkpunt voor het evenwicht tussen de betrokken belangen is naar mijn mening in de bestreden beschikking te veel ten gunste van het BHIM verschoven.
72. In de eerste plaats varieert de peildatum voor de beslissing of een formeel ontvankelijk verzoekschrift is neergelegd of niet, afhankelijk van een aantal factoren, waaronder met name de datum waarop de verzoeker kennis heeft kunnen nemen van de bestreden handeling, of er al dan niet sprake is van een voorafgaand verzoek om rechtsbijstand(21), het al dan niet toezenden van het verzoekschrift door middel van „de technische communicatiemiddelen waarover het Gerecht beschikt” en de mogelijkheden tot regularisatie na het verstrijken van de beroepstermijn (waarvan ten minste de in artikel 21, tweede alinea, van het Statuut voorziene mogelijkheid onbetwistbaar is). In de praktijk kan een formeel ontvankelijk verzoekschrift overigens nooit op de dag van de inschrijving ervan ter griffie betekend worden aan de verwerende partij. Een potentiële verwerende partij weet derhalve pas zeker dat haar handeling niet zal worden betwist nadat zij (ten minste) al deze factoren heeft gecontroleerd. De datum waarop zij deze zekerheid zal verkrijgen, kan derhalve (zelfs veel) later zijn dan die waarop de beroepstermijn verstrijkt, en zij moet wellicht inlichtingen inwinnen ter griffie teneinde die zekerheid te verkrijgen.
73. In de tweede plaats beperkt de mogelijkheid dat de griffier een (redelijke) termijn stelt voor de regularisatie van een verzoekschrift dat niet voldoet aan bepaalde formele ontvankelijkheidsvoorschriften, het risico voor de verwerende partij aanzienlijk, dat haar periode van onzekerheid wordt verlengd op grond van het simpele feit dat de verzoekende partij niet daadkrachtig optreedt.
74. Gelet op bovenstaande overwegingen en op de feitelijke context van het onderhavige geval (indiening van het verzoekschrift per faxbericht, waarvan niet is betwist dat dat het origineel getrouw weergaf, vóór het verstrijken van de beroepstermijn, indiening van zeven exemplaren van het verzoekschrift, waarvan niet is betwist dat het getrouwe afschriften van het origineel zijn, binnen de tiendagentermijn van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering, en indiening van het origineel vier dagen later, in ogenblikkelijk antwoord op een van de griffie afkomstig verzoek na het verstrijken van genoemde termijn), ben ik van mening dat het Gerecht, door elke mogelijkheid tot regularisatie volgens de bepalingen die het zelf heeft vastgesteld, uit te sluiten, het evenredigheidsbeginsel heeft miskend.
75. Ik ben derhalve van mening dat het zesde middel gegrond is.
Opmerking terzijde
76. Uit mijn beoordeling van het derde en het zesde middel blijkt dat ik van mening ben dat de hogere voorziening gegrond zou moeten worden verklaard. Aangezien de zaak kennelijk niet in staat van wijzen is, moet zij derhalve naar het Gerecht worden verwezen.
77. Indien het Hof echter een andere benadering zou kiezen met betrekking tot deze twee middelen, kan het volgens mij om de redenen die ik hierna kort zal uiteenzetten, de hogere voorziening niet gegrond verklaren op basis van de overblijvende middelen.
Eerste middel: schending van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering
78. Rekwirante stelt dat in strijd met artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering de advocaat-generaal niet is gehoord.
79. Het is juist dat dit artikel, waarop de bestreden beschikking is gebaseerd, voorziet in het horen van de advocaat-generaal. Artikel 2, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt echter dat de verwijzingen naar de advocaat-generaal „enkel [zien] op het geval dat een rechter als advocaat-generaal is aangewezen”. In het onderhavige geval is er in de procedure voor het Gerecht echter geen advocaat-generaal aangewezen. Het eerste middel treft derhalve geen doel.
Tweede middel: schending van artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering
80. Rekwirante verwijt het Gerecht dat het artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering onjuist heeft uitgelegd door te oordelen dat het verzoekschrift tardief is neergelegd. Zij benadrukt dat de concrete omstandigheden van de zaak verschillen van die welke hebben geleid tot de beschikking PubliCare Marketing Communications/BHIM(22), die wordt genoemd in punt 17 van de bestreden beschikking. In laatstgenoemde zaak is het origineel van het verzoekschrift, na toezending van een verzoekschrift per faxbericht, te laat gearriveerd omdat de postzending niet voldoende was gefrankeerd. In het onderhavige geval heeft de griffie op 1 februari, dus vóór het verstrijken van de toepasselijke termijn, zeven door de advocaat ondertekende exemplaren van het verzoekschrift ontvangen. De relevante vraag betreft de identificatie van het originele verzoekschrift. Artikel 43 preciseert nergens de wijze waarop het verzoekschrift moet worden ondertekend (de kleur inkt, de soort pen, enz.). De test met het vochtige doekje is betwistbaar, aangezien bepaalde soorten inkt niet uitlopen. Het Gerecht heeft derhalve in de bestreden beschikking, zonder de methode te noemen waardoor het het origineel van het afschrift heeft kunnen onderscheiden, voorwaarden toegevoegd die niet voorkomen in artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering.
81. Het BHIM is van mening dat dit middel kennelijk ongegrond is. Artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering vereist de handgeschreven ondertekening door de advocaat.(23) De Instructies voor de griffier preciseren dienovereenkomstig in artikel 7, lid 3, ervan dat de griffie slechts de stukken accepteert die „de originele handtekening van de advocaat” dragen. De methode waarmee de griffier een origineel van een afschrift onderscheidt, is niet relevant omdat rekwirante niet betwist dat de op 1 februari 2010 neergelegde stukken geen originelen waren. Er is dan ook geen verkeerde voorstelling van de feiten door het Gerecht gesteld. De vraag of het op 5 februari ter griffie neergelegde stuk wel een origineel was, is niet relevant. Zelfs wanneer het een origineel betrof, is het buiten de termijn neergelegd. In het tegenovergestelde geval is het beroep, gelet op artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, niet-ontvankelijk.
82. Met dit middel lijkt rekwirante vooral kritiek te leveren op het gebruik door de griffie van de „test met het vochtige doekje” en de goedkeuring van deze test door het Gerecht, omdat hiermee voorwaarden aan de toepasselijke bepalingen worden toegevoegd die daarin niet voorkomen waar het de wijze betreft waarop de originele handtekening van de daartoe gemachtigde persoon op een processtuk moet worden geplaatst.
83. Ik ben het met deze argumentatie niet eens, hoewel bepaalde in dit middel aangevoerde argumenten in het kader van andere middelen relevant kunnen zijn.
84. Het vereiste van een originele handtekening op bepaalde (originele) stukken, maar niet op andere (afschriften), veronderstelt noodzakelijkerwijs de mogelijkheid dat onderscheid kan worden gemaakt tussen het origineel en het afschrift. Anders dan rekwirante lijkt aan te voeren, legt de bestreden beschikking wat dat betreft geen duidelijke eisen op. Indien het gebruik van inkt die kan uitlopen en/of van een andere kleur dan die van een afschrift kan dienen als een van de middelen waarmee het onderscheid kan worden gemaakt, sluit echter niets in de beschikking het bewijs door een ander middel uit.
85. In elk geval wordt geenszins betwist dat de door de griffie in het onderhavige geval toegepaste test, hoe ambachtelijk ook, het in feite mogelijk heeft gemaakt om het origineel tussen de acht in het bezit van de griffie zijnde exemplaren van het verzoekschrift te onderscheiden.
86. Ik ben derhalve van mening dat het tweede middel ongegrond is.
Vierde en vijfde middel: verschoonbare dwaling of toeval
87. Rekwirante voert in de eerste plaats verschoonbare dwaling aan. Aangezien het aantal vereiste afschriften (in totaal 2 651 bladzijden) aanzienlijk was, heeft haar advocaat een externe dienstverlener ingeschakeld. Hij heeft daarbij zorgvuldig gehandeld. De dienstverlener heeft vergeten aan de zending aan het Gerecht een stuk toe te voegen, een fout die de advocaat tijdig heeft weten te herstellen. Rekwirante heeft te goeder trouw gehandeld. Alle aan de griffie overgelegde stukken zijn ondertekend en binnen de termijn neergelegd. Rekwirante voert in de tweede plaats aan dat de verwisseling van het origineel met de afschriften voortvloeit uit buitengewone omstandigheden waarop zij geen invloed had, namelijk het feit dat de verwisseling van het origineel met de afschriften plaatshad bij de dienstverlener en dat deze een onvolledige bijlage had afgeleverd. Rekwirante heeft alles gedaan om deze problemen te verhelpen en heeft altijd te goeder trouw gehandeld, ervan overtuigd dat het origineel reeds in handen van de griffie was.
88. Het BHIM is van mening dat het begrip verschoonbare dwaling alleen ziet op uitzonderlijke omstandigheden waarin, met name, de betrokken instelling zich aldus heeft gedragen dat dit gedrag als zodanig of in doorslaggevende mate bij een justitiabele tot een begrijpelijk misverstand kan hebben geleid. Het onderscheid tussen een origineel en een afschrift is van groot belang. Rekwirante had het origineel duidelijk moeten onderscheiden van de afschriften, bijvoorbeeld door het origineel met een pen met blauwe inkt te laten ondertekenen. Indien zij sneller had gehandeld, was een regularisatie binnen de beroepstermijn mogelijk geweest. Het BHIM is bovendien van mening dat de verwisseling tussen het origineel en de afschriften aan rekwirante is toe te rekenen.
89. Wat deze twee middelen betreft, ben ik het eens met het BHIM. De voorbereiding van, het toezicht op en de verificatie van de ter griffie neer te leggen processtukken valt volledig onder de verantwoordelijkheid van de vertegenwoordiger van de betrokken partij, jegens wie hij verantwoordelijk is en onder haar controle. Er kunnen zich zeker uitzonderlijke omstandigheden en/of toevalligheden voordoen, die tot een volledig vergeeflijk misverstand leiden. In het onderhavige geval kan evenwel niets in hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, noch in hetgeen rekwirante heeft gesteld, tot een andere conclusie leiden dan dat rekwirante of haar advocaat niet zorgvuldig heeft gehandeld, waarschijnlijk in een context van tekortschietende planning in het kader van een strikte beroepstermijn. Uit het Reglement voor de procesvoering blijkt duidelijk dat het origineel van het verzoekschrift moet worden ingediend ter griffie, zodat elke verzoeker op de hoogte is van de noodzaak om dat origineel te identificeren. De daartoe gebruikte middelen zijn geheel de zaak van de verzoeker. Er is geen bijzondere methode voorgeschreven, maar een onderscheid tussen origineel en afschrift door middel van de kleur van de inkt van de handtekening, of elk ander geëigend middel, zou nuttig kunnen zijn.
90. Het lijkt mij derhalve niet mogelijk om de middelen met betrekking tot het bestaan van een verschoonbare dwaling of toeval gegrond te verklaren.
Slotopmerkingen
91. Tegen de achtergrond van het voorstel van de drie rechterlijke instanties van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de Raad van de Europese Unie om de opneming van de applicatie „e-Curia” in de drie respectieve Reglementen voor de procesvoering goed te keuren, die het mogelijk maakt om processtukken langs elektronische weg neer te leggen en te betekenen, met waarmerking door middel van een geautoriseerde elektronische handtekening, zodat de aldus ingediende stukken als originelen kunnen worden beschouwd, lijkt de onderhavige hogere voorziening samen te hangen met een stelsel dat is gedoemd op termijn te verdwijnen.
92. Hoewel de beslissing in deze zaak derhalve slechts voor een afnemend aantal toekomstige zaken rechtstreeks van belang zou kunnen zijn, lijkt het mij belangrijk dat het Hof zich uitspreekt over deze situatie, waarin, ten gevolge van een fout, een binnen de termijn ingediend stuk een getrouw afschrift is van het origineel dat in de plaats daarvan had moeten worden ingediend en dat ook inderdaad onmiddellijk na een verzoek van de griffie is ingediend, en waarin de verzoekende partij ervan mocht uitgaan, gelet op dat verzoek en op door het Gerecht zelf vastgestelde bepalingen, dat haar een korte termijn voor regularisatie was verleend.
Kosten
93. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Krachtens lid 3 van datzelfde artikel kan het Hof echter om bijzondere redenen beslissen dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.
94. Hoewel ik van mening ben dat het BHIM in het ongelijk moet worden gesteld, lijkt het mij gezien de bijzondere omstandigheden van deze hogere voorziening gerechtvaardigd dat het niet in de kosten van rekwirante wordt verwezen. Het BHIM heeft immers op geen enkele wijze bijgedragen aan de beslissing van het Gerecht om het verzoekschrift kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren, en het optreden van het BHIM in hogere voorziening heeft voor rekwirante geen kosten opgeleverd, die na de indiening van de memorie van antwoord van het BHIM niet heeft verzocht om een memorie van repliek te mogen indienen, en evenmin om een mondelinge behandeling heeft verzocht.
95. In deze omstandigheden lijkt het mij juist om te beslissen dat elke partij de eigen kosten van deze hogere voorziening zal dragen.
Conclusie
96. Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
– de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 18 juni 2010 in de zaak Bell & Ross/BHIM (T‑51/10) te vernietigen;
– de zaak naar het Gerecht van de Europese Unie te verwijzen;
– te beslissen dat elke partij de eigen kosten van deze hogere voorziening zal dragen.
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – Beschikking van 18 juni 2010, Bell & Ross/BHIM [T‑51/10 (hierna: „bestreden beschikking”)].
3 – Volgens welk de procestermijnen worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.
4 – Deze leden betreffen respectievelijk het deponeren van een legitimatiebewijs waaruit blijkt dat de advocaat bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie (lid 3), het toevoegen van de stukken bedoeld in artikel 21, tweede alinea, van het Statuut (lid 4) en, indien de verzoeker een privaatrechtelijke rechtspersoon is, het toevoegen van een bewijs van zijn bestaan rechtens en het bewijs dat de aan de advocaat gegeven volmacht op regelmatige wijze werd verstrekt (lid 5).
5 – Beslissing van de derde kamer van beroep van 27 oktober 2009 in de zaak R 1267/2008‑3, Bell & Ross BV tegen Klockgrossisten i Norden AB (hierna: „aangevochten beslissing”).
6 – Blijkbaar was geen van de zeven exemplaren zelf voor eensluidend gewaarmerkt, omdat de advocaat meende dat, ongeacht punt 9 van de Praktische aanwijzingen, de vermelding in de begeleidende brief dat de documenten eensluidend waren, voldoende was. Het feit dat de litigieuze afschriften niet in deze zin als eensluidend zijn gewaarmerkt, wordt opgemerkt in de bestreden beschikking, maar dient niet als grondslag voor de vaststelling van de niet-ontvankelijkheid. Het lijkt in elk geval een verzuim dat volgens punt 57, sub o, van de Praktische aanwijzingen zou kunnen worden geregulariseerd.
7 – Arrest van 23 januari 1997, Coen (C‑246/95, Jurispr. blz. I‑403, punt 21), en arrest Gerecht van 18 september 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie (T‑121/96 en T‑151/96, Jurispr. blz. II‑1355, punten 38 en 39).
8 – Punt 12 van de bestreden beschikking.
9 – Punt 17 van de bestreden beschikking.
10 – Arrest Gerecht van 29 mei 1991, Bayer/Commissie (T‑12/90, Jurispr. blz. II‑219, punt 29), en beschikking Gerecht van 11 december 2006, MMT/Commissie (T‑392/05, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
11 – Punten 19‑27 van de bestreden beschikking.
12 – Punt 28 van de bestreden beschikking.
13 – Ik merk op dat indien de bestreden beschikking op de grondslag van artikel 113 en niet op die van artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering was gegeven, het noodzakelijk zou zijn geweest om partijen te horen. Genoemd artikel 113 bepaalt immers dat „[h]et Gerecht [...] in iedere stand van het geding ambtshalve, na partijen te hebben gehoord, uitspraak [kan] doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn [...]” (cursivering van mij). Aangezien de kennelijke niet-ontvankelijkheid wegens te late neerlegging van het verzoekschrift een ontvankelijkheidsbezwaar van openbare orde is, is het niet gemakkelijk onderscheid te maken tussen de respectievelijke werkingssferen van de artikelen 111 en 113 van het Reglement voor de procesvoering, noch, bijgevolg, om de reikwijdte te bepalen van de verplichting van het Gerecht om voor het geven van een beschikking in omstandigheden als de onderhavige partijen te horen, zij het slechts schriftelijk [zie met name arrest van 2 mei 2006, Regione Siciliana/Commissie (C‑417/04 P, Jurispr. blz. I‑3881, punt 37)].
14 – Zie met name arrest van 21 september 2010, Zweden e.a./API en Commissie (C‑514/07 P, C‑528/07 P en C‑532/07 P, Jurispr. blz. I‑8533, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 – Indien a contrario uit de bewoordingen van artikel 21, tweede alinea, van het Statuut („verval van het recht tot beroep kan niet worden tegengeworpen indien het verzuim eerst is hersteld na het verstrijken van de termijn van beroep”) zou moeten worden afgeleid dat elke regularisatie van een geval waarvoor deze precisering ontbreekt, moet plaatsvinden vóór het verstrijken van de beroepstermijn – en ik zie geen reden om een dergelijke conclusie te trekken – is het argument van het BHIM onlogisch omdat de precisering eveneens ontbreekt in artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering.
16 – En zolang het verzoekschrift niet aan de wederpartij is betekend; maar overeenkomstig de Instructies voor de griffier mag een verzoekschrift dat een formele onregelmatigheid vertoont niet worden betekend.
17 – Het is duidelijk dat de griffier bij de beslissing over de in elk geval te stellen termijn, niet alleen rekening moet houden met hetgeen redelijk is voor de verzoekende partij, maar eveneens met hetgeen redelijk is vanuit het oogpunt van de verwerende partij (en in merkenzaken, zoals de onderhavige, met de andere partij in de procedure voor het BHIM), waarvan de rechtspositie duidelijk en zeker moet kunnen worden vastgesteld, gelet op de beroeps‑ en de betekeningstermijnen.
18 – Zie laatstelijk arrest van 7 april 2011, Griekenland/Commissie (C‑321/09 P, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 – Punt 4 van de bestreden beschikking. De datum van het verzoek is niet aangegeven in de genoemde beschikking, maar blijkt uit de brief van 3 februari 2010 (zie punt 20 hiervoor), waarvan de juistheid niet lijkt te worden betwist. Maar zelfs gesteld dat de griffie om de toezending van het origineel heeft verzocht op de dag van de ontvangst van de zeven exemplaren, 1 februari 2010, de datum waarop de termijn van tien dagen voor de toezending van het origineel verstreek, staat niet vast dat de griffie kan hebben gemeend het nog in bezit van de advocaat te Parijs zijnde stuk te ontvangen vóór het verstrijken van bedoelde termijn om middernacht te Luxemburg.
20 – Respectievelijk de punten 17 en 28 van de bestreden beschikking.
21 – Artikel 96, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat „[d]e indiening van een verzoek om rechtsbijstand [...] de voor de instelling van het beroep bepaalde termijn [schorst] tot en met de datum van betekening van de beschikking waarbij op dit verzoek wordt beslist, of [...] de beschikking waarbij de advocaat wordt aangewezen die de betrokkene dient te vertegenwoordigen”.
22 – Beschikking Gerecht van 28 april 2008 (T‑358/07).
23 – Beschikking Gerecht van 24 februari 2000, FTA e.a./Raad (T‑37/98, Jurispr. blz. II‑373).
Full & Egal Universal Law Academy