CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
Y. BOT
van 14 juli 2011 (1)
Zaak C‑474/10
Department of the Environment for Northern Ireland
tegen
Seaport (NI) Ltd,
Magherafelt district Council e.a.
[verzoek van de Court of Appeal in Northern Ireland (Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Richtlijn 2001/42/EG – Beoordeling van de milieueffecten van bepaalde plannen en programma’s – Raadplegingsprocedure – Aanwijzing van de instanties met verantwoordelijkheden voor milieuaangelegenheden – Vaststelling van tijdschema voor de toepassing van de raadplegingsprocedure”
1. Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s(2) verlangt dat bepaalde plannen en programma’s vóór hun vaststelling worden beoordeeld op hun gevolgen voor het milieu. Deze beoordeling omvat tevens, dat het publiek en de instanties met verantwoordelijkheden voor milieuaangelegenheden worden geraadpleegd door de instantie die voor de opstelling van het plan bevoegd is.
2. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is gedaan in een geding tussen enerzijds Seaport (NI) Ltd en Magherafelt district Council e.a., en anderzijds het Department of the Environment for Northern Ireland (ministerie van Milieu; hierna: „ministerie van Milieu”), dat betrekking heeft op de raadplegingsprocedure die plaatsvond in het kader van de opstelling van ontwerpplannen voor regionale gebiedsontwikkeling in Noord-Ierland.
3. In dit verzoek wordt het Hof gevraagd om verduidelijking van twee van de voorschriften die de uitvoering van de raadplegingsprocedure betreffen. Het eerste voorschrift, vervat in artikel 6, lid 3, van de richtlijn, regelt de aanwijzing van de te raadplegen instanties. In de onderhavige zaak is het ministerie van Milieu zowel de instantie die bevoegd is voor het betrokken plan, als de instantie die door de nationale wetgeving voor de raadplegingsprocedure is aangewezen. Bijgevolg is het de vraag of in een situatie als die van het hoofdgeding de lidstaat verplicht is om een nieuwe te raadplegen instantie aan te wijzen, die onderscheiden en onafhankelijk is van de eerste.
4. Het tweede voorschrift, vervat in artikel 6, lid 2, van de richtlijn, betreft het tijdsschema van de raadplegingsprocedure. De vraag is of dit tijdsschema per geval kan worden vastgesteld door de instantie die met betrekking tot het plan of programma bevoegd is, of moet zijn vastgesteld in de wetgeving die de richtlijn in nationaal recht omzet.
5. Om de redenen die ik thans uiteen zal zetten, ben ik van mening dat een geloofwaardige en nuttige uitvoering van de richtlijn verlangt dat in een situatie als die in het hoofdgeding de lidstaat een nieuwe te raadplegen instantie aanwijst, die onderscheiden en onafhankelijk is van de instantie die verantwoordelijk is voor de opstelling van het plan. Daarentegen staat mijns inziens niets eraan in de weg dat een nationale wetgeving erin voorziet dat het tijdsschema voor de raadplegingsprocedure per geval wordt bepaald door de nationale instantie die voor het plan bevoegd is, mits dit tijdsschema passend is om de instanties en het publiek die worden geraadpleegd, daadwerkelijk de gelegenheid te bieden hun mening te geven over het ontwerpplan.
I – Toepasselijke bepalingen
A – De richtlijn
6. Het hoofddoel van de richtlijn is, blijkens artikel 1 ervan, de plannen en programma’s die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, bij de voorbereiding en vóór de vaststelling ervan aan een milieubeoordeling te onderwerpen. De Uniewetgever wil op die wijze, overeenkomstig artikel 174 EG en artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een hoog niveau van bescherming van het milieu waarborgen.
7. De richtlijn brengt een minimumkader voor de milieubeoordeling tot stand, waarbij het aan de lidstaten wordt overgelaten om de nadere bijzonderheden van de procedure te bepalen, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel.(3)
8. Volgens artikel 2, sub b, van de richtlijn omvat een milieubeoordeling het opstellen van een milieurapport (waarin de te verwachten aanzienlijke effecten op het milieu en redelijke alternatieven worden aangegeven) alsmede de raadpleging van de met milieutaken belaste instanties, het publiek en andere lidstaten in geval van aanzienlijke grensoverschrijdende gevolgen. Met het milieurapport en de resultaten van de raadpleging wordt rekening gehouden voordat het plan of programma wordt vastgesteld. Wanneer dit plan of programma eenmaal is vastgesteld, worden de met milieutaken belaste instanties, het publiek en iedere geraadpleegde lidstaat hiervan in kennis gesteld en krijgen zij de beschikking over de relevante informatie.
9. De raadplegingsprocedure is neergelegd in artikel 6 van de richtlijn. Deze bepaling luidt als volgt:
„1. Het ontwerpplan of ontwerpprogramma en het overeenkomstig artikel 5 opgestelde milieurapport worden voor de in lid 3 bedoelde instanties en voor het publiek beschikbaar gesteld.
2. De in lid 3 bedoelde instanties en het in lid 4 bedoelde publiek wordt tijdig, daadwerkelijk en binnen een passend tijdschema de gelegenheid geboden om vóór de vaststelling, of vóór de onderwerping aan de wetgevingsprocedure van het plan of programma, hun mening te geven over het ontwerpplan of -programma en het bijbehorende milieurapport.
3. De lidstaten wijzen de te raadplegen instanties aan, die wegens hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied met de milieueffecten van de uitvoering van plannen en programma’s te maken kunnen krijgen.
4. De lidstaten bepalen het publiek als bedoeld in lid 2, met inbegrip van het publiek dat door het besluitvormingsproces [...] wordt of kan worden geraakt dan wel er belang bij heeft [...]
5. De lidstaten stellen de nadere regels vast voor de informatie en de raadpleging van de instanties en het publiek.”
B – De omzetting van de richtlijn in de nationale rechtsorde
10. De richtlijn is in nationaal recht omgezet door het besluit van 2004 inzake de milieueffectbeoordeling van plannen en programma’s [Environmental Assessment of Plans and Programmes Regulations (Northern Ireland) 2004; hierna: „besluit van 2004”].
11. Artikel 4 van het besluit van 2004 geeft uitvoering aan artikel 6, lid 3, van de richtlijn, inzake de aanwijzing van de te raadplegen instanties. Dit artikel 4 luidt als volgt:
„(1) Voor zover in lid 2 niet anders is bepaald, is het ministerie van Milieu [...] de te raadplegen instantie [...]
(2) In gevallen waarin het ministerie van Milieu [...] de bevoegde instantie is voor een bepaald plan of programma, treedt het met betrekking tot dat plan of programma niet tevens op als instantie die op grond van [het] besluit [van 2004] geraadpleegd moet worden [...]”
12. Artikel 12 van het besluit van 2004 geeft uitvoering aan artikel 6, lid 2, van de richtlijn, betreffende het tijdschema voor de raadplegingsprocedure. Dit artikel 12 bepaalt:
„(1) Elk ontwerpplan of -programma waarvoor [...] een milieurapport is opgesteld, alsmede dit milieurapport zelf [...] wordt overeenkomstig de navolgende bepalingen van dit artikel ter beschikking van de te raadplegen instantie en het publiek gesteld.
(2) Na het opstellen van de relevante documenten zendt de bevoegde instantie zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk een afschrift ervan aan de te raadplegen instantie en nodigt haar uit binnen een bepaalde termijn haar mening te geven.
(3) De bevoegde instantie moet eveneens:
(a) in overeenstemming met lid 5 van dit artikel, binnen 14 dagen na het opstellen van de relevante documenten een mededeling bekendmaken of bekend doen maken, waarin:
(i) de omschrijving van het plan, van het programma of van de wijziging ervan wordt vermeld;
(ii) het adres (eventueel een internetadres) wordt vermeld waar de relevante documenten kunnen worden ingezien of waar een exemplaar ervan kan worden verkregen;
(iii) uitgenodigd wordt tot het indienen van opmerkingen over de relevante documenten;
(iv) het adres wordt vermeld waarnaar, en de termijn waarbinnen, deze opmerkingen moeten worden gestuurd;
(b) in haar hoofdkantoor een exemplaar van de relevante documenten beschikbaar houden voor kosteloze inzage door het publiek tijdens normale kantooruren, en
(c) een afschrift van de relevante documenten op haar website plaatst.
(4) De termijnen bedoeld in de leden (2) en (3) (a) (iv), moeten voldoende lang zijn, zodat diegenen die uitgenodigd worden hun mening te geven over de relevante documenten, dit ook tijdig en daadwerkelijk kunnen doen.
[...]”
II – Feiten en hoofdgeding
13. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, omvatte het ministerie van Milieu vier diensten, waaronder de dienst Planning en de dienst Milieu en Erfgoed.(4)
14. Bij de voorbereiding van de plannen „Northern Area Plan 2016” en „Magherafelt Area Plan 2015” heeft de dienst Planning zeer nauw samengewerkt met de dienst Milieu en Erfgoed. Die laatste heeft informatie verstrekt en ook zijn mening gegeven over de inhoud van de betrokken plannen.
15. Voor de toepassing van de raadplegingsprocedure heeft het ministerie van Milieu het plan „Northern Area Plan 2016” en het bijbehorende milieurapport bekendgemaakt aan het publiek en het tevens aan zijn dienst Milieu en Erfgoed en andere overheidsinstanties gezonden. Voor het indienen van opmerkingen was een termijn van acht weken vastgesteld. Het ministerie van Milieu ontving van het publiek 5 250 bezwaren tegen het ontwerpplan en 4 tegen het milieurapport. Van deze bezwaren waren er 49 afkomstig van Seaport (NI) Ltd; één ervan betrof de inhoud van het milieurapport en het verloop van de milieubeoordeling.
16. Het plan „Magherafelt Area Plan 2015” en het bijbehorende milieurapport zijn voorgelegd aan de dienst Milieu en Erfgoed en andere belanghebbende instanties. Het ministerie van Milieu verzocht hun hun standpunt in te dienen binnen een termijn van zes weken. Het heeft ongeveer 5 300 bezwaren tegen het ontwerpplan ontvangen en 5 tegen het milieurapport.
17. In de loop van de maanden november en december 2005 hebben Seaport (NI) Ltd en ook de Magherafelt district Council e.a. ieder een procedure bij de High Court of Justice in Northern Ireland (Verenigd Koninkrijk) ingeleid, aangezien volgens hen de milieubeoordeling van de betrokken plannen niet overeenkomstig de voorschriften van de richtlijn tot stand was gekomen.
18. In beide procedures was de High Court of Justice in Northern Ireland van oordeel dat artikel 4 van het besluit van 2004 het vereiste van artikel 6, lid 3, van de richtlijn om een nieuwe te raadplegen instantie aan te wijzen ingeval het ministerie van Milieu ook de instantie is die met betrekking tot het plan bevoegd is, niet juist heeft uitgevoerd. Hij kwam eveneens tot de conclusie dat artikel 12 van het besluit de vereisten van artikel 6, lid 2, niet naar behoren heeft uitgevoerd, door geen uitdrukkelijk tijdschema vast te stellen waarbinnen bezwaren moesten worden ingediend.
19. Het ministerie van Milieu heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de Court of Appeal in Northern Ireland (Verenigd Koninkrijk).
III – Prejudiciële vragen
20. Naar het oordeel van de Court of Appeal in Northern Ireland is een uitlegging van het Unierecht noodzakelijk om in dit geding uitspraak te kunnen doen, en het heeft derhalve besloten het Hof de volgende drie prejudiciële vragen te stellen:
„1) Moet richtlijn [2001/42] aldus worden uitgelegd dat wanneer een overheidsinstantie die overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn een plan opstelt, zelf ook de algehele verantwoordelijkheid voor milieuzaken in een lidstaat draagt, die lidstaat mag weigeren op basis van artikel 6, lid 3, een instantie aan te wijzen die moet worden geraadpleegd voor de toepassing van de artikelen 5 en 6?
2) Moet de richtlijn aldus worden uitgelegd dat wanneer een overheidsinstantie die overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn een plan opstelt, zelf ook de algehele verantwoordelijkheid voor milieuzaken in een lidstaat draagt, die lidstaat verplicht is ervoor te zorgen dat er een van deze instantie onderscheiden instantie bestaat die als te raadplegen instantie kan worden aangewezen?
3) Moet de richtlijn aldus worden uitgelegd dat het vereiste van artikel 6, lid 2, op basis waarvan de in artikel 6, lid 3, bedoelde instanties en het in artikel 6, lid 4, bedoelde publiek tijdig, daadwerkelijk en ‚binnen een passend tijdschema’ de gelegenheid moeten krijgen hun mening te geven, mag worden uitgevoerd door voorschriften die bepalen dat de instantie die bevoegd is om het plan op te stellen, per geval de termijn mag vaststellen waarbinnen de opmerkingen moeten worden ingediend, of moeten de voorschriften die de richtlijn uitvoeren zelf een termijn vaststellen – of verschillende termijnen voor verschillende omstandigheden – waarbinnen dergelijke opmerkingen moeten worden ingediend?”
IV – Mijn analyse
A – De eerste en de tweede vraag
21. Met zijn eerste twee vragen wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 6, lid 3, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat een nieuwe, met milieutaken belaste instantie moet aanwijzen voor de raadplegingsprocedure, wanneer de in de nationale wetgeving hiervoor aangewezen instantie dezelfde is als de instantie die verantwoordelijk is voor de opstelling van het betrokken plan of programma. Zo ja, wil de verwijzende rechter van het Hof weten of deze nieuwe instantie onderscheiden moet zijn van de instantie die verantwoordelijk is voor de opstelling van het plan of programma.
22. De regering van het Verenigd Koninkrijk, de Deense regering alsmede de Europese Commissie stellen voor, de eerste twee vragen ontkennend te beantwoorden.
23. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Deense regering voorziet de richtlijn in wezen in een minimumharmonisatie van de milieubeoordelingsprocedures. De lidstaten zouden dan ook niet verplicht zijn om een nieuwe instantie in te stellen die onderscheiden en onafhankelijk is van de instantie bedoeld in de nationale wetgeving. In casu zouden de door de richtlijn beoogde resultaten, zowel waar het gaat om een doorzichtige besluitvorming als om de volledigheid en betrouwbaarheid van de milieugegevens, zijn bereikt door de samenwerking van de dienst Milieu met de dienst Planning van het ministerie van Milieu. Gezien de op hem rustende taken zou het ministerie van Milieu ervoor zorgen dat met de gevolgen van het plan voor het milieu naar behoren rekening wordt gehouden en particuliere belangen niet ten koste van het algemeen belang in aanmerking worden genomen.
24. De Commissie wijst op de verschillen in de bestuurlijke organisatie van de lidstaten. Bepaalde lidstaten zouden verschillende instanties voor de raadplegingsprocedure kunnen aanwijzen. Daarentegen zou het voor andere lidstaten, zoals het Groothertogdom Luxemburg of de Republiek Malta, bezwaarlijk zijn om een nieuwe instantie aan te wijzen die aan de vereisten van artikel 6, lid 3, van de richtlijn voldoet, en wel in verband met hun omvang. De Commissie merkt bovendien op dat niets in de formulering van de richtlijn suggereert dat in een geval als dat van het hoofdgeding de lidstaat verplicht is om een nieuwe instantie aan te wijzen. Indien dat wel zo zou zijn, zou een dergelijke kunstmatige entiteit haars inziens hoe dan ook niet in staat zijn om nuttige informatie te verstrekken.
25. Ik ben het niet eens met de in deze procedure ingediende opmerkingen. Om de redenen die ik thans uiteen zal zetten, ben ik van mening dat een lidstaat zich in een situatie als die in het hoofdgeding niet kan onttrekken aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens artikel 6, lid 3, van de richtlijn op de grond dat de instantie die verantwoordelijk is voor de opstelling van het plan, ook de instantie is die door de nationale wetgeving is aangewezen voor de raadplegingsprocedure. Mijns inziens verlangt een geloofwaardige en nuttige uitvoering van de richtlijn in die situatie dat de lidstaat een nieuwe te raadplegen instantie aanwijst, die onderscheiden en onafhankelijk is van de eerste.
26. Ik baseer mij op de aard en de draagwijdte van de door de Uniewetgever vastgestelde raadplegingsprocedure en de door hem hiermee nagestreefde doeleinden.
27. De raadplegingsprocedure van artikel 6 van de richtlijn beoogt, overeenkomstig artikel 174 EG en artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de waarborging van het recht van eenieder om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn.
28. Zij geeft dus vorm aan het recht van eenieder op inspraak in besluitvormingsprocedures, wanneer deze gevolgen hebben voor het milieu. Op dit punt heeft de Uniewetgever zich gebaseerd op de verplichtingen die op de Unie rusten in het kader van het verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, het zogenoemde „Verdrag van Aarhus”(5). Het doel van het Verdrag van Aarhus is immers de verzekering van het recht van het publiek op inspraak in besluitvormingsprocedures betreffende milieuaangelegenheden, en wel in het bijzonder waar het gaat om plannen en programma’s die betrekking hebben op het milieu.(6) Toch is de raadpleging niet alleen een recht, maar ook een verplichting, en wel om de kwaliteit van het milieu te beschermen en te verbeteren doordat desbetreffende zorgen naar voren worden gebracht, de instanties die verantwoordelijk zijn voor de opstelling van plannen in staat worden gesteld naar behoren met deze zorgen rekening te houden, en de beste besluiten worden genomen.
29. Uit alle bepalingen van de richtlijn blijkt de wil van de Uniewetgever om deze rechten te eerbiedigen. Hij schept een procedureel kader dat de mogelijkheid biedt in elke fase van de voorbereiding en vaststelling van het plan daadwerkelijk rekening te houden met de milieuzorgen van de instanties en degenen die met de gevolgen van deze plannen te maken krijgen. Het doel is met name ervoor te zorgen dat de voor de milieubeoordeling verstrekte informatie volledig en betrouwbaar is.(7)
30. De raadpleging van de instanties geldt vanaf de eerste fase van de voorbereiding van het plan tot en met de vaststelling ervan. Zij worden namelijk eerst gehoord aangaande de noodzaak om voor het betrokken plan een milieubeoordeling te verrichten (artikel 3, lid 6, van de richtlijn). Daarna moeten zij zich uitspreken over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het milieurapport moet worden opgenomen (artikel 5, lid 4, van de richtlijn). Ten slotte moeten zij hun mening geven over dit milieurapport en over het ontwerpplan of -programma (artikel 6, lid 2, van de richtlijn).
31. Het kenmerkende van de raadplegingsprocedure is derhalve dat er een duidelijk standpunt wordt verkregen van de zijde van de instantie die taken op milieugebied heeft en die, meer nog, rechtstreeks met de milieueffecten van het plan te maken krijgt. Deze procedure moet het mogelijk maken in elke fase een standpunt te verkrijgen, niet alleen waar het gaat om de noodzaak van een milieubeoordeling, maar juist ook aangaande de inhoud van het milieurapport en de inhoud van het ontwerpplan. De voor de raadpleging aangewezen instantie moet derhalve in staat zijn actuele en nuttige informatie te verstrekken. Tevens moet zij in staat zijn de beoordelingen en de keuzes van de voor de opstelling van het plan verantwoordelijke instantie te kritiseren, door op grond van haar kennis en ervaring wijzigingen en alternatieven voor te stellen.
32. Deze instantie kan derhalve alleen een entiteit zijn die onderscheiden en onafhankelijk is van de instantie die het plan voorbereidt, hetgeen de enige garantie is voor de geloofwaardigheid en doeltreffendheid van de raadplegingsprocedure. Zoals de Commissie in haar opmerkingen naar voren brengt, kan een „instelling duidelijk niet zichzelf raadplegen”. Zoals iemand in een procedure niet tegelijk rechter en partij kan zijn, kan een overheidsinstantie niet worden geraadpleegd over de gevolgen van een plan dat van haar zelf afkomstig is.
33. Anders zou mijns inziens de raadplegingsprocedure ieder nuttig effect verliezen en zouden de door de Uniewetgever beoogde doelen niet worden bereikt.
34. Het ministerie van Milieu kan namelijk niet, net als bij de opstelling van zijn plan, constructieve kritiek leveren op zijn plan en alternatieven voorstellen ten opzichte van de door hem reeds gemaakte keuzen. Bovendien moet het ministerie van Milieu, ook al is het daadwerkelijk een van de instanties die het best in staat zijn de milieubelangen te behartigen, toch rekening kunnen houden met de standpunten en zorgen die naar voren kunnen worden gebracht door bijvoorbeeld meer gespecialiseerde instellingen of lokale instanties die wegens de geografische werkingssfeer van het plan met de milieueffecten te maken krijgen. Op dit punt is het van belang op te merken dat de bevoegdheden van het ministerie van Milieu het betrokken publiek niet ervan hebben weerhouden om 5 250 bezwaren tegen het plan „Northern Area Plan 2016” en meer dan 5 300 bezwaren tegen het plan „Magherafelt Area Plan 2015” in te dienen. Het ministerie van Milieu kan zich derhalve niet onttrekken aan de verplichting om een andere, met milieutaken belaste instantie te raadplegen, zonder aan een essentieel onderdeel van de richtlijn tekort te doen.
35. Ter verzekering van een geloofwaardige en nuttige uitvoering van de richtlijn lijkt het mij derhalve noodzakelijk dat in een situatie als die in het hoofdgeding de lidstaat overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de richtlijn een nieuwe instantie aanwijst voor de raadplegingsprocedure, die onderscheiden en onafhankelijk is van de instantie die voor de opstelling van het plan verantwoordelijk is.
36. Mijns inziens is een dergelijke verplichting niet te veel gevraagd voor lidstaten die wegens hun omvang niet over een groot netwerk van overheidsinstanties met taken op milieugebied beschikken.
37. De formulering van artikel 6, lid 3, van de richtlijn is namelijk ruim gesteld. Zij laat de lidstaten overeenkomstig artikel 6, lid 5, van de richtlijn een aanzienlijke beoordelingsmarge bij de regeling van de milieuraadplegingsprocedure.(8)
38. Zo blijkt uit punt 7.11 van de richtsnoeren van de Commissie(9) dat de lidstaten ervoor kunnen kiezen om overheidsinstanties op nationaal, regionaal of lokaal niveau aan te wijzen. Het kan gaan om instanties die met de milieugevolgen van de uitvoering van het plan te maken krijgen, zoals milieu-inspecties, om instellingen voor milieugericht onderzoek die een overheidstaak uitvoeren, of ook om overheidsdiensten. Ook kan het volgens punt 7.15 van de richtsnoeren gaan om instanties die op een meer algemene wijze verantwoordelijkheden op milieugebied hebben, zoals „naburige lokale overheden”.
39. Tevens zijn de lidstaten vrij om de wijze waarop de raadgevende instanties worden aangewezen, te bepalen. Volgens de richtsnoeren kunnen deze instanties in het kader van de uitvoeringswetgeving worden aangewezen, hetgeen in casu het geval is. Ook kunnen de lidstaten de voorkeur geven aan een aanpak per geval, hetgeen mogelijk maakt om de inhoud van het plan of programma in aanmerking te nemen.(10) In dat geval kan de lidstaat daadwerkelijk rekening houden met de identiteit van de voor het plan verantwoordelijke instantie bij de aanwijzing van een nieuwe te raadplegen instantie voor de betrokken milieubeoordeling.
40. Mij dunkt dat gezien zowel de formulering van artikel 6, lid 3, van de richtlijn als de door de Commissie hieraan gegeven uitleg de lidstaten over voldoende speelruimte beschikken om een regeling vast te stellen die voor een nuttige en geloofwaardige uitvoering van de richtlijn kan zorgen. In een situatie als die in het hoofdgeding ben ik van mening dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland dit doel kan bereiken door voor de betrokken raadplegingsprocedure bijvoorbeeld een lokale instantie aan te wijzen die met de milieugevolgen van het plan te maken kan krijgen.(11)
41. Gelet op al het voorgaande ben ik bijgevolg van mening dat artikel 6, lid 3, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de instantie die verantwoordelijk is voor het plan, ook de instantie is die in de nationale wetgeving is aangewezen voor de raadplegingsprocedure, de lidstaat een nieuwe te raadplegen instantie moet aanwijzen, die onderscheiden en onafhankelijk is van de eerste.
B – De derde vraag
42. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 6, lid 2, van de richtlijn er zich tegen verzet dat het tijdschema voor de raadplegingsprocedure per geval wordt vastgesteld door de instantie die bevoegd is voor de opstelling van het plan.
43. In het hoofdgeding was de High Court of Justice in Northern Ireland namelijk van oordeel dat de lidstaten dit tijdschema op grond van het rechtszekerheidsbeginsel moesten vaststellen in het kader van de wetgeving ter omzetting van de richtlijn en dat zij de bevoegdheid om dit tijdsschema per geval vast te stellen niet konden delegeren aan de instantie die voor het plan verantwoordelijk is.
44. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk hoeven de voor de raadplegingsprocedure geldende termijnen niet noodzakelijkerwijs te worden bepaald in het kader van de wetgeving ter omzetting van de richtlijn. De Commissie meent dat noch de tekst van de richtlijn noch enig ander rechtsbeginsel van de lidstaten verlangt dat zij in het kader van hun omzettingswetgeving een nauwkeurig tijdschema voor de raadplegingsprocedure vaststellen. Voldoende zou zijn dat dit tijdschema ten tijde van de raadpleging wordt vastgesteld.
45. Met de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie ben ik van mening dat artikel 6, lid 2, van de richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling als die aan de orde in het hoofdgeding, die erin voorziet dat het tijdschema voor de raadplegingsprocedure per geval wordt bepaald door de instantie die voor het plan of programma bevoegd is. Mijn redenen hiervoor zijn de volgende.
46. Enerzijds heeft de richtlijn de milieubeoordelingsprocedures, en in het bijzonder de raadplegingsprocedure, zoals bekend niet uitputtend geharmoniseerd. Zoals blijkt uit punt 8 van de considerans van de richtlijn en artikel 6, lid 5, hiervan heeft de Uniewetgever een minimumkader willen vastleggen, waarbij hij het aan de lidstaten overliet om de raadpleging van de instanties en het publiek nader te regelen.
47. Zo vermeldt de Uniewetgever waar het gaat om het voor de raadplegingsprocedure vastgestelde tijdschema, in artikel 6, lid 2, van de richtlijn alleen dat dit tijdschema „passend” moet zijn om de geraadpleegde instanties en het geraadpleegde publiek „daadwerkelijk de gelegenheid” te bieden om hun mening te geven.(12) De richtlijn laat het derhalve aan de beoordeling van de lidstaten over hoe deze bepaling in nationaal recht moet worden omgezet.(13) Bijgevolg staat niets eraan in de weg dat een lidstaat besluit om het aan de instantie die met betrekking tot het betrokken plan bevoegd is, over te laten om de termijn vast te stellen waarbinnen de meningen moeten worden gegeven, zolang die termijn de in artikel 6, lid 2, van de richtlijn vervatte voorwaarden naleeft.(14)
48. Deze oplossing heeft het voordeel dat een extreme starheid van de procedure wordt voorkomen, daar de instantie die voor het plan bevoegd is, een tijdschema kan vaststellen dat rekening houdt met de aard, de omvang en de complexiteit van het plan. Op dit punt wil ik eraan herinneren dat de werkingssfeer van de richtlijn buitengewoon ruim is, aangezien hieronder volgens de bewoordingen van artikel 3 zeer diverse sectoren vallen, zoals landbouw, energie, industrie, telecommunicatie, of ook wel toerisme. Afgezien van de diversiteit van de opgestelde plannen heeft ieder plan daarbij mijns inziens specifieke kenmerken en verdient bijgevolg in het bijzonder te worden getoetst, binnen een daarvoor passende termijn. Mij lijkt de instantie die voor het plan bevoegd is, in deze het beste in staat om die termijn vast te stellen.
49. Bovendien lijkt mij deze oplossing niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de instantie die voor het plan bevoegd is, de termijn voor de raadpleging aangeeft direct bij de bekendmaking van het ontwerpplan en het bijbehorende milieurapport, en wel overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de richtlijn.
50. In de onderhavige zaak stel ik derhalve vast dat het ministerie van Milieu overeenkomstig artikel 12 van het besluit van 2004 een termijn van acht weken heeft vastgesteld voor het plan „Northern Area Plan 2016” en een termijn van zes weken voor het plan „Magherafelt Area Plan 2015”. Deze termijnen lijken voldoende, nu de geraadpleegde instanties en het geraadpleegde publiek meer dan 5 250 bezwaren hebben kunnen indienen aangaande het eerste plan en meer dan 5 300 bezwaren aangaande het tweede plan. Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk in haar opmerkingen benadrukt, is in het nationale recht voorzien in de mogelijkheid om, indien in een bepaald geval de te raadplegen instanties of het publiek menen dat de vastgestelde termijn te kort is, een verlenging aan te vragen en, indien deze wordt geweigerd, een procedure bij de rechter in te leiden wegens het feit dat de raadplegingstermijn niet passend was.
51. Ik ben derhalve van mening dat artikel 6, lid 2, van de richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling die erin voorziet dat het tijdschema voor de raadplegingsprocedure per geval wordt vastgesteld door de instantie die voor het plan of programma bevoegd is, mits dit tijdschema passend is om de geraadpleegde instanties en het geraadpleegde publiek daadwerkelijk de gelegenheid te bieden hun mening te geven over het ontwerpplan of ‑programma en het bijbehorende milieurapport.
V – Conclusie
52. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Court of Appeal in Northern Ireland te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 6, lid 3, van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de instantie die verantwoordelijk is voor het plan, ook de instantie is die in de nationale wetgeving is aangewezen voor de raadplegingsprocedure, de lidstaat een nieuwe te raadplegen instantie moet aanwijzen, die onderscheiden en onafhankelijk is van de eerste instantie.
2) Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2001/42 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die erin voorziet dat het tijdschema voor de raadplegingsprocedure per geval wordt vastgesteld door de instantie die voor het plan of programma bevoegd is, mits dit tijdschema passend is om de geraadpleegde instanties en het geraadpleegde publiek daadwerkelijk de gelegenheid te bieden hun mening te geven over het ontwerpplan of -programma en het bijbehorende milieurapport.”
1 – Oorspronkelijke taal: Frans.
2 – PB L 197, blz. 30; hierna: „richtlijn”.
3 – Punt 8 van de considerans van de richtlijn.
4 – Deze twee diensten hebben geen eigen rechtspersoonlijkheid, maar beschikken wel over eigen personeel en eigen huishoudelijke middelen en kantoren.
5 – Verdrag ondertekend op 25 juni 1998 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (PB L 124, blz. 1).
6 – Artikel 7 van het Verdrag van Aarhus.
7 – Punt 15 van de considerans van de richtlijn.
8 – Zie ook punt 5 van de considerans van de richtlijn.
9 – Richtsnoeren inzake de uitvoering van de richtlijn; hierna: „richtsnoeren”.
10 – Punten 7.13‑7.15 van de richtsnoeren.
11 – Dienaangaande benadrukt de verwijzende rechter dat er in Noord-Ierland andere overheidsinstanties zijn met bepaalde wettelijke taken op specifieke milieugerelateerde gebieden.
12 – Zie ook punt 15 van de considerans van de richtlijn, waarin wordt aangegeven dat dit tijdschema moet worden vastgesteld „met voldoende tijd” voor raadpleging en het uiten van meningen.
13 – Zie ter illustratie artikel 14, lid 2, van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327, blz. 1), dat bepaalt: de „lidstaten voorzien in perioden van ten minste zes maanden voor het maken van schriftelijke opmerkingen over [de achtergrond]documenten, teneinde actieve betrokkenheid en raadpleging mogelijk te maken”.
14 – Op dit punt is het van belang op te merken dat artikel 6, lid 3, van het Verdrag van Aarhus, over de inspraak van het publiek wat plannen, programma’s en beleid op het gebied van het milieu betreft, bepaalt: „[d]e inspraakprocedures omvatten redelijke termijnen voor de verschillende fasen, die voldoende tijd laten voor het informeren van het publiek [...] en [...] om zich gedurende de milieubesluitvorming doeltreffend voor te bereiden en deel te nemen”.
Full & Egal Universal Law Academy