CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 26 januari 2012 ( 1 )
Zaak C-527/10
ERSTE Bank Hungary NyrttegenRepubliek Hongarije,
BCL Trading GmbHen
ERSTE Befektetési Zrt.
[verzoek van de Legfelsőbb Bíróság (Hongarije) om een prejudiciële beslissing]
„Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Insolventieprocedures — Toepassing in tijd van verordening (EG) nr. 1346/2000 — Internationale bevoegdheid — Vorderingen die rechtstreeks uit insolventieprocedure voortvloeien en nauw daarmee samenhangen — Toepasselijk recht — Zakelijke rechten van derden — Niet-ontvankelijkheid van verzoek om een prejudiciële beslissing”
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, dat is ingediend door de Legfelsőbb Bíróság (Hongarije), betreft de uitlegging van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: „verordening”) ( 2 ). Ingevolge dit verzoek dient in wezen te worden uitgemaakt of artikel 5, lid 1, van deze verordening, betreffende de zakelijke rechten van derden op de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden dan de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, ook moet worden toegepast ingeval het betrokken goed van de schuldenaar zich op het grondgebied van een staat bevindt die pas na de opening van de insolventieprocedure lid van de Europese Unie is geworden.
Toepasselijke bepalingen
Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden
2.
Artikel 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond ( 3 ) (hierna: „Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden”), bepaalt:
„Onmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de instellingen van de Gemeenschappen vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe lidstaten en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden voorzien in deze Verdragen en in deze Akte.”
Verordening
3.
Met het oog op de vaststelling welke rechterlijke instantie bevoegd is om een insolventieprocedure te openen, preciseert artikel 3, leden 1 en 2, van de verordening:
„1. De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.
2. Wanneer het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar op het grondgebied van een lidstaat gelegen is, zijn de rechters van een andere lidstaat slechts tot opening van een insolventieprocedure ten aanzien van deze schuldenaar bevoegd indien hij op het grondgebied van laatstgenoemde lidstaat een vestiging bezit. De gevolgen van deze procedure gelden alleen ten aanzien van de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.”
4.
Voor de vaststelling van het op de insolventieprocedure toepasselijke recht bepaalt artikel 4, lid 1, van de verordening:
„Tenzij deze verordening iets anders bepaalt, worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend, hierna te noemen ‚lidstaat waar de procedure wordt geopend’.”
5.
Met betrekking tot de zakelijke rechten van derden luidt artikel 5, lid 1, van de verordening:
„De opening van de insolventieprocedure laat onverlet het zakelijk recht van een schuldeiser of van een derde op lichamelijke of onlichamelijke roerende of onroerende goederen – zowel bepaalde goederen als gehelen, met een wisselende samenstelling, van onbepaalde goederen –, die toebehoren aan de schuldenaar en die zich op het tijdstip waarop de procedure wordt geopend op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden.”
6.
Artikel 16, lid 1, van de verordening, welk artikel deel uitmaakt van hoofdstuk II, getiteld „Erkenning van de insolventieprocedure”, bepaalt:
„Elke beslissing tot opening van een insolventieprocedure, genomen door een krachtens artikel 3 bevoegde rechter van een lidstaat, wordt erkend in alle andere lidstaten zodra de beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend.
[...]”
7.
Artikel 43 van de verordening bevat bepalingen betreffende de toepassing in de tijd van de verordening en luidt als volgt:
„Deze verordening is slechts van toepassing op insolventieprocedures die na de inwerkingtreding ervan zijn geopend. Op de rechtshandelingen die de schuldenaar vóór de inwerkingtreding ervan heeft verricht, blijft het recht van toepassing dat gold op het tijdstip dat zij werden verricht.”
8.
Overeenkomstig artikel 47 ervan is de verordening in werking getreden op 31 mei 2002.
Feiten die ten grondslag liggen aan het geding, procesverloop en prejudiciële vraag
9.
Op 8 mei 1998 heeft Postabank és Takarékpénztár Rt. (hierna: „Postabank”) twee onherroepelijke documentaire kredieten met uitstel van betaling geopend, ten bedrage van 6000000 USD en 6120000 USD, met als begunstigde BCL Trading GmbH, die haar zetel heeft te Wenen (hierna: „BCL Trading”).
10.
BCL Trading heeft de schuldvordering waarop op basis van het documentaire krediet aanspraak kon worden gemaakt, overgedragen aan verschillende banken. Postabank heeft vervolgens geweigerd de in de documentaire kredieten genoemde bedragen te betalen, op grond dat de overgelegde bewijzen van bewaring vals waren.
11.
Op 9 juli 2003 heeft BCL Trading haar aandelen in Postabank als zekerheid gesteld voor het geval dat Postabank op basis van het documentaire krediet bedragen tot maximaal 12120000 USD diende te betalen. Deze aandelen vormden het voorwerp van het tot zekerheid strekkende zakelijke recht.
12.
Daarop heeft de rechtsopvolgster van Postabank, te weten ERSTE Bank Hungary Nyrt. (hierna: „ERSTE Bank”), een akkoord met de betrokken banken gesloten, volgens hetwelk zij hun 7850000 USD zou betalen.
13.
Op 5 december 2003 is in Oostenrijk een insolventieprocedure tegen BCL Trading geopend die op 4 februari 2004 openbaar is gemaakt.
14.
Betreffende de aandelen van BCL Trading in Postabank, die door aandelen in ERSTE Bank – als rechtsopvolgster van Postabank – waren vervangen, heeft de Legfelsőbb Bíróság bij gedeeltelijke uitspraak van 6 december 2005 de Hongaarse Staat ertoe verplicht die aandelen voor 1516450200 HUF te kopen, aangezien laatstgenoemde een beslissende invloed op Postabank uitoefende, hetgeen naar Hongaars recht voor deze Staat de verplichting in het leven riep om de door kleine aandeelhouders te koop aangeboden aandelen van Postabank te kopen. De Hongaarse Staat is deze verplichting nagekomen door de betrokken aandelen te kopen en heeft het bedrag dat daartoe door de Legfelsőbb Bíróság was vastgesteld, in bewaring gegeven.
15.
Op 27 januari 2006 heeft ERSTE Bank bij de Fővárosi Bíróság (rechtbank te Boedapest) een vordering ingesteld tegen de Hongaarse Staat, eerste verweerder in cassatie, tegen BCL Trading, tweede verweerster in cassatie, en tegen ERSTE Befektetési Zrt., derde verweerster in cassatie, strekkende tot vaststelling van het bestaan van een zakelijk zekerheidsrecht op het in bewaring gegeven bedrag.
16.
De Fővárosi Bíróság heeft bij beschikking besloten de zaak niet verder te behandelen, na te hebben vastgesteld dat tegen BCL Trading in Oostenrijk een insolventieprocedure was ingeleid en dat volgens de Oostenrijkse faillissementswet tegen een onderneming in liquidatie geen procedure met betrekking tot de failliete boedel kon worden geopend, zodat alle rechtsmiddelen waren uitgesloten.
17.
In tweede aanleg heeft de Ítélőtábla (hof van beroep van het ressort in kwestie) op het door ERSTE Bank ingestelde hogere beroep de in eerste aanleg gewezen beslissing bevestigd. Deze rechterlijke instantie bracht in herinnering dat overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de verordening in casu het Oostenrijkse recht diende worden toegepast. Dit recht sloot daadwerkelijk uit dat een dergelijke gerechtelijke procedure kon worden ingeleid.
18.
ERSTE Bank heeft cassatieberoep ingesteld bij de Legfelsőbb Bíróság. Deze laatste heeft geoordeeld dat zij de zaak niet zonder uitlegging van artikel 5, lid 1, van de verordening kon afdoen. Zij heeft dan ook besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Is artikel 5, lid 1, van [de] verordening [...] van toepassing op een civiele procedure betreffende het bestaan van een (tot zekerheid strekkend) zakelijk recht wanneer het land waar de tot zekerheid strekkende effecten en nadien het in de plaats daarvan gekomen bedrag aan contanten zich bevonden, nog geen lidstaat van de Europese Unie was ten tijde van de opening van een insolventieprocedure in een andere lidstaat, maar wel ten tijde van de indiening van het verzoekschrift?”
19.
Volledigheidshalve moet hieraan worden toegevoegd dat ERSTE Bank, naast de voornoemde vordering tot vaststelling van het bestaan van een zakelijk zekerheidsrecht, om opening van een tweede insolventieprocedure ten aanzien van de zich in Hongarije bevindende goederen van BCL Trading heeft verzocht. Na te hebben erkend dat de verordening in casu van toepassing was, heeft de Legfelsőbb Bíróság dit verzoek afgewezen omdat ERSTE Bank niet had kunnen aantonen dat BCL Trading een filiaal in Hongarije had.
Beoordeling
20.
Uit de in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens kan worden afgeleid dat de Hongaarse rechterlijke instanties die in eerste en tweede aanleg uitspraak hebben gedaan, het beroep van ERSTE Bank hebben verworpen op basis van het Oostenrijkse recht. Dit recht hebben zij toegepast krachtens artikel 4 van de verordening, waarin als algemene regel is vastgesteld dat het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend (lex concursus), op de insolventieprocedure en op de gevolgen daarvan toepassing moet vinden.
21.
De verwijzende rechterlijke instantie, die zich als cassatierechter over de zaak dient uit te spreken, overweegt echter artikel 5, lid 1, van de verordening toe te passen, welke bepaling een uitzondering op die algemene regel vormt, in de zin van de punten 24 en 25 van de considerans van deze verordening. Het betreft namelijk een uitzondering ten behoeve van zakelijke rechten op de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden dan die waar de insolventieprocedure is geopend.
22.
De verwijzende rechterlijke instantie vraagt zich in dit verband af of het feit dat het betrokken goed van de schuldenaar (in casu de aandelen van ERSTE Bank die in het bezit zijn van BCL Trading en het geld dat in de plaats daarvan is gekomen), waarop derden een zakelijk recht hebben (te weten het zakelijke zekerheidsrecht ten gunste van ERSTE Bank), zich op het grondgebied bevindt van een andere lidstaat (in casu de Republiek Hongarije) dan de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend (in casu de Republiek Oostenrijk), terwijl de staat waar dit goed is gelegen pas lid van de Europese Unie is geworden nadat de insolventieprocedure tegen de schuldenaar is geopend, al dan niet eraan in de weg staat dat artikel 5, lid 1, van de verordening wordt toegepast.
23.
Bedoeld gegeven doet echter niet alleen twijfels rijzen over de toepasselijkheid van deze bepaling van de verordening, maar ook over de toepasselijkheid ratione temporis van de verordening op de onderhavige zaak als zodanig. Alvorens de toepasselijkheid van artikel 5, lid 1, van de verordening op zich te onderzoeken, dient bijgevolg te worden uitgemaakt welke gevolgen in de tijd de verordening heeft in de staten die ná de inwerkingtreding van deze verordening lid van de Europese Unie zijn geworden.
24.
De toepassing in de tijd van de verordening is geregeld in artikel 43. Daarin is bepaald dat de bepalingen van deze verordening slechts van toepassing zijn op insolventieprocedures die na de inwerkingtreding ervan zijn geopend. De datum van deze inwerkingtreding kan gemakkelijk worden geïdentificeerd, aangezien de verordening daarin zelf uitdrukkelijk heeft voorzien. Artikel 47 stelt deze datum vast op 31 mei 2002.
25.
In casu is op 5 december 2003 in Oostenrijk een insolventieprocedure tegen BCL Trading geopend. Deze procedure is openbaar gemaakt op 4 februari 2004. Derhalve staat vast dat deze procedure is geopend ná 31 mei 2002, en dat de verordening daarop dus volledig van toepassing is.
26.
Hoewel dit niet expliciet uit de in de verwijzingsbeslissing vermelde gegevens blijkt, dient mogelijkerwijs op grond van artikel 3, lid 1, van de verordening te worden aangenomen dat, aangezien BCL Trading gevestigd was te Wenen, de in Oostenrijk ingeleide insolventieprocedure een hoofdprocedure vormt die een universele strekking heeft en die alle goederen van de schuldenaar beoogt te omvatten in de zin van punt 12 van de considerans van de verordening. Niettemin dient er in dit verband aan te worden herinnerd dat de uitdrukking „alle goederen van de schuldenaar” noodzakelijkerwijs beperkt is tot de goederen van de schuldenaar die zijn gelegen in de lidstaten waar de verordening van toepassing is. ( 4 )
27.
Dat betekent dat de situatie van de goederen van BCL Trading die zich in Hongarije bevonden op het tijdstip waarop deze staat nog geen lid van de Unie was, volgens de verordening onverlet werd gelaten door de opening van de insolventieprocedure in Oostenrijk.
28.
Is deze situatie evenwel veranderd na de toetreding van de Republiek Hongarije tot de Europese Unie, te weten na 1 mei 2004? Volgens mij moet deze vraag bevestigend worden beantwoord, gelet op de gecombineerde bepalingen van de artikelen 16, lid 1, en 17, lid 1, van de verordening, die in Hongarije overeenkomstig artikel 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van toepassing is geworden. Bedoelde bepalingen van de verordening brengen juist mee dat de goederen van de schuldenaar die zich op het grondgebied van een toetredende lidstaat bevinden, volledig deel gaan uitmaken van de goederen die onder de hoofdinsolventieprocedure vallen.
29.
Artikel 16, lid 1, van de verordening legt alle lidstaten de verplichting op om elke beslissing tot opening van een insolventieprocedure te erkennen zodra deze beslissing rechtsgevolgen heeft in de lidstaat waar de procedure is geopend, mits die beslissing door een daartoe krachtens artikel 3 bevoegde rechter van een lidstaat is genomen. Voor de lidstaten die na de inwerkingtreding van de verordening tot de Europese Unie zijn toegetreden, ontstaat deze verplichting overeenkomstig artikel 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden vanzelfsprekend pas vanaf de toetreding van de betrokken staat tot de Europese Unie.
30.
Met betrekking tot de – in artikel 3 van de verordening geformuleerde – voorwaarde inzake de bevoegdheid van de rechter die de beslissing tot opening van een insolventieprocedure heeft genomen, zij opgemerkt dat het dienaangaande van weinig belang is of de staat waar een beslissing tot opening van een insolventieprocedure moet worden erkend, op het tijdstip waarop die beslissing is vastgesteld al dan niet reeds lid van de Europese Unie was.
31.
Uit artikel 16, lid 1, van de verordening, gelezen in samenhang met artikel 2 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden, volgt dat een lidstaat die na de datum van inwerkingtreding van de verordening tot de Europese Unie is toegetreden, vanaf zijn toetreding tot de Europese Unie gehouden was tot erkenning van elke beslissing tot opening van een insolventieprocedure, indien deze beslissing was vastgesteld door een rechterlijke instantie die daartoe bevoegd was krachtens artikel 3 van de verordening. Bijgevolg heeft de beslissing tot opening van een insolventieprocedure die door een krachtens artikel 3 van de verordening bevoegde rechter van een lidstaat is genomen, overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de verordening in een nieuwe lidstaat vanaf de datum van toetreding van die lidstaat de gevolgen die daaraan worden verbonden door het recht van de lidstaat waar de procedure is geopend.
32.
Aangetekend zij dat in punt 22 van de considerans van de verordening ter zake sprake is van de automatische erkenning van de beslissingen tot opening van een insolventieprocedure. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, konden de lidstaten dankzij het beginsel van wederzijds vertrouwen afstand doen van hun interne regels inzake erkenning en exequatur, in de plaats waarvan een vereenvoudigd mechanisme van erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in het kader van insolventieprocedures is gekomen. ( 5 )
33.
In herinnering moet worden geroepen dat, om terug te keren tot de zaak die ons bezighoudt, ERSTE Bank een vordering tot vaststelling van het bestaan van een zakelijke zekerheid heeft ingesteld bij een Hongaarse rechterlijke instantie op 27 januari 2006, te weten ná de toetreding van de Republiek Hongarije tot de Europese Unie. Hieruit volgt dat op die datum niet voorbij kon worden gegaan aan de tegen BCL Trading in Oostenrijk ingeleide insolventieprocedure, gelet op de automatische erkenning van de beslissing tot opening van een insolventieprocedure waarin artikel 16, lid 1, van de verordening voorziet, welke verordening in Hongarije vanaf de toetreding van deze Staat tot de Europese Unie van toepassing is geworden. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de verordening had de door een Oostenrijkse rechterlijke instantie genomen beslissing tot opening van een insolventieprocedure in Hongarije dan ook de gevolgen die daaraan door de Oostenrijkse wet worden verbonden.
34.
Aangezien het door ERSTE Bank ingestelde beroep betrekking had op de goederen van een rechtspersoon ten aanzien waarvan reeds in een andere lidstaat een insolventieprocedure was ingeleid en de beslissing van de Oostenrijkse rechterlijke instantie tot opening van een insolventieprocedure in Hongarije diende te worden erkend, waren de Hongaarse rechterlijke instanties gehouden de in de verordening vastgestelde procedureregels toe te passen. Bijgevolg diende de rechterlijke instantie waarbij het beroep van ERSTE Bank aanhangig was gemaakt, in de eerste plaats haar internationale bevoegdheid te verifiëren, en in de tweede plaats het volgens de verordening toepasselijke recht vast te stellen.
35.
Wat de verificatie van de internationale bevoegdheid van de rechter betreft, heeft de verwijzende rechterlijke instantie in haar verwijzingsbeslissing aangegeven dat zij om uitlegging van artikel 5, lid 1, van de verordening verzocht teneinde te kunnen bepalen of de Hongaarse rechtbanken bevoegd waren om het beroep van ERSTE Bank af te doen.
36.
Artikel 5, lid 1, van de verordening ziet echter niet op de bevoegdheid van de rechter. Deze bepaling betreft niet het mogelijkerwijs uit de insolventieprocedure voortvloeiende bevoegdheidsconflict tussen rechterlijke instanties. De in dit lid neergelegde bepaling is een conflictregel in de vorm van een uitzondering op de in artikel 4, lid 1, van de verordening neergelegde algemene regel volgens welke het recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure is geopend, moet worden toegepast.
37.
Aldus blijkt duidelijk dat artikel 5, lid 1, van de verordening niet van nut is ter verificatie van de internationale bevoegdheid van de Hongaarse rechterlijke instanties die het beroep van ERSTE Bank moeten afdoen.
38.
In dit verband moet evenwel worden gepreciseerd dat de verwijzende rechterlijke instantie de prejudiciële vraag niet met het oog op de beoordeling van de internationale bevoegdheid van de Hongaarse rechter heeft gesteld. Deze instantie lijkt er veeleer van uit te gaan dat zij het toepasselijke recht moet bepalen teneinde vast te stellen of zij zelf bevoegd is om het beroep van ERSTE Bank te onderzoeken.
39.
Zoals ik reeds heb uiteengezet, moet de rechterlijke instantie waarbij een dergelijk beroep aanhangig is gemaakt, in de eerste plaats echter haar eigen internationale bevoegdheid nagaan. Zij dient zich daartoe op artikel 3, lid 1, van de verordening te baseren, ook al gewaagt deze bepaling enkel expliciet van de bevoegdheid om de insolventieprocedure te openen.
40.
Ter zake kan worden verwezen naar het arrest Seagon, waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat artikel 3, lid 1, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaat op wiens grondgebied de insolventieprocedure is geopend, op grond van deze bepaling eveneens internationaal bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen die rechtstreeks uit deze procedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. ( 6 )
41.
Mijns inziens is dat juist het geval voor het door ERSTE Bank ingestelde beroep, aangezien dit beroep betrekking heeft op een gedeelte van de goederen van BCL Trading die worden geraakt door de gevolgen van de beslissing tot opening van de insolventieprocedure. Zodoende vloeit dit beroep rechtstreeks voort uit de tegen BCL Trading ingeleide insolventieprocedure en hangt het nauw daarmee samen.
42.
Gelet op die aard van het betrokken beroep, dient de internationale bevoegdheid te worden beoordeeld op basis van artikel 3, lid 1, van de verordening, hetgeen ons bij de Oostenrijkse rechter brengt, in de veronderstelling dat het centrum van de voornaamste belangen van BCL Trading op het Oostenrijkse grondgebied gelegen is. Dit betekent vanzelfsprekend niet dat het noodzakelijkerwijs om dezelfde rechterlijke instantie gaat als die welke de insolventieprocedure heeft geopend. ( 7 )
43.
Met andere woorden, indien wordt aanvaard dat, ten eerste, de beslissing tot opening van de insolventieprocedure die op de datum van toetreding van de Republiek Hongarije tot de Europese Unie reeds door een Oostenrijkse rechterlijke instantie was vastgesteld, vanaf die datum van toetreding in Hongarije automatisch diende te worden erkend en, ten tweede, het door ERSTE Bank ingestelde beroep rechtstreeks uit deze insolventieprocedure voortvloeide en nauw daarmee samenhing, hadden de Hongaarse rechterlijke instanties geen internationale bevoegdheid om dit beroep af te doen. Hieruit volgt dat het antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag voor de verwijzende rechterlijke instantie van geen enkel nut is om zich over dit beroep uit te spreken, aangezien deze instantie daartoe geen internationale bevoegdheid heeft en de prejudiciële vraag bijgevolg louter hypothetisch is.
44.
Het is juist dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feitelijke achtergrond van het geschil en de verantwoordelijkheid moet dragen voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het recht van de Unie, is het Hof derhalve in beginsel verplicht uitspraak te doen. ( 8 )
45.
Het Hof heeft evenwel ook aangegeven dat het in uitzonderlijke omstandigheden aan het Hof staat om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht. Het Hof kan weigeren uitspraak te doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het recht van de Unie geen enkel verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die voor hem noodzakelijk zijn om een antwoord te geven. ( 9 )
46.
Rekening houdend met de hierboven in herinnering geroepen rechtspraak en gelet op de hypothetische aard van de prejudiciële vraag, ben ik van oordeel dat het Hof niet bevoegd is om deze vraag te beantwoorden.
47.
Indien het Hof niettemin zou oordelen dat het bevoegd is om de prejudiciële vraag te beantwoorden, dient deze volgens mij ontkennend te worden beantwoord, aangezien één van de toepassingsvoorwaarden van artikel 5, lid 1, van de verordening, namelijk het vereiste dat het goed van de schuldenaar zich op het tijdstip waarop de procedure wordt geopend op het grondgebied van een andere lidstaat bevindt, niet is vervuld. Deze voorwaarde kan immers niet worden geacht te zijn vervuld, indien het betrokken goed zich op dat tijdstip op het grondgebied bevond van een staat die pas nadien lid van de Unie is geworden.
Conclusie
48.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging, te verklaren dat het niet bevoegd is om uitspraak te doen over de prejudiciële vraag van de Legfelsőbb Bíróság.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 160, blz. 1.
( 3 ) PB 2003, L 236, blz. 33.
( 4 ) Zie in die zin arresten van 2 mei 2006, Eurofood IFSC (C-341/04, Jurispr. blz. I-3813, punt 28); 21 januari 2010, MG Probud Gdynia (C-444/07, Jurispr. blz. I-417, punt 22), en 17 november 2011, Zaza Retail (C-112/10, Jurispr. blz. I-11525, punt 17).
( 5 ) Arrest MG Probud Gdynia (aangehaald in voetnoot 4, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 6 ) Arrest van 12 februari 2009 (C-339/07, Jurispr. blz. I-767, punt 21). Meer recent heeft het Hof deze uitlegging nog bevestigd in het arrest van 15 december 2011, Rastelli Davide e C. (C-191/10, Jurispr. blz. I-13209, punt 20).
( 7 ) Zie in die zin arrest Seagon (aangehaald in voetnoot 6, punt 27).
( 8 ) Beschikking van 15 april 2011, Debiasi (C-613/10, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 9 ) Arrest van 7 juli 2011, Agafiţei e.a. (C-310/10, Jurispr. blz. I-5989, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Full & Egal Universal Law Academy