CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. CRUZ VILLALÓN
van 8 december 2011 ( 1 )
Zaak C-533/10
Compagnie internationale pour la vente à distance (CIVAD) SA
tegen
Receveur des douanes de Roubaix
Directeur régional des douanes et droits indirects de Lille
Administration des douanes
[verzoek van het Tribunal d’Instance de Roubaix (Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Communautair douanewetboek — Verordeningen tot instelling van antidumpingrechten — Terugbetaling van rechten die zijn betaald krachtens een nadien ongeldig verklaarde verordening — Overmacht — Tijdstip waarop de verplichting tot ambtshalve terugbetaling van de rechten ontstaat — Terugwerkende kracht van de bij arrest van het Hof vastgestelde onwettigheid”
1.
Achter de eerste van de twee vragen van dit prejudicieel verzoek — kort gezegd een verzoek om uitlegging van het begrip „overmacht” in de zin van artikel 236, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek ( 2 ) — gaat mijns inziens om de hierna uiteen te zetten redenen een verder strekkende vraag schuil, namelijk de vraag naar de reikwijdte van de in die bepaling van het communautair douanewetboek gestelde termijn van drie jaar voor de terugbetaling of kwijtschelding van niet wettelijk verschuldigde antidumpingrechten, in een geval als hetwelk tot de onderhavige verwijzing naar het Hof heeft geleid. Op de achtergrond van deze zaak speelt per slot de vraag betreffende de gevolgen van de ongeldigverklaring van verordening (EG) nr. 2398/97 van de Raad van 28 november 1997 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenachtig beddenlinnen van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan ( 3 ), als door het Hof vastgesteld in het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale ( 4 ).
I – Rechtskader
A – Internationaal recht
2.
Op 15 april 1994 ondertekenden de Europese Gemeenschappen de slotakte ter afsluiting van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (hierna: „WTO”), alsmede de in de bijlagen 1 tot en met 4 opgenomen akkoorden en memoranda. Hiervan maken deel uit de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (hierna: „GATT 1994”) en het memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen (hierna: „memorandum van overeenstemming”) ( 5 ).
3.
Zoals blijkt uit de preambule van de Overeenkomst tot oprichting van de WTO, wilden de overeenkomstsluitende partijen overeenkomsten aangaan die „op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel, een aanzienlijke verlaging van douanetarieven en een aanzienlijke vermindering van andere handelsbelemmeringen, alsmede de afschaffing van discriminerende behandeling in het internationale handelsverkeer, beogen”.
4.
Volgens artikel III, lid 2, van deze overeenkomst, vormt de WTO een „forum voor onderhandelingen tussen haar leden betreffende hun multilaterale handelsbetrekkingen [...]”.
5.
Artikel II, lid 2, van deze overeenkomst bepaalt: „De overeenkomsten en bijbehorende juridische instrumenten opgenomen in de bijlagen 1, 2 en 3 [...] vormen een integrerend onderdeel van deze overeenkomst, en zijn bindend voor alle leden”.
6.
Artikel XVI, lid 4, van de overeenkomst bepaalt dat „[e]lk lid waarborgt dat zijn wetten, voorschriften en administratieve procedures overeenstemmen met zijn verplichtingen zoals bepaald in de aangehechte overeenkomsten”.
7.
Volgens artikel VI, lid 1, van de GATT 1994 moet „dumping, waardoor producten uit een land tegen een lagere dan hun normale prijs in een ander land aan de markt worden gebracht, [...] worden veroordeeld, indien zulks aanmerkelijke schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan een gevestigde industrie in het gebied van een verdragsluitende partij, dan wel de vestiging van een binnenlandse industrie aanmerkelijk vertraagt”.
8.
In dit kader kunnen antidumpingmaatregelen worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen en onder de omstandigheden voorzien in de antidumpingovereenkomst, waarvan artikel 18, lid 4, elke verdragsluitende partij verplicht om de „noodzakelijke maatregelen, van algemene of van bijzondere aard [te nemen], om ervoor te zorgen dat [...] zijn wetgeving, voorschriften en administratieve procedures in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst [...]”.
9.
Het memorandum van overeenstemming dient volgens artikel 3, lid 2, ervan „ter bescherming van de rechten en verplichtingen van de leden ingevolge de vermelde overeenkomsten en ter verheldering van de bestaande bepalingen van die overeenkomsten in overeenstemming met de gebruikelijke interpretatieregels van het internationaal publiek recht”.
10.
Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van het memorandum is bij gebreke van een onderling overeengekomen oplossing, de doelstelling van de regeling inzake geschillenbeslechting „te bewerkstelligen dat de desbetreffende maatregelen worden ingetrokken indien deze onverenigbaar worden geacht met de bepalingen van één van de vermelde overeenkomsten”.
11.
Wanneer de onverenigbare maatregel niet onmiddellijk kan worden ingetrokken, krijgt het betrokken lid op grond van artikel 21, lid 3, van het memorandum een redelijke termijn om dat alsnog te doen Blijft het hiermee in verzuim, dan kan het op grond van artikel 22, lid 2, van het memorandum binnen een vastgestelde termijn onderhandelingen aangaan met een of meer partijen bij het geschil, teneinde tot een wederzijds aanvaardbare compensatie te komen. Bij gebreke hiervan kan een partij verzoeken om een machtiging van het orgaan voor geschillenbeslechting (Dispute Settlement Body; hierna: „DSB”) tot schorsing van de toepassing van concessies of andere verplichtingen ingevolge de vermelde overeenkomsten ten aanzien van het betrokken lid.
B – Unierecht
1. Communautair douanewetboek
12.
Artikel 236 van het communautair douanewetboek bepaalt:
„1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.
Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.
2. Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.
Deze termijn wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen.
De douaneautoriteiten gaan ambtshalve tot terugbetaling of kwijtschelding over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van een der in lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde omstandigheden vaststellen.”
2. Verordening nr. 2398/97 en vervolgverordeningen
13.
Bij verordening nr. 2398/97 is een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van katoenachtig beddenlinnen van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan.
14.
Enige maanden nadien is naar aanleiding van een op 3 augustus 1998 door India bij de DSB ingediende klacht, een consultatieronde met de Gemeenschap gestart over verordening nr. 2398/97.
15.
Omdat dit overleg niet tot een voor beide partijen bevredigende oplossing leidde, heeft India het DSB op 7 september 1999 verzocht om de vorming van een panel, belast met het onderzoek van de verenigbaarheid van verordening nr. 2398/97 met de bepalingen van de WTO.
16.
Dit op 27 oktober 1999 ingestelde panel bracht op 30 oktober 2000 een rapport uit ( 6 ), waarin het, zakelijk weergegeven, oordeelde dat de Europese Gemeenschappen hadden gehandeld in strijd met de op grond van de antidumpingovereenkomst op hen rustende verplichtingen. Enerzijds hadden zij met name inbreuk gemaakt op artikel 2.4.2 van de antidumpingovereenkomst door, bij de vaststelling van de gewogen gemiddelde dumpingmarge, ten aanzien van de negatieve dumpingmarges de „nulmarge”-methode toe te passen. En anderzijds hadden zij bij de vaststelling van de schade aan de bedrijfstak van de Gemeenschappen niet in overeenstemming gehandeld met artikel 3.4 van deze overeenkomst, door rekening te houden met inlichtingen over producenten die geen deel uitmaakten van de binnenlandse bedrijfstak zoals gedefinieerd door de met het onderzoek belaste autoriteiten, en door niet alle relevante factoren te evalueren die de situatie van deze bedrijfstak beïnvloedden.
17.
De vaste beroepsinstantie van de WTO bevestigde in haar rapport van 1 maart 2001 de vaststelling van het panel. ( 7 ) Dit rapport werd op 12 maart 2001 door de DSB geaccordeerd.
18.
Het DSB verzocht de Gemeenschappen krachtens artikel 19, lid 1, van het memorandum van overeenstemming om haar maatregel in overeenstemming te brengen met de antidumpingovereenkomst.
19.
Op 26 april 2001 kwamen de Gemeenschappen en de Republiek India overeenkomstig artikel 21, lid 3, sub b, van het memorandum een termijn van vijf maanden en twee dagen overeen voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen en uitspraken van het DSB. Die termijn verstreek op 14 augustus 2001.
3. De naar aanleiding van het DSB-rapport door de Gemeenschappen genomen maatregelen
20.
Op 23 juli 2001 is door de Raad verordening (EG) nr. 1515/2001 inzake de maatregelen die de Gemeenschap kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen vastgesteld ( 8 ) Overeenkomstig artikel 1, lid 1, kunnen die maatregelen bestaan in de „intrekking of wijziging van de betwiste maatregel” (sub a) of het „vaststellen van andere bijzondere maatregelen die in de gegeven omstandigheden dienstig worden geacht” (sub b). Eventueel kunnen ook beiderlei maatregelen tegelijkertijd worden genomen.
21.
Ingevolge artikel 3 van verordening nr. 1515/2001 worden „[o]vereenkomstig deze verordening genomen maatregelen [...] van kracht op de datum van inwerkingtreding en geven [zij], behoudens andersluidende bepalingen, geen aanleiding tot terugbetaling van voor die datum ingevorderde rechten”.
22.
Op 7 augustus 2001 stelde de Raad met betrekking tot de invoer uit India verordening (EG) nr. 1644/2001 vast ( 9 ), waarbij de toepassing van de antidumpingrechten ten aanzien van de invoer uit India werd geschorst.
23.
Bij verordening (EG) nr. 160/2002 van de Raad van 28 januari 2002 ( 10 ) werd de antidumpingprocedure betreffende de invoer uit Pakistan beëindigd, aangezien uit de herziene berekening bleek dat geen van de bedrijven in Pakistan het betrokken product met dumping had uitgevoerd.
24.
Vijf jaar later verklaarde het Hof in het reeds aangehaalde arrest Ikea van 27 september 2007 allereerst voor recht, dat artikel 1 van verordening nr. 2398/97 ongeldig was voor zover de Raad de „nulmarge”-methode had gehanteerd, en voorts dat een importeur die beroep heeft ingesteld tegen de beslissingen waarmee van hem betaling van antidumpingrechten is verlangd krachtens verordening nr. 2398/97, zich in beginsel op de ongeldigverklaring van deze verordening kan beroepen teneinde terugbetaling van die rechten te verkrijgen overeenkomstig artikel 236, lid 1, van het communautair douanewetboek.
II – Feiten. Handelwijze van CIVAD
25.
CIVAD SA is een in Frankrijk gevestigd postorderbedrijf dat katoenen beddengoed uit Pakistan verkoopt. Zij betaalde vanaf 15 december 1997 de overeenkomstig verordening nr. 2398/97 ingestelde antidumpingrechten.
26.
Na de vaststelling van verordening nr. 160/2002 verzocht zij bij brieven van 26 juli en 28 oktober 2002 om terugbetaling van de door haar betaalde antidumpingrechten over de invoer van katoenen beddengoed uit Pakistan in de periode van 15 december 1997 tot en met 23 juli 1999.
27.
Zes jaar na dato en na het arrest Ikea wees de Direction régionale des douanes et droits indirects de Lille, bij brief van 17 maart 2008, haar terugbetalingsverzoeken af voor de antidumpingrechten die waren geheven over de importen in de perioden december 1997-januari 1999 en februari 1999-januari 2002. Volgens de Direction régionale kan de in artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek gestelde termijn van drie jaar voor het verzoek tot terugbetaling slechts worden verlengd wanneer de belanghebbende bewijst dat hij zijn verzoek ten gevolge van toeval of overmacht niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen, en valt de nietigverklaring van een verordening op grond waarvan dat recht is geheven niet onder deze categorie.
28.
Het op 24 april 2008 door CIVAD ingediende herzieningsverzoek, dat zij deed steunen op de grond dat zij onmogelijk om terugbetaling had kunnen verzoeken vóór de bekendmaking van het besluit tot beëindiging van de antidumpingprocedure in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, werd bij brief van 14 augustus 2008 door de douaneautoriteit afgewezen.
29.
Op 2 juli 2009 heeft CIVAD bij het Tribunal d’instance de Roubaix krachtens artikel 243 van het communautair douanewetboek een vordering tot terugbetaling van de antidumpingrechten ingesteld tegen de Receveur des douanes de Roubaix CRD, de Directeur Régional des douanes et droits indirects de Lille en de Administration des Douanes.
III – Prejudicieel verzoek
30.
Op grond van deze feiten en omstandigheden heeft de verwijzende rechter het Hof de volgende vragen gesteld:
De eerste vraag:
„Levert de onrechtmatigheid van een verordening, die feitelijk noch juridisch door een marktdeelnemer met een individueel beroep tot nietigverklaring kan worden bestreden, voor deze marktdeelnemer overmacht op waardoor de in artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek gestelde termijn kan worden overschreden?”
De tweede vraag:
„Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, verplicht artikel 236, laatste alinea, van het communautair douanewetboek de douaneautoriteiten om ambtshalve antidumpingrechten terug te betalen wanneer de ongeldigheid van die verordening is vastgesteld nadat de rechtmatigheid ervan door een lidstaat van de Wereldhandelsorganisatie is betwist:
a)
vanaf het tijdstip waarop de betrokken staat de rechtmatigheid van de antidumpingverordening voor het eerst heeft betwist;
b)
vanaf het rapport van het panel waarin de onrechtmatigheid van de antidumpingverordening wordt vastgesteld;
c)
vanaf het rapport van de beroepsinstantie van de Wereldhandelsorganisatie op grond waarvan de Europese Gemeenschap heeft erkend dat de antidumpingverordening onrechtmatig is?”
IV – Procesverloop voor het Hof
31.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is op 17 november 2010 bij de griffie van het Hof ingekomen.
32.
CIVAD, de Europese Commissie en de Tsjechische en de Franse regering hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
33.
Ter terechtzitting van 6 oktober 2011 hebben de gemachtigden van CIVAD, van de Franse Republiek en van de Commissie hun standpunten kenbaar gemaakt. De gemachtigde van CIVAD heeft bij die gelegenheid een brief van de Commissie van 28 september 2011 overgelegd, betreffende de terugbetaling van rechten betaald op grond van verordening nr. 261/2008 van de Raad van 17 maart 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde compressoren van oorsprong uit de Volksrepubliek China ( 11 ). De overige deelnemers aan de procedure hebben geen bezwaar gemaakt tegen de toevoeging van dit document aan het dossier.
V – Argumenten
34.
CIVAD stelt in wezen dat de ongeldigverklaring van een verordening, als een abnormale en onvoorziene omstandigheid die zich buiten toedoen van de getroffen marktdeelnemer voordoet, overmacht oplevert in de zin van artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek. Naast het feit dat die ongeldigheid de resultante is van een procedure waaraan particulieren geen deel hebben, was zij hun bovendien onbekend gebleven tot de publicatie van een latere verordening (verordening nr. 160/2002), en konden zij toen pas voor het eerst een verzoek om terugbetaling indienen. Hoe dan ook had de Commissie, zoals in andere gevallen, na het bekend worden van de ongeldigheid van verordening nr. 2398/97 een redelijke termijn moeten vaststellen voor het indienen van terugbetalingsverzoeken. Ten slotte voert zij aan dat artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek de staten verplicht de antidumpingrechten ambtshalve terug te betalen vanaf de datum waarop het eerste rapport van het WTO-panel werd uitgebracht.
35.
De Tsjechische en de Franse Republiek alsmede de Commissie verdedigen alle het standpunt dat de ongeldigheid van verordening nr. 2398/97 geen overmacht oplevert, omdat de ongeldigverklaring van een verordening in een rechtsgemeenschap als de Unie geen abnormale omstandigheid is. En CIVAD had volgens hen niet de geëigende maatregelen genomen voor het geval van een eventuele ongeldigheid van die verordening. Zij had immers de nationale autoriteiten tijdig om terugbetaling van de rechten kunnen verzoeken met een beroep op die ongeldigheid en de Franse rechter zo nodig kunnen vragen om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
36.
Met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag betogen beide regeringen en de Commissie dat de nationale autoriteiten aan het DSB-rapport niet de bevoegdheid ontlenen tot buitentoepassinglating van een verordening, en evenmin ambtshalve tot terugbetaling konden overgaan, aangezien verordening nr. 160/2002 niets regelde met betrekking tot de terugbetaling van reeds betaalde rechten.
VI – Beoordeling
37.
Met zijn eerste prejudiciële vraag legt de verwijzende rechter ons de complexe situatie voor van een particulier die met betrekking tot een communautaire verordening waardoor hij rechtstreeks wordt geraakt, 1) deze niet tijdig met een beroep tot nietigverklaring kon aanvechten, en 2) na de ongeldigverklaring van die verordening jaren later, daar slechts ten dele van heeft kunnen profiteren als gevolg van de toepassing van de termijn van artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek door het bestuursorgaan op zijn zaak. De verwijzende rechter vraagt het Hof op die gronden specifiek of dit geen geval is dat overmacht oplevert in de zin van de in lid 2 zelf voorziene uitzondering op de toepassing van die termijn.
38.
Aldus geformuleerd kan de eerste vraag van de verwijzende rechter mijns inziens slechts ontkennend worden beantwoord. Afhankelijk van de grondslag waarop het antwoord wordt gebaseerd, heeft het echter geheel verschillende, zelfs tegenstrijdige gevolgen. Ik ga hierna nader in op deze verschillende grondslagen.
A – De termijn van drie jaar van artikel 236, lid 2, van het douanewetboek geldt niet voor de ongeldigverklaring van een verordening
39.
De verwijzende rechter gaat mijns inziens uit van een verkeerde premisse, namelijk dat de ongeldigverklaring van verordening nr. 2398/97 onder de regeling valt van artikel 236 van het communautair douanewetboek en dat derhalve de daarin voorziene termijn van drie jaar erop van toepassing is, en mogelijk de uitzondering voor overmacht. Mijns inziens is dat een verkeerde premisse, zodat de uitzondering voor overmacht niet aan de orde is.
40.
Ik meen dan ook dat het Hof er goed aan zou doen de uitlegging van artikel 236 van het douanewetboek nader uit te werken, en dit om tweeërlei soorten redenen, verband houdend enerzijds met de juiste uitoefening van rechtsmacht door het Hof zelf, en anderzijds met de vereisten die voortvloeien uit het thans in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. ( 12 )
41.
Met betrekking tot de eerste soort herinner ik er allereerst aan dat ongeldigverklaringen door het Hof als zodanig in principe niet constitutief van aard zijn, zodat zij in beginsel tot de datum van inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift terugwerken (arrest van 8 september 2011, Q-Beef en Bosschaert). ( 13 )
42.
Deze regel lijdt echter uitzondering wanneer de toepassing ervan in een concreet geval het gevaar kan inhouden van ernstige economische repercussies. ( 14 )
43.
In de uitzondering op de terugwerkende kracht van een ongeldigverklaring kan echter uitsluitend worden voorzien door de rechterlijke instantie die haar heeft uitgesproken. Dat is met stelligheid het geval bij de rechtstreekse beroepen tot nietigverklaring, en volgens de rechtspraak, op grond van analoge toepassing van artikel 264 VWEU eveneens bij de in het kader van een prejudiciële verwijzing uitgesproken ongeldigheid. ( 15 ) Dit betekent dat het Hof exclusief bevoegd is om de algemene draagwijdte van de gevolgen van een gegrondbevinding van een beroep, dus de „nietigverklaring” van de betwiste handeling, aan te passen.
44.
Voorts schrijft artikel 236, lid 1, van het communautair douanewetboek duidelijk voor dat tot de terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking „niet wettelijk verschuldigd was”.
45.
Dat „ontbreken van een wettelijke grondslag” omvat mijns inziens zonder enige twijfel — uitgaande van de geldigheid van de bepaling op grond waarvan de in- of uitvoerrechten zijn geheven — die gevallen waarin zij niet correct is toegepast, dit wil zeggen „onwettig” ten opzichte van de toegepaste bepaling. De conclusie luidt echter anders wanneer het gaat om de onwettigheid van de toegepaste bepaling zelf.
46.
De ongeldigverklaring van verordening nr. 2398/97 betekende vanzelfsprekend dat de op grond ervan gevorderde rechten niet „wettelijk verschuldigd” waren. Dit is echter geen willekeurige, met de voorgaande op één lijn te stellen onwettigheid, maar vloeit juist voort uit de ongeldigheid van verordening nr. 2398/97 zelf, die is onderworpen aan de rechtsregels waarop zij is gebaseerd en die haar ongeldigheid kunnen bepalen, namelijk verdragsbepalingen dan wel andere regels van afgeleid recht. En de gevolgen van een ongeldigverklaring van een bepaling van afgeleid recht worden, zoals ik reeds zei, geregeld door artikel 264 VWEU en de rechtspraak, die het daarin bepaalde heeft uitgebreid tot de in een prejudiciële procedure vastgestelde ongeldigheid.
47.
Bijgevolg hebben de in artikel 236 van het communautair douanewetboek, en met name in lid 2 ervan, geregelde gevallen mijns inziens slechts zin wanneer daaronder alleen die gevallen worden begrepen waarin het ontbreken van een rechtsgrondslag voor de heffing van rechten voortvloeit uit de onjuiste toepassing van de rechtsregel die aan de heffing ten grondslag ligt. Er wordt dus steeds uitgegaan van de geldigheid van de toegepaste bepaling, en uitsluitend de rechtmatigheid van de toepassing ervan kan ter discussie staan.
48.
Deze uitlegging van de bepaling, en daarmee kom ik reeds toe aan de tweede van de in punt 40 bedoelde soort redenen, is ook vanuit het perspectief van de rechten van particulieren geboden.
49.
Wanneer de in artikel 236 van het communautair douanewetboek bedoelde „wettelijke onverschuldigdheid” uitsluitend de onwettigheid is die voortvloeit uit de onverenigbaarheid van de toegepaste regel met de concrete handeling van de heffing van in- of uitvoerrechten, is er sprake van een van meet af aan kenbare onwettigheid en kan er bijgevolg rechtstreeks tegen worden opgekomen met een beroep tegen de toepassingshandeling. In deze omstandigheden heeft de termijn van drie jaar van artikel 236, lid 3, een geheel andere dimensie, want dan wordt hij gezien als een begrenzing — ter verzekering van te verwachten belastinginkomsten van de overheid — van een recht dat vanaf het begin kon worden „uitgeoefend”.
50.
In het omgekeerde geval, dit wil zeggen wanneer de bepaling ook ziet op de ongeldigverklaring van de bepaling die de rechtsgrondslag vormt voor de heffing, leidt de verjaringstermijn van drie jaar tot negatieve gevolgen voor de zekerheid en de rechten van de burger, omdat de mogelijkheid van terugbetaling van een niet wettelijk verschuldigd recht afhankelijk wordt gesteld van het intreden van een wellicht niet te constateren en bovenal niet door de betrokkenen te beïnvloeden omstandigheid.
51.
In deze uitlegging is artikel 236 van het communautair douanewetboek in feite een bepaling die voor het recht op terugbetaling vooraf een termijn vaststelt van maximaal drie jaar, ongeacht het tijdstip waarop dat recht is ontstaan. In een context waarin met het verkrijgen van de ongeldigverklaring aanzienlijk meer tijd gemoeid kan zijn, met name als gevolg van de moeilijkheden die zich als bekend voordoen met betrekking tot het criterium van de individuele geraaktheid zoals dit vereiste door het Hof wordt uitgelegd ( 16 ), is het duidelijk dat de toepassing van artikel 236 van het communautair douanewetboek op de werking in de tijd van de ongeldigverklaring van een verordening in bepaalde omstandigheden tot situaties kan leiden die onverenigbaar zijn met grondbeginselen van de rechtsstaat. In die omstandigheden is het verklaarbaar dat wordt gegrepen naar zulke geforceerde oplossingen als de ongeldigverklaring van een bepaling door een rechter kwalificeren als overmacht.
52.
De Commissie lijkt overigens ook van deze uitlegging uit te gaan. Zij opent, zoals wij in punt 33 hebben gezien, althans in een enkel geval, immers de mogelijkheid voor de betrokkenen om zonder termijnbeperking te verzoeken om de terugbetaling van rechten die zijn geheven op grond van door de rechter ongeldig verklaarde verordeningen. ( 17 )
53.
Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren dat de termijn van drie jaar van artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek niet geldt voor de gevallen waarin het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de heffing van in- of uitvoerrechten is gelegen in de onwettigheid zelf van de bepaling op grond waarvan het betrokken recht is geheven.
54.
De onvermijdelijke consequentie hiervan is dat de omstandigheden van het onderhavige geval geen overmacht opleveren in de zin van artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek. Bijgevolg moet de premisse waarvan de verwijzende rechter is uitgegaan — namelijk dat de ongeldigheid van verordening nr. 2398/97 zelf een geval is dat onder die bepaling valt — als onjuist worden aangemerkt. En wanneer deze premisse betreffende de regel onjuist is, is de draagwijdte van de erop voorziene uitzondering, in casu overmacht, irrelevant voor de onderhavige zaak.
B – Subsidiair: de ongeldigverklaring van een verordening is geen overmacht in de zin van artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek
55.
Zelfs indien werd aangenomen dat artikel 236 van het communautair douanewetboek ook ziet op het geval van ongeldigverklaring van een verordening en dat daarop dus de termijn van drie jaar van toepassing is, is de uitzondering voor overmacht in artikel 236, lid 2, mijns inziens toch niet aan de orde. De reden waarom laat zich betrekkelijk eenvoudig verklaren.
56.
Het is in de door de Commissie verdedigde redenering duidelijk dat de mogelijkheid van een ongeldigverklaring door het Hof, los van de meer of minder grote moeilijkheden waarmee het instellen van het daartoe strekkende beroep gepaard gaat, niet als een abnormale, uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheid kan worden beschouwd in een rechtsorde die, zoals die van de Unie, is ingericht als een rechtsstaat en derhalve stoelt op het legaliteitsbeginsel en op de waarborg van de controle daarop door de rechterlijke macht. Het is derhalve inherent aan het Unierecht dat de bepalingen die er deel van uitmaken ongeldig verklaard kunnen worden.
57.
De verwijzende rechter lijkt, zonder bijster expliciet te zijn, aan te nemen dat de „overmacht” voortvloeit uit de beperkingen waarvoor particulieren zich gesteld zagen bij de betwisting van een verordening die hen rechtstreeks raakte. Alhoewel dit een niet te ontkennen feit is, is het ook duidelijk dat noch de inrichting van de rechtsorde, noch met name die van het procesrecht, juist door de eraan inherente voorzienbaarheid, onder het begrip „overmacht” is te brengen. Al mogen de gevolgen van die rechtsordening in sommige opzichten problematisch zijn, zij zijn niet op te lossen met het hier besproken begrip overmacht. Er kan dus hier met zekerheid niet van een geval van overmacht worden gesproken
58.
Mocht het Hof deze zienswijze willen volgen, dan zou het mijns inziens nog een stap verder moeten gaan. Ik betwijfel of dit antwoord het tribunal d’instance een voldoende, en bovenal juist, richtsnoer biedt voor de beslechting van het geding. Het Hof moet met andere woorden voorkomen dat het, door zich van een oordeel te onthouden, als het ware een uitlegging van de betrokken bepaling bevestigt in die zin dat de termijn van artikel 236, lid 2, van het douanewetboek bij gebreke van overmacht dwingend moet worden toegepast. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de in het hoofdgeding opgeworpen vraag aanzienlijk verder reikt dan de vraag stricto sensu of in casu al dan niet sprake is van overmacht.
C – Meer subsidiair: een mogelijke uitlegging van de werking van het arrest Ikea
59.
In dit verband moet noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van de beslissing waarbij het Hof verordening nr. 2398/97 ongeldig heeft verklaard, dus van het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale, en meer bepaald, van de wijze waarop daarin de gevolgen ervan zijn weergegeven.
60.
Het Hof heeft in dat arrest, zoals ik in punt 24 van deze conclusie in herinnering heb gebracht, voor recht verklaard dat artikel 1 van verordening nr. 2398/97 enerzijds ongeldig was voor zover de Raad de „nulmarge”-methode had toegepast, en anderzijds, reeds ter vaststelling van de consequenties van zijn uitspraak, dat een importeur die beroep heeft ingesteld tegen de beslissingen waarmee van hem betaling van antidumpingrechten is verlangd krachtens verordening nr. 2398/97, welke verordening bij het onderhavige arrest ongeldig is verklaard, zich in beginsel in het kader van het hoofdgeding op deze ongeldigheid kan beroepen teneinde terugbetaling van die rechten te verkrijgen overeenkomstig artikel 236, lid 1, van het douanewetboek.
61.
Om te beginnen en zoals de Commissie reeds in punt 36 van haar opmerkingen heeft benadrukt, blijkt uit het arrest Ikea bij een eerste beschouwing dat de consequenties van de ongeldigheid van verordening nr. 2398/97 als zodanig geen uitzondering inhouden op de in artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek gestelde voorwaarden voor de terugbetaling van bedragen die ten tijde van de betaling niet wettelijk verschuldigd waren.
62.
Het Hof verklaarde in overweging 67 van dat arrest immers: „Het is aan de nationale autoriteiten om in hun eigen rechtsorde de consequenties te trekken uit een ongeldigverklaring die heeft plaatsgevonden in het kader van een prejudicieel verzoek om geldigheidsbeoordeling (arrest van 30 oktober 1975, Rey Soda, 23/75, Jurispr. blz. 1279, punt 51), welke als consequentie zou hebben dat de ingevolge verordening nr. 2398/97 betaalde antidumpingrechten rechtens niet verschuldigd waren in de zin van artikel 236, lid 1, van verordening nr. 2398/97 en in beginsel overeenkomstig deze bepaling door de douaneautoriteiten zouden moeten worden terugbetaald, indien is voldaan aan de voorwaarden voor terugbetaling, waaronder de in lid 2 van dit artikel gestelde voorwaarde [ ( 18 ) ], hetgeen ter beoordeling aan de verwijzende rechter is”.
63.
Feit is wel dat het Hof in het dictum van het arrest niet artikel 236, lid 2, van de verordening, maar uitsluitend lid 1 ervan noemt. Punt 2 van het dictum luidt: „Een importeur als die in het hoofdgeding, die bij een nationale rechter beroep heeft ingesteld tegen de beslissingen waarmee van hem betaling van antidumpingrechten is verlangd krachtens verordening nr. 2398/97, welke verordening bij het onderhavige arrest ongeldig is verklaard, kan zich in beginsel in het kader van het hoofdgeding [ ( 19 ) ] op deze ongeldigheid beroepen teneinde terugbetaling van die rechten te verkrijgen overeenkomstig artikel 236, lid 1, van verordening (EG) nr. 2913/92 [...]”.
64.
Ik heb de woorden „in het kader van het hoofdgeding” beklemtoond, omdat het Hof door deze twee verschillende vaststellingen mijns inziens onderscheid heeft willen maken tussen twee eveneens van elkaar verschillende situaties wanneer het gaat om het bepalen van de draagwijdte van zijn ongeldigverklaring voor het verleden. Enerzijds de situatie van degenen die de rechten hadden betaald die werden gevorderd op grond van de ongeldig verklaarde verordening, in die verordening hebben berust en de handelingen ter uitvoering ervan niet bij de nationale autoriteiten hebben aangevochten. En anderzijds de situatie van degenen die, zoals Ikea, en zoals wij nog zullen zien, ook CIVAD, zijn opgekomen tegen de toepassing van de verordening en er uiteindelijk voor hebben gezorgd dat het tot de ongeldigverklaring door het Hof is gekomen. Waar voor de eersten de in artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek vastgestelde termijn van toepassing was, gold daarentegen voor de laatsten in het geheel geen beperking in de tijd op grond van de terugwerkende kracht die eigen is aan ongeldigverklaringen door het Hof.
65.
De in artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek gestelde termijn sluit zonder twijfel elke vordering tot terugbetaling van rechtens niet verschuldigde bedragen uit na de termijn van drie jaar vanaf de datum van kennisgeving van die bedragen, met als enige uitzondering de gevallen van overmacht.
66.
Deze aanpak is echter uitsluitend aanvaardbaar met betrekking tot degenen die niet met de hun ten dienste staande rechtsmiddelen zijn opgekomen tegen de uiteindelijk ongeldig verklaarde verordening. Zij behoort echter niet te gelden voor degenen door wier toedoen die verklaring juist mogelijk is geworden, dus voor diegenen die door op te komen tegen de uitvoeringshandelingen van de verordening de uitspraak van het Hof hebben uitgelokt. Voor deze laatsten dient daarentegen, behoudens een uitzonderlijke en genoegzaam gemotiveerde beslissing van het Hof, het beginsel te gelden dat nietigverklaringen door het Hof terugwerkende kracht hebben. ( 20 )
67.
De alternatieve optie, dit wil zeggen beperking in de tijd van de gevolgen van deze uitspraak op basis van de toepassing van een termijn met een dies a quo als die van artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek, zou in dit geval tot een resultaat leiden dat zich bezwaarlijk laat verenigen met het recht op rechterlijke bescherming (artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). Bovenop de moeilijkheden die een particulier als de betrokken importeur reeds op zijn weg vindt wanneer hij een verordening als nr. 2398/97 door de rechter wil laten toetsen ( 21 ), zou dan met een perverse logica nog eens de frustratie komen niet te kunnen profiteren van de materiële en praktische resultaten van die nietigverklaring.
68.
Naar mijn mening is dan ook in het dictum van het arrest Ikea niet aan artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek gerefereerd, omdat ervan werd uitgegaan dat Ikea „in het kader van het hoofdgeding” aanspraak kon maken op de gewone uitbreiding van de werking in de tijd van een in de prejudiciële procedure door het Hof vastgestelde ongeldigheid.
69.
Deze mogelijkheid staat daarentegen niet open voor degenen die de uitvoeringshandelingen van verordening nr. 2398/97 niet hebben betwist, voor wie overeenkomstig punt 67 van het arrest Ikea de termijn van artikel 236, lid 2, zonder meer geldt.
70.
Maar wat moet nu de beslissing zijn met betrekking tot CIVAD? Wanneer in het hoofdgeding komt vast te staan dat de processuele houding van CIVAD met die van Ikea kan worden gelijkgesteld wat betreft de voortvarendheid waarmee zij in het geweer is gekomen tegen verordening nr. 2398/97, dienen mijns inziens de gevolgen van de ongeldigverklaring van deze verordening voor haar niet anders te zijn dan voor Ikea. ( 22 ) Het enkele feit dat de nationale rechter in haar geval het Hof niet heeft verzocht om een incidentele beslissing over de geldigheid van de toegepaste verordening ( 23 ), kan haar niet in die mate benadelen dat haar situatie wat de praktische gevolgen betreft gelijk is aan die van degenen die niets hebben ondernomen tegen de toepassing van een regeling waarvan CIVAD de onrechtmatigheid aan de orde heeft gesteld zodra zij dat kon, met gebruikmaking van de middelen die haar daartoe rechtens ten dienste stonden.
71.
Concluderend moet mijns inziens subsidiair op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord dat het onderhavige geval geen overmacht vormt. De ongeldigverklaring van een verordening als die van verordening nr. 2398/97 in het arrest Ikea is evenwel geen ontstaansfeit voor een recht op terugbetaling of kwijtschelding waarop de termijn van artikel 236, lid 2, eerste alinea, van het communautair douanewetboek van toepassing is in het specifieke geval van een importeur als die in het hoofdgeding, die in rechte is opgekomen met een beroep op de onrechtmatigheid van de verordening zelf. De beslissing wat dit laatste punt betreft is aan de nationale rechter.
D – Tweede, subsidiair door de verwijzende rechter gestelde vraag
72.
Ik zal thans, voor het geval het Hof ter beantwoording van de eerste vraag mocht volstaan met de vaststelling dat het in casu geen overmacht betreft, de tweede, subsidiair gestelde vraag bespreken. Had de douane onmiddellijk actie moeten ondernemen toen de WTO verordening nr. 2398/97 onverenigbaar met de antidumpingovereenkomst verklaarde? ( 24 )
73.
De Franse overheid kon mijns inziens niet uitsluitend op deze basis overgaan tot de terugbetaling van de reeds betaalde rechten, omdat verordening nr. 1515/2001 nu eenmaal de Gemeenschap belast met het nemen van maatregelen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen. Die maatregelen moeten overeenkomstig artikel 1, lid 1, van die verordening bestaan in de „intrekking of wijziging van de betwiste maatregel” (sub a) of het „vaststellen van andere bijzondere maatregelen die in de gegeven omstandigheden dienstig worden geacht” (sub b), eventueel ook beide soorten maatregelen tegelijkertijd.
74.
Het is derhalve aan de instellingen van de Unie te bepalen welke de reactie moet zijn op een onverenigbaarverklaring van een Unieverordening met de antidumpingovereenkomst, zodat de nationale autoriteit die eigener beweging besluit een maatregel ter zake te nemen, een ontoelaatbare inbreuk zou maken op de bevoegdheid van de Unie. Wij hoeven slechts te denken aan het geval dat een door de nationale overheid uit eigen beweging verleende terugbetaling in strijd is met een verordening die om de genoemde redenen, los van haar onverenigbaarheid met de antidumpingovereenkomst, op het niveau van de Unie volkomen geldig is.
75.
Hierbij zij evenwel opgemerkt dat de door de Unie te nemen maatregel niet noodzakelijkerwijs tot de terugbetaling van de betaalde rechten behoeft te leiden. In de eerste plaats, omdat de onverenigbaarheid met de antidumpingovereenkomst, zoals ik reeds heb vermeld, in het kader van de WTO slechts een verplichting tot overleg en onderhandelingen met zich brengt, zodat niet kan worden uitgesloten dat dat onderhandelingsproces oplossingen oplevert die niet noodzakelijkerwijs bestaan in terugbetaling van die rechten. Voor zover de in verordening nr. 1515/2001 geboden mogelijkheden bestaan in de intrekking of wijziging van de verordening of het „vaststellen van andere bijzondere maatregelen die in de gegeven omstandigheden dienstig worden geacht”, kan in de tweede plaats niet worden uitgesloten dat wanneer de situatie opnieuw wordt bezien in het licht van het DSB-rapport, de rechten die wellicht op grond van de in dat rapport genoemde redenen onverschuldigd zijn, toch zijn terug te vorderen op basis van een andere dan de door de WTO afgekeurde grondslag.
VII – Conclusie
76.
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de gestelde vragen als volgt te beantwoorden:
„1)
a)
De termijn van drie jaar van artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek is niet van toepassing op de gevallen waarin het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het heffen van in- of uitvoerrechten is gelegen in de onwettigheid zelf van de bepaling op grond waarvan het betrokken recht is geheven.
b)
Nu die termijn niet toepasselijk is, heeft hetzelfde te gelden voor de daarop voorziene uitzondering, te weten overmacht.
2)
Subsidiair: De termijn van artikel 236, lid 2, eerste alinea, van het communautair douanewetboek is niet van toepassing op het recht op terugbetaling of kwijtschelding voortvloeiend uit de ongeldigverklaring van een verordening als die van verordening nr. 2398/97 in het arrest van 27 september 2007, Ikea Wholesale, C-351/04, in het specifieke geval van een importeur die blijk heeft gegeven van de nodige voortvarendheid. Het staat aan de verwijzende rechter vast te stellen of CIVAD de vereiste voortvarendheid in acht heeft genomen.
3)
Meer subsidiair:
a)
De ongeldigverklaring van een communautaire verordening is geen ‚overmacht’ in de zin van artikel 236, lid 2, tweede alinea, van het communautair douanewetboek.
b)
Artikel 236, lid 2, derde alinea, van het communautair douanewetboek verplicht de douaneautoriteiten niet ambtshalve tot terugbetaling over te gaan uitsluitend op grond van een onverenigbaarverklaring krachtens de WTO-regels.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.
( 2 ) PB L 302, blz. 1; hierna: „Communautair douanewetboek”.
( 3 ) PB L 332, blz. 1.
( 4 ) C-351/04, Jurispr. blz. I-7723; hierna: „arrest Ikea”.
( 5 ) PB L 336, blz. 234.
( 6 ) WT/DS 141/R Communautés européennes — Droit antidumping sur les importations de linge de lit en coton en provenance d’Inde, rapport du Groupe spécial du 30 octobre 2000.
( 7 ) WT/DS 141/AB/R Communautés européennes — Droit antidumping sur les importations de linge de lit en coton en provenance d’Inde, rapport de l’Organe d’appel du 1er mars 2001.
( 8 ) PB L 201, blz. 10.
( 9 ) Verordening tot wijziging van verordening (EG) nr. 2398/97 en tot schorsing van de toepassing van die verordening op dit product uit India (PB L 219, blz. 1).
( 10 ) Verordening tot wijziging van verordening (EG) nr. 2398/97 en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van dit product uit Pakistan (PB L 26, blz. 1).
( 11 ) PB L 80, blz. 1.
( 12 ) Met name de uitlegging van het Hof in het arrest Ikea en bijvoorbeeld ook in het arrest van 10 mei 2001, Cabletron (C-463/98, Jurispr. blz. I-3495, punt 26).
( 13 ) C-89/10 en C-96/10, Jurispr. blz. I-7819, punt 48.
( 14 ) Zie in deze zin arrest van 21 oktober 2010, Albron Catering (C-242/09, Jurispr. blz. I-10309, punten 35-37).
( 15 ) Zie in deze zin onder meer arresten van 27 februari 1985, Produits de Maïs (112/83, Jurispr. blz. 719, punten 16-18), en 26 april 1994, Roquette Frères (C-228/92, Jurispr. blz. I-1445, punten 17-20 en 25-30). Zie in dit verband respectievelijk Cremer, W., „Art. 231, Rn. 6”, en Wegener, W.B., „Art. 234, Rn. 39-42”, in Calliess/Ruffert, EUV/EGV, Kommentar, C.H. Beck, München, 3e druk, 2007.
( 16 ) Zie in dit verband onder meer, Haltern, U., Europarecht. Dogmatik im Kontext, 2e druk, Mohr Siebeck, 2007, aantekeningen nrs. 509-543.
( 17 ) Zo bijvoorbeeld naar aanleiding van het arrest van het Gerecht van 17 november 2009, MTZ Polyfilms/Raad (T-143/06, Jurispr. blz. II-4133), waarin de nietigverklaring werd uitgesproken van verordening (EG) nr. 366/2006 van de Raad van 27 februari 2006 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1676/2001 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op polyethyleentereftalaatfolie (PET-folie) uit onder meer India (PB L 68, blz. 6). De Commissie besloot toen, naast andere maatregelen, bij bericht nr. 2010/C 131/03 (PB 2010, C 131, blz. 3), de betrokkenen te verzoeken hun aanvraag om terugbetaling zo spoedig mogelijk in te dienen, en verklaarde uitdrukkelijk dat de termijn van de toepasselijke douanewetgeving niet van toepassing was. In woorden van gelijke strekking bood zij bij verordening nr. 261/2008, die zoals ik in punt 33 vermeldde, ter terechtzitting door CIVAD is overgelegd, de mogelijkheid tot terugbetaling zonder verplichting daartoe op grond van een ongeldigverklaring door het Hof.
( 18 ) Mijn cursivering.
( 19 ) Mijn cursivering.
( 20 ) Volledigheidshalve moet ik er echter op wijzen dat, zoals de Commissie opmerkt, het Hof in een eerder arrest (Cabletron, reeds aangehaald), uitdrukkelijk de door advocaat-generaal Jacobs in overweging gegeven oplossing overneemt. Hij zei, in punt 115 van zijn conclusie: „Ik zie dan ook geen reden om de terugwerkende kracht van de voorgestelde nietigverklaring in de tijd te beperken. In elk geval zou een eventuele nietigverklaring enkel praktische gevolgen hebben voor de periode tot 1 januari 2000, en artikel 236, lid 2, van het communautair douanewetboek voorziet in een termijn van drie jaar om de terugbetaling of kwijtschelding van niet wettelijk verschuldigde douanerechten aan te vragen.”
( 21 ) Die er kennelijk niet eenvoudig in slaagde aan te tonen dat deze verordening hem „individueel” raakte in de zin van de rechtspraak. Zie in dit verband onder meer, Lenaerts, K., „Le traité de Lisbonne et la protection juridictionnelle des particuliers en droit de l’Union”, Cahiers de droit européen, 2009, nr. 5-6, blz. 711-745.
( 22 ) Enige beoordelingsgegevens ter zake zijn ten processe aangedragen. CIVAD is in feite, samen met andere vennootschappen, reeds op 2 maart 1998 opgekomen tegen verordening nr. 2398/97, en heeft een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het Gerecht. Bij gebreke van een bevoegde procesvertegenwoordiger is dat beroep bij beschikking van 24 februari 2000 niet-ontvankelijk verklaard (T-37/98, FTA e.a./Raad, Jurispr. blz. II-373). Dit beroep was hoe dan ook niet gebaseerd op de gronden die nadien tot het arrest Ikea hebben geleid, omdat toen het beroep werd ingesteld (maart 1998) nog geen aanvang was gemaakt met het overleg in de WTO naar aanleiding van de door India ingediende klacht (augustus 1998). Ook al strandde deze eerste poging tot betwisting van de geldigheid (waartegen zowel de Raad als de Commissie niet-ontvankelijkheid wegens het ontbreken van procesbevoegdheid aanvoerden), ik meen haar toch onder de aandacht te moeten brengen, omdat hieruit het belang en de voortvarendheid van CIVAD blijkt om in rechte tegen verordening nr. 2398/97 op te komen.
( 23 ) Opgemerkt zij dat CIVAD zelf de nationale autoriteiten op de wenselijkheid heeft gewezen hierover een uitspraak van het Hof af te wachten.
( 24 ) De verwijzende rechter maakt in zijn verzoek melding van drie relevante tijdstippen in de voor de WTO gevolgde procedure ter bepaling van de verenigbaarheid van de verordening met de antidumpingovereenkomst. Zoals ik hierna zal uiteenzetten, zou noch de gevolgde procedure noch de uitkomst ervan in het Unierecht voldoende grond hebben geboden voor de door CIVAD verzochte handeling van de nationale autoriteiten. Het door de verwijzende rechter gemaakte onderscheid tussen die drie procedurele stadia is mijns inziens derhalve irrelevant.
Full & Egal Universal Law Academy