CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MAZÁK
van 12 juli 2012 ( 1 )
Zaak C-534/10 P
Brookfield New Zealand Ltd,
Elaris SNC
tegen
Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP)
en Schniga GmbH
„Communautaire kwekersrechten — Verordening (EG) nr. 2100/94 — Beoordelingsbevoegdheid verleend aan het CBP — Opnieuw overleggen van virusvrij plantenmateriaal voor technisch onderzoek”
I – Inleiding
1.
In deze hogere voorziening verzoeken Brookfield New Zealand Limited (hierna: „Brookfield”) en Elaris SNC (hierna: „Elaris”) (of gezamenlijk hierna: „rekwiranten”) het Hof om vernietiging van het arrest van het Gerecht van 13 september 2010 in zaak T-135/08, Schniga/CBP – Elaris en Brookfield New Zealand (Gala Schnitzer) ( 2 ) (hierna: „bestreden arrest”), waarin het Gerecht (Zesde kamer) de beslissing van 21 november 2007 van de kamer van beroep van het Communautair Bureau voor plantenrassen (hierna: „CBP” of „Bureau”) tot toekenning van een communautair kwekersrecht voor het appelras „Gala Schnitzer” (zaken A 003/2007 en A 004/2007) (hierna: „litigieuze beslissing”) heeft vernietigd.
2.
De hogere voorziening betreft in wezen de vraag of het Gerecht de omvang van de aan het CBP verleende discretionaire bevoegdheid correct heeft uitgelegd door te beslissen dat het CBP in de aanvraagprocedure voor de verlening van een kwekersrecht kon toestaan dat nieuw plantenmateriaal voor de technische keuring werd overgelegd.
II – Toepasselijke bepalingen
3.
Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding was het communautaire kwekersrecht geregeld in verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht ( 3 ), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2506/95 ( 4 ) van de Raad (hierna: „verordening nr. 2100/94”).
4.
Artikel 10, lid 1, van verordening nr. 2100/94, met het opschrift „Nieuwheid”, bepaalt:
„1. Een ras wordt als nieuw aangemerkt, indien op de overeenkomstig artikel 51 vastgestelde datum van indiening van de aanvraag nog geen componenten of oogstmateriaal van het ras door of met toestemming van de kweker in de zin van artikel 11, aan derden zijn verkocht of anderszins afgestaan, met het oog op exploitatie van het ras:
a)
eerder dan één jaar vóór bovengenoemde datum, op het grondgebied van de Gemeenschap;
[...]”
5.
Artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94, met het opschrift „Technisch onderzoek”, bepaalt:
„Het Bureau bepaalt in een algemene regeling of schrijft voor elk geval afzonderlijk voor waar, wanneer en in welke hoeveelheid en vorm het materiaal voor het technische onderzoek en referentiemonsters ter beschikking moeten worden gesteld.”
6.
Artikel 61 van verordening nr. 2100/94 regelt de afwijzing van aanvraag voor een communautair kwekersrecht. Voor zover in deze van belang luidt het als volgt:
„1. Het Bureau wijst de aanvraag om een communautair kwekersrecht af, zodra het vaststelt dat de aanvrager:
[...]
b)
een regeling of voorschrift als bedoeld in artikel 55, lid 4 of lid 5, niet binnen de vastgestelde termijn is nagekomen, tenzij dit met toestemming van het Bureau is geschied; [...]
[...]”
7.
Artikel 73 van verordening nr. 2100/94, met het opschrift „Beroep tegen beslissingen van de Kamers van beroep” bepaalt:
„1. Tegen de beslissingen in beroep van de kamers van beroep kan beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
2. Beroep kan worden ingesteld wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het Verdrag, van deze verordening of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
3. Het Hof van Justitie kan de bestreden beslissing vernietigen of wijzigen.
4. Beroep kan worden ingesteld door elke partij in een procedure voor een kamer van beroep, die geheel of ten dele in het ongelijk is gesteld.
[...]”
8.
Artikel 80, lid 1, van verordening nr. 2100/94, met het opschrift „Herstel in de vorige toestand”, luidt:
„De aanvrager van een communautair kwekersrecht, de houder of iedere andere partij in een procedure voor het Bureau die, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke waakzaamheid, niet in staat is geweest tegenover het Bureau een termijn in acht te nemen, wordt op verzoek in zijn rechten hersteld indien de verhindering ingevolge deze verordening rechtstreeks het verlies van een recht of van een rechtsmiddel tot gevolg heeft.”
III – Feiten
9.
In het bestreden arrest zijn de feiten die tot het onderhavige geding aanleiding hebben gegeven, weergegeven als volgt:
„1.
Op 18 januari 1999 heeft het Konsortium Südtiroler Baumschuler (KSB), in wiens rechten verzoekster Schniga [...] is getreden, krachtens verordening (EG) nr. 2100/94 [...] bij het [CBP] een communautair kwekersrecht aangevraagd.
2.
Deze aanvraag is ingeschreven onder nummer 1999/0033.
3.
Het communautaire kwekersrecht is aangevraagd voor het appelras (Malus Mill) Gala Schnitzer.
4.
Het CBP heeft het Bundessortenamt (Duitse Federaal Bureau voor plantenrassen) belast met het technische onderzoek waarop artikel 55, lid 1, van verordening nr. 2100/94 betrekking heeft.
5.
Bij brief van 26 januari 1999, die aan de vertegenwoordiger van KSB was gericht, heeft het CBP KSB verzocht het CBP en het Bundessortenamt het voor het technische onderzoek noodzakelijke materiaal, te weten tien entbare uitlopers van boomstronken in een ruststadium, tussen 1 en 15 maart 1999 over te leggen. Het CBP heeft ook verduidelijkt dat KSB alle toepasselijke fytosanitaire en douane-eisen inzake de verzending van het materiaal diende na te leven.
6.
Het Bundessortenamt heeft dat materiaal op 9 maart 1999 ontvangen.
7.
Bij brief van 25 maart 1999, die aan de vertegenwoordiger van KSB was gericht, heeft het CBP de ontvangst van het gevraagde materiaal bevestigd en te kennen gegeven dat dit materiaal in goede staat en tijdig aan het Bundessortenamt was overgelegd, maar dat het niet vergezeld ging van een fytosanitair certificaat. Het heeft KSB verzocht ervoor te zorgen dat dit onontbeerlijke document zo snel mogelijk werd bezorgd.
8.
Op 23 april 1999 heeft KSB het Bundessortenamt een Europees plantenpaspoort toegezonden en verduidelijkt dat de instantie die dat paspoort had afgegeven, te weten de dienst plantenbescherming van de autonome provincie Bolzano (Italië), te kennen had gegeven dat dit document de plaats innam van een fytosanitair certificaat.
9.
Bij e-mail van 3 mei 1999 heeft het Bundessortenamt KSB in kennis gesteld van de tijdige aankomst van het materiaal, van de geschiktheid ervan en van de toereikendheid van het bezorgde Europese plantenpaspoort voor het technische onderzoek en de verificatie van de materiële voorwaarden voor de verlening van een communautair kwekersrecht. Het heeft echter verzocht om een afschrift van een officieel certificaat waaruit bleek dat het overgelegde materiaal virusvrij was.
10.
In 2001 heeft KSB het Bundessortenamt ervan in kennis gesteld dat het gevraagde fytosanitaire certificaat niet kon worden verstrekt, omdat was gebleken dat het in maart 1999 voor het technische onderzoek overgelegde materiaal latente virussen bevatte.
11.
Bij e-mail van 4 mei 2001 heeft het Bundessortenamt het CBP in kennis gesteld van zijn bedoeling om het besmette materiaal te ontwortelen teneinde te voorkomen dat de besmetting [zich] naar andere planten zou verspreiden, en het CBP voorgesteld om KSB te verzoeken nieuw, virusvrij materiaal over te leggen teneinde het technische onderzoek opnieuw te beginnen.
12.
Bij e-mail van 8 mei 2001, die aan het Bundessortenamt was gericht, heeft het CBP ingestemd met de ontworteling van het besmette materiaal en te kennen gegeven dat het had besloten KSB te verzoeken nieuw, virusvrij materiaal over te leggen voor maart 2002. Het heeft ook te kennen gegeven dat KSB niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de situatie omdat de instructies betreffende de overlegging van het materiaal niet hadden gepreciseerd dat dit materiaal virusvrij moest zijn, maar enkel dat de eisen van het Europese plantenpaspoort dienden te worden nageleefd, dat de aanvraag voor het ras Gala Schnitzer afwijzen, onrechtvaardig zou zijn en dat de voorgestelde oplossing dus de beste leek.
13.
Bij e-mail van 13 juni 2001 heeft het CBP KSB te kennen gegeven dat het in overleg met het Bundessortenamt had besloten dat, aangezien zijn instructies betreffende de verstrekking van plantenmateriaal en de eisen inzake de gezondheidsstatus ervan niet voldoende duidelijk waren, KSB het Bundessortenamt in maart 2002 nieuw, virusvrij materiaal en een fytosanitair certificaat dat daarvan blijk gaf, kon overleggen teneinde het onderzoek van de aanvraag voor het ras Gala Schnitzer te hervatten.
14.
Na het nieuwe technische onderzoek heeft het Bundessortenamt in zijn eindrapport van 16 december 2005 geconcludeerd dat het ras Gala Schnitzer onderscheidbaar was van het [dichtstbije] referentieras, Baigent, op basis van het extra kenmerk ‚Fruit: breedte van de strepen’.
15.
Op 5 mei 2006 hebben interveniëntes, Elaris SNC en Brookfield New Zealand Ltd, respectievelijk licentiehouder voor het kwekersrecht voor het ras Baigent en houder van dat recht, krachtens artikel 59 van verordening nr. 2100/94 bij het CBP bezwaar gemaakt tegen de verlening van een kwekersrecht voor het ras Gala Schnitzer.
16.
De bezwaren waren gebaseerd op het oudere kwekersrecht voor het appelras (Malus Mill) Baigent.
17.
Ter onderbouwing van de bezwaren is beroep gedaan op artikel 61, lid 1, sub b, van verordening nr. 2100/94, op grond dat de niet-naleving door verzoekster van de in de brieven van het CBP van 26 januari en 25 maart 1999 gedefinieerde eisen inzake de overlegging van materiaal voor het technische onderzoek, had moeten leiden tot afwijzing van de aanvraag voor het ras Gala Schnitzer, en op artikel 7 van verordening nr. 2100/94, op grond dat het ras Gala Schnitzer niet onderscheidbaar was van het ras Baigent.
18.
Op 14 december 2006 heeft de voorzitter van het CBP het gebruik van het extra kenmerk ‚Fruit: breedte van de strepen’ goedgekeurd om de onderscheidbaarheid van het ras Gala Schnitzer aan te tonen.
19.
Bij de beslissingen EU 18759, OBJ 06-021 en OBJ 06-022 van 26 februari 2007 heeft het comité dat bevoegd is om uitspraak te doen over de bezwaren tegen de verlening van een communautair kwekersrecht (hierna: ‚comité’) het aangevraagde recht toegekend aan het ras Gala Schnitzer en de bezwaren afgewezen.
20.
Op 11 april 2007 hebben interveniëntes krachtens de artikelen 67 tot en met 72 van verordening nr. 2100/94 bij de kamer van beroep van het CBP beroep ingesteld tegen die drie beslissingen.
21.
Bij [de litigieuze] beslissing heeft de kamer van beroep de beslissing tot verlening van een communautair kwekersrecht voor het ras Gala Schnitzer en de beslissingen waarbij de bezwaren zijn afgewezen, vernietigd, en zelf de aanvraag voor het ras Gala Schnitzer afgewezen. Zij heeft in het bijzonder geoordeeld dat het CBP op basis van artikel 61, lid 1, sub b, van verordening nr. 2100/94 KSB niet kon toestaan dat nieuw materiaal werd overgelegd, aangezien KSB geen gevolg had gegeven aan het individuele verzoek in de zin van artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94, waarbij het CBP KSB had verzocht een fytosanitair certificaat over te leggen waaruit bleek dat het overgelegde materiaal virusvrij was.”
IV – Procesverloop voor het Gerecht en bestreden arrest
10.
Bij verzoekschrift, ingeschreven op 4 april 2008, heeft Schniga bij het Gerecht beroep tot vernietiging van de litigieuze beslissing ingesteld.
11.
Brookfield en Elaris, rekwiranten in de onderhavige procedure, hebben als interveniëntes ter ondersteuning van het CBP aan de procedure voor het Gerecht deelgenomen.
12.
Het beroep tot vernietiging was gebaseerd op drie middelen: (i) niet-ontvankelijkheid van de bezwaren die interveniëntes bij het CBP hebben ingediend; (ii) schending van de artikelen 61, lid 1, sub b, en 62 van verordening nr. 2100/94, en (iii) schending van artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94.
13.
Het Gerecht heeft het eerste middel niet-ontvankelijk verklaard, aangezien het voor het eerst voor het Gerecht was opgeworpen. Vervolgens heeft het het derde middel – schending van artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 door de kamer van beroep – ontvankelijk verklaard. In punt 39 van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat de kamer van beroep, door de brieven van het CBP van 26 januari 1999 en 25 maart 1999 te kwalificeren, een juridische beoordeling had verricht die in het kader van dit beroep kon worden aangevochten. Het Gerecht stelde dan ook vast dat het derde middel ontvankelijk was.
14.
Wat het beroep ten gronde betreft heeft het Gerecht eerst het derde middel onderzocht. Op dat punt heeft het het standpunt dat de kamer van beroep in de litigieuze beslissing had ingenomen, inhoudende dat artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 het CBP niet de bevoegdheid verleende om de overlegging van nieuw materiaal voor de technische keuring toe te staan, afgewezen.
15.
Bij het vaststellen van de omvang van de beoordelingsbevoegdheid van het CBP krachtens artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 was het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest van oordeel dat die bevoegdheid het recht van het CBP omvat om, indien het dit in een bepaald geval noodzakelijk acht, de voorwaarden voor het onderzoek van een aanvraag voor een communautair kwekersrecht te preciseren, mits de termijn waarbinnen de aanvrager van dat recht gevolg moet geven aan dat individuele verzoek dat hem in de zin van die bepaling is toegezonden, niet is verstreken. In het bijzonder heeft het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest opgemerkt dat het beginsel van behoorlijk bestuur en de noodzaak van een vlot en doeltreffend verloop van de procedure vereisen dat, wanneer het CBP van mening is dat de door hem opgemerkte onnauwkeurigheid kan worden gecorrigeerd, hij het onderzoek van de bij hem ingediende aanvraag kan voorzetten. Bovendien, zoals het Gerecht in punt 65 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, stelt de aan het CBP verleende beoordelingsbevoegdheid hem in staat zich ervan te vergewissen dat de door hem gedane individuele verzoeken duidelijk zijn en dat de aanvragers ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kennen.
16.
Op basis van de relevante feiten van de bij hem aanhangige zaak heeft het Gerecht vastgesteld dat de kamer van beroep, door te concluderen dat het CBP artikel 61, lid 1, sub b, van verordening nr. 2100/94 had geschonden door KSB toe te staan om nieuw materiaal over te leggen, terwijl het volgens die bepaling KSB’s aanvraag onmiddellijk had moeten afwijzen omdat KSB geen gevolg had gegeven aan een individueel verzoek, geen rekening heeft gehouden met de omvang van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 het CBP verleent.
17.
Bijgevolg heeft het Gerecht, zonder het nodig te achten de gegrondheid van het tweede middel te onderzoeken en met afwijzing van de vordering van interveniëntes tot wijziging van de litigieuze beslissing, het beroep toegewezen en de litigieuze beslissing vernietigd.
V – Conclusies voor het Hof
18.
Rekwiranten verzoeken het Hof het bestreden arrest te vernietigen en de zaak voor afdoening te verwijzen naar het Gerecht of, subsidiair, de vordering van Schniga definitief af te wijzen en derhalve de litigieuze beslissing van de kamer van beroep te bevestigen. Zij verzoeken bovendien verweerders in de kosten van de procedure te veroordelen.
19.
Het CBP en Schniga verzoeken het Hof de hogere voorziening af te wijzen en rekwiranten te verwijzen in de kosten van de procedure.
VI – Hogere voorziening
20.
Ter onderbouwing van hun hogere voorziening voeren rekwiranten twee middelen aan, die beide opkomen tegen het oordeel van het Gerecht met betrekking tot het derde middel dat door Schniga in eerste aanleg is aangevoerd.
21.
Het eerste middel klaagt dat het Gerecht het derde, door Schniga in eerste aanleg aangevoerde middel niet-ontvankelijk had moeten verklaren, en dat het artikel 73, lid 2, van verordening nr. 2100/94 heeft geschonden doordat het feitelijke bevindingen van de kamer van beroep heeft onderzocht, waartoe het niet bevoegd is. Met hun tweede middel, dat uit verschillende onderdelen bestaat, stellen rekwiranten dat het Gerecht de omvang van de aan het CBP verleende beoordelingsbevoegdheid heeft miskend en daardoor artikel 55, lid 4, junctis de artikelen 61, lid 1, sub b, en 80 van verordening nr. 2100/94 heeft geschonden.
A – Het eerste middel
1. Voornaamste argumenten van partijen
22.
Met hun eerste middel betogen rekwiranten dat het Gerecht zijn bevoegdheden als omschreven in artikel 73, lid 2, van verordening nr. 2100/94 heeft overschreden doordat het in verband met het derde middel van Schniga feitelijke bevindingen van de kamer van beroep heeft onderzocht. De omvang van de toetsing in de zin van die bepaling is beperkt tot de rechtmatigheid van de beslissing van de kamer van beroep en heeft enkel betrekking op rechtsvragen en misbruik van bevoegdheid.
23.
Bijgevolg had het Gerecht het oordeel van de kamer van beroep aangaande de inhoud en de betekenis van de twee brieven van 26 januari 1999 en 25 maart 1999 niet mogen onderzoeken. Indien het dat feitelijk oordeel van de kamer van beroep had aanvaard, had het Gerecht niet tot de conclusie kunnen komen dat het CBP in mei 2001 op grond van artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 de onnauwkeurigheid van zijn eerdere verzoeken nog kon herstellen.
24.
Het CBP en Schniga wijzen de stelling dat het Gerecht zijn bevoegdheid heeft overschreden af. Zij voeren in het bijzonder aan dat blijkens de rechtspraak van het Hof het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de relevante feiten vast te stellen en te beoordelen, en om het bewijs te waarderen. Daarom zou, zelfs indien het Hof van oordeel zou zijn dat het Gerecht inderdaad feitelijke bevindingen heeft onderzocht, dat onderzoek toch onder de bevoegdheid van het Gerecht vallen. Volgens het CBP en Schniga heeft het Gerecht in het bestreden arrest echter de juridische kwalificatie van de feiten van de kamer van beroep – en niet haar feitelijke bevindingen – onderzocht.
2. Beoordeling
25.
Het eerste middel lijkt gebaseerd op een onjuiste opvatting van de bevoegdheid tot toetsing van de rechtmatigheid van beslissingen van de kamer van beroep, die in artikel 73, lid 2, van verordening nr. 2100/94 aan het Gerecht is verleend.
26.
Terwijl het Hof in hogere voorziening volgens vaste rechtspraak inderdaad enkel rechtsvragen kan toetsen, blijkt duidelijk uit het arrest Schräder/CBP dat de bevoegdheid van het Gerecht tot toetsing van de rechtmatigheid van beslissingen van de kamer van beroep daarentegen tevens het vaststellen en beoordelen van de relevante feiten en het beoordelen van het bewijs omvat. ( 5 )
27.
Eveneens moet in deze context worden opgemerkt dat verordening nr. 2506/95 artikel 73 van verordening nr. 2100/94 juist heeft gewijzigd om de beroepsprocedures van de communautaire regeling inzake het kwekersrecht af te stemmen op de voorzieningen die in artikel 63, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk zijn getroffen voor de toetsing door het Gerecht van de rechtmatigheid van beslissingen van de kamers van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: „BHIM”). ( 6 )
28.
Volgens de uitlegging van artikel 63, lid 2, van verordening nr. 40/94 van het Hof, die dan ook kan worden toegepast op artikel 73 van verordening nr. 2100/94, kan het Gerecht de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep van het BHIM in volle omvang toetsen en daarbij, zo nodig, nagaan of deze kamers de feiten rechtens correct hebben gekwalificeerd dan wel de hun voorgelegde feiten onjuist hebben beoordeeld. ( 7 )
29.
Bijgevolg dient het eerste middel, inzake schending van artikel 73, lid 2, van verordening nr. 2100/94, ongegrond te worden verklaard.
B – Het tweede middel
1. Voornaamste argumenten van partijen
30.
Met hun tweede middel betogen rekwiranten dat het Gerecht de omvang van de beoordelingsbevoegdheid heeft miskend die artikel 55, lid 4, junctis de artikelen 61, lid 1, sub b, en 80 van verordening nr. 2100/94 het Gerecht verleent. In dat verband wijzen rekwiranten op een aantal onjuiste beoordelingen of veronderstellingen waarop volgens hen het bestreden arrest is gebaseerd doordat het Gerecht de bevoegdheden van het CBP onjuist heeft uitgelegd.
31.
Zo betogen zij in het bijzonder dat het Gerecht ten onrechte heeft aangenomen dat het CBP niet alleen met betrekking tot de kwaliteit van het binnen een bepaalde termijn over te leggen materiaal individuele verzoeken kan doen, maar ook met betrekking tot het documentaire bewijs van die vorm. Daarentegen kunnen volgens de zienswijze van rekwiranten individuele verzoeken in de zin van artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 alleen op het materiaal zelf betrekking hebben.
32.
Verder voeren rekwiranten aan dat het Gerecht ten onrechte heeft vastgesteld dat het CBP individuele verzoeken kan opsplitsen in twee zelfstandige en onafhankelijke verzoeken, één betreffende het materiaal zelf en één betreffende het documentaire bewijs van de kwaliteit, zoals het overleggen van een gezondheidscertificaat.
33.
Volgens rekwiranten heeft het Gerecht gelet op artikel 61, lid 1, sub b, van verordening nr. 2100/94 ook ten onrechte verondersteld dat het CBP kan toestaan dat alsnog nieuw virusvrij materiaal wordt overgelegd nadat de termijn voor de overlegging van dit materiaal is verstreken en absoluut duidelijk is dat het materiaal niet virusvrij is. Het Gerecht heeft ten onrechte beslist dat de formulering „zo snel mogelijk” met betrekking tot het verzoek om het ontbrekende gezondheidscertificaat voor reeds overgelegd materiaal in te dienen, niet als een termijn kon worden opgevat, en hoe dan ook niet als een termijn die verstreken was met betrekking tot een individueel verzoek in de zin van artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94, met als consequentie dat de aanvraag overeenkomstig artikel 61, lid 1, sub b, van die verordening moest worden afgewezen.
34.
Bovendien heeft het Gerecht ten onrechte verondersteld dat het CBP alle vrijheid heeft om zich, zonder enig verder hiërarchisch of rechterlijk toezicht, ervan te vergewissen dat zijn individuele verzoeken juridisch nauwkeurig en duidelijk zijn. Op dit punt heeft het Gerecht ten onrechte vastgesteld dat de vraag van de goede of kwade trouw bij de uitlegging van die verzoeken niet van belang was. Evenmin is het Gerecht ingegaan op de grenzen van de procedure voor het herstel in de vorige toestand als geregeld in artikel 80 van verordening nr. 2100/94, die het CBP duidelijk heeft overschreden.
35.
Als reactie hierop betoogt het CBP dat zijn standpunt altijd is geweest dat het gerechtvaardigd was om de aanvrager toe te staan opnieuw plantenmateriaal over te leggen, aangezien het individuele verzoek (de brief van 26 januari 1999) niet voldoende duidelijk was. Dat in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel nauwkeurige instructies van belang zijn, moet in gedachte worden gehouden bij de beoordeling van de verzoeken die het CBP in deze specifieke zaak heeft gedaan.
36.
Wat de verzoeken betreffende de kwaliteit van het over te leggen plantenmateriaal betreft, betoogt het CBP dat pas nadat de uiterste termijn voor het overleggen van materiaal was verlopen en het materiaal was overgelegd, duidelijk was geworden dat het over te leggen plantenmateriaal virusvrij diende te zijn. Het verzoek dat op 26 januari 1999 was gedaan, was op dit punt niet voldoende duidelijk geweest.
37.
Daarom kan volgens het CBP niet worden gesteld dat KSB geen gevolg heeft gegeven aan een verzoek krachtens artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94. Bijgevolg is er geen grondslag voor afwijzing van de aanvraag van KSB krachtens artikel 61, lid 1, van verordening nr. 2100/94.
38.
Wat de verzoeken om documenten betreft, is het CBP het eens met het Gerecht dat een aanvraag alleen kan worden afgewezen wegens het niet-overleggen van relevante documenten, indien er een duidelijk verzoek is waarin de uiterste termijn voor die overlegging wordt aangegeven.
39.
Het CBP betoogt verder dat de procedure voor het herstel in de vorige toestand als geregeld in artikel 80 van verordening nr. 2100/94 niet van toepassing was in de omstandigheden van het onderhavige geval, aangezien de aanwijzing „zo snel mogelijk” niet voldoende precies was om een uiterste termijn aan te geven waarbinnen de aanvrager had moeten handelen. In elk geval is, zelfs indien die aanwijzing geacht zou worden voldoende precies te zijn, artikel 80 van verordening nr. 2100/94 niet van toepassing in gevallen waarin het Bureau aan een vertraging heeft bijgedragen, in casu door na te laten duidelijke instructies te geven in zijn brief van 26 januari 1999.
40.
Ten slotte is het CBP het met het Gerecht eens dat de goede of kwade trouw bij de aanvrager niet relevant is waar het gaat om de beoordeling van de discretionaire bevoegdheid van het CBP volgens artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94.
41.
Daarom stelt het CBP, met afwijzing van alle argumenten van rekwiranten, dat het tweede middel van rekwiranten geheel ongegrond is.
42.
Schniga benadrukt dat – anders dan rekwiranten stellen – artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 gegeven de wetenschappelijke en technische complexiteit van het technisch onderzoek van de aanvragen voor kwekersrechten het CBP noodzakelijkerwijs een ruime beoordelingsbevoegdheid bij de uitoefening van zijn taken verleent. Hieronder valt ook dat het CBP, indien het meent dat het, zoals in casu, niet voldoende duidelijk is geweest met betrekking tot de gezondheidseisen voor het testmateriaal, „toestemming” tot de niet-nakoming in de zin van artikel 61, lid 1, sub b, van verordening nr. 2100/94 kan geven en de aanvragers kan toestaan om nieuw materiaal binnen een nieuwe termijn over te leggen.
2. Beoordeling
43.
Het tweede middel met zijn onderdelen concentreert zich in wezen op de conclusie van het Gerecht – en de in de punten 62 tot en met 80 van het bestreden arrest vervatte motivering ervan – dat de kamer van beroep, door vast te stellen dat het CBP artikel 61, lid 1, sub b, van verordening nr. 2100/91 had geschonden door KSB toe te staan nieuw materiaal over te leggen en de aanvraag niet overeenkomstig die bepaling af te wijzen, de omvang van de beoordelingsbevoegdheid heeft miskend die artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 het CBP verleent. Volgens rekwiranten had het CBP dit alleen kunnen toestaan na een herstel in de vorige toestand, waarin artikel 80 van die verordening voorziet, waarom KSB evenwel niet had verzocht.
44.
Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat het CBP krachtens artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 bevoegd is in een algemene regeling te bepalen of voor elk geval afzonderlijk voor te schrijven waar, wanneer en in welke hoeveelheid en vorm het materiaal voor het technische onderzoek en referentiemonsters ter beschikking moeten worden gesteld.
45.
Aangezien het CBP op grond van artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin kan bepalen welk materiaal voor het technisch onderzoek moet worden overgelegd, hetgeen op zich complexe wetenschappelijke en technische beoordelingen vereist, dient hem bij de toepassing van die bepaling een zekere beoordelingsmarge te worden toegekend. ( 8 )
46.
Niet alleen verzekert en suggereert de formulering van artikel 55, lid 4 van verordening nr. 2100/94 zelf mijns inziens een relatief ruime beoordelingsbevoegdheid op dit punt, maar komt deze ook tot uitdrukking in artikel 61, lid 1, sub b, van die verordening, op grond waarvan het CBP toestemming kan verlenen tot niet-naleving van zijn verzoeken in de zin van artikel 55, lid 4, van de verordening en daarmee kan vermijden de aanvraag te moeten afwijzen. ( 9 )
47.
Zo gezien lijkt mij dat het Gerecht in de punten 63 tot en met 65 van het bestreden arrest, bij het vaststellen van de omvang van de door artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 verleende beoordelingsbevoegdheid, terecht heeft geoordeeld dat die bevoegdheid het recht voor het CBP omvat om, indien het dit noodzakelijk acht, de voorwaarden voor het onderzoek van de aanvraag voor een communautair kwekersrecht te preciseren, mits de termijn waarbinnen de aanvrager van dat recht gevolg moet geven aan het hem toegezonden individuele verzoek niet is verstreken.
48.
In die context heeft het Gerecht, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in punt 64 van het bestreden arrest kunnen oordelen dat het beginsel van behoorlijk bestuur en de noodzaak van een vlot en doeltreffend verloop van de procedure vereisen dat het CBP, wanneer het van mening is dat de door hem opgemerkte onnauwkeurigheid kan worden gecorrigeerd, het onderzoek van de bij hem ingediende aanvraag kan voortzetten en in dat geval niet gehouden is de aanvraag af te wijzen.
49.
Ook heeft het Gerecht terecht in punt 65 van het bestreden arrest gesteld dat het een inherent vereiste van het rechtszekerheidsbeginsel is, dat aanvragers in staat moeten zijn om ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen te kennen en dienovereenkomstig maatregelen te nemen. ( 10 ) Aangezien het CBP als instantie van de Europese Unie gebonden is aan de eisen van rechtszekerheid als algemeen rechtsbeginsel van het Unierecht, kon het Gerecht, anders dan rekwiranten aanvoeren, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting stellen dat het CBP bevoegd is zich ervan te vergewissen dat zijn individuele verzoeken duidelijk zijn, en dat de aanvrager derhalve de enige verantwoordelijke is voor het niet-naleven van die individuele verzoeken.
50.
Anders dan rekwiranten stellen, bevat het bestreden arrest echter geen enkele aanwijzing of suggestie dat het CBP op dat punt volledige vrijheid van handelen heeft, zonder enig verder hiërarchisch of rechterlijk toezicht.
51.
Daarom ben ik van mening dat het Gerecht op dit punt niet van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven toen het de omvang van de beoordelingsbevoegdheid die het CBP bij artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 is verleend, heeft vastgesteld.
52.
In de volgende punten van het bestreden arrest heeft het Gerecht de omstandigheden van de zaak beoordeeld in het licht van de hierboven beschreven beoordelingsbevoegdheid.
53.
In dat verband heeft het Gerecht met name in de punten 69 en 72 van het bestreden arrest zowel de brieven van 26 januari 1999 en 25 maart 1999 als de e-mail van 13 juni 2001, door middel waarvan het CBP met KSB tijdens de procedure contact heeft gehad, gekwalificeerd als individuele verzoeken in de zin van artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94.
54.
Op dit punt moet het argument van rekwiranten dat die verzoeken alleen betrekking kunnen hebben op het materiaal zelf, maar niet op het documentaire bewijs van de kwaliteit ervan, zoals een fytosanitair certificaat betreffende de gezondheidstatus van het materiaal, worden afgewezen. Voor zover die documentatie, zoals het Gerecht terecht opmerkt, betrekking heeft op de kwaliteit van het over te leggen materiaal, zou uitsluiting van de mogelijkheid om dergelijke verzoeken krachtens die bepaling te doen al te formalistisch lijken en in strijd zijn met de hierboven uiteengezette ruime beoordelingsbevoegdheid die het CBP in artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 is verleend voor het bepalen van met name de kwaliteit van het over te leggen materiaal.
55.
Gelet hierop, zelfs indien het verzoek in de brief van 25 maart 1999, zoals rekwiranten stellen, zou moeten worden uitgelegd als een apart individueel verzoek dat enkel betrekking heeft op het documentaire bewijs inzake de gezondheidstoestand van het over te leggen materiaal en niet op de kwaliteit van het materiaal als zodanig, zoals het verzoek in de eerdere brief van 26 januari 1999, valt niet in te zien – en wordt door rekwiranten ook niet nader onderbouwd – in hoeverre het gebruik van twee individuele verzoeken („het opsplitsen”) de door artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 gestelde grenzen zou overschrijden.
56.
Wat het bezwaar van rekwiranten betreft dat het Gerecht ten onrechte van oordeel was dat het CBP de nieuwe overlegging van virusvrij materiaal kon toestaan nadat de termijn voor de overlegging van dit materiaal was verstreken en het absoluut duidelijk was dat dit materiaal niet virusvrij was, moet erop worden gewezen dat het Gerecht zich in de punten 74 en 75 van het bestreden arrest heeft aangesloten bij het standpunt van het CBP in de e-mail van 13 juni 2001 – waarvan het CBP ook in de onderhavige procedure voor het Hof niet is afgeweken – dat de instructies in zijn brieven van 26 januari 1999 en 25 maart 1999 niet voldoende duidelijk waren geweest om daarmee jegens KSB alle twijfel weg te nemen dat het over te leggen materiaal virusvrij moest zijn. Bovendien heeft het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest vastgesteld dat het CBP, door KSB in de brief van 25 maart 1999 enkel te vragen het noodzakelijke gezondheidscertificaat „zo snel mogelijk” over te leggen, KSB geen specifieke termijn voor de verstrekking van dat certificaat heeft opgelegd.
57.
Gelet op die feitelijke beoordeling, die als zodanig niet kan worden bestreden in hogere voorziening bij het Hof en volgens welke er derhalve onduidelijkheid bestond over het feit dat het voor het technisch onderzoek over te leggen materiaal virusvrij moest zijn, kon het Gerecht mijns inziens, gelet op de hierboven genoemde beginselen van behoorlijk bestuur en rechtszekerheid ( 11 ) – zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting – concluderen dat het binnen de beoordelingsbevoegdheid van het CBP viel om in zijn e-mail van 13 juni 2001 de onnauwkeurigheid van zijn eerdere verzoeken op dit punt te verhelpen en toe te staan dat nieuw virusvrij materiaal werd overgelegd.
58.
Voor zover rekwiranten zich voorts beroepen op schending van artikel 80 van verordening nr. 2100/94, dat voorziet in een procedure voor herstel in de vorige toestand, volstaat de opmerking, ten eerste dat KSB niet overeenkomstig die bepaling een verzoek daartoe heeft ingediend, en ten tweede dat – zoals het CBP terecht heeft opgemerkt – de voorwaarde van die bepaling, niet-naleving van een termijn, nooit geheel is vervuld gelet op de onduidelijkheid betreffende de uiterste termijn voor het overleggen van het plantenmateriaal. Aangezien het CBP, zoals blijkt uit het bovenstaande, kon toestaan dat binnen een en dezelfde aanvraagprocedure en zonder afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag nieuw plantenmateriaal werd overgelegd, was het niet nodig om op grond van artikel 80 van verordening nr. 2100/94 het recht om plantenmateriaal over te leggen te herstellen.
59.
Het middel inzake schending van die bepaling moet dus worden afgewezen.
60.
Ten slotte heeft het Gerecht, anders dan rekwiranten stellen, geenszins blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 80 van het bestreden arrest de beweringen van kwade trouw die rekwiranten jegens KSB hebben geformuleerd, als ondeugdelijk af te wijzen. Dit punt was inderdaad niet van belang voor de kwestie die het Gerecht onderzocht, namelijk of het CBP al dan niet binnen de grenzen van de hem in artikel 55, lid 4, van verordening nr. 2100/94 verleende discretionaire bevoegdheid tot correctie van een onnauwkeurigheid van zijn individuele verzoeken was gebleven.
61.
Gelet op het voorgaande moet het tweede middel, schending van artikel 55, lid 4, junctis de artikelen 61, lid 1, sub b, en 80 van verordening nr. 2100/94, mijns inziens eveneens ongegrond worden verklaard.
62.
Bijgevolg ben ik van mening dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
VII – Kosten
63.
Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van CBP en Schniga te worden verwezen in de kosten.
VIII – Conclusie
64.
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:
1)
de hogere voorziening af te wijzen;
2)
rekwiranten te verwijzen in de kosten.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Jurispr. blz. II-5089.
( 3 ) PB L 227, blz. 1.
( 4 ) Verordening van 25 oktober 1995 tot wijziging van verordening (EG) nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht (PB L 258, blz. 3).
( 5 ) Zie dienaangaande arrest van 15 april 2010, C-38/09 P (Jurispr. blz. I-3209, punt 69); zie ook mijn conclusie in dat arrest, punten 20-23.
( 6 ) PB L 11, blz. 1; zie de derde overweging van de considerans van verordening nr. 2506/95.
( 7 ) Zie met name arrest van 18 december 2008, Les Éditions Albert René/BHIM (C-16/06 P, Jurispr. blz. I-10053, punten 38 en 39).
( 8 ) Zie dienaangaande het in voetnoot 5 aangehaalde arrest Schräder/CBP, punt 77, en mijn conclusie bij dat arrest; zie ook onder meer arrest van 14 januari 1997, Spanje/Commissie, (C-169/95, Jurispr. blz. I-135, punten 33 en 34).
( 9 ) Zie op dit punt naar analogie, inzake de ruime beoordelingsbevoegdheid van het BHIM bij het in aanmerking nemen van niet tijdig aangevoerde feiten of overgelegde bewijzen, arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul (C-29/05 P, Jurispr. blz. I-2213, punt 42).
( 10 ) Zie dienaangaande arrest van 9 juli 1981, Gondrand en Garancini (169/80, Jurispr. blz. 1931, punt 17); zie ook arresten van 15 februari 1996, Duff e.a. (C-63/93, Jurispr. blz. I-569, punt 20), en 14 april 2005, België/Commissie (C-110/03, Jurispr. blz. I-2801, punt 30).
( 11 ) Zie hierboven, punten 47-49.
Full & Egal Universal Law Academy