CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 21 juni 2012 ( 1 )
Zaak C-566/10 P
Italiaanse Republiek
tegen
Europese Commissie
andere partij bij de procedure:
Helleense Republiek
„Hogere voorziening — Regeling van taalgebruik — Aankondiging van algemene vergelijkende onderzoeken voor aanwerving van administrateurs en assistenten — Bekendmaking in drie officiële talen — Aanvulling in alle officiële talen — Keuze van tweede taal uit drie officiële talen — Verordening nr. 1 — Artikelen 1 quinquies, 27, 28 en 29, lid 1, Ambtenarenstatuut — Artikel 1, leden 1 en 2, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut — Gelijke behandeling — Motivering — Gewettigd vertrouwen”
I – Inleiding
1.
De Europese instellingen beschikken tot op heden niet over de „Babel fish” ( 2 ) die taalbarrières zou slechten, maar uitsluitend over het computervertaalsysteem Systran, waarvan het gebruik ook nog de inzet vormt van een rechtszaak ( 3 ). Om de communicatie binnen hun diensten te waarborgen, trachten de instellingen daarom de laatste tijd medewerkers aan te werven die Duits, Engels dan wel Frans als vreemde taal beheersen. ( 4 ) Omdat dit volgens Italië in strijd is met het talenregime van de Unie, komt deze lidstaat op tegen de aankondiging van drie van dergelijke vergelijkende onderzoeken.
2.
Zoals bekend, is het taalgebruik een zeer gevoelig punt. Artikel 290 EG (thans, na wijziging, artikel 342 VWEU) schrijft daarom voor dat regelingen inzake het taalgebruik door de Raad met eenparigheid van stemmen worden vastgesteld, en in artikel 22 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt het beginsel van meertaligheid met zoveel woorden erkend. De belangrijkste vragen in deze hogere voorziening zijn dan ook of er is gediscrimineerd op grond van taal en of het meertaligheidsbeginsel is geschonden. Daarnaast worden echter ook meer formele vragen in verband met de aankondiging van algemene vergelijkende onderzoeken opgeworpen en wordt schending van het vertrouwensbeginsel en van de motiveringsplicht gesteld.
II – Rechtskader
A – Primair recht
3.
Artikel 290 EG belast de Raad met de regeling van het taalgebruik:
„De regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Gemeenschap wordt, onverminderd de bepalingen van het Statuut van het Hof van Justitie, door de Raad met eenparigheid van stemmen vastgesteld.”
4.
Voor het taalgebruik is ook artikel 22 van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( 5 ) (hierna: „Handvest”) van belang, dat bepaalt:
„De Unie eerbiedigt de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid.”
B – Verordening nr. 1
5.
De artikelen 1, 4, 5 en 6 van verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap ( 6 ) luiden in de op de onderhavige zaak toepasselijke versie:
„Artikel 1
De officiële talen en de werktalen van de instellingen van de Unie zijn het Bulgaars, het Deens, het Duits, het Engels, het Ests, het Fins, het Frans, het Grieks, het Hongaars, het Iers, het Italiaans, het Lets, het Litouws, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Roemeens, het Sloveens, het Slowaaks, het Spaans, het Tsjechisch en het Zweeds.
[...]
Artikel 4
De verordeningen en andere stukken van algemene strekking worden gesteld in de officiële talen.
Artikel 5
Het Publicatieblad van de Europese Unie verschijnt in de officiële talen.
Artikel 6
De instellingen kunnen de wijze van toepassing van de onderhavige regeling in hun reglement van orde vaststellen.”
C – Ambtenarenstatuut
6.
Artikel 1 quinquies, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”) verbiedt verschillende vormen van discriminatie:
„Voor de toepassing van dit Statuut is iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, politieke, filosofische, godsdienstige of andere overtuiging, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap, leeftijd, of seksuele geaardheid verboden.”
7.
Artikel 1 quinquies, lid 6, van het Statuut heeft betrekking op de rechtvaardiging van ongelijke behandeling:
„Iedere beperking ten aanzien van de naleving van het non-discriminatiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel moet op objectieve en redelijke wijze gemotiveerd zijn en moet beantwoorden aan legitieme doelstellingen van algemeen belang in het kader van het personeelsbeleid. [...]”
8.
In artikel 27 zijn de beginselen van het aanwervingsbeleid geformuleerd:
„De aanwerving dient erop gericht te zijn de instelling de medewerking te verzekeren van ambtenaren die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoen en die uit de onderdanen van de lidstaten der Gemeenschappen zijn aangeworven met inachtneming van een zo breed mogelijke aardrijkskundige spreiding.
Geen enkel ambt mag worden bestemd voor onderdanen van een bepaalde lidstaat.”
9.
Artikel 28 bevat de minimumvoorwaarden voor de aanstelling als ambtenaar:
„Als ambtenaar kan slechts worden aangesteld hij:
[...]
f)
die blijk geeft van een grondige kennis van een van de talen der Gemeenschappen en van een voldoende kennis van een andere taal der Gemeenschappen voor zover dit voor de door hem te verrichten werkzaamheden noodzakelijk is.”
10.
Artikel 29 beschrijft de procedure die moet worden gevolgd om in vacatures te voorzien:
„1. Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag eerst:
[...]
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. De procedure voor het vergelijkend onderzoek is vastgesteld in bijlage III.”
11.
Van de eisen die in artikel 1, lid 1, van bijlage III aan de inhoud van een aankondiging van vergelijkend onderzoek worden gesteld, zijn met name die betreffende de vermelding van de aard van het vergelijkend onderzoek (a) en van de vereiste talenkennis (f) van belang:
„De aankondiging vermeldt:
a)
de aard van het vergelijkend onderzoek (vergelijkend onderzoek binnen de instelling, vergelijkend onderzoek binnen de instellingen, algemeen vergelijkend onderzoek, eventueel gemeenschappelijk voor twee of meer instellingen);
[...]
f)
zo nodig de in verband met de bijzondere aard van het ambt vereiste talenkennis;
[...]”
12.
Artikel 1, lid 2, van bijlage III heeft betrekking op de bekendmaking:
„Een algemeen vergelijkend onderzoek moet worden aangekondigd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen en wel ten minste één maand voor de uiterste datum van ontvangst der sollicitaties en ten minste twee maanden voor de datum van het eventuele examen.”
III – Feiten
13.
De Italiaanse Republiek maakt bezwaar tegen twee aankondigingen van in totaal drie vergelijkende onderzoeken ( 7 ) door het Europees Bureau voor Personeelsselectie (hierna: „EPSO”). Die aankondigingen werden aanvankelijk uitsluitend in de Duitse, de Engelse en de Franse uitgave van het Publicatieblad gepubliceerd. De aankondiging van de eerste twee vergelijkende onderzoeken was het voorwerp van het in zaak T-166/07 ingestelde beroep; het beroep in zaak T-285/07 was gericht tegen de aankondiging van het derde vergelijkend onderzoek.
14.
De eerste twee vergelijkende onderzoeken waren volgens punt II.A van hun voorwaarden bedoeld om reservelijsten vast te stellen teneinde te kunnen voorzien in vacatures bij de Europese instellingen. In de aankondiging van het derde vergelijkend onderzoek was onder punt II.A bepaald dat de Europese Commissie niet aan dit vergelijkend onderzoek was geassocieerd en dus niet van de reservelijst zou aanwerven.
15.
De toelatingsvoorwaarden ten aanzien van talenkennis stonden in punt I.A.2 van de aankondiging van de vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/94/07 en EPSO/AD/95/07 alsmede in punt I.A.3 van de aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AST/37/07. Volgens die voorwaarden moesten de kandidaten over een grondige kennis van één van de officiële EU-talen beschikken en over een behoorlijke kennis van een andere taal, die het Duits, het Engels of het Frans moest zijn.
16.
In punt I.B werd aangekondigd dat de toelatingstoetsen in de tweede taal zouden worden afgenomen. De kandidaten moesten daarom aangeven of ze de toelatingstoetsen en de examens van het vergelijkend onderzoek in het Duits, het Engels of het Frans wilden afleggen.
17.
Verder werd meegedeeld dat omwille van de helderheid en begrijpelijkheid van de algemene informatie en van de mededelingen aan of van de kandidaten, de oproepen voor de verschillende toetsen en examens alsmede alle correspondentie tussen het EPSO en de kandidaten uitsluitend in het Duits, het Engels of het Frans zouden worden gesteld.
18.
Op 20 juni 2007 ( 8 ) en op 13 juli 2007 ( 9 ) publiceerde het EPSO in alle taalversies van het Publicatieblad rectificaties van de bovengenoemde aankondigingen. Daarin werd gerefereerd aan de oorspronkelijke aankondigingen en een nieuwe termijn voor het indienen van de sollicitaties bepaald, die even lang was als de oorspronkelijke termijn. Ook werden de voor deelname aan het vergelijkend onderzoek vereiste kwalificaties en beroepservaring vermeld. Voor het overige werd naar de inhoud van de oorspronkelijke aankondigingen verwezen.
IV – Procedure in eerste aanleg
19.
De Republiek Litouwen en de Helleense Republiek kregen van het Gerecht toestemming om aan de zijde van Italië te interveniëren in zaak T-166/07 respectievelijk zaak T-285/07. Vervolgens werden beide zaken voor de mondelinge behandeling en voor het arrest gevoegd. Bij arrest van 13 september 2010 heeft het Gerecht beide beroepen verworpen.
V – Conclusies
20.
Daarop heeft de Italiaanse Republiek de onderhavige hogere voorziening ingesteld. Zij verzoekt het Hof:
—
overeenkomstig de artikelen 56, 58 en 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie te vernietigen het arrest dat het Gerecht van de Europese Unie op 13 september 2010 in de gevoegde zaken T-166/07 en T-285/07 heeft gewezen op de beroepen tot nietigverklaring van de volgende aankondigingen:
1.
aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/94/07 voor de vaststelling van een reservelijst om te kunnen voorzien in 125 posten van administrateur (AD 5) voor het werkgebied informatie, communicatie en media, en
2.
aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AST/37/07 voor de vaststelling van een reservelijst om te kunnen voorzien in 110 posten van assistent (AST 3) voor het werkgebied communicatie en informatie, beide bekendgemaakt in de Engelse, de Franse en de Duitse uitgave van Publicatieblad C 45 A van de Europese Unie van 28 februari 2007;
3.
aankondiging van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/95/07 voor de vorming van een aanwervingsreserve van administrateurs (AD 5) op het werkgebied „Informatie (bibliotheek/documentatie)”, bekendgemaakt in de Engelse, de Franse en de Duitse uitgave van Publicatieblad C 103 A van de Europese Unie van 8 mei 2007;
—
het geding zelf af te doen en de bovengenoemde aankondigingen nietig te verklaren;
—
de Commissie in de kosten te verwijzen.
21.
De Helleense Republiek verzoekt het Hof eveneens:
—
het door het Gerecht van de Europese Unie op 13 september 2010 in de gevoegde zaken T-166/07 en T-285/07 gewezen arrest te vernietigen.
22.
De Commissie verzoekt het Hof:
—
de hogere voorziening af te wijzen;
—
de Italiaanse Republiek in de kosten te verwijzen.
23.
De Republiek Litouwen, die in eerste aanleg heeft geïntervenieerd, heeft in het kader van deze hogere voorziening geen standpunt ingenomen. De overige partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en hun standpunten ter terechtzitting van 6 juni 2012 mondeling toegelicht.
VI – Juridische beoordeling
A – Ontvankelijkheid van het bij het Gerecht ingestelde beroep
24.
Middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, worden door het Hof ambtshalve onderzocht. ( 10 ) Daarom moet worden ingegaan op de op het eerste gezicht verrassende omstandigheid dat in zaak T-285/07 arrest is gewezen tegen de Commissie, terwijl deze instelling niet aan het betrokken vergelijkend onderzoek geassocieerd was. ( 11 )
25.
Dit vindt echter zijn verklaring in de regeling zoals die bij de oprichting van het EPSO is vastgesteld. Artikel 4 van besluit 2002/620/EG ( 12 ) bepaalt namelijk met zoveel woorden dat alle beroepen die verband houden met de uitoefening van de aan het EPSO overgedragen bevoegdheden, moeten worden ingesteld tegen de Commissie. De bevoegdheid om overeenkomstig artikel 30, eerste alinea, en bijlage III van het Statuut algemene vergelijkende onderzoeken te organiseren, is volgens artikel 2 van genoemd besluit overgedragen aan het EPSO. De ontvankelijkheid van het beroep staat dan ook niet ter discussie. ( 13 )
B – Eerste middel
26.
Met zijn eerste middel komt Italië op tegen de overwegingen van het Gerecht in de punten 41 en 42 van het bestreden arrest. Het ging daar om de vraag of artikel 290 EG, de rechtsgrondslag van het talenregime, en artikel 6 van verordening nr. 1 toestaan dat in aankondigingen van vergelijkend onderzoek kennis van bepaalde talen als voorwaarde wordt gesteld. Het Gerecht stelde vast:
„41 Verordening nr. 1, waarin de regeling voor het taalgebruik van de instellingen is vastgelegd, is door de Raad vastgesteld krachtens artikel 290 EG. Artikel 6 van die verordening staat de instellingen uitdrukkelijk toe om de wijze van toepassing van de taalregeling in hun reglement van orde vast te stellen. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moet hun overigens een zekere functionele zelfstandigheid worden toegekend, teneinde hun goede werking te verzekeren [...].
42 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de betwiste aankondigingen van vergelijkend onderzoek niet in strijd zijn met artikel 290 EG, maar zijn vastgesteld krachtens de bevoegdheid die de gemeenschapsinstellingen en -organen bij artikel 6 van verordening nr. 1 is verleend.” ( 14 )
27.
Deze overwegingen stroken niet met de tekst van de betrokken bepalingen.
28.
Volgens artikel 290 EG stelt de Raad met eenparigheid van stemmen de regeling van het taalgebruik door de organen van de Unie vast. Hij heeft dit gedaan met verordening nr. 1. Volgens artikel 1 van deze verordening zijn alle officiële talen tevens werktaal van de instellingen. Artikel 6 machtigt de instellingen om de wijze van toepassing van de regeling van het taalgebruik in hun reglement van orde vast te stellen.
29.
Een aankondiging van vergelijkend onderzoek is – zoals Italië terecht beklemtoont – geen reglement van orde of daarmee vergelijkbare rechtshandeling. Artikel 6 van verordening nr. 1 is daarom geen passende rechtsgrondslag voor de betrokken aankondigingen van vergelijkend onderzoek.
30.
Het bestreden arrest geeft op dit punt dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit betekent echter nog niet dat de hogere voorziening in zoverre gegrond is.
31.
Er is namelijk een andere reden waarom geen schending van artikel 290 EG en artikel 6 van verordening nr. 1 kan worden vastgesteld. Deze bepalingen regelen namelijk niet rechtstreeks welke eisen in een aankondiging van vergelijkend onderzoek kunnen worden gesteld en welke van de 23 officiële talen van de Unie bij de aankondiging moeten worden gebruikt. Een dergelijke aankondiging kan daarom noch met artikel 290 EG noch met artikel 6 van verordening nr. 1 in strijd zijn.
32.
Hoewel het eerste middel dus moet worden afgewezen, zijn de door Italië opgeworpen vragen wel van belang bij de beoordeling van de volgende drie middelen.
C – Tweede middel
33.
Het tweede middel is gericht tegen de redenering van het Gerecht in de punten 52 tot en met 58 van het bestreden arrest. Italië had betoogd dat de aankondigingen van vergelijkend onderzoek overeenkomstig de artikelen 1, 4 en 5 van verordening nr. 1 integraal in alle officiële talen hadden moeten worden gepubliceerd.
34.
Het Gerecht baseert zich in de punten 52 en 53 van het bestreden arrest op zijn vaste rechtspraak ( 15 ) dat verordening nr. 1 niet van toepassing is op de betrekkingen tussen de instellingen en hun ambtenaren en functionarissen, in die zin dat zij enkel de regeling van het taalgebruik vaststelt die van toepassing is in de verhouding tussen de Europese Unie en een lidstaat of een persoon die onder de jurisdictie van een van de lidstaten ressorteert. Wat de toepassing van de bepalingen van het Statuut betreft, daaronder begrepen die betreffende de aanwerving bij een instelling, vallen de ambtenaren en overige functionarissen van de Unie, evenals de kandidaten voor dergelijke functies, immers enkel onder de rechtsorde van de Unie.
35.
Zoals Italië en Griekenland echter terecht beklemtonen, overtuigt dit standpunt niet. Hoewel de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1 inderdaad uitsluitend zien op de betrekkingen met de lidstaten en met de onder hun jurisdictie ressorterende personen, is het nog maar de vraag of de potentiële kandidaten van een vergelijkend onderzoek in deze hoedanigheid aan de jurisdictie van hun lidstaten zijn onttrokken. Anders dan de Commissie meent, volgt dit niet zonder meer uit het feit dat de rechterlijke instanties van de Unie bevoegd zijn ter zake van vorderingen met betrekking tot dergelijke aanwervingsprocedures.
36.
Met name is de verordening echter gebaseerd op artikel 290 EG, dat de rechtsgrondslag vormt voor de regeling van het taalgebruik door de instellingen van de Unie. Dienovereenkomstig bepaalt zij in artikel 1 wat de officiële talen en de werktalen van de instellingen zijn. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat hiermee uitsluitend de talen worden bedoeld die in de betrekkingen met buitenstaanders worden gebruikt. ( 16 ) Een werktaal is juist bij uitstek de taal die de betrokken instelling ook intern gebruikt.
37.
Anders dan de Commissie meent, pleit ook artikel 6 van verordening nr. 1 voor het standpunt dat deze verordening op de betrekkingen tussen de instellingen en hun personeel van toepassing is. Volgens deze bepaling kunnen de instellingen namelijk in hun reglement van orde niet bepalen of de verordening überhaupt van toepassing is, maar enkel hoe zij moet worden toegepast. De instellingen zouden dus wellicht met een beroep op artikel 6 talen kunnen aanwijzen waarin intern wordt gecommuniceerd ( 17 ), maar voor het overige bevestigt deze bepaling dat verordening nr. 1 op de betrekkingen tussen de instellingen en hun personeel van toepassing is.
38.
Het bestreden arrest geeft derhalve ook op dit punt blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Om vast te stellen of het op andere gronden in stand kan worden gelaten, moet dan ook worden nagegaan of de beperkte bekendmaking van de vergelijkende onderzoeken verenigbaar was met de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 1.
39.
Volgens artikel 4 van verordening nr. 1 worden verordeningen en andere stukken van algemene strekking gesteld in de officiële talen. Artikel 5 bepaalt dat het Publicatieblad in „de officiële talen” verschijnt.
40.
Het is juist dat het Hof in het arrest Kik uit deze bepalingen en uit artikel 254, lid 2, EG heeft afgeleid dat een individuele beschikking niet noodzakelijkerwijs in alle officiële talen behoeft te worden gesteld, ook al kan zij gevolgen hebben voor de rechten van een andere burger van de Unie dan degene tot wie zij is gericht, bijvoorbeeld een concurrent. ( 18 )
41.
Dit bevestigt echter a contrario dat de in artikel 4 van verordening nr. 1 genoemde verordeningen en andere stukken van algemene strekking in alle officiële talen moeten worden gesteld. ( 19 ) Deze uitlegging is ook de enige die strookt met de beginselen van rechtszekerheid en non-discriminatie. ( 20 )
42.
Zij is bovendien in overeenstemming met de ontwikkeling van de tekst van artikel 4 van verordening nr. 1. Net zoals artikel 5 vermeldde deze bepaling tot aan haar wijziging bij gelegenheid van de laatste uitbreiding ( 21 ) ook steeds uitdrukkelijk het precieze aantal officiële talen. ( 22 ) Er is geen enkele aanwijzing dat men met de wijzigingen naar aanleiding van de laatste uitbreiding het gebruik van de verschillende officiële talen heeft willen beperken. Wanneer in de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 1 wordt gesproken van de officiële talen, moet dit dus worden opgevat in de zin van de 23 officiële talen.
43.
De aankondiging van een algemeen vergelijkend onderzoek mag dan geen verordening zijn, zij is, in tegenstelling tot een individuele beschikking, niettemin een stuk van algemene strekking, zoals ook Italië en Griekenland betogen. Een dergelijke aankondiging vermeldt namelijk de sollicitatietermijnen en de overige voorwaarden die bindend zijn voor eenieder die aan het vergelijkend onderzoek wenst deel te nemen. ( 23 ) Alleen daarom al moet zij in beginsel in alle officiële talen worden gesteld.
44.
Dit wordt bevestigd door artikel 5 van verordening nr. 1, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 2, van bijlage III bij het Statuut. Volgens laatstgenoemde bepaling moeten algemene vergelijkende onderzoeken ( 24 ) in het Publicatieblad worden aangekondigd. Aangezien het Publicatieblad volgens artikel 5 van verordening nr. 1 in de officiële talen verschijnt, moeten ook alle verplichte aankondigingen in beginsel in alle officiële talen worden gedaan.
45.
De overwegingen van het Gerecht in punt 56 van het bestreden arrest moeten echter aldus worden opgevat, dat de instellingen bij oproepen tot het indienen van sollicitaties van bovengenoemde bepalingen kunnen afwijken:
„In deze omstandigheden is het de verantwoordelijkheid van de instellingen om de taal waarin intern wordt gecommuniceerd te kiezen, en kan elke instelling deze keuze opleggen aan haar personeelsleden en aan hen die aanspraak maken op die hoedanigheid [...]. De keuze van de taal van externe bekendmaking van een kennisgeving van vacature valt eveneens onder de verantwoordelijkheid van de instellingen [...].”
46.
Dit standpunt is uiteindelijk gebaseerd op artikel 6 van verordening nr. 1. ( 25 ) De gedachtegang is dat indien de instellingen op grond van dit artikel talen kunnen aanwijzen waarin intern wordt gecommuniceerd, het hun ook zou moeten worden toegestaan zich uitsluitend in deze talen te richten tot de potentiële sollicitanten, die de gekozen talen dienen te beheersen.
47.
Zoals reeds gezegd, is de oproep tot het indienen van sollicitaties echter zelf niet een op artikel 6 van verordening nr. 1 gebaseerde rechtshandeling. ( 26 ) Ook heeft de Commissie nooit op basis van deze bepaling formeel vastgelegd in welke taal of talen intern wordt gecommuniceerd of de aankondigingen van vergelijkende onderzoeken worden gesteld. Een loutere praktijk die erin bestaat hoofdzakelijk bepaalde talen te gebruiken, kan niet als een dergelijk formeel besluit worden beschouwd. Alleen al de inhoud van een dergelijke praktijk is namelijk volstrekt onduidelijk. Uit niets blijkt onder welke omstandigheden een bepaalde taal kan worden gebruikt.
48.
Een en ander betekent dat niet met een beroep op artikel 6 van verordening nr. 1 kan worden afgeweken van de artikelen 4 en 5, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 2, van bijlage III bij het Statuut.
49.
Ook de later in alle officiële talen gepubliceerde verwijzingen hebben de ontoereikende bekendmaking van de aankondigingen niet kunnen goedmaken. Die verwijzingen bevatten namelijk slechts een deel van de informatie. Met name ontbreken daarin de gestelde taaleisen. De verwijzing naar de volledige bekendmaking in slechts drie talen kan niet als vervanging dienen voor de volledige bekendmaking in de andere officiële talen. Zoals Griekenland opmerkt, konden in casu belangstellenden die geen van de drie betrokken talen beheersten, uit die verwijzingen niet opmaken dat zij om die reden niet voldeden aan de voorwaarden om aan het vergelijkend onderzoek te mogen deelnemen, en dat de verdere inhoud van de slechts in die talen bestaande aankondigingen dus voor hen niet van belang was.
50.
Met name is er echter geen regeling op basis waarvan zou mogen worden afgeweken van het beginsel van volledige publicatie in alle talen, zoals dit is geformuleerd in de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 1, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 2, van bijlage III bij het Statuut.
51.
De aankondigingen behoorden dus in alle talen integraal te worden gepubliceerd. De vraag of dit eventueel anders ligt bij vergelijkende onderzoeken die slechts voor sollicitanten met een bepaalde moedertaal zijn bedoeld ( 27 ), behoeft hier niet te worden beantwoord.
52.
Aangezien het arrest van het Gerecht op een verkeerde rechtsopvatting berust en ook niet op andere gronden in stand kan blijven, moet het tweede middel worden aanvaard. Het bestreden arrest moet worden vernietigd.
53.
Ik acht het niettemin noodzakelijk ook op de overige middelen in te gaan, teneinde rechtszekerheid te verschaffen voor de in de toekomst door de instellingen bij de organisatie van vergelijkende onderzoeken te volgen praktijk.
D – Derde middel
54.
Met zijn derde middel stelt Italië dat de bekendmaking van de betrokken aankondigingen van vergelijkend onderzoek in slechts drie talen in strijd is met het in artikel 12 EG (thans, na wijziging, artikel 18 VWEU) neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en met het meertaligheidsbeginsel van artikel 22 van het Handvest.
55.
De vraag is niet of de aankondiging van een algemeen vergelijkend onderzoek in slechts drie talen onverenigbaar was met het discriminatieverbod. Het is zonneklaar dat zelfs kandidaten met voldoende kennis van het Duits, het Engels of het Frans niet noodzakelijkerwijs de versies van het Publicatieblad in een van die drie talen raadplegen, maar dit document doorgaans uitsluitend in hun moedertaal consulteren. ( 28 ) Daardoor bestaat het gevaar dat deze personen niet tijdig van het vergelijkend onderzoek kennis krijgen. Wegens de nauwe relatie tussen moedertaal en nationaliteit zou dit een op nationaliteit gebaseerde discriminatie vormen. Dit betekent dat de oorspronkelijke aankondigingen van 28 februari 2007 en 8 mei 2007 als zodanig ontoereikend waren.
56.
In casu moet echter worden uitgemaakt of deze aanvankelijke benadeling op grond van nationaliteit nadien is goedgemaakt door de in de overige talen gepubliceerde verwijzingen, zoals het Gerecht in de punten 85 tot en met 91 van het bestreden arrest heeft vastgesteld. Aangezien deze fundamentele onregelmatigheid verschilt van de reeds onderzochte formele schending van de verplichting tot bekendmaking in het Publicatieblad, kan mijn eerdere conclusie dat de ontoereikende bekendmaking onvoldoende is goedgemaakt ( 29 ), niet zonder meer worden geacht ook voor de benadeling op grond van nationaliteit te gelden.
57.
Italië betwist om te beginnen dat het mogelijk was de gemaakte fout te corrigeren en voert bovendien als bezwaar aan dat de latere verwijzingen niet alle informatie bevatten die in de oorspronkelijke aankondigingen vermeld stond.
1. Kon de gebrekkige bekendmaking worden gecorrigeerd?
58.
Voor zijn standpunt dat correctie niet mogelijk was, baseert Italië zich op de systematiek van het beroep tot nietigverklaring. Het wijst erop dat overeenkomstig artikel 230 EG (thans, na wijziging, artikel 263 VWEU) de aankondigingen in hun oorspronkelijke vorm het voorwerp van geschil vormen.
59.
Volgens deze opvatting zou het beroep echter zonder voorwerp zijn geraakt. Strikt genomen bestaan de oorspronkelijke aankondigingen namelijk niet meer. Door de later gepubliceerde verwijzingen zouden die oorspronkelijke aankondigingen zijn ingetrokken en door nieuwe zijn vervangen. ( 30 ) Deze zouden bestaan uit een combinatie van de oorspronkelijke aankondiging met de nieuwe verwijzingen, waarin met name een nieuwe sollicitatietermijn werd bepaald, en hadden het voorwerp moeten zijn van een nieuw beroep.
60.
Ik meen echter niet dat een zo formalistische benadering moet worden gevolgd. Zoals het Gerecht reeds heeft vastgesteld, hebben de latere verwijzingen de inhoud van de aankondigingen, althans voor zover deze omstreden is, niet veranderd. ( 31 )
61.
Als het beroep echter niet zonder voorwerp is geraakt, moet het gericht zijn tegen de aankondigingen in hun effectief geldende versie, zodat de later gepubliceerde verwijzingen in aanmerking moeten worden genomen.
62.
Anders dan Italië meent, wordt overigens in het Unierecht de mogelijkheid van correctie van procedurefouten principieel erkend. ( 32 ) De corrigerende maatregel moet de betrokkenen – in casu de potentiële kandidaten – terugbrengen in de positie waarin zij zich zouden hebben bevonden als de procedurefout niet was opgetreden. ( 33 )
2. De correctie in deze zaak
63.
In deze zaak is de onregelmatigheid van de oorspronkelijke bekendmakingen niet gecorrigeerd. Zeker, doordat met de latere verwijzingen de sollicitatietermijn werd heropend, gold voor de potentiële kandidaten in wier moedertaal de oorspronkelijke aankondigingen niet waren gepubliceerd, dezelfde sollicitatietermijn als voor de kandidaten in wier moedertaal die aankondigingen waren bekendgemaakt.
64.
Desalniettemin werden de potentiële kandidaten die pas door de latere verwijzingen van de vergelijkende onderzoeken op de hoogte werden gebracht, niet teruggebracht in de positie waarin zij zich zouden hebben hadden bevonden als dergelijke verwijzingen al meteen waren gepubliceerd. Degenen die via de oorspronkelijke aankondigingen van de vergelijkende onderzoeken kennis kregen, hadden namelijk duidelijk meer tijd om zich speciaal daarop voor te bereiden. Bij de vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/94/07 en EPSO/AST/37/07 betekende dit een voorsprong van bijna vier maanden, terwijl de voorsprong bij vergelijkend onderzoek EPSO/AD/95/07 meer dan twee maanden bedroeg. Die tijd kon met name worden benut voor het opfrissen van de vereiste specifieke kennis en talenkennis.
65.
De latere verwijzingen hebben derhalve de in de selectieve publicatie van de oorspronkelijke aankondigingen besloten liggende benadeling van potentiële kandidaten met een andere moedertaal dan Duits, Engels of Frans niet ongedaan kunnen maken.
66.
Het Gerecht heeft deze benadeling niet opgemerkt. Aan zijn overwegingen in de punten 85 tot en met 91 van het bestreden arrest ligt daarom een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag. Het bestreden arrest moet bijgevolg ook op deze grond worden vernietigd.
3. Was de bekendmaking in de overige talen volledig?
67.
Italië hekelt bovendien het feit dat de betrokken aankondigingen niet integraal in de andere talen zijn gepubliceerd. Dit argument snijdt in zoverre hout dat potentiële kandidaten die de volledige aankondiging in hun moedertaal konden lezen, in het voordeel waren ten opzichte van andere potentiële kandidaten, die de volledige tekst in een vreemde taal moesten lezen.
68.
Zoals het Gerecht in de punten 90 en 99 van het bestreden arrest terecht heeft vastgesteld, was deze benadeling echter niet van dien aard, dat zij als een op nationaliteit gebaseerde discriminatie moest worden beschouwd.
69.
Voor zover de benadeelden daarentegen personen waren die geen van de drie talen waarin de betrokken aankondigingen integraal waren gepubliceerd, voldoende beheersten, waren zij geen potentiële kandidaten. Zoals het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt beschikten deze personen niet over de vereiste talenkennis om tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten.
70.
In zoverre verschillen de in deze zaak aan de orde zijnde vergelijkende onderzoeken van de aanwervingsprocedures waarom het ging in de door Italië aangevoerde andere beslissingen van het Gerecht, die ertoe hebben geleid dat kennisgevingen van vacatures nietig zijn verklaard. ( 34 ) Die beslissingen hadden namelijk betrekking op procedures ter vervulling van vacatures waarvoor geen specifieke talenkennis vereist was. In die gevallen konden er dus potentiële kandidaten zijn die de kennisgeving in geen van de gebruikte talen zouden hebben begrepen, terwijl bij de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde vergelijkende onderzoeken de potentiële kandidaten in elk geval één van die talen moesten begrijpen.
71.
Het Gerecht heeft in punt 85 van het bestreden arrest dan ook terecht vastgesteld dat de later gepubliceerde verwijzingen deze onregelmatigheid van de oorspronkelijke bekendmaking hebben opgeheven. Of het überhaupt geoorloofd was om de keuze van de tweede taal te beperken tot het Duits, het Engels of het Frans, is een vraag die pas in het kader van het volgende middel behoeft te worden onderzocht.
72.
Het tweede onderdeel van het derde middel kan dan ook niet worden aanvaard.
E – Vierde middel
73.
Het vierde middel heeft betrekking op de kern van het dispuut, namelijk de keuze van slechts drie talen als mogelijke „tweede taal” voor het vergelijkend onderzoek. De overwegingen op basis waarvan het Gerecht heeft ontkend dat de keuze van de Commissie discriminerend en onredelijk was, zijn volgens Italië in strijd met het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en met het meertaligheidsbeginsel.
1. Discriminatieverbod
74.
Volgens artikel 12 EG (thans, na wijziging, artikel 18 VWEU) is binnen de werkingssfeer van het Unierecht elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden. Dit beginsel is thans eveneens verankerd in artikel 21, lid 2, van het Handvest.
75.
Hoewel het Gerecht in de punten 93 tot en met 104 van het bestreden arrest niet ingaat op de vraag of de beperking van de keuze aan tweede talen een op nationaliteit gebaseerde discriminatie kan opleveren, komt het wel tot een juiste conclusie, aangezien een dergelijke discriminatie niet aan de orde is.
76.
Een beperking van het gebruik van eerste talen in vergelijkende onderzoeken van de instellingen zou discriminerend zijn en om die reden rechtvaardiging behoeven. Aangezien er in de regel een nauwe relatie bestaat tussen de taal die een kandidaat het best beheerst en diens nationaliteit, zou een dergelijke beperking op zijn minst een nadeel opleveren voor potentiële kandidaten die als gevolg van hun nationaliteit een andere moedertaal hebben. Zij zouden belangrijke onderdelen van het vergelijkend onderzoek in een vreemde taal moeten afleggen, terwijl concurrerende kandidaten hun moedertaal zouden kunnen gebruiken.
77.
In zoverre is het in artikel 1 quinquies, lid 1, van het Statuut verankerde verbod van discriminatie op grond van taal, dat thans ook is neergelegd in artikel 21, lid 1, van het Handvest, een bijzondere toepassing van het algemene discriminatieverbod op grond van nationaliteit. Tegelijkertijd zou er sprake zijn van schending van de in artikel 27, lid 2, van het Statuut opgenomen bepaling dat geen enkel ambt mag worden bestemd voor onderdanen van een bepaalde lidstaat.
78.
In het onderhavige geval wordt echter niet het gebruik van de eerste taal beperkt, maar dat van een tweede taal. Het behoeft geen betoog dat de tweede taal van potentiële kandidaten minder nauw samenhangt met hun nationale herkomst dan hun eerste taal.
79.
Zeker, er zijn staten waarin een van de toegelaten talen naast andere landstalen een bijzondere status geniet. ( 35 ) Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat bepaalde kandidaten uit deze staten een van de toegelaten tweede talen bijzonder goed beheersen.
80.
Maar anders dan bij de moedertaal het geval is, berust die goede beheersing van de tweede taal dan echter niet alleen op nationaliteit, maar is die ook te danken aan bijkomende inspanningen van de betrokken staat, van de familie van de kandidaat of van de kandidaat zelf. In zoverre bestaat er hooguit een gradueel verschil met vreemdetalenkennis die is opgedaan in een zeer goed opgezet schoolsysteem.
81.
Het potentiële voordeel van een tweede taal die in het land van herkomst een bijzondere status geniet, kan daarom geen discriminatie van kandidaten uit andere staten op grond van hun nationaliteit opleveren.
82.
Zo gezien worden uitsluitend „benadeeld” bepaalde kandidaten uit andere lidstaten waarin meerdere officiële talen van de Unie worden gesproken, maar geen van de drie bevoorrechte talen. ( 36 ) Dergelijke kandidaten kunnen mogelijk hun „natuurlijke” tweede taal niet in het vergelijkend onderzoek gebruiken. Niets wijst er echter op dat dit theoretische nadeel voor bepaalde kandidaten ook praktische consequenties heeft.
83.
Voor de overgrote meerderheid van de potentiële kandidaten maakt de beperking van de keuze aan tweede talen hoe dan ook geen verschil. Het gaat hierbij namelijk om de drie meest wijdverbreide vreemde talen in de Unie. ( 37 ) Als eerste vreemde taal wordt in vrijwel alle lidstaten meestal Engels geleerd, slechts in enkele lidstaten overwegend Frans, en alleen in Luxemburg op de basisschool nagenoeg uitsluitend Duits. Als het om de tweede vreemde taal gaat, staan Duits en Frans duidelijk bovenaan. Weliswaar komen ook Spaans, Zweeds (in Finland) en Ests (in Estland – vermoedelijk bij leden van de Russische minderheid) als tweede vreemde taal voor, maar dit is veel minder vaak het geval. ( 38 ) Het is dan ook vrij onwaarschijnlijk dat er überhaupt kandidaten zijn die andere vreemde talen aanzienlijk beter beheersen dan Duits, Engels of Frans.
84.
Het feit dat de keuze van de tweede taal tot deze drie talen is beperkt, kan derhalve niet als een benadeling op grond van nationaliteit worden gezien.
2. Schending van het meertaligheidsbeginsel
85.
Italië stelt zich verder op het standpunt dat de beperking van de keuze aan tweede talen in strijd is met het meertaligheidsbeginsel. Volgens dit beginsel mag van personen die naar een functie bij de instellingen solliciteren, worden verwacht dat zij naast de taal van hun lidstaat op zijn minst nog één andere taal beheersen, maar kan niet worden geëist dat die andere taal het Duits, het Engels of het Frans is.
86.
Het is juist dat toen de betrokken aankondigingen in 2007 werden gepubliceerd, het Verdrag van Lissabon nog niet in werking was getreden, zodat het in artikel 22 van het Handvest erkende beginsel van meertaligheid nog geen rechtstreekse bindende kracht had. Volgens de officiële toelichtingen ( 39 ) was dat artikel echter gebaseerd op het destijds van kracht zijnde artikel 6 EU, waarvan het derde lid de Unie verplichtte de nationale identiteit van haar lidstaten te eerbiedigen (zie thans artikel 4, lid 2, VEU), alsmede op artikel 151, leden 1 en 4, EG (thans, na wijziging, artikel 167, leden 1 en 4, VWEU), dat de Gemeenschap verplichtte de nationale en regionale verscheidenheid respectievelijk de culturele verscheidenheid te eerbiedigen en te bevorderen. Deze verplichting is thans uitdrukkelijk geformuleerd in artikel 3, lid 3, vierde alinea, VEU.
87.
Het beginsel van meertaligheid is onderdeel van de culturele diversiteit ( 40 ) en van de nationale identiteit van de lidstaten. Het is dus gebaseerd op fundamentele waarden van de Unie, die ook op het moment van publicatie van de litigieuze aankondigingen reeds bestonden. ( 41 )
88.
Het beginsel van meertaligheid verlangt echter niet dat de Unie in elke situatie alle officiële talen gebruikt ( 42 ), noch regelt het concreet uit welke talen potentiële kandidaten voor functies bij de Unie een tweede taal kunnen kiezen. Het kan voor deze vraag alleen van betekenis zijn in samenspel met het algemene beginsel van gelijke behandeling.
89.
Dit inmiddels ook in artikel 20 van het Handvest verankerde beginsel vereist dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld. ( 43 ) Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een door de betrokken wetgeving nagestreefd rechtens geoorloofd doel, en dit verschil in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel. ( 44 ) Bij deze afweging moeten in geding zijnde fundamentele waarden van de Unie, zoals het beginsel van meertaligheid, in aanmerking worden genomen. Als de maatregel met een dergelijke fundamentele waarde in strijd is, moet aan het ermee nagestreefde doel een bijzonder gewicht toekomen, wil deze maatregel gerechtvaardigd zijn.
90.
Doordat de betrokken aankondigingen van vergelijkend onderzoek slechts bepaalde talen als tweede taal toestaan, worden de diverse officiële talen en werktalen van de Unie verschillend behandeld.
91.
Het feit dat aan drie talen een bevoorrechte positie wordt verschaft, rechtvaardigt het Gerecht in de punten 93, 94 en 102 van het bestreden arrest wederom met een beroep op artikel 6 van verordening nr. 1, dat de instellingen bevoegdheid verleent om de wijze van toepassing van de taalregeling vast te stellen. Zoals echter reeds is vastgesteld, is tot dusver niet van deze bevoegdheid gebruikgemaakt en kunnen de voorwaarden van een vergelijkend onderzoek dus ook niet met een beroep daarop worden gerechtvaardigd. ( 45 ) Het arrest geeft daarom ook in dit opzicht blijk van een verkeerde rechtsopvatting.
92.
Dit neemt echter niet weg dat de conclusie van het Gerecht juist is. Al hebben de instellingen dan niet formeel bepaalde talen als interne werktalen aangewezen, het is een feit dat ‐ zoals de Commissie beklemtoont – hun diensten niet kunnen functioneren als de interne communicatie niet is gewaarborgd. Het moet daarom voor de instellingen mogelijk zijn om bij de aanwerving van nieuwe medewerkers als selectiecriterium te hanteren of zij in de bestaande diensten passen en hun functie daar naar behoren kunnen vervullen. Daarvoor is doorslaggevend of zij de talen beheersen die in deze diensten de facto reeds als interne werktalen worden gebruikt. Het heeft geen enkel nut als een personeelslid meerdere officiële talen perfect beheerst, die verder door niemand in zijn dienst worden verstaan.
93.
Voor zover er echter geen bijzondere omstandigheden zijn die het gebruik van slechts één of enkele talen noodzakelijk maken, is het in het belang van de gelijkheid van kansen en de taalverscheidenheid om zo veel mogelijk alle of dan toch in elk geval meerdere talen van de Unie te gebruiken. ( 46 ) Hoe deze talen in de praktijk worden ingezet, kan dan per geval aan de hand van de capaciteiten van de betrokken personeelsleden worden bepaald. De instellingen zouden alleen dan voor slechts één interne voertaal moeten kiezen, indien bijzondere omstandigheden dit vereisen – in het kader van de beraadslagingen van het Hof bijvoorbeeld de sinds 1954 bestaande traditie om beslissingen intern uitsluitend in het Frans op te stellen.
94.
Aangezien Duits, Engels en Frans de meest verbreide vreemde talen in de Unie zijn ( 47 ), mogen de instellingen ervan uitgaan dat kennis van een van deze talen als vreemde taal een efficiënte interne communicatie mogelijk maakt. Geen enkele andere taal zou in vergelijkbare mate interne communicatie mogelijk maken. Daarom verschillen deze drie talen objectief beschouwd voldoende van de overige officiële talen om de keuze van de tweede taal daartoe te beperken. Ook met inachtneming van het beginsel van meertaligheid wordt het beginsel van gelijke behandeling dus niet geschonden.
3. Artikel 1, lid 1, sub f, van bijlage III bij het Statuut
95.
Italië beroept zich bovendien op artikel 1, lid 1, sub f, van bijlage III bij het Statuut. Dit argument is echter geen toelaatbare aanvulling van zijn argumentatie in eerste aanleg, maar een geheel nieuw aspect, dat tot nu toe geen voorwerp van geschil was en derhalve ook niet in hogere voorziening voor het Hof aan de orde kan worden gesteld. ( 48 )
4. Conclusie met betrekking tot het vierde middel
96.
Het vierde middel moet derhalve in zijn geheel worden afgewezen.
F – Vijfde middel
97.
Met zijn vijfde middel maakt Italië het Gerecht het verwijt dat het in de punten 110 tot en met 115 van het bestreden arrest heeft ontkend dat de praktijk die de Commissie jarenlang bij vergelijkende onderzoeken heeft gevolgd, bij de potentiële kandidaten een gewettigd vertrouwen met betrekking tot bepaalde modaliteiten van dergelijke onderzoeken kon hebben doen ontstaan, en dus heeft geconcludeerd dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden.
98.
Bescherming van gewettigd vertrouwen is een van de fundamentele beginselen van de Unie. Iedere justitiabele bij wie een instelling van de Unie gegronde verwachtingen heeft gewekt, kan zich op dit beginsel beroepen. Wanneer echter een voorzichtige en bezonnen justitiabele de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel kan voorzien, kan hij zich niet op dit beginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld. Verder mogen de justitiabelen niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de instellingen van de Unie, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. ( 49 )
99.
Hier kan in het midden blijven of de eerder gedurende vele jaren gevolgde praktijk om bij vergelijkende onderzoeken alle officiële talen als tweede taal toe te laten, in de zin van de rechtspraak gewettigd vertrouwen kan hebben doen ontstaan. Er is hoe dan ook geen reden om aan te nemen dat voorzichtige en bezonnen potentiële kandidaten bij hun talenopleiding erop hebben vertrouwd ook in de toekomst alle officiële talen als tweede taal in vergelijkende onderzoeken van de Unie te kunnen gebruiken. Gelet op het almaar toenemende aantal officiële talen moesten potentiële kandidaten er integendeel rekening mee houden dat niet alle officiële talen als vreemde taal dezelfde praktische betekenis zouden hebben. Overigens laten de statistieken over de geleerde vreemde talen zien dat Engels, Duits en Frans door vrijwel iedereen als de belangrijkste officiële talen worden beschouwd. ( 50 ) De overgrote meerderheid van de potentiële kandidaten heeft zich dus in de praktijk al erop voorbereid dat deze talen voor hun beroepsperspectieven belangrijker zijn dan andere talen.
100.
Derhalve kan ook dit middel niet slagen.
G – Zesde middel
101.
Als zesde middel voert Italië aan dat het Gerecht, door in de punten 126 en 127 van het bestreden arrest vast te stellen dat de administratie niet verplicht was in de betrokken aankondigingen van vergelijkend onderzoek haar keuze van de drie toegelaten tweede talen te motiveren, inbreuk heeft gemaakt op artikel 253 EG (thans, na wijziging, artikel 296, tweede alinea, VWEU), volgens hetwelk alle rechtshandelingen met redenen moeten worden omkleed.
102.
Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 253 EG vereiste motivering zijn aangepast aan de aard van de handeling. Zij moet de redenering van de instelling van de Unie waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting brengen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen, zij hun rechten kunnen uitoefenen en het Hof zijn toezicht. Op grond van deze rechtspraak behoeft de motivering evenwel niet alle omstandigheden te vermelden die feitelijk of juridisch relevant zijn. Bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, moet namelijk niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context waarin zij is gegeven en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Het zou met name te ver gaan om voor elke technische keuze een specifieke motivering te verlangen, indien het door de instelling nagestreefde doel, wat de essentie betreft, uit de handeling blijkt. ( 51 )
103.
Het Gerecht heeft in punt 125 van het bestreden arrest niet aan deze motiveringseisen gerefereerd, maar is daar enkel ingegaan op de vraag of de aankondigingen de voor de organisatie van het vergelijkend onderzoek noodzakelijke informatie bevatten.
104.
In zoverre maakt Italië het Gerecht terecht het verwijt dat het met die overwegingen niet op zijn middel is ingegaan. De noodzakelijke inhoud van een aankondiging van vergelijkend onderzoek kan niet op één lijn worden gesteld met de motivering ervan.
105.
Het Gerecht heeft echter in punt 126 van het bestreden arrest ook vastgesteld dat de beperking van de keuze van de tweede taal tot drie talen niet behoefde te worden gerechtvaardigd, aangezien vaststaat dat deze beperking aansluit bij de interne behoeften van de administratie. Hiermee heeft het Gerecht voldaan aan de in de artikelen 36 en 53 van het Statuut van het Hof geformuleerde verplichting om zijn beslissing met redenen te omkleden.
106.
Anders dan Italië meent, is er ook inhoudelijk niets aan te merken op deze vaststelling van het Gerecht betreffende de noodzakelijke motivering van de aankondigingen. Het is namelijk duidelijk dat de voorwaarden van een vergelijkend onderzoek erop gericht zijn kandidaten te vinden die het meest aan de interne eisen van de aanwervende instellingen voldoen. Het is ook algemeen bekend dat Engels, Duits en Frans de meest gebruikte vreemde talen in de Unie zijn en om die reden het meest geschikt zijn om in de diensten als interne voertaal te worden gebruikt. Dit behoefde in de aankondigingen van vergelijkend onderzoek dan ook niet specifiek te worden benadrukt.
107.
Ook dit middel kan bijgevolg niet slagen.
H – Zevende middel
108.
Met het zevende middel ten slotte stelt Italië dat het Gerecht in de punten 128 tot en met 135 van het bestreden arrest artikel 1 quinquies, leden 1 en 6, 28, sub f, en 27, lid 2, van het Statuut heeft geschonden. Door te oordelen dat het niet bij uitsluiting een zaak van de jury van het betrokken vergelijkend onderzoek is om de talenkennis van de kandidaten te beoordelen, zou het Gerecht blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
109.
Italië stelt zich op het standpunt dat de instantie die de aankondiging van vergelijkend onderzoek opstelt, niet bij voorbaat een zuiver op talenkennis gebaseerde voorselectie van de kandidaten mag maken. Ook zouden voor de eisen die aan de talenkennis van de deelnemers aan een vergelijkend onderzoek worden gesteld, in beginsel andere maatstaven gelden dan voor de beroepskwalificaties van de kandidaten.
110.
De in dit verband door Italië aangevoerde argumenten, met name het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, kunnen echter geen reden zijn voor het stellen van bijzondere eisen ten aanzien van de tweede taal van de kandidaten. ( 52 ) Ook overigens valt niet in te zien waarom het de jury wel zou zijn toegestaan om kandidaten uit te sluiten wegens onvoldoende kennis van bepaalde tweede talen, maar de instellingen dit niet zouden mogen doen bij het opstellen van de voorwaarden van een vergelijkend onderzoek.
111.
Bijgevolg kan dit middel evenmin worden aanvaard.
VII – Door het Hof te nemen beslissing
112.
Krachtens artikel 61, eerste alinea, van zijn Statuut vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht indien het verzoek om hogere voorziening gegrond is. Wanneer de zaak in staat van wijzen is, kan het deze dan zelf afdoen, of haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht.
113.
Aangezien het tweede middel en het eerste onderdeel van het derde middel gegrond zijn, moet het bestreden arrest worden vernietigd. Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoek van het tweede middel dat de betrokken aankondigingen van vergelijkend onderzoek niet voldeden aan de in de artikelen 4 en 5 van verordening nr. 1 en in artikel 1, lid 2, van bijlage III bij het Statuut geformuleerde eisen. Bovendien is uit het onderzoek van het eerste onderdeel van het derde middel gebleken dat de latere publicatie van verwijzingen naar de aankondigingen een eventuele benadeling van potentiële kandidaten wier moedertaal niet het Duits, het Engels of het Frans was, niet ongedaan heeft kunnen maken. Derhalve is de zaak in zoverre in staat van wijzen, zodat ook de aankondigingen nietig moeten worden verklaard.
VIII – Beperking van de gevolgen van het arrest
114.
Tot slot zou ik het Hof in overweging willen geven om ter vermijding van rechtsonzekerheid de gevolgen van zijn arrest te beperken.
115.
In verband met door kandidaten ingestelde beroepen heeft het Hof vastgesteld dat wanneer in het kader van een algemeen vergelijkend onderzoek met het oog op de vorming van een aanwervingsreserve, een proef nietig wordt verklaard, de rechten van een verzoeker afdoende worden beschermd wanneer de jury en het tot aanstelling bevoegd gezag hun besluiten herzien en voor zijn geval een billijke oplossing zoeken, zonder dat het nodig is de gehele uitslag van het vergelijkend onderzoek op losse schroeven te zetten of de daaruit voortvloeiende benoemingen nietig te verklaren. Deze rechtspraak is gebaseerd op de noodzaak de belangen van de door een onregelmatigheid tijdens een vergelijkend onderzoek benadeelde kandidaten en de belangen van de andere kandidaten tegen elkaar af te wegen. De rechter is dan ook gehouden, niet alleen de noodzaak tot herstel van de rechtspositie van de benadeelde kandidaten, maar ook het gerechtvaardigd vertrouwen van de reeds uitgekozen kandidaten in aanmerking te nemen. ( 53 )
116.
In casu behoeft niet te worden uitgemaakt welke maatregelen noodzakelijk zijn om de mogelijke benadeling van potentiële kandidaten goed te maken. Daarentegen moet wel het gerechtvaardigd vertrouwen van de reeds geselecteerde kandidaten in aanmerking worden genomen. De in het kader van de oorspronkelijke vergelijkende onderzoeken opgestelde lijsten van geschikte kandidaten, dat wil zeggen ook eventuele benoemingen op basis van die lijsten, mogen dus door de onderhavige procedure niet op lossen schroeven worden gezet.
IX – Kosten
117.
Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof zelf over de kosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet.
118.
Krachtens artikel 69, lid 2, juncto artikel 118 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien Italië verwijzing van de Commissie in de kosten heeft gevorderd en ten aanzien van het tweede middel en het eerste onderdeel van het derde middel volledig in het gelijk is gesteld, moet de Commissie zowel haar eigen kosten als die van de Italiaanse Republiek in de twee procedures dragen.
119.
Artikel 69, lid 4, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.
X – Conclusie
120.
Ik geef het Hof derhalve in overweging te beslissen als volgt:
„1)
Het arrest van het Gerecht van 13 september 2010, Italië/Commissie, in de zaken T-166/07 en T-285/07 wordt vernietigd.
2)
De aankondigingen van de algemene vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/94/07, EPSO/AST/37/07 en EPSO/AD/95/07 worden nietig verklaard.
3)
Het onderhavige arrest tast de geldigheid van de op grond van die vergelijkende onderzoeken opgestelde lijsten van geschikte kandidaten niet aan.
4)
De Commissie draagt de kosten van de Italiaanse Republiek en haar eigen kosten in de twee procedures. De Helleense Republiek en de Republiek Litouwen dragen hun eigen kosten.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Douglas Adams, The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy, hoofdstuk 6, Londen 1979.
( 3 ) Zie in dit verband arrest Gerecht van 16 december 2010, Systran en Systran Luxembourg/Commissie (T-19/07, Jurispr. blz. II-6083), alsmede de aanhangige hogere voorziening C-103/11 P.
( 4 ) Zie behalve de in deze zaak in geding zijnde aankondigingen van vergelijkend onderzoek bijvoorbeeld ook de aankondiging van algemene vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/230/12 (AD 5) en EPSO/AD/231/12 (AD 7), titel III, punt 2, sub b (PB 2012, C 76 A, blz. 1).
( 5 ) PB C 364, blz. 1; vervolgens nogmaals op 12 december 2007 te Straatsburg (PB C 303, blz. 1, en PB 2010, C 83, blz. 389) plechtig afgekondigd.
( 6 ) PB 1958, 17, blz. 385.
( 7 ) Het betreft enerzijds de op 28 februari 2007 aangekondigde algemene vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/94/07 voor het vaststellen van een reservelijst om te kunnen voorzien in posten van administrateur (AD 5) voor het werkgebied informatie, communicatie en media, en EPSO/AST/37/07 voor de vaststelling van een reservelijst om te kunnen voorzien in posten van assistent (AST 3) voor het werkgebied communicatie en informatie (PB 2007, C 45 A), en anderzijds het op 8 mei 2007 aangekondigde algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/95/07 voor de vorming van een aanwervingsreserve van administrateurs (AD 5) op het werkgebied „Informatie (bibliotheek/documentatie)” (PB 2007, C 103 A).
( 8 ) PB C 136 A, blz. 1.
( 9 ) PB C 160, blz. 14.
( 10 ) Zie arresten van 23 april 2009, Sahlstedt e.a./Commissie (C-362/06 P, Jurispr. blz. I-2903, punt 22); 3 september 2009, Moser Baer India/Raad (C-535/06 P, Jurispr. blz. I-7051, punt 24), en 25 februari 2010, Lancôme/BHIM (C-408/08 P, Jurispr. blz. I-1347, punt 52).
( 11 ) Zie punt II.A, inleiding, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/95/07. Overigens konden volgens punt II.A, inleiding en sub 1, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/94/07 en punt II.A, inleiding, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek EPSO/AST/37/07 ook andere instellingen van de betrokken reservelijsten aanwerven.
( 12 ) Besluit van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie, de Rekenkamer, het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Europese Ombudsman van 25 juli 2002 betreffende de oprichting van het Bureau voor personeelsselectie van de Europese Gemeenschappen (PB L 197, blz. 53).
( 13 ) Zie in deze zin ook beschikking Gerecht van 16 december 2008, Italië/Parlement en Commissie (T-285/07).
( 14 ) Zie ook arresten Gerecht van 3 februari 2011, Italië/Commissie (T-205/07, punten 20 e.v.), en 31 maart 2011, Italië/EESC (T-117/08, Jurispr. blz. II-1463, punten 41 e.v.).
( 15 ) Arresten Gerecht van 7 februari 2001, Bonaiti Brighina/Commissie (T-118/99, JurAmbt. blz. I-A-25 en II-97, punt 13); 5 oktober 2005, Rasmussen/Commissie (T-203/03, JurAmbt. blz. I-A-279 en II-1287, punt 60), en 20 november 2008, Italië/Commissie (T-185/05, Jurispr. blz. II-3207, punten 117 e.v.), alsmede arrest Italië/EESC (aangehaald in voetnoot 14, punten 51 e.v.).
( 16 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro van 16 december 2004 in de zaak Spanje/Eurojust (C-160/03, Jurispr. 2005, blz. I-2077, punt 31).
( 17 ) Zie in deze zin ook arrest Italië/EESC (aangehaald in voetnoot 14, punt 55).
( 18 ) Arrest van 9 september 2003, Kik/BHIM (C-361/01 P, Jurispr. blz. I-8283, punt 85).
( 19 ) Zie arrest van 11 december 2007, Skoma-Lux (C-161/06, Jurispr. blz. I-10841, punt 34).
( 20 ) Arrest Skoma-Lux (aangehaald in voetnoot 19, punt 36).
( 21 ) Zie verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van bepaalde verordeningen, besluiten en beschikkingen op het gebied van vrij verkeer van goederen, vrij verkeer van personen, vennootschapsrecht, mededingingsbeleid, landbouw (met inbegrip van veterinaire en fytosanitaire wetgeving), vervoersbeleid, belastingen, statistieken, energie, milieu, samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, douane-unie, externe betrekkingen, gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en instellingen, in verband met de toetreding van Bulgarije en Roemenië (PB L 363, blz. 1), punt 15 van de bijlage.
( 22 ) Zie laatstelijk verordening (EG) nr. 920/2005 van de Raad van 13 juni 2005 tot wijziging van verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap en verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, alsmede tot invoering van tijdelijke afwijkingsmaatregelen met betrekking tot deze verordeningen (PB L 156, blz. 3), waarin wordt gesproken van de 21 officiële talen.
( 23 ) Arresten van 30 oktober 1974, Grassi/Raad (188/73, Jurispr. blz. 1099, punt 38); 28 februari 1989, Van der Stijl en Cullington/Commissie (341/85, 251/86, 258/86, 259/86, 262/86, 266/86, 222/87 en 232/87, Jurispr. blz. 511, punten 51 e.v.), en 18 maart 1993, Parlement/Frederiksen (C-35/92 P, Jurispr. blz. I-991, punt 13).
( 24 ) Een algemeen vergelijkend onderzoek is overeenkomstig artikel 1, lid 1, punt 1, sub a, van bijlage III bij het Statuut een vergelijkend onderzoek dat niet binnen één instelling of binnen alle instellingen wordt georganiseerd.
( 25 ) Zie punt 41 van het bestreden arrest alsmede arrest Italië/EESC (aangehaald in voetnoot 14, punt 55).
( 26 ) Zie punt 29 hierboven.
( 27 ) Zie bijvoorbeeld Publicatieblad C 121 A van 26 april 2012, waarvan uitsluitend een Bulgaarse taalversie bestaat, alsmede de verwijzing naar die uitgave in PB 2012, C 121, blz. 38.
( 28 ) Arresten Gerecht Italië/Commissie (aangehaald in voetnoot 15, punt 148) en Italië/EESC (aangehaald in voetnoot 14, punt 81).
( 29 ) Zie hierboven, punt 49.
( 30 ) Zie arrest van 24 november 2005, Italië/Commissie (C-138/03, C-324/03 en C-431/03, Jurispr. blz. I-10043, punten 23 e.v.).
( 31 ) Punten 32 e.v. van het bestreden arrest.
( 32 ) Zie arresten van 25 oktober 2001, Solvay/Commissie (C-109/10 P, Jurispr. blz. I-10329, punt 56), en Solvay/Commissie (C-110/10 P, Jurispr. blz. I-10439, punt 56), betreffende de correctie van procedurefouten in kartelprocedures van de Commissie, en arrest van 16 januari 1992, Marichal-Margrève (C-334/90, Jurispr. blz. I-101, punt 25), betreffende douaneprocedures.
( 33 ) Zie aangaande het kartelrecht, arrest Solvay/Commissie (aangehaald in voetnoot 32).
( 34 ) Arresten Italië/Commissie (aangehaald in voetnoot 15, punt 148) en Italië/EESC (aangehaald in voetnoot 14, punt 80).
( 35 ) Zoals bijvoorbeeld in Luxemburg (Frans en Duits), België (Nederlands, Frans en Duits), Ierland (Iers en Engels) en Malta (Maltees en Engels).
( 36 ) Te denken valt in dit verband bijvoorbeeld aan Finland, waar Fins en Zweeds worden gebruikt.
( 37 ) Mejer e.a. (Eurostat), Statistics in Focus nr. 49/2010, blz. 1, noemen weliswaar het Russisch als derde taal na het Engels en het Duits, maar vóór het Frans, maar het Russisch is geen officiële taal van de Unie.
( 38 ) Mejer e.a. (op. cit. voetnoot 37, blz. 4).
( 39 ) PB 2007, C 303, blz. 17 (25).
( 40 ) Arrest van 5 maart 2009, UTECA (C-222/07, Jurispr. blz. I-1407, punt 33).
( 41 ) Zie ook mijn conclusie van 4 september 2008 bij het arrest UTECA (aangehaald in de voorgaande voetnoot, punten 93 e.v.) .
( 42 ) Arrest Kik/BHIM (aangehaald in voetnoot 18, punt 82).
( 43 ) Arresten van 10 januari 2006, IATA en ELFAA (C-344/04, Jurispr. blz. I-403, punt 95); 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C-127/07, Jurispr. blz. I-9895, punt 23); 7 juli 2009, S.P.C.M. e.a. (C-558/07, Jurispr. blz. I-5783, punt 74), en 14 september 2010, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie e.a. (C-550/07 P, Jurispr. blz. I-8301, punt 55).
( 44 ) Arrest Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (aangehaald in voetnoot 43, punt 47).
( 45 ) Zie punt 47 van deze conclusie.
( 46 ) Zie echter de conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Spanje/Eurojust (aangehaald in voetnoot 16, punten 55 e.v.), waarin een voorkeur doorklinkt voor de keuze van één interne voertaal.
( 47 ) Zie punt 83 van deze conclusie.
( 48 ) Arresten van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C-189/02 P, C-202/02 P, C-205/02 P-C-208/02 P en C-213/02 P, Jurispr. blz. I-5425, punt 165), en 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad (C-229/05 P, Jurispr. blz. I-439, punt 61).
( 49 ) Zie arresten van 15 juli 2004, Di Lenardo en Dilexport (C-37/02 en C-38/02, Jurispr. blz. I-6911, punt 70); 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C-182/03 en C-217/03, Jurispr. blz. I-5479, punt 147); 22 december 2008, Centeno Mediavilla e.a./Commissie (C-443/07 P, Jurispr. blz. I-10945, punt 91), en 4 maart 2010, Angé Serrano e.a./Parlement (C-496/08 P, Jurispr. blz. I-1793, punt 93).
( 50 ) Zie punt 83 van deze conclusie.
( 51 ) Arrest van 12 maart 2002, Omega Air e.a. (C-27/00 en C-122/00, Jurispr. blz. I-2569, punten 46 e.v.).
( 52 ) Zie punten 74 e.v. hierboven.
( 53 ) Arrest van 6 juli 1993, Commissie/Albani e.a. (C-242/90 P, Jurispr. blz. I-3839, punten 13 e.v.).
Full & Egal Universal Law Academy