Zaak C‑21/10
Károly Nagy
tegen
Mezőgazdasági és Vidékfejlesztési Hivatal
(verzoek van de Fővárosi Bíróság om een prejudiciële beslissing)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Verordeningen (EG) nrs. 1257/1999 en 817/2004 – Communautaire steun voor plattelandsontwikkeling – Steun voor milieuvriendelijke landbouwmethoden – Agromilieusteun die geen ‚diersteun’ is, waarvan toekenning afhankelijk is gesteld van bepaalde veedichtheid – Toepassing van geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem – Identificatie- en registratiesysteem voor runderen – Informatieverplichting van nationale autoriteiten met betrekking tot voorwaarden voor toekenning”
Samenvatting van het arrest
1. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Steun voor plattelandsontwikkeling – Steun voor milieuvriendelijke landbouwproductiemethoden
(Verordening nr. 1257/1999 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1783/2003, art. 22 en 37, lid 4)
2. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Steun voor plattelandsontwikkeling – Steun voor milieuvriendelijke landbouwproductiemethoden
(Verordening nr. 1257/1999 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1783/2003, art. 22; verordening nr. 817/2004 van de Commissie, art. 68)
3. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Steun voor plattelandsontwikkeling – Steun voor milieuvriendelijke landbouwproductiemethoden
(Verordening nr. 1257/1999 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1783/2003, art. 22; verordening nr. 817/2004 van de Commissie, art. 68)
4. Landbouw – Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Steun voor plattelandsontwikkeling – Steun voor milieuvriendelijke landbouwproductiemethoden
(Verordening nr. 1257/1999 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1783/2003, art. 22; verordeningen van de Commissie nr. 796/2004, art. 16, en nr. 817/2004, art. 68)
1. Op grond van artikel 37, lid 4, van verordening nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1783/2003, kunnen de lidstaten verdere of restrictievere voorwaarden voor de toekenning van communautaire steun voor plattelandsontwikkeling vaststellen, mits die voorwaarden coherent zijn met de in deze verordening vastgestelde doelstellingen en eisen. Dienaangaande bepaalt artikel 22 van dezelfde verordening onder meer dat steun wordt verleend voor landbouwproductiemethoden die zijn ontworpen met het oog op natuurbeheer, en dat die steun wordt verleend ter bevordering van een voor het milieu gunstige extensivering van de landbouw en van het beheer van niet erg intensieve graslandsystemen. Een voorwaarde inzake de veedichtheid, die in een nationale regeling voor het gebruik van een terrein in een gevoelig natuurgebied als weiland is neergelegd teneinde weidevlakten met een rijke flora en fauna te behouden en die van toepassing is op de toekenning van steun op basis van artikel 22, strookt dus met de doelstellingen en de vereisten van die verordening en is een voorwaarde om voor die steun in aanmerking te komen overeenkomstig artikel 37, lid 4, van die verordening.
(cf. punten 31‑32)
2. Met betrekking tot steun op basis van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1783/2003, waarvan de toekenning van de veedichtheid afhankelijk is gesteld, mogen de bevoegde nationale autoriteiten op basis van die bepaling en artikel 68 van verordening nr. 817/2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1257/1999 kruiscontroles verrichten door vergelijking met de gegevens van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem, waarbij zij zich meer in het bijzonder mogen baseren op de gegevens in de databank van een nationaal systeem van individuele identificatie en registratie van runderen.
(cf. punt 37, dictum 1)
3. Op grond van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1783/2003, en artikel 68 van verordening nr. 817/2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1257/1999, is het de bevoegde autoriteiten toegestaan, bij de controle of aan de voorwaarden voor toekenning van agromilieusteun bedoeld in dat artikel 22 is voldaan, enkel de gegevens van een nationaal systeem van individuele identificatie en registratie van runderen te onderzoeken om die steun te weigeren, zonder dat zij noodzakelijkerwijs andere verificaties hoeven te verrichten.
De gecomputeriseerde databank van het identificatie‑ en registratiesysteem heeft tot doel, de dieren doelmatig en onmiddellijk te kunnen traceren, wat van essentieel belang is voor de volksgezondheid. Die databank moet dan ook volledig betrouwbaar worden geacht. Bijgevolg kan zij als zodanig dienen als bewijs dat de voorwaarden voor verlening van de betrokken steun, zoals die inzake de veedichtheid, vervuld zijn.
(cf. punten 42‑43, dictum 2)
4. Krachtens artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1783/2003, en artikel 68 van verordening nr. 817/2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1257/1999, uitgelegd in het licht van artikel 16 van verordening nr. 796/2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening nr. 1782/2003, moeten de nationale autoriteiten, voor zover zij uitsluitend de gegevens van een nationaal systeem van individuele identificatie en registratie van runderen verifiëren om te controleren of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de in dat artikel 22 bedoelde en van de veedichtheid afhankelijk gestelde agromilieusteun, informatie verstrekken over die toekenningsvoorwaarden, met dien verstande dat zij de bij die steun betrokken landbouwer ervan in kennis moeten stellen dat ieder dier dat in het identificatie‑ en registratiesysteem niet correct is geïdentificeerd of geregistreerd, in aanmerking zal worden genomen bij het totaal van de dieren die onregelmatigheden vertonen die rechtsgevolgen kunnen hebben zoals verlaging of uitsluiting van de betrokken steun.
(cf. punt 51, dictum 3)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
21 juli 2011 (*)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Financiering door EOGFL – Verordeningen (EG) nrs. 1257/1999 en 817/2004 – Communautaire steun voor plattelandsontwikkeling – Agromilieusteun – Agromilieusteun die geen ‚diersteun’ is, waarvan toekenning afhankelijk is gesteld van bepaalde veedichtheid – Toepassing van geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem – Identificatie‑ en registratiesysteem voor runderen – Informatieverplichting van nationale autoriteiten met betrekking tot voorwaarden voor toekenning”
In zaak C‑21/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Fővárosi Bíróság (Hongarije) bij beslissing van 28 september 2009, ingekomen bij het Hof op 13 januari 2010, in de procedure
Károly Nagy
tegen
Mezőgazdasági és Vidékfejlesztési Hivatal,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Šváby, R. Silva de Lapuerta, G. Arestis (rapporteur) en J. Malenovský, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– K. Nagy, optredend voor zichzelf,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door Z. Fehér, Z. Tóth en K. Szíjjártó als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen en A. Sipos als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 maart 2011,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 22 van verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (PB L 160, blz. 80), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1783/2003 van de Raad van 29 september 2003 (PB L 270, blz. 70; hierna: „verordening nr. 1257/99”), en van artikel 68 van verordening nr. 817/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1257/1999 (PB L 153, blz. 30).
2 Dat verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen K. Nagy, landbouwexploitant, en het Mezőgazdasági és Vidékfejlesztési Hivatal (bureau voor landbouw en plattelandsontwikkeling; hierna: „MVH”), betreffende de weigering, Nagy agromilieusteun te verlenen naar aanleiding van een controle van de informatie die deze bij de indiening van zijn steunaanvraag had verstrekt.
Toepasselijke bepalingen
Recht van de Unie
3 Onder hoofdstuk VI, „Milieumaatregelen in de landbouw en dierenwelzijn”, bepaalt artikel 22 van verordening nr. 1257/1999:
„Steunverlening voor landbouwproductiemethoden die zijn ontworpen met het oog op milieubescherming, natuurbeheer (milieumaatregelen in de landbouw), of verbetering van het dierenwelzijn levert een bijdrage aan de verwezenlijking van de communautaire beleidsdoelstellingen op het gebied van de landbouw, het milieu en het welzijn van landbouwhuisdieren.
Deze steun wordt verleend ter bevordering van:
[...]
b) een voor het milieu gunstige extensivering van de landbouw, en beheer van niet erg intensieve graslandsystemen,
c) de instandhouding van milieuvormen met een grote natuurwaarde waar landbouw wordt beoefend en die worden bedreigd,
[...]”
4 Artikel 37, lid 4, van die verordening bepaalt het volgende:
„De lidstaten kunnen verdere of restrictievere voorwaarden voor de toekenning van communautaire steun voor plattelandsontwikkeling vaststellen, mits die voorwaarden coherent zijn met de in deze verordening vastgestelde doelstellingen en eisen.”
5 Artikel 58, lid 4, van verordening (EG) nr. 445/2002 van de Commissie van 26 februari 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1257/1999 (PB L 74, blz. 1) bepaalt dat landoppervlakten en dieren worden geïdentificeerd overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 355, blz. 1).
6 Artikel 5 van verordening nr. 3508/92, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad van 21 april 1997 (PB L 117, blz. 1; hierna: „verordening nr. 3508/92”), luidt als volgt:
„Het systeem voor de identificatie en de registratie van dieren die in aanmerking komen voor de toekenning van steun die onder de onderhavige verordening valt, wordt opgezet overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4, 5, 6 en 8 van richtlijn 92/102/EEG [van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren (PB L 355, blz. 32)] en in verordening (EG) nr. 820/97.”
7 Punt 38 van de considerans van verordening nr. 817/2004 luidt:
„De administratieve bepalingen moeten een beter beheer van en een beter toezicht en een betere controle op de steun voor plattelandsontwikkeling mogelijk maken. Eenvoudigheidshalve dient zoveel mogelijk het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem te worden toegepast waarin is voorzien bij titel II, hoofdstuk 4, van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers [en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1; hierna: ‚geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem’)], waarvan de uitvoeringsbepalingen zijn vastgesteld bij verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie [van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers‑ en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PB L 327, blz. 11)]”
8 Artikel 66, leden 1 en 4, van verordening nr. 817/2004 bepaalt:
„1. In aanvragen om op oppervlakten of dieren betrekking hebbende steun voor plattelandsontwikkeling die gescheiden van steunaanvragen als bedoeld in artikel 6 van verordening (EG) nr. 2419/2001 worden ingediend, worden alle oppervlakten en dieren van het bedrijf vermeld die van belang zijn voor de controle op de toepassing van de betrokken maatregel, met inbegrip van die waarvoor geen steun wordt gevraagd.
[...]
4. Dieren en oppervlakten worden geïdentificeerd overeenkomstig de artikelen 18 en 20 van verordening (EG) nr. 1782/2003.”
9 Artikel 67 van verordening nr. 817/2004 bepaalt het volgende:
„1. Aanvankelijke aanvragen om toetreding tot een regeling en de daaropvolgende betalingsaanvragen worden op zodanige wijze gecontroleerd dat een doeltreffende verificatie van de naleving van de voorwaarden voor toekenning van de steun wordt gewaarborgd.
Rekening houdend met de aard van de steunmaatregelen, bepalen de lidstaten welke methoden en middelen voor de controle ervan moeten worden gebruikt en welke personen moeten worden gecontroleerd.
Telkens wanneer dat passend is, maken de lidstaten gebruik van het [...] geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem.
[...]”
10 Artikel 68 van verordening nr. 817/2004 bepaalt:
„De administratieve controles betreffen alle aanvragen en omvatten kruiscontroles, onder meer door vergelijking met de gegevens van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem telkens wanneer zulks passend is. Die kruiscontroles hebben betrekking op de onder een steunmaatregel vallende percelen en dieren om alle ongerechtvaardigde steunbetalingen te voorkomen. Ook dient de nakoming van de langlopende verbintenissen te worden gecontroleerd.”
11 Overeenkomstig artikel 17 van verordening nr. 1782/2003 zet elke lidstaat een geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem op.
12 Artikel 18 van verordening nr. 1782/2003 bepaalt:
„1. Het geïntegreerd [beheers‑ en controle]systeem omvat de volgende onderdelen:
a) een geautomatiseerde databank;
b) een systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond;
c) een systeem voor de identificatie en de registratie van de in artikel 21 bedoelde toeslagrechten;
d) steunaanvragen;
e) een geïntegreerd controlesysteem;
f) één enkel systeem om de identiteit te registreren van elke landbouwer die een steunaanvraag indient.
2. In geval van toepassing van de artikelen 67, 68, 69, 70 en 71 omvat het geïntegreerd [beheers‑ en controle]systeem een overeenkomstig richtlijn 92/102/EEG [...] en verordening (EG) nr. 1760/2000 [van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie‑ en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB L 204, blz. 1)] opgezet identificatie‑ en registratiesysteem voor dieren.”
13 Artikel 20 van verordening nr. 1782/2003 definieert het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond.
14 Artikel 16, lid 3, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 141, blz. 18), bepaalt het volgende:
„Met name kunnen de lidstaten procedures invoeren die het mogelijk maken de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens te gebruiken ten behoeve van de steunaanvraag, mits bij het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen sprake is van de mate van zekerheid en implementatie die voor een goed beheer van de betrokken steunregelingen nodig is. Dergelijke procedures kunnen bestaan in een systeem waarbij een landbouwer steun kan aanvragen voor alle dieren die op een door de lidstaat te bepalen datum op basis van de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens voor de steun in aanmerking komen. In dat geval nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te garanderen dat:
a) overeenkomstig de voor de betrokken steunregeling geldende voorschriften de begin‑ en de einddatum van de desbetreffende aanhoudperiode duidelijk worden aangegeven en bij de landbouwer bekend zijn;
b) het de landbouwer bekend is dat alle dieren die niet correct geïdentificeerd of geregistreerd overeenkomstig de identificatie‑ en registratieregeling voor runderen blijken te zijn, worden beschouwd als in artikel 59 van de onderhavige verordening bedoelde dieren ten aanzien waarvan onregelmatigheden zijn vastgesteld.
[...]”
15 Ingevolge artikel 5 van verordening nr. 1760/2000 zet de bevoegde autoriteit van de lidstaten een gecomputeriseerd gegevensbestand voor runderen op overeenkomstig de artikelen 14 en 18 van richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PB 121, blz. 1977).
Nationale regeling
16 Artikel 5 van decreet nr. 150/2004 van het ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling houdende bijzondere bepalingen betreffende de toekenning van op de rijksbegroting opgevoerde en door het Europees Ontwikkelings‑ en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling „Garantie”, medegefinancierde agromilieusteun in de zin van het nationale plan voor plattelandsontwikkeling (Magyar Közlöny 2004/116; hierna: „ministerieel decreet nr. 150/2004”), bepaalt dat steun kan worden toegekend in het kader van agromilieuprogramma’s voor weidebeheer.
17 Artikel 32, lid 2, van dat ministerieel decreet stelt als voorwaarde voor toekenning van die steun dat de betrokken landbouwer minstens beschikt over een hectare weiland in bepaalde, in dat lid opgesomde gevoelige natuurgebieden, en over een veedichtheid van minstens 0,2 eenheden vee per hectare voor gebruik als weiland.
18 Artikel 16 van decreet nr. 131/2004 van het ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling houdende algemene bepalingen betreffende de toekenning van op de rijksbegroting opgevoerde en door het Europees Ontwikkelings‑ en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling „Garantie”, medegefinancierde steun in de zin van het nationale plan voor plattelandsontwikkeling (Magyar Közlöny 2004/127) luidt als volgt:
„De in de aanvraag vervatte opgaven worden gecontroleerd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 66 tot en met 70 van verordening [nr. 817/2004].”
19 Het Hongaarse systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen (Egységes Nyilvántartási és Azonosítási Rendszer; hierna: „ENAR”) is in artikel 2 van decreet nr. 99/2002 van het ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling betreffende de individuele identificatie van runderkoppen en in het systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen (Magyar Közlöny 2002/135) gedefinieerd als het systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen dat samenhangt met de registratie van kudden en het toezicht op de dieren waarborgt, en dat bovendien de grondslag vormt voor het systeem voor registratie van de afzonderlijke gespecialiseerde gebieden (diergezondheid, fokomstandigheden, marktregulering, enz.).
20 Volgens artikel 3 van dat decreet dienen de runderen in de nationale databank te worden geregistreerd voor hun individuele identificatie en registratie.
21 Artikel 19 van hetzelfde decreet preciseert dat de veehouder moet meewerken ter verzekering van een nauwkeurige en professionele registratie van zijn kudde en dieren.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
22 Op 26 november 2004 heeft Nagy bij het MVH een aanvraag voor agromilieusteun voor een tijdvak van vijf jaar ingediend.
23 Die steun, die is ingevoerd in het kader van een operationeel programma voor weilandbeheer, wordt ingevolge artikel 32, lid 2, van ministerieel decreet nr. 150/2004 toegekend indien de veehouder een veedichtheid heeft van minstens 0,2 eenheden vee per hectare voor gebruik als weiland.
24 In zijn steunaanvraag heeft Nagy verklaard, twaalf runderen te houden. Op 10 augustus 2005 en 6 oktober 2006 is die steun hem uitgekeerd voor respectievelijk de jaren 2004/2005 en 2005/2006.
25 Uit verificaties ter plaatse op 18 oktober 2006 en kruiscontroles betreffende de situatie op de dag van de indiening van de steunaanvraag met behulp van het ENAR-register, is gebleken dat de twaalf in die aanvraag opgegeven runderen op het moment van de indiening van die aanvraag niet geregistreerd waren.
26 Bij beschikking van 15 december 2006 heeft het MVH geconstateerd dat Nagy niet voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van de litigieuze steun zoals vastgelegd in artikel 32, lid 2, van ministerieel decreet nr. 150/2004, voor zover aan de hand van de verrichte verificaties niet was komen vast te staan dat het aantal op het moment van de indiening van de steunaanvraag gedeclareerde aantal dieren juist was. Bijgevolg heeft het MVH Nagy uitgesloten van de vijfjarige agromilieusteun en de reeds uitgekeerde steun ten bedrage van in totaal 5 230 EUR teruggevorderd.
27 Nagy heeft tegen die beschikking beroep ingesteld bij het ministerie van Landbouw en Plattelandsontwikkeling, dat de beschikking op 10 augustus 2007 heeft bevestigd met een beroep op artikel 32, lid 2, van ministerieel decreet nr. 150/2004.
28 Nagy heeft de beslissing van het ministerie bestreden voor de Fővárosi Bíróság met het betoog dat hij op het moment van indiening van zijn aanvraag over het ingevolge voormelde bepaling vereiste aantal dieren beschikte, maar niet op de hoogte was van het bestaan van het ENAR en van het feit dat aan toekenning van die steun de voorwaarde was gekoppeld dat de betrokken dieren in dat systeem waren geregistreerd, en dat hem dienaangaande geen informatie was meegedeeld.
29 De Fővárosi Bíróság heeft een antwoord nodig geacht op de vraag of in het geval van areaalbetalingen alleen de gegevens van het ENAR kunnen worden geacht bepalend te zijn of dat in dat geval de bevoegde autoriteit zich kan of moet baseren op andere bewijzen, en heeft besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende vragen te stellen:
„1) Kunnen artikel 22 van verordening [nr. 1257/1999] en artikel 68 van verordening [nr. 817/2004] van de Commissie aldus worden uitgelegd dat de controle van de gegevens die zijn opgenomen in de in artikel 68 van verordening nr. 817/2004 bedoelde databank van het ENAR [Egységes Nyilvántartási és Azonosítási Rendszer (geïntegreerd identificatie‑ en registratiesysteem)] zich in het geval van specifieke graslandprogramma’s die in aanmerking komen voor de in artikel 22 van verordening […] nr. 1257/1999 bedoelde steunverlening voor milieumaatregelen in de landbouw, uitstrekt tot areaalbetalingen die een bepaalde veedichtheid vereisen?
2) Kunnen de twee bovengenoemde bepalingen aldus worden uitgelegd dat ook kruiscontroles op basis van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem dienen te worden verricht wanneer de veedichtheid een voorwaarde voor betaling vormt, maar het niet gaat om een dierpremie?
3) Kunnen deze bepalingen aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit los van het ENAR kan of moet controleren of daadwerkelijk aan de voorwaarden voor steunverlening is voldaan wanneer zij over de toekenning van areaalbetalingen oordeelt?
4) Welke controleverplichting vloeit, rekening houdend met de uitlegging van bovengenoemde bepalingen, voor de bevoegde autoriteiten voort uit het in bovengenoemde communautaire bepalingen vervatte vereiste om kruiscontroles en verificaties te verrichten? Mag de controle beperkt blijven tot het onderzoek van de in het ENAR vervatte gegevens?
5) Is de nationale autoriteit krachtens bovengenoemde bepalingen verplicht informatie te verstrekken over de voorwaarden om voor steun in aanmerking te komen (bijvoorbeeld inschrijving in het ENAR)? Zo ja, op welke wijze en in welke mate?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste en de tweede vraag
30 Met zijn eerste en zijn tweede vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen of, met betrekking tot steun op basis van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 die van de veedichtheid afhankelijk is gesteld, de nationale autoriteiten op grond van deze laatste bepaling en artikel 68 van verordening nr. 817/2004 kruiscontroles mogen verrichten door vergelijking met de gegevens in het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem en, meer in het bijzonder, zich daarbij mogen baseren op de gegevens in de databank van een nationaal systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het ENAR.
31 In de eerste plaats zij opgemerkt dat de lidstaten op grond van artikel 37, lid 4, van verordening nr. 1257/1999 verdere of restrictievere voorwaarden voor de toekenning van communautaire steun voor plattelandsontwikkeling kunnen vaststellen, mits die voorwaarden coherent zijn met de in deze verordening vastgestelde doelstellingen en eisen. Dienaangaande bepaalt artikel 22 van dezelfde verordening onder meer dat steun wordt verleend voor landbouwproductiemethoden die zijn ontworpen met het oog op natuurbeheer, en dat die steun wordt verleend ter bevordering van een voor het milieu gunstige extensivering van de landbouw en beheer van niet erg intensieve graslandsystemen.
32 Een voorwaarde inzake de veedichtheid, die in nationale wetgeving voor het gebruik van een terrein in een gevoelig natuurgebied als weiland is neergelegd teneinde weidevlaktes met een rijke flora en fauna te behouden en die van toepassing is op de toekenning van steun op basis van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999, strookt dus met de doelstellingen en de vereisten van die verordening. Een dergelijke voorwaarde is een voorwaarde om voor die steun in aanmerking te komen overeenkomstig artikel 37, lid 4, van die verordening.
33 Vervolgens zij opgemerkt dat volgens artikel 68 van verordening nr. 817/2004 de administratieve controles alle aanvragen betreffen. Hetzelfde artikel bepaalt bovendien dat die controles kruiscontroles omvatten, onder meer door vergelijking met de gegevens van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem telkens wanneer zulks passend is, en dat die kruiscontroles betrekking hebben op de onder een steunmaatregel vallende percelen en dieren om alle ongerechtvaardigde steunbetalingen te voorkomen. Voorts volgt uit punt 38 van de considerans van die verordening dat administratieve bepalingen een beter beheer van en een beter toezicht en een betere controle op de steun voor plattelandsontwikkeling mogelijk moeten maken en dat eenvoudigheidshalve zoveel mogelijk het geïntegreerd beheers- en controlesysteem dient te worden toegepast.
34 Bijgevolg kunnen de lidstaten dat artikel 68 toepassen op steun op basis van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 die van de veedichtheid afhankelijk is gesteld, nu het hier gaat om een voorwaarde om voor die steun in aanmerking te komen overeenkomstig die verordening. Bij kruiscontroles met betrekking tot dieren waarvoor bedoelde steun wordt toegekend worden dan ook onder meer in alle geschikte gevallen de gegevens van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem gebruikt waarop de lidstaten een beroep doen overeenkomstig artikel 67, lid 1, derde alinea, van verordening nr. 817/2004.
35 In dat verband bepaalt artikel 66, lid 4, van verordening nr. 817/2004 dat dieren en oppervlakten worden geïdentificeerd overeenkomstig de artikelen 18 en 20 van verordening nr. 1782/2003. Meer in het bijzonder volgt uit artikel 18, lid 2, van laatstgenoemde verordening dat bedoeld geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem een overeenkomstig richtlijn 92/102 en verordening nr. 1760/2000 opgezet identificatie‑ en registratiesysteem voor dieren omvat.
36 Artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1782/2003 is volgens artikel 156, lid 2, sub a, van die verordening echter van toepassing op vanaf het kalenderjaar 2005 ingediende aanvragen om betaling. Voor eerder ingediende aanvragen geldt dus artikel 58, lid 4, van verordening nr. 445/2002, dat – in bewoordingen die vergelijkbaar zijn met die van artikel 66, lid 4, van verordening nr. 817/2004 – verwijst naar artikel 5 van verordening nr. 3508/92, dat eveneens verwijst naar een dergelijk identificatie‑ en registratiesysteem, vastgesteld overeenkomstig richtlijn 92/102 en verordening nr. 820/97.
37 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat de nationale autoriteiten met betrekking tot steun op basis van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 die van de veedichtheid afhankelijk is gesteld, op basis van die bepaling en artikel 68 van verordening nr. 817/2004 kruiscontroles mogen verrichten door vergelijking met de gegevens van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem, waarbij zij zich meer in het bijzonder mogen baseren op de gegevens in de databank van een nationaal systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het ENAR.
De derde en de vierde vraag
38 Met zijn derde en zijn vierde vraag, die eveneens samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen of het de nationale autoriteiten op grond van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 en artikel 68 van verordening nr. 817/2004 is toegestaan, bij de controle of aan de voorwaarden voor toekenning van agromilieusteun bedoeld in dat artikel 22 is voldaan, enkel de gegevens van een nationaal systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het ENAR, te onderzoeken om die steun te weigeren, of dat die autoriteiten op basis van die bepalingen daarentegen andere verificaties moeten verrichten en in voorkomend geval de aard daarvan moeten vaststellen.
39 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat, wat betreft de controle of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van agromilieusteun in de zin van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999, volgens artikel 68 van verordening nr. 817/2004 de administratieve controles alle aanvragen betreffen en kruiscontroles omvatten, onder meer door vergelijking met de gegevens van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem telkens wanneer zulks passend is.
40 Het belang van dat geïntegreerd beheers- en controlesysteem wordt overigens beklemtoond in punt 38 van de considerans van verordening nr. 817/2004, waarin wordt verklaard dat zo veel mogelijk dat geïntegreerd systeem dient te worden toegepast. Ook in de artikelen 66, leden 1 en 4, en 67, lid 1, derde alinea, van die verordening wordt verwezen naar bedoeld geïntegreerd systeem, dat onder meer ertoe strekt dat de in een bedrijf gehouden dieren worden geïdentificeerd. Zoals blijkt uit de punten 35 en 36 van het onderhavige arrest, omvat hetzelfde geïntegreerd systeem meer in het bijzonder een systeem ter identificatie en registratie van de dieren.
41 Vervolgens moet worden opgemerkt dat bedoeld identificatie‑ en registratiesysteem voor runderen steeds volledig doeltreffend en betrouwbaar moet zijn, met name om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen bij de uitbraak van een dierziekte de herkomst van een dier snel te traceren en onmiddellijk de nodige maatregelen te treffen ter vermijding van elk risico voor de volksgezondheid (zie arrest van 24 mei 2007, Maatschap Schonewille-Prins, C‑45/05, Jurispr. blz. I‑3997, punt 41). Om die voortdurende doeltreffendheid en betrouwbaarheid te verzekeren dienen de veehouders hun runderen in de gecomputeriseerde databank van bedoeld systeem op te nemen.
42 Daaruit volgt ten slotte dat de gecomputeriseerde databank van het identificatie‑ en registratiesysteem tot doel heeft, de dieren doelmatig en onmiddellijk te kunnen traceren, wat van essentieel belang is voor de volksgezondheid (zie arrest Maatschap Schonewille-Prins, reeds aangehaald, punt 50). Die databank moet dan ook volledig betrouwbaar worden geacht. Bijgevolg kan zij als zodanig dienen als bewijs dat de voorwaarden voor verlening van de betrokken steun, zoals die inzake de veedichtheid, vervuld zijn.
43 Gelet op het voorgaande moet op de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat het de nationale autoriteiten op grond van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 en artikel 68 van verordening nr. 817/2004 is toegestaan, bij de controle of aan de voorwaarden voor toekenning van agromilieusteun bedoeld in dat artikel 22 is voldaan, enkel de gegevens van een nationaal systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het ENAR, te onderzoeken om die steun te weigeren, zonder dat zij noodzakelijkerwijs andere verificaties hoeven te verrichten.
De vijfde vraag
44 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de nationale autoriteiten krachtens artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 en artikel 68 van verordening nr. 817/2004 informatie dienen te verstrekken over de voorwaarden om voor de in dat artikel 22 bedoelde en van de veedichtheid afhankelijk gestelde agromilieusteun in aanmerking te komen en, in voorkomend geval, wat de aard en de omvang van die verplichting is.
45 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat noch artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 noch artikel 68 van verordening nr. 817/2004 of enige andere bepaling van die verordeningen de nationale autoriteiten een dergelijke verplichting oplegt.
46 Uit artikel 16, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 796/2004 volgt echter dat, met betrekking tot de voorwaarden inzake steunaanvragen voor dieren, de lidstaten een systeem kunnen invoeren waarbij een landbouwer steun kan aanvragen voor alle dieren die op basis van de in het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen, zoals het ENAR, opgenomen gegevens voor de betrokken steun in aanmerking komen. Die bepaling preciseert dat de lidstaten in dat geval de nodige maatregelen nemen om te garanderen dat het de landbouwer bekend is dat alle dieren die niet correct geïdentificeerd of geregistreerd zijn overeenkomstig de identificatie‑ en registratieregeling voor runderen, in aanmerking zullen worden genomen bij het totaal van de dieren die onregelmatigheden vertonen die rechtsgevolgen kunnen hebben zoals verlaging of uitsluiting van de betrokken steun.
47 Volgens vaste rechtspraak vereist het in artikel 20 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde beginsel van gelijke behandeling of non-discriminatie dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer arresten van 17 juli 1997, National Farmers’ Union e.a., C‑354/95, Jurispr. blz. I‑4559, punt 61; 11 november 2010, Grootes, C‑152/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 66, en 1 maart 2011, Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop e.a., C‑236/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).
48 In casu moet worden vastgesteld dat de landbouwers die een aanvraag hebben ingediend voor in artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 bedoelde steun die van de veedichtheid afhankelijk is gesteld, en zij die „dier”steun hebben aangevraagd, zich in een vergelijkbare situatie bevinden voor wat betreft de rechtsgevolgen die uit non-identificatie of onjuiste registratie in een identificatie‑ en registratiesysteem voor runderen als het ENAR kunnen voortvloeien.
49 Evenals voor deze laatste landbouwers gelden immers voor de landbouwers die in artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 bedoelde en van de veedichtheid afhankelijk gestelde steun hebben aangevraagd en zich niet aan de identificatie‑ en registratieregels houden dezelfde rechtsgevolgen, want de nationale autoriteiten kunnen zich, zoals blijkt uit punt 43 van het onderhavige arrest, bij de controle of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van die steun, inzonderheid de voorwaarde betreffende de veedichtheid, voor de weigering van die steun uitsluitend baseren op de gegevens van een nationaal systeem van individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het ENAR.
50 In die omstandigheden zou het in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling indien de situatie van landbouwers die een aanvraag hebben ingediend voor in artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 bedoelde en van de veedichtheid afhankelijk gestelde steun, en die van landbouwers die „dier”steun hebben aangevraagd, verschillend werden behandeld, aangezien alleen deze laatste landbouwers er recht op hebben, er door de nationale autoriteiten van in kennis te worden gesteld dat ieder dier dat in het identificatie‑ en registratiesysteem niet correct is geïdentificeerd of geregistreerd, in aanmerking zal worden genomen bij het totaal van de dieren die onregelmatigheden vertonen die rechtsgevolgen kunnen hebben zoals verlaging of uitsluiting van de betrokken steun. Overigens zou dat verschil in behandeling objectief niet te rechtvaardigen zijn.
51 Gelet op het voorgaande moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat de nationale autoriteiten krachtens artikel 22 van verordening nr. 1257/1999 en artikel 68 van verordening nr. 817/2004, uitgelegd in het licht van artikel 16 van verordening nr. 796/2004, voor zover zij uitsluitend de gegevens van een nationaal systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het ENAR, verifiëren om te controleren of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van in voormeld artikel 22 bedoelde en van de veedichtheid afhankelijk gestelde agromilieusteun, informatie moeten verstrekken over die toekenningsvoorwaarden, met dien verstande dat zij de bij die steun betrokken landbouwer ervan in kennis moeten stellen dat ieder dier dat in het identificatie‑ en registratiesysteem niet correct is geïdentificeerd of geregistreerd, in aanmerking zal worden genomen bij het totaal van de dieren die onregelmatigheden vertonen die rechtsgevolgen kunnen hebben zoals verlaging of uitsluiting van de betrokken steun.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Met betrekking tot steun op basis van artikel 22 van verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie‑ en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1783/2003 van de Raad van 29 september 2003, die van de veedichtheid afhankelijk is gesteld, mogen de nationale autoriteiten op basis van die bepaling en artikel 68 van verordening (EG) nr. 817/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 1257/1999 kruiscontroles verrichten door vergelijking met de gegevens van het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem, waarbij zij zich meer in het bijzonder mogen baseren op de gegevens in de databank van een nationaal systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het Hongaarse systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen (Egységes Nyilvántartási és Azonosítási Rendszer).
2) Op grond van artikel 22 van verordening nr. 1257/1999, zoals gewijzigd, en artikel 68 van verordening nr. 817/2004, is het de nationale autoriteiten toegestaan, bij de controle of aan de voorwaarden voor toekenning van agromilieusteun bedoeld in dat artikel 22 is voldaan, enkel de gegevens van een nationaal systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het Hongaarse systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, te onderzoeken om die steun te weigeren, zonder dat zij noodzakelijkerwijs andere verificaties hoeven te verrichten.
3) Krachtens artikel 22 van verordening nr. 1257/1999, zoals gewijzigd, en artikel 68 van verordening nr. 817/2004, uitgelegd in het licht van artikel 16 van verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers‑ en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening nr. 1782/2003, moeten de nationale autoriteiten, voor zover zij uitsluitend de gegevens van een nationaal systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, zoals het Hongaarse systeem voor individuele identificatie en registratie van runderen, verifiëren om te controleren of is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van in voormeld artikel 22 bedoelde en van de veedichtheid afhankelijk gestelde agromilieusteun, informatie verstrekken over die toekenningsvoorwaarden, met dien verstande dat zij de bij die steun betrokken landbouwer ervan in kennis moeten stellen dat ieder dier dat in het identificatie‑ en registratiesysteem niet correct is geïdentificeerd of geregistreerd, in aanmerking zal worden genomen bij het totaal van de dieren die onregelmatigheden vertonen die rechtsgevolgen kunnen hebben zoals verlaging of uitsluiting van de betrokken steun.
ondertekeningen
* Procestaal: Hongaars.
Full & Egal Universal Law Academy