Zaak C‑95/10
Strong Segurança SA
tegen
Município de Sintra
en
Securitas-Serviços e Tecnologia de Segurança
(verzoek van het Supremo Tribunal Administrativo om een prejudiciële beslissing)
„Overheidsopdrachten voor diensten – Richtlijn 2004/18/EG – Artikel 47, lid 2 – Rechtstreekse werking – Toepasselijkheid op in bijlage II B bij richtlijn bedoelde diensten”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten – Diensten bedoeld in bijlage II B bij richtlijn 2004/18
(Richtlijn 2004/18 van het Europees Parlement en de Raad, art. 47, lid 2, en bijlage II B)
Richtlijn 2004/18 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten brengt voor de lidstaten niet de verplichting mee om artikel 47, lid 2, van deze richtlijn ook toe te passen op opdrachten voor in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde diensten. Deze richtlijn belet de lidstaten, en eventueel de aanbestedende diensten, evenwel niet in hun wetgeving, respectievelijk in de documenten betreffende de aanbesteding, de toepassing van bedoelde bepaling voor te schrijven.
(cf. punt 46 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
17 maart 2011 (*)
„Overheidsopdrachten voor diensten – Richtlijn 2004/18/EG – Artikel 47, lid 2 – Rechtstreekse werking – Toepasbaarheid op in bijlage II B bij de richtlijn bedoelde diensten”
In zaak C‑95/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) bij beslissing van 20 januari 2010, ingekomen bij het Hof op 22 februari 2010, in de procedure
Strong Segurança SA
tegen
Município de Sintra,
Securitas-Serviços e Tecnologia de Segurança,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur), G. Arestis, J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Strong Segurança SA, vertegenwoordigd door C. Varela Pinto en J. Oliveira e Carmo, advogadas,
– de Município de Sintra, vertegenwoordigd door N. Cárcomo Lobo en M. Vaz Loureiro, advogados,
– Securitas-Serviços e Tecnologia de Segurança, vertegenwoordigd door A. Calapez, advogada,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. Aiello, avvocato dello Stato,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door M. Fruhmann als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Kukovec en G. Braga da Cruz als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de in de omstandigheden van het hoofdgeding relevante bepalingen van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Strong Segurança SA (hierna: „Strong Segurança”) en de Município de Sintra (gemeente Sintra, Portugal) over de gunning van opdrachten voor bewakings- en beveiligingsdiensten voor gemeentelijke installaties.
Toepasselijke bepalingen
De relevante bepalingen van richtlijn 2004/18
3 De punten 18 en 19 van de considerans van deze richtlijn luiden:
„(18) Zowel met het oog op de toepassing van de voorschriften van deze richtlijn als voor controledoeleinden wordt de dienstensector het beste omschreven door de diensten in te delen in categorieën die met bepaalde posten van een gemeenschappelijke nomenclatuur overeenkomen, en deze bijeen te brengen in twee bijlagen, II A en II B, naargelang de regeling die erop van toepassing is. Wat de in bijlage II B bedoelde diensten betreft, mogen de van toepassing zijnde bepalingen in deze richtlijn geen afbreuk doen aan de toepassing van specifieke communautaire voorschriften voor de desbetreffende diensten.
(19) Wat overheidsopdrachten voor diensten betreft, moet gedurende een overgangsperiode de volledige toepassing van deze richtlijn worden beperkt tot opdrachten waarvoor de bepalingen van deze richtlijn de mogelijkheden tot uitbreiding van het verkeer over de grenzen heen ten volle garanderen. De opdrachten voor andere diensten moeten gedurende deze overgangsperiode worden gevolgd, alvorens wordt besloten deze richtlijn daarop volledig toe te passen. In dit verband dient het controlemechanisme te worden omschreven. Dit mechanisme dient terzelfder tijd de betrokkenen toegang tot de relevante informatie te verzekeren.”
4 Artikel 1, lid 2, sub d, eerste alinea, luidt:
„‚Overheidsopdrachten voor diensten’ zijn andere overheidsopdrachten dan overheidsopdrachten voor werken of leveringen, die betrekking hebben op het verrichten van de in bijlage II bedoelde diensten.”
5 Artikel 2, met als opschrift „Beginselen van het plaatsen van overheidsopdrachten”, bepaalt:
„Aanbestedende diensten behandelen ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en betrachten transparantie in hun handelen.”
6 Artikel 4, lid 2, onder het opschrift „Ondernemers”, bepaalt:
„Combinaties van ondernemers mogen inschrijven of zich als gegadigde opgeven. Voor de indiening van een inschrijving of een verzoek tot deelneming kan de aanbestedende dienst van de combinaties van ondernemers niet verlangen dat zij een bepaalde rechtsvorm zouden hebben, maar van de combinatie waaraan de opdracht wordt gegund kan wel worden geëist dat zij een bepaalde rechtsvorm zal aannemen, mits dit voor de goede uitvoering van de opdracht nodig is.”
7 Hoofdstuk III van titel II, met als opschrift „Op overheidsopdrachten voor diensten toepasselijke regelingen”, bevat de artikelen 20 tot en met 22.
8 Artikel 20, met als opschrift „Opdrachten voor de in bijlage II A vermelde diensten”, bepaalt:
„De opdrachten voor het verlenen van de in bijlage II A vermelde diensten worden overeenkomstig de artikelen 23 tot en met 55 geplaatst.”
9 Artikel 21, met als opschrift „Opdrachten voor de in bijlage II B vermelde diensten”, luidt:
„Voor de plaatsing van opdrachten voor het verlenen van in bijlage II B vermelde diensten zijn alleen artikel 23 en artikel 35, lid 4, van toepassing.”
10 Artikel 23 van richtlijn 2004/18, dat behoort tot hoofdstuk IV „Bijzondere voorschriften betreffende het bestek en de aanbestedingsstukken”, betreft de technische specificaties waarin de aanbestedingsstukken dienen te voorzien teneinde de inschrijvers gelijke toegang te bieden, en te vermijden dat ongerechtvaardigde belemmeringen voor de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging worden geschapen, en artikel 35, lid 4, van deze richtlijn, dat behoort tot hoofdstuk VI „Regels voor bekendmaking en transparantie”, ziet op de verplichtingen voor de aanbestedende diensten tot bekendmaking van de resultaten van de aanbestedingsprocedure.
11 In de in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde categorie 23 wordt melding gemaakt van „opsporings- en beveiligingsdiensten [...]”.
12 Lid 2 van artikel 47, met als opschrift „Economische en financiële draagkracht”, luidt:
„Een ondernemer kan zich in voorkomend geval en voor een welbepaalde opdracht beroepen op de draagkracht van andere lichamen, ongeacht de juridische aard van zijn banden met die lichamen. In dat geval moet hij bij de aanbestedende dienst aantonen dat hij werkelijk kan beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk middelen van die lichamen, bijvoorbeeld door overlegging van de verbintenis daartoe van deze lichamen.”
13 De inhoud van lid 3 van artikel 48, met als opschrift „Technische bekwaamheid en/of beroepsbekwaamheid”, is in wezen identiek aan die van de vorige bepaling.
14 Overeenkomstig artikel 80, lid 1, van deze richtlijn dienden de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 31 januari 2006 aan deze richtlijn te voldoen. Zij dienden de Commissie daarvan onverwijld in kennis te stellen.
Nationale regeling
15 De Decreto Lei 18/2008 van 29 januari 2008, waarbij de richtlijn 2004/18 in Portugees recht is omgezet en de wet op de overheidsopdrachten (Código dos Contratos Públicos) is goedgekeurd, is zes maanden na zijn bekendmaking op 29 januari 2008 in werking getreden.
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 Bij bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie van 15 juli 2008, heeft de Município de Sintra een internationale openbare aanbesteding bekendgemaakt voor de aankoop van bewakings- en beveiligingsdiensten ten behoeve van gemeentelijke installaties voor de jaren 2009 en 2010, waarvoor het desbetreffende aanbestedingsdossier en het bestek gelden, en de opdracht diende te worden gegund volgens het criterium van de economisch gunstigste offerte.
17 Strong Segurança heeft in het kader van deze aanbesteding een offerte ingediend en hiervoor de vereiste stukken ingediend. Voorts heeft Strong Segurança bij haar offerte een brief van de vennootschap Trivalor (SGPS) SA (hierna: „Trivalor”) gevoegd waarin deze laatste de volgende verklaring heeft afgelegd:
„Daar Trivalor alle aandelen (100 %) in Strong Segurança in handen heeft [...], is zij krachtens de wet op de handelsvennootschappen (Código das Sociedades Comerciais) aansprakelijk voor de nakoming van de verplichtingen van Strong Segurança.
Wij verbinden ons ertoe:
– te waarborgen dat Strong Segurança de beschikking heeft over de technische en financiële middelen die voor een behoorlijke nakoming van de uit de aanbestedingsprocedure voortvloeiende verplichtingen noodzakelijk zijn;
– de Município de Sintra alle schade te vergoeden die mocht ontstaan indien, in geval van gunning aan Strong Segurança, de contractuele verplichtingen niet worden nagekomen.”
18 Het aanbestedingscomité had aanvankelijk beslist de opdracht aan Strong Segurança te gunnen daar haar offerte de hoogste waardering had gekregen. Nadat een concurrerend bedrijf bezwaar had ingediend, is het aanbestedingscomité evenwel teruggekomen op haar appreciatie op grond dat Strong Segurança zich niet kon beroepen op de economische en financiële draagkracht van een derde vennootschap zoals Trivalor, en heeft het het aanbestedingscomité voorgesteld de opdracht te gunnen aan het concurrerende bedrijf dat het bezwaar had ingediend. Bij besluit van 11 februari 2009, heeft de Município de Sintra dit voorstel goedgekeurd en beslist de opdracht voor bewakings- en beveiligingsdiensten ten behoeve van gemeentelijke installaties voor de jaren 2009 en 2010 aan deze concurrerende onderneming te gunnen.
19 Het door Strong Segurança tegen deze beslissing ingestelde beroep werd afgewezen door het Tribunal Administrativo e Fiscal Sintra. In hoger beroep is dit vonnis bevestigd bij arrest van 10 september 2009 van het Tribunal Central Administrativo Sul. Strong Segurança is vervolgens tegen dit arrest opgekomen bij het Supremo Tribunal Administrativo.
20 De verwijzende rechter benadrukt dat het in de onderhavige zaak in wezen gaat over de vraag of artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18 ook van toepassing is op in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde diensten, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn. In dit opzicht merkt de verwijzende rechter op dat, enerzijds, de aanbestedingsprocedure is ingeleid vóór de inwerkingtreding van Decreto Lei 18/2008, en dat, anderzijds, de termijn voor tenuitvoerlegging van de richtlijn reeds was verstreken toen de aanbestedingsprocedure werd ingeleid.
21 De eerste vraag betreft dus de rechtstreekse werking van artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18. Volgens de verwijzende rechter is het eerste onderdeel van de onderhavige bepaling in de zin van de rechtspraak van het Hof zo duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk dat het de lidstaten geen beoordelingsmarge laat. Wat evenwel het tweede onderdeel betreft, heeft de verwijzende rechter zijn twijfels nu dit onderdeel de lidstaten een zekere beoordelingsmarge laat aangaande hetgeen moet worden bewezen en de bewijzen die het aanbestedingscomité mag verlangen van een onderneming die een beroep doet op de draagkracht van een derde om aan te tonen dat zij over de vereiste economische en financiële middelen beschikt.
22 De tweede vraag die in casu rijst, betreft de uitlegging van artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18 waarop de rechtspraak van het Hof geen antwoord zou geven. De verwijzende rechter wijst erop dat een zuiver letterlijke uitlegging van deze bepaling tot de conclusie zou leiden dat deze bepaling enkel van toepassing is op opdrachten voor de in bijlage II A bedoelde diensten. Hij onderstreept echter dat aldus voor opdrachten betreffende de in bijlage II B bedoelde diensten, fundamentele bepalingen van richtlijn 2004/18 zoals, bijvoorbeeld, bepalingen inzake de criteria voor kwalitatieve selectie (artikelen 45‑52) en de gunningscriteria (artikelen 53‑55), buiten toepassing zouden blijven.
23 Aangezien het Supremo Tribunal Administrativo de juistheid van deze uitlegging betwijfelt, en het zich bewust is van het feit dat het in laatste aanleg uitspraak doet, heeft het beslist de behandeling van de bij hem aanhangige zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de volgende vragen:
„1) Is artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18/EG [...] sinds 31 maart 2006 rechtstreeks toepasselijk in de nationale rechtsorde in die zin dat het particulieren rechten verleent die deze tegenover de Portugese autoriteiten kunnen inroepen?
2) Zo ja: is deze bepaling, ondanks het bepaalde in artikel 21 van de richtlijn, van toepassing op opdrachten die betrekking hebben op in bijlage II B [bij richtlijn 2004/18] vermelde diensten?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De tweede prejudiciële vraag
24 Met deze vraag, die als eerste moet worden behandeld, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18 ook van toepassing is op opdrachten betreffende in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde diensten, hoewel zulks niet valt af te leiden uit de bewoordingen van de andere relevante bepalingen van deze richtlijn, met name artikel 21 ervan.
25 Voor het beantwoorden van deze vraag, dient vooraf erop te worden gewezen dat het onderscheid tussen opdrachten voor diensten overeenkomstig de indeling van diensten in twee afzonderlijke categorieën niet werd ingevoerd door richtlijn 2004/18. Dit onderscheid bestond reeds in de richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209, blz. 1), waarvan de codificatie en de herschikking resulteerde in richtlijn 2004/18.
26 Vervolgens dient te worden opgemerkt dat in de considerans van richtlijn 2004/18 reeds ondubbelzinnig melding is gemaakt van het te maken onderscheid tussen opdrachten voor diensten al naargelang zij worden vermeld in bijlage II A of bijlage II B bij deze richtlijn.
27 Zo bepaalt punt 18 van de considerans van richtlijn 2004/18, dat met het oog op de toepassing van de voorschriften van deze richtlijn de dienstensector het beste wordt omschreven door de diensten in te delen in categorieën, en deze bijeen te brengen in twee bijlagen, II A en II B, naargelang de regeling die erop van toepassing is.
28 Uit punt 19 van de considerans van richtlijn 2004/18 blijkt de wil van de wetgever om gedurende een overgangsperiode de volledige toepassing van deze richtlijn te beperken tot opdrachten voor in bijlage II A vermelde diensten, waarvoor de bepalingen van deze richtlijn de mogelijkheden tot uitbreiding van het verkeer over de grenzen heen ten volle garanderen, en op de andere opdrachten, te weten deze voor in bijlage II B vermelde diensten, een controlemechanisme toe te passen in afwachting dat wordt besloten richtlijn 2004/18 daarop volledig toe te passen.
29 De in de punten 18 en 19 van de considerans aangehaalde indeling van opdrachten voor diensten wordt verder uitgewerkt in de bepalingen van richtlijn 2004/18.
30 Artikel 20 van deze richtlijn voorziet namelijk in een nagenoeg volledige toepassing van de bepalingen van deze richtlijn op de opdrachten voor in bijlage II A vermelde diensten, terwijl artikel 21 ervan alleen verwijst naar de artikelen 23 en 35, lid 4, zodat de enige verplichtingen die het inzake opdrachten voor in bijlage II B vermelde diensten oplegt de verplichtingen van de aanbestedende dienst met betrekking tot de technische specificaties zijn en de verplichting de Commissie in kennis te stellen van de uitslag van de procedure voor het plaatsen van deze opdrachten.
31 Anders dan Strong Segurança aanvoert, wijst niets uit de bewoordingen van de bepalingen van richtlijn 2004/18 of uit de geest en de opzet van deze richtlijn erop dat de indeling van de diensten in twee categorieën zou zijn gebaseerd op een onderscheid tussen „materieelrechtelijke bepalingen” en „procedureregels” van deze richtlijn. Overigens, zoals de Commissie terecht opmerkt, zou een dergelijk onderscheid het gevaar inhouden van het ontstaan van rechtsonzekerheid betreffende de werkingssfeer van de verschillende bepalingen van deze richtlijn.
32 Het onderscheid tussen de op overheidsopdrachten voor diensten toepasselijke regelingen overeenkomstig de door de relevante bepalingen van het Unierecht ingevoerde indeling van de diensten in twee aparte categorieën, vindt steun in de rechtspraak van het Hof.
33 Zo heeft het Hof geoordeeld, dat de in de bijlagen I A en I B bij richtlijn 92/50 (die overeenstemmen, respectievelijk, met de bijlagen II A en II B bij richtlijn 2004/18) opgenomen indeling van diensten conform is met het systeem van deze richtlijn, welke in een toepassing van genoemde richtlijn op twee niveaus voorziet (zie in die zin arrest van 14 november 2002, Felix Swoboda, C‑411/00, Jurispr. blz. I‑10567, punt 55).
34 Daarenboven heeft het Hof in verband met richtlijn 92/50 geoordeeld, dat wanneer opdrachten betrekking hebben op diensten die onder bijlage I B bij deze richtlijn vallen, de aanbestedende diensten uitsluitend verplicht zijn, onder verwijzing naar de nationale normen ter omzetting van de Europese normen, de technische specificaties aan te geven die moeten worden opgenomen in de algemene of contractuele documenten die bij iedere opdracht horen, en aan het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen een aankondiging te zenden met de uitslag van de procedure voor het plaatsen van deze opdrachten (zie arrest van 13 november 2007, Commissie/Ierland, C‑507/03, Jurispr. blz. I‑9777, punt 24).
35 Het Hof heeft immers verklaard dat de wetgever van de Unie is uitgegaan van het vermoeden dat opdrachten voor in bijlage I B bij richtlijn 92/50 bedoelde diensten, gelet op hun specifieke aard, a priori geen voldoende grensoverschrijdend belang hebben dat kan rechtvaardigen dat de gunning ervan plaatsvindt na een aanbestedingsprocedure die ondernemingen uit andere lidstaten de mogelijkheid dient te bieden, kennis te nemen van de aankondiging van de opdracht en een offerte in te dienen (zie in die zin arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 25). Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat zelfs dergelijke opdrachten, wanneer zij een duidelijk grensoverschrijdend belang vertonen, de algemene beginselen van transparantie en gelijke behandeling in de zin van de artikelen 49 VWEU en 56 VWEU dienen te eerbiedigen (zie in die zin arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punten 26 en 29‑31).
36 Gelet op deze overwegingen dient de conclusie te luiden dat het door richtlijn 2004/18 ingestelde systeem voor de lidstaten niet onmiddellijk de verplichting schept artikel 47, lid 2, van deze richtlijn ook toe te passen op overheidsopdrachten voor de in bijlage II B bij deze richtlijn bedoelde diensten.
37 Wat het argument van de Commissie betreft, dat het voor richtlijn 2004/18 kenmerkende algemene beginsel van „daadwerkelijke mededinging” tot een dergelijke verplichting zou kunnen leiden, zij vastgesteld dat, ook al vormt de daadwerkelijke mededinging een wezenlijke doelstelling van deze richtlijn, dit doel, hoe belangrijk ook, niet kan leiden tot een uitlegging die in strijd is met de duidelijke bewoordingen van deze richtlijn, volgens welke artikel 47, lid 2, geen deel uitmaakt van de door de aanbestedende diensten verplicht toe te passen bepalingen bij de plaatsing van opdrachten van in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde diensten.
38 Niettemin dient overeenkomstig de reeds aangehaalde rechtspraak te worden onderzocht of ingeval een dergelijke opdracht een kennelijk grensoverschrijdend belang heeft, wat door de verwijzende rechter moet worden onderzocht, met name aangezien in casu in het Publicatieblad van de Europese Unie een aanbesteding werd bekendgemaakt, een verplichting zoals neergelegd in artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18 kan voortvloeien uit de toepassing van de algemene beginselen van transparantie en gelijke behandeling.
39 Enerzijds, wat het transparantiebeginsel betreft, moet worden vastgesteld dat dit beginsel niet wordt geschonden indien een verplichting zoals neergelegd in artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18 niet aan de aanbestedende dienst is opgelegd inzake een opdracht voor in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde diensten. Het feit dat een ondernemer zich niet kan beroepen op de economische en financiële draagkracht van andere lichamen houdt immers geen verband met de transparantie van het gunningsproces. Overigens zij opgemerkt dat de toepassing van artikelen 23 en 35, lid 4, van richtlijn 2004/18 bij de gunning van opdrachten voor dergelijke zogenaamde „niet-prioritaire” diensten, eveneens ertoe strekt een met de specifieke aard van deze opdrachten overeenstemmende graad van transparantie te verzekeren.
40 Anderzijds zij opgemerkt dat het beginsel van gelijke behandeling evenmin tot gevolg kan hebben dat een verplichting zoals neergelegd in artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18 ook wordt opgelegd bij de toewijzing van opdrachten voor in bijlage II B vermelde diensten, niettegenstaande het door deze richtlijn ingestelde onderscheid.
41 Het ontbreken van een dergelijke verplichting kan inderdaad geen op nationaliteit of plaats van vestiging gebaseerde directe of indirecte discriminatie met zich meebrengen.
42 Benadrukt zij dat zulk een brede benadering van de gelding van het beginsel van gelijke behandeling tot de toepassing zou kunnen leiden van andere wezenlijke bepalingen van de richtlijn, zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, bijvoorbeeld de bepalingen betreffende de criteria voor kwalitatieve selectie van inschrijvers (artikelen 45‑52) en de gunningscriteria (artikelen 53‑55), op opdrachten voor in bijlage II B bij richtlijn 2004/18 bedoelde diensten. Zo zou het risico kunnen ontstaan dat elk nuttig effect wordt ontnomen aan het door richtlijn 2004/18 ingestelde onderscheid tussen de in bijlagen II A en II B bedoelde diensten en de toepassing van deze richtlijn op twee niveaus, aldus het Hof.
43 Bovendien hebben volgens ’s Hofs rechtspraak de opdrachten voor de in bijlage II B bij richtlijn 2004/18 vermelde diensten een specifieke aard (arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald, punt 25). Zo hebben ten minste enkele van deze diensten bijzondere kenmerken die rechtvaardigen dat de aanbestedende dienst de individuele inschrijvingen van de gegadigden op een geïndividualiseerde en specifieke manier onderzoekt. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de „rechtskundige diensten”, de diensten inzake „arbeidsbemiddeling” en het „onderwijs” of nog de diensten met betrekking tot „opsporing en beveiliging”.
44 Bijgevolg leggen de algemene beginselen van transparantie en gelijke behandeling aanbestedende diensten inzake opdrachten betreffende de in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde diensten geen verplichting op zoals die welke is neergelegd in artikel 47, lid 2, van richtlijn 2004/18.
45 De afbakening van de werkingssfeer van richtlijn 2004/18 vloeit, zoals blijkt uit overweging 19 van deze richtlijn, voort uit een graduele aanpak van de wetgever van de Unie die, hoewel hij de lidstaten tijdens de in deze overweging aangehaalde overgangsperiode niet verplicht artikel 47, lid 2, toe te passen op de plaatsing van opdrachten als aan de orde in het hoofdgeding, een lidstaat en, eventueel, een aanbestedende dienst niet belet in zijn wetgeving, respectievelijk in de documenten betreffende de aanbesteding, de toepassing van deze bepaling op dergelijke opdrachten voor te schrijven.
46 Gelet op het bovenstaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2004/18 voor de lidstaten niet de verplichting schept artikel 47, lid 2, ervan ook toe te passen op opdrachten voor in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde diensten. Deze richtlijn belet de lidstaten en, eventueel, de aanbestedende diensten evenwel niet in hun wetgeving, respectievelijk in de documenten betreffende de aanbesteding, deze toepassing van bedoelde bepaling voor te schrijven.
De eerste prejudiciële vraag
47 Gezien het antwoord op de tweede vraag, behoeft de eerste vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
48 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, brengt voor de lidstaten niet de verplichting mee artikel 47, lid 2, van deze richtlijn ook toe te passen op opdrachten voor in bijlage II B bij deze richtlijn vermelde diensten. Deze richtlijn belet de lidstaten en, eventueel, de aanbestedende diensten evenwel niet in hun wetgeving, respectievelijk in de documenten betreffende de aanbesteding, deze toepassing van bedoelde bepaling voor te schrijven.
ondertekeningen
* Procestaal: Portugees.
Full & Egal Universal Law Academy