Zaak C‑137/10
Europese Gemeenschappen
tegen
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
[verzoek van de Raad van State (België) om een prejudiciële beslissing]
„Artikelen 207, lid 2, EG en 282 EG – Vertegenwoordiging van Europese Gemeenschappen voor nationale rechterlijke instanties – Bevoegdheden verleend aan Commissie – Delegatie van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan andere gemeenschapsinstellingen – Voorwaarden”
Samenvatting van het arrest
Europese Gemeenschappen – Vertegenwoordiging voor nationale rechterlijke instanties – Delegatie door Commissie van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan andere gemeenschapsinstelling – Voorwaarden
(Art. 282 EG)
De lastgeving waarbij de Europese Commissie haar bevoegdheid ex artikel 282 EG om de Europese Gemeenschappen voor een nationale rechterlijke instantie te vertegenwoordigen in een geding dat een andere instelling betrof, aan deze instelling heeft gedelegeerd, was rechtsgeldig verstrekt, ongeacht of in deze lastgeving al dan niet een natuurlijke persoon met naam was aangewezen om de gemachtigde instelling te vertegenwoordigen. In dergelijke gevallen kon zowel deze instelling als de natuurlijke persoon, zo er een was aangewezen, volmacht geven aan een advocaat om de Europese Gemeenschappen te vertegenwoordigen.
(cf. punt 25 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
5 mei 2011 (*)
„Artikelen 207, lid 2, EG en 282 EG – Vertegenwoordiging van Europese Gemeenschappen voor nationale rechterlijke instanties – Aan Commissie verleende bevoegdheden – Delegatie van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan andere gemeenschapsinstellingen – Voorwaarden”
In zaak C‑137/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissing van 4 maart 2010, ingekomen bij het Hof op 15 maart 2010, in de procedure
Europese Gemeenschappen
tegen
Brussels Hoofdstedelijk Gewest,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur), G. Arestis, J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 november 2010,
gelet op de opmerkingen van:
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne als gemachtigde, bijgestaan door J.‑P. Lagasse en F. Van de Gejuchte, advocaten,
– de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Vitro en M. Balta als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Martínez del Peral en J.‑P. Keppenne als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 januari 2011,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 207, lid 2, EG en 282 EG.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie, en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (België) over de vraag of de door dit Gewest aan de Raad opgelegde stedenbouwkundige lasten, gelet op het recht van de Unie, rechtmatig zijn, en betreft de voorwaarden waaronder en de wijze waarop een andere instelling van de Europese Gemeenschappen dan de Europese Commissie in een geding voor een rechterlijke instantie van een lidstaat moest worden vertegenwoordigd.
Toepasselijk recht
Recht van de Unie
3 Aangezien de feiten in het hoofdgeding hebben plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009, zijn de relevante bepalingen van primair recht van de Unie die welke vóór deze datum golden.
4 Artikel 207, leden 2 en 3, EG bepaalde:
„2. De Raad wordt bijgestaan door een secretariaat-generaal onder leiding van een secretaris-generaal, hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden. De secretaris-generaal en de plaatsvervangend secretaris-generaal worden door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen benoemd.
De Raad beslist over de organisatie van het secretariaat-generaal.
3. De Raad stelt zijn reglement van orde vast.
[...]”
5 Artikel 281 EG luidde:
„De Gemeenschap bezit rechtspersoonlijkheid.”
6 Volgens artikel 282 EG gold:
„In elk der lidstaten heeft de Gemeenschap de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd.”
7 Artikel 185 EGA was gelijkluidend aan artikel 282 EG.
8 Artikel 47 VEU bepaalt:
„De Unie bezit rechtspersoonlijkheid.”
9 Artikel 335 VWEU, dat overeenkomt met artikel 282 EG, luidt thans als volgt:
„In elk der lidstaten heeft de Unie de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen wordt toegekend; zij kan met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd. De Unie wordt evenwel door elk van de instellingen vertegenwoordigd, uit hoofde van hun administratieve autonomie, voor de aangelegenheden die verband houden met hun respectieve werking.”
Nationaal recht
10 Bij besluiten van 12 juni en 18 december 2003 heeft de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bepaald dat voor de afgifte van stedenbouwkundige vergunningen stedenbouwkundige lasten dienden te worden betaald, die door dit Gewest zouden worden gebruikt voor openbare diensten, meer bepaald voor de bouw, de verbouwing en de renovatie van sociale woningen.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Om de delegaties van de nieuwe lidstaten kantoorruimte te kunnen bieden, heeft de Raad op 20 november 2002 bij de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een stedenbouwkundige vergunning aangevraagd met het oog op de verbouwing van zijn hoofdgebouw, genaamd „Justus Lipsius”. Deze vergunning is bij besluiten van 12 en 22 december 2003 afgegeven. In deze besluiten was evenwel bepaald dat de Raad binnen twaalf maanden na afgifte van de stedenbouwkundige vergunning 1 109 750 EUR aan stedenbouwkundige lasten diende te betalen.
12 Aangezien de Raad van mening was dat dergelijke lasten een belasting vormden waarvan de Europese Gemeenschappen waren vrijgesteld krachtens artikel 3 van het op 8 april 1965 ondertekende Protocol betreffende hun voorrechten en immuniteiten, dat aanvankelijk was gehecht aan het Verdrag tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben, en vervolgens – krachtens het Verdrag van Amsterdam – aan het EG-Verdrag, heeft hij de hem opgelegde lasten op 23 januari 2004 aangevochten bij het Stedenbouwkundig College van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Bij uitblijven van een antwoord van dit college binnen de wettelijke termijn heeft de Raad op 10 november 2004 bij de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beroep ingesteld tot herziening van de stedenbouwkundige vergunning wat de betrokken lasten betreft.
13 Bij besluit van 14 juli 2005 heeft de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond dat het te laat was ingesteld. Daarop heeft de Raad in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van de Europese Gemeenschappen beroep tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld bij de Raad van State. De regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, verweerster, heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid van dat beroep opgeworpen, op grond dat de Raad niet naar behoren was vertegenwoordigd.
14 De verwijzende rechter zet uiteen dat de Commissie bij geschrift van 23 september 2005 de Raad krachtens artikel 282 EG en artikel 185 EGA wel degelijk heeft gemachtigd tot het instellen van dat beroep tot nietigverklaring. In haar lastgeving heeft de Commissie evenwel een specifiek persoon aangewezen om in rechte op te treden, namelijk „Jean-Claude Piris [directeur-generaal van de juridische dienst van de Raad], of elke andere persoon die hij aanwijst om bij de Belgische Raad van State beroep tot nietigverklaring van het besluit van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 14 juli 2005 in te stellen”. Het inleidend verzoekschrift vermeldt daarentegen dat het wordt ingediend door „de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door de Raad van de Europese Unie in de persoon van zijn plaatsvervangend secretaris-generaal, Pierre de Boissieu”. Bijgevolg is dit verzoekschrift ingediend door een andere persoon dan die welke uitdrukkelijk door de Commissie is gemachtigd, terwijl niet blijkt dat Piris van zijn kant de Boissieu heeft aangewezen om beroep in te stellen.
15 Daarop heeft de Raad van State, van oordeel dat de strekking van de artikelen 207 EG en 282 EG inderdaad aanleiding kon geven tot discussie, „in het bijzonder wat [zijn] bevoegdheid [...] betreft om zich ervan te vergewissen dat het bevoegde orgaan van de verzoekende rechtspersoon zijn beslissing tot handelen heeft genomen met inachtneming van de regels van vertegenwoordiging die op hem van toepassing zijn”, de behandeling geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Dient artikel 282 [EG], en in het bijzonder de bewoordingen ‚te dien einde wordt zij door de Commissie vertegenwoordigd’ in de tweede zin van dit artikel, aldus te worden uitgelegd dat een instelling rechtsgeldig gemachtigd is de Gemeenschap te vertegenwoordigen door het loutere feit van het bestaan van een lastgeving waarbij de Commissie haar bevoegdheid om namens de Gemeenschap in rechte op te treden aan deze instelling delegeert, ongeacht of deze lastgeving al dan niet een natuurlijke persoon met naam aanwijst om de gemachtigde instelling te vertegenwoordigen?
2) Zo niet, kan een nationale rechterlijke instantie zoals de Raad van State de ontvankelijkheid toetsen van een beroep van een Europese instelling die, in de zin van artikel 282, tweede zin, [EG], naar behoren door de Commissie gemachtigd is om in rechte op te treden, door te onderzoeken of deze instelling vertegenwoordigd wordt door de juiste natuurlijke persoon, die gemachtigd is bij een nationale rechterlijke instantie beroep in te stellen?
3) Subsidiair en indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, dient artikel 207, lid 2, eerste alinea, eerste zin, [EG], en in het bijzonder de woorden ‚die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend secretaris-generaal, die tot taak heeft het secretariaat-generaal te leiden’, aldus te worden uitgelegd dat de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Raad bij de instelling van beroep bij de nationale rechterlijke instanties de Raad rechtsgeldig kan vertegenwoordigen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
16 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de lastgeving waarbij de Commissie haar bevoegdheid ex artikel 282 EG om de Gemeenschappen voor een nationale rechterlijke instantie te vertegenwoordigen in een geding dat een andere instelling betrof, aan deze instelling heeft gedelegeerd, rechtsgeldig was verstrekt, ongeacht of in deze lastgeving al dan niet een natuurlijke persoon met naam was aangewezen om de gemachtigde instelling te vertegenwoordigen.
17 Om te beginnen zij erop gewezen dat de aan deze vraag ten grondslag liggende feiten verband houden met bepalingen van het EG-Verdrag die niet langer van kracht zijn. Voorts stelt de verwijzende rechter alleen de vraag naar de ontvankelijkheid van het door de Europese Gemeenschappen ingestelde beroep. Niettegenstaande de ruime en abstracte formulering ervan, kan het Hof het onderzoek van de prejudiciële vragen en het antwoord daarop dus beperken tot wat voor de verwijzende rechter noodzakelijk is om deze kwestie te kunnen beslechten.
18 Verder zij opgemerkt dat overeenkomstig het bij de Verdragen ingevoerde stelsel, zoals dat uit artikel 281 EG en artikel 184 EGA blijkt, alleen de Gemeenschappen – en niet hun instellingen – rechtspersoonlijkheid bezaten als publiekrechtelijke rechtspersonen. Dat is, wat de Unie betreft, overeenkomstig artikel 47 VEU ook tegenwoordig het geval. Volgens artikel 282 EG en artikel 185 EGA hadden de Gemeenschappen de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgevingen aan rechtspersonen werd toegekend; zij konden met name roerende en onroerende goederen verkrijgen of vervreemden en in rechte optreden. Te dien einde werden zij door de Commissie vertegenwoordigd.
19 De Commissie kon deze bevoegdheid delegeren door de andere instellingen een lastgeving te verstrekken voor kwesties die hun respectieve werking betroffen.
20 In de communautaire rechtsorde bracht behoorlijk bestuur overigens mee dat de Gemeenschappen, zowel bij de verkrijging of de vervreemding van goederen als in het kader van bij nationale rechters ingestelde vorderingen, concreet moesten worden vertegenwoordigd door de instelling die bij de verkrijging of vervreemding dan wel bij de vordering in kwestie betrokken was. In het kader van haar administratieve en functionele autonomie kon deze instelling de belangen van de Gemeenschappen in die zaken immers beter beoordelen en behartigen.
21 Wat de omvang van voornoemde lastgeving betreft, volgt uit de aard van haar vertegenwoordigings- en delegatiebevoegdheid dat de Commissie met het oog op deze vertegenwoordiging aan een andere instelling een lastgeving kon verstrekken met of zonder aanwijzing van een natuurlijke persoon. In dergelijke gevallen kon zowel de gemachtigde instelling als de natuurlijke persoon, zo er een was aangewezen, volmacht geven aan een advocaat om de Gemeenschappen te vertegenwoordigen.
22 Benadrukt moet worden dat de praktijk bestaande in een dergelijke delegatie is bekrachtigd in artikel 335 VWEU. Krachtens dit artikel kan bijgevolg thans elk van de instellingen uit hoofde van haar administratieve autonomie de Unie vertegenwoordigen voor de aangelegenheden die verband houden met haar werking.
23 In het hoofdgeding blijkt dat de in de lastgeving met naam aangewezen natuurlijke persoon de juridisch adviseur – te weten het hoofd van de juridische dienst – van de Raad was, die op zijn beurt een advocaat heeft gemachtigd om de instelling in het geding voor de aangezochte nationale rechter te vertegenwoordigen, aangezien het procesrecht van de betrokken lidstaat de aanwezigheid van een advocaat verlangde.
24 Bijgevolg was in een geval van opeenvolgende lastgevingen – namelijk een eerste door de Commissie aan de Raad met aanwijzing van een natuurlijke persoon van de gemachtigde instelling, en een tweede door deze persoon aan een advocaat met het oog op de vertegenwoordiging van deze instelling voor een nationale rechter – de lastgeving rechtsgeldig door de Commissie verstrekt en de gemachtigde instelling volgens de regels vertegenwoordigd.
25 Gelet op een en ander moet de eerste vraag aldus worden beantwoord dat de lastgeving waarbij de Commissie haar bevoegdheid ex artikel 282 EG om de Gemeenschappen voor een nationale rechterlijke instantie te vertegenwoordigen in een geding dat een andere instelling betrof, aan deze instelling heeft gedelegeerd, rechtsgeldig was verstrekt, ongeacht of in deze lastgeving al dan niet een natuurlijke persoon met naam was aangewezen om de gemachtigde instelling te vertegenwoordigen. In dergelijke gevallen kon zowel deze instelling als de natuurlijke persoon, zo er een was aangewezen, volmacht geven aan een advocaat om de Gemeenschappen te vertegenwoordigen.
Tweede en derde vraag
26 Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
27 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
De lastgeving waarbij de Europese Commissie haar bevoegdheid ex artikel 282 EG om de Europese Gemeenschappen voor een nationale rechterlijke instantie te vertegenwoordigen in een geding dat een andere instelling betrof, aan deze instelling heeft gedelegeerd, was rechtsgeldig verstrekt, ongeacht of in deze lastgeving al dan niet een natuurlijke persoon met naam was aangewezen om de gemachtigde instelling te vertegenwoordigen. In dergelijke gevallen kon zowel deze instelling als de natuurlijke persoon, zo er een was aangewezen, volmacht geven aan een advocaat om de Europese Gemeenschappen te vertegenwoordigen.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy