Zaak C‑197/10
Unió de Pagesos de Catalunya
tegen
Administración del Estado
(verzoek van het Tribunal Supremo om een prejudiciële beslissing)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Bedrijfstoeslagregeling – Toeslagrechten uit nationale reserve – Voorwaarden voor toekenning – Landbouwers die met landbouwactiviteit beginnen – Prejudiciële vraag van hypothetische aard – Niet-ontvankelijkheid”
Samenvatting van het arrest
Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Algemene of hypothetische vragen – Toetsing door Hof van eigen bevoegdheid – Prejudiciële vraag van hypothetische aard – Niet-ontvankelijkheid
(Art. 267 VWEU; verordening nr. 1782/2003 van de Raad, art. 42)
De procedure van artikel 267 VWEU is een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het recht van de Unie verschaft die deze voor de beslissing van de hun voorgelegde geschillen nodig hebben.
In het kader van die samenwerking rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende het recht van de Unie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het recht van de Unie geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen. De taak van het Hof in het kader van de prejudiciële procedure is namelijk, bij te dragen aan de rechtsbedeling in de lidstaten, en niet adviezen over algemene of hypothetische vragen te geven.
Een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de uitlegging van artikel 42, lid 3, van verordening nr. 1782/2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, dat is ingediend in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een nationale wetgevende handeling die ten doel heeft basisregels vast te stellen voor bepaalde in deze verordening opgenomen steunregelingen, is, gelet op de hypothetische aard ervan, niet-ontvankelijk wanneer die wetgevende handeling is ingetrokken en de verwijzende rechter het Hof geen gegevens heeft verstrekt waaruit het desondanks bestaande reële en concrete belang van dat verzoek voor het hoofdgeding kan worden afgeleid.
(cf. punten 16‑18, 23, 25)
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
15 september 2011 (*)
„Gemeenschappelijk landbouwbeleid – Verordening (EG) nr. 1782/2003 – Bedrijfstoeslagregeling – Toeslagrechten uit de nationale reserve – Voorwaarden voor toekenning – Landbouwers die met een landbouwactiviteit beginnen – Prejudiciële vraag van hypothetische aard – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak C‑197/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunal Supremo (Spanje) bij beslissing van 18 maart 2010, ingekomen bij het Hof op 23 april 2010, in de procedure
Unió de Pagesos de Catalunya
tegen
Administración del Estado,
in tegenwoordigheid van:
Coordinadora de Organizaciones de Agricultores y Ganaderos – Iniciativa Rural del Estado Español,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, J.‑J. Kasel, A. Borg Barthet (rapporteur), E. Levits en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 juni 2011,
gelet op de opmerkingen van:
– de Coordinadora de Organizaciones de Agricultores y Ganaderos – Iniciativa Rural del Estado Español, vertegenwoordigd door R. Granizo Palomeque en I. Hernández Urranburu, abogados,
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. Muñoz Pérez en A. Rubio González als gemachtigden,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door N. Graf Vitzthum als gemachtigde,
– de Griekse regering, vertegenwoordigd door G. Skiani, S. Papaïoannou en X. Basakou als gemachtigden,
– de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa‑Lacombe en F. Jimeno Fernández als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 juli 2011,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 42, lid 3, van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een door de Unió de Pagesos de Catalunya (bond van landbouwers van Catalonië) ingesteld beroep tot nietigverklaring van koninklijk besluit nr. 1470/2007 van 2 november 2007 betreffende de rechtstreekse betalingen aan landbouwers en veehouders (BOE nr. 264 van 3 november 2007, blz. 45104).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Verordening nr. 1782/2003
3 Artikel 42, leden 3 tot en met 5, van verordening nr. 1782/2003 luidt:
„3. De lidstaten mogen de nationale reserve gebruiken om, op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt‑ en concurrentieverstoringen worden vermeden, bij voorrang referentiebedragen te verlenen aan landbouwers die na 31 december 2002 met hun landbouwactiviteit beginnen, dan wel in 2002 zonder dat jaar rechtstreekse betalingen te ontvangen.
4. De lidstaten gebruiken de nationale reserve om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt‑ en concurrentieverstoringen worden vermeden, referentiebedragen vast te stellen voor landbouwers die zich in een bijzondere, door de Commissie volgens de in artikel 144, lid 2, bedoelde procedure te omschrijven situatie bevinden.
5. De lidstaten mogen de nationale reserve gebruiken om op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt‑ en concurrentieverstoringen worden vermeden, referentiebedragen vast te stellen voor landbouwers in gebieden waar aan een of andere vorm van overheidssteun gekoppelde herstructurerings‑ en/of ontwikkelingsprogramma’s gaande zijn om te voorkomen dat het land verlaten wordt en/of om specifieke nadelen voor landbouwers in die gebieden te compenseren.”
Verordening (EG) nr. 1698/2005
4 Artikel 20, sub a, van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PB L 277, blz. 1) bepaalt:
„De steun ter verbetering van het concurrentievermogen van de land‑ en de bosbouwsector betreft:
a) maatregelen om kennis te bevorderen en het menselijke potentieel te verbeteren door:
[...]
ii) de vestiging van jonge landbouwers,
[...]”
5 Artikel 22, lid 1, sub a, van die verordening luidt:
„De in artikel 20, sub ii, bedoelde steun wordt toegekend aan landbouwers die:
a) jonger zijn dan 40 jaar en zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen.”
Nationale regeling
6 Volgens artikel 1 ervan heeft koninklijk besluit nr. 1470/2007 ten doel basisregels vast te stellen voor bepaalde in verordening nr. 1782/2003 voorziene communautaire steunregelingen.
7 Artikel 9, lid 2, van dat besluit bepaalt met name:
„Voor de toewijzing van bedrijfstoeslagrechten uit de nationale reserve, komen in aanmerking, voor zover is voldaan aan de gestelde voorwaarden:
[...]
b) jonge landbouwers die zich voor het eerst hebben gevestigd in het kader van een programma voor plattelandsontwikkeling dat is vastgesteld op grond van verordening (EG) nr. 1698/2005 [...], in een van de sectoren genoemd in bijlage VI bij verordening (EG) nr. 1782/2003 [...], met uitzondering van de productie van zaaizaad, en die nog geen bedrijfstoeslagrechten uit de nationale reserve hebben ontvangen.”
8 Koninklijk besluit nr. 1470/2007 is op 4 oktober 2008 ingetrokken bij koninklijk besluit nr. 1612/2008 van 3 oktober 2008, dat op zijn beurt is ingetrokken bij koninklijk besluit nr. 1680/2009 van 13 november 2009. De inhoud van koninklijk besluit nr. 1470/2007 is echter in de twee latere besluiten overgenomen.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9 Op 27 oktober 2008 heeft de Unió de Pagesos de Catalunya bij het Tribunal Supremo administratief beroep ingesteld tegen koninklijk besluit nr. 1470/2007. Ter ondersteuning van het beroep voert de Unió de Pagesos de Catalunya in het bijzonder aan dat artikel 9, lid 2, sub b, van dat besluit in strijd is met artikel 42, lid 3, van verordening nr. 1782/2003, aangezien het beginsel van gelijke behandeling van de landbouwers wordt geschonden.
10 Volgens de verwijzende rechter leidt artikel 9, lid 2, sub b, van dat besluit tot ongelijke behandeling van de landbouwers, omdat jonge landbouwers alleen kunnen deelnemen aan de bedrijfstoeslagregeling indien zij zich voor het eerst hebben gevestigd in het kader van een programma voor plattelandsontwikkeling dat is vastgesteld op grond van verordening nr. 1698/2005.
11 De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat de beslechting van het bij hem aanhangige geding afhangt van de uitlegging van artikel 42, lid 3, van verordening nr. 1782/2003, nu deze uitlegging een direct effect heeft op de geldigheid van de bestreden nationale bepaling. Hij wijst er ook op dat koninklijk besluit nr. 1470/2007 weliswaar is ingetrokken, maar dat de inhoud ervan in de koninklijke besluiten nrs. 1612/2008 en 1680/2009 is overgenomen. De verwijzende rechter voegt eraan toe dat de bestreden bepaling van belang blijft voor latere beroepen die, met betrekking tot hetzelfde vraagstuk, in de toekomst bij hem aanhangig kunnen worden gemaakt.
12 Daarom heeft het Tribunal Supremo de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is artikel 9, lid 2, sub b, van koninklijk besluit nr. 1470/2007 van 2 november 2007, dat de mogelijkheid om bedrijfstoeslagrechten uit de nationale reserve te verkrijgen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat het gaat om jonge landbouwers die zich voor het eerst hebben gevestigd in het kader van een programma voor plattelandsontwikkeling dat is vastgesteld op grond van verordening nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005, verenigbaar met artikel 42, lid 3, van verordening nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
13 De Spaanse regering betoogt in haar schriftelijke opmerkingen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, daar het antwoord van het Hof op de prejudiciële vraag, gelet op de intrekking van koninklijk besluit nr. 1470/2007, niet relevant is voor de beslechting van het bij het Tribunal Supremo aanhangige geding.
14 Dienaangaande verwijst deze regering naar de rechtspraak van het Tribunal Supremo, volgens welke „het rechtstreekse beroep tegen algemene bepalingen zijn doel verliest, indien de bepaling op het moment van de beslissing reeds op andere wijze uit de rechtsorde is verwijderd, aangezien het gaat om een procedureel instrument dat ertoe strekt om door de regelgever vastgestelde normen die in strijd zijn met het recht uit de rechtsorde te schrappen, en niet om te beslissen op individuele verzoeken die kunnen voortvloeien uit een bepaalde rechtsbetrekking tussen een individuele verzoeker en de overheid”.
15 Volgens de Spaanse regering heeft het Tribunal Supremo met betrekking tot een eerder door de Unió de Pagesos de Catalunya ingesteld beroep tot nietigverklaring van koninklijk besluit nr. 1617/2005, dat bij koninklijk besluit nr. 1470/2007 werd ingetrokken, overigens reeds geoordeeld dat het zonder voorwerp was. Bovendien was het Tribunal Supremo van oordeel dat het door een andere vereniging van landbouwers ingestelde beroep tot nietigverklaring van koninklijk besluit nr. 1470/2007 ook zonder voorwerp was geraakt, en heeft het Tribunal Supremo dat beroep dus onbehandeld terzijde gelegd op de grond dat koninklijk besluit nr. 1470/2007 was ingetrokken bij koninklijk besluit nr. 1612/2008.
16 Volgens vaste rechtspraak is de procedure van artikel 267 VWEU een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die zij voor de beslissing van de hun voorgelegde geschillen nodig hebben (zie met name arresten van 16 juli 1992, Meilicke, C‑83/91, Jurispr. blz. I‑4871, punt 22; 5 februari 2004, Schneider, C‑380/01, Jurispr. blz. I‑1389, punt 20, en 24 maart 2009, Danske Slagterier, C‑445/06, Jurispr. blz. I‑2119, punt 65).
17 In het kader van die samenwerking rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende het Unierecht. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (zie met name arresten van 5 december 2006, Cipolla e.a., C‑94/04 en C‑202/04, Jurispr. blz. I‑11421, punt 25, en 1 juni 2010, Blanco Pérez en Chao Gómez, C‑570/07 en C‑571/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 36).
18 De taak van het Hof in het kader van de prejudiciële procedure is namelijk om bij te dragen tot de rechtsbedeling in de lidstaten, en niet om adviezen over algemene of hypothetische vragen te geven (zie met name arresten van 12 juni 2003, Schmidberger, C‑112/00, Jurispr. blz. I‑5659, punt 32; 8 september 2009, Budĕjovický Budvar, C‑478/07, Jurispr. blz. I‑7721, punt 64, en 11 maart 2010, Attanasio Group, C‑384/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 28).
19 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de vraag naar de verenigbaarheid van koninklijk besluit nr. 1470/2007 met artikel 42, lid 3, van verordening nr. 1782/2003, ondanks de intrekking van dat koninklijk besluit, volgens het Tribunal Supremo nog steeds relevant is omdat de inhoud ervan in de koninklijke besluiten nrs. 1612/2008 en 1680/2009 is overgenomen, zodat er met betrekking tot hetzelfde vraagstuk nog beroepen bij het Tribunal Supremo kunnen worden ingesteld.
20 In het antwoord van de verwijzende rechter op het schrijven van 21 januari 2011, waarin het Hof hem overeenkomstig artikel 104, lid 5, van zijn Reglement voor de procesvoering verzocht om nader te verduidelijken of de intrekking van koninklijk besluit nr. 1470/2007 en de door de Spaanse regering in haar schriftelijke opmerkingen aangehaalde rechtspraak gevolgen hebben voor de relevantie van het verzoek om een prejudiciële beslissing, heeft het Tribunal Supremo opnieuw bevestigd dat de nietigverklaring van koninklijk besluit nr. 1470/2007 niet afdeed aan de ontvankelijkheid van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing. Dienaangaande heeft het in herinnering gebracht dat de inhoud van artikel 9, lid 2, sub b, van koninklijk besluit nr. 1470/2007 in de latere besluiten is overgenomen, zodat er met betrekking tot hetzelfde vraagstuk nog beroepen bij hem kunnen worden ingesteld. Voorts heeft het erop gewezen dat de door de Spaanse regering aangehaalde rechtspraak in casu niet relevant was, aangezien de intrekking van koninklijk besluit nr. 1470/2007 niet tijdens de bij hem aanhangige procedure had plaatsgevonden, en dat de besluiten nrs. 1612/2008 en 1680/2009 voor jonge landbouwers dezelfde voorwaarden vaststellen om toeslagrechten uit de nationale reserve te ontvangen.
21 Vastgesteld moet dus worden dat het belang van het Tribunal Supremo bij de beantwoording van de gestelde vraag door het Hof geen betrekking heeft op de bij hem aanhangige zaak, maar verband houdt met het feit dat bij hem eventueel in de toekomst beroepen tot nietigverklaring van soortgelijke bepalingen worden ingesteld.
22 Verder hebben het Tribunal Supremo in zijn schrijven van 2 maart 2011 noch de partijen ter terechtzitting uiteengezet waarom het hoofdgeding niet zonder voorwerp is geraakt door de intrekking van koninklijk besluit nr. 1470/2007. Bovendien is het verzoek om een prejudiciële beslissing gelet op het aan het Hof overgelegde dossier van hypothetische aard.
23 Bij een dergelijk verzoek om een prejudiciële beslissing dient de verwijzende rechter het Hof gegevens te verstrekken waaruit het desondanks bestaande reële en concrete belang van dat verzoek voor het hoofdgeding kan worden afgeleid.
24 In het onderhavige geval moet evenwel worden vastgesteld dat het Tribunal Supremo in zijn schrijven van 2 maart 2011 slechts heeft bevestigd, zonder nadere uiteenzetting, dat de door de Spaanse regering aangehaalde rechtspraak niet van toepassing is op het beroep in het hoofdgeding, dat „actueel is”.
25 Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is dus niet-ontvankelijk gelet op de hypothetische aard ervan.
Kosten
26 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Het door het Tribunal Supremo (Spanje) bij beslissing van 18 maart 2010 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk gelet op de hypothetische aard ervan.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy