Zaak C‑224/10
Strafzaak
tegen
Leo Apelt
(verzoek van het Landgericht Baden-Baden om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 91/439/EEG – Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Intrekking van door lidstaat van verblijfplaats afgegeven nationaal rijbewijs en afgifte van rijbewijs voor voertuigen van categorieën B en D door andere lidstaat – Weigering van erkenning door lidstaat van verblijfplaats – Verplichting om houder te zijn van geldig rijbewijs voor voertuigen van categorie B ten tijde van afgifte van rijbewijs voor voertuigen van categorie D”
Samenvatting van het arrest
Vervoer – Wegvervoer – Rijbewijs – Richtlijn 91/439 – Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Tijdelijke schorsing en vervolgens intrekking van rijbewijs voor categorie B in eerste lidstaat – Afgifte van rijbewijs in tweede lidstaat tijdens periode van tijdelijke schorsing voor categorie B – Niet-inachtneming van verblijfplaatsvereiste door die staat
(Richtlijn 91/439 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/56, art. 1, lid 2, 5, lid 1, sub a, 7, lid 1, sub b, en 8, leden 2 en 4)
De artikelen 1, lid 2, 5, lid 1, sub a, 7, lid 1, sub b, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 betreffende het rijbewijs, zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/56, staan er niet aan in de weg dat een gastlidstaat de erkenning weigert van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor voertuigen van de categorieën B en D, wanneer, ten eerste, de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie B heeft verkregen zonder dat was voldaan aan het vereiste van de gewone verblijfplaats en nadat het door de eerste lidstaat afgegeven rijbewijs in beslag was genomen door de politie van die eerste lidstaat maar voordat de rijbevoegdheid in die eerste lidstaat gerechtelijk werd ontzegd, en, ten tweede, de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie D heeft verkregen nadat de rijbevoegdheid gerechtelijk was ontzegd en na afloop van de verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs.
De niet-inachtneming van het vereiste van de gewone verblijfplaats in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 91/439 kan immers op zichzelf reeds rechtvaardigen dat een lidstaat weigert het door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen. Wanneer dit rijbewijs is verkregen in het tijdvak waarin een maatregel tot schorsing van het in eerstgenoemde lidstaat afgegeven rijbewijs gold en zowel deze maatregel als de daaropvolgende gerechtelijke ontzegging van de rijbevoegdheid worden gerechtvaardigd door gronden die op de datum van de afgifte van het tweede rijbewijs bestonden, beletten de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van die richtlijn de eerste lidstaat daarenboven niet, op zijn grondgebied de erkenning te weigeren van de uit een dergelijk rijbewijs voorvloeiende rijbevoegdheid.
Voorts volgt zowel uit de bewoordingen als uit de structuur van richtlijn 91/439 dat het beschikken over een rijbewijs voor voertuigen van categorie B een noodzakelijke en voorafgaande voorwaarde is voor het verkrijgen van een rijbewijs voor voertuigen van categorie D. Het zou derhalve indruisen tegen de in de eerste en de vierde overweging van de considerans van die richtlijn vermelde doelstelling van de veiligheid van het wegverkeer, wanneer het een gastlidstaat niet zou zijn toegestaan de erkenning te weigeren van een rijbewijs voor voertuigen van categorie D dat is afgegeven op basis van een rijbewijs voor voertuigen van categorie B dat lijdt onder een onregelmatigheid die de niet-erkenning van laatstbedoeld rijbewijs rechtvaardigt.
(cf. punten 31, 34, 46‑47, 50 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
13 oktober 2011 (*)
„Richtlijn 91/439/EEG – Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Intrekking van door lidstaat van verblijfplaats afgegeven nationaal rijbewijs en afgifte van rijbewijs voor voertuigen van categorieën B en D door andere lidstaat – Weigering van erkenning door lidstaat van verblijfplaats – Verplichting om houder te zijn van geldig rijbewijs voor voertuigen van categorie B ten tijde van afgifte van rijbewijs voor voertuigen van categorie D”
In zaak C‑224/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Baden-Baden (Duitsland) bij beslissing van 6 mei 2010, ingekomen bij het Hof op 10 mei 2010, in de strafzaak tegen
Leo Apelt,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, U. Lõhmus, A. Rosas (rapporteur), A. Ó Caoimh en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– L. Apelt, vertegenwoordigd door B. Stege, Rechtsanwalt,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Braun als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 juni 2011,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, 5, lid 1, sub a, 7, lid 1, sub b, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/56/EG van de Commissie van 14 september 2000 (PB L 237, blz. 45; hierna: „richtlijn 91/439”), en van artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PB L 403, blz. 18).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen L. Apelt wegens het opzettelijk besturen van een voertuig zonder rijbewijs.
Toepasselijke bepalingen
Wettelijke regeling van de Unie
3 De eerste overweging van de considerans van richtlijn 91/439 luidt als volgt:
„[...] ter uitvoering van het gemeenschappelijk vervoerbeleid en om bij te dragen tot de verhoging van de veiligheid van het wegverkeer en om het verkeer te vergemakkelijken van personen die zich vestigen in een andere lidstaat dan die waar zij een rijexamen hebben afgelegd, [is het] wenselijk dat er een nationaal rijbewijs van Europees model bestaat dat door de lidstaten onderling wordt erkend en waarvoor er geen verplichting tot inwisseling bestaat”.
4 Volgens de vierde overweging van de considerans van richtlijn 91/439 moeten, om aan de eisen inzake de veiligheid van het wegverkeer te voldoen, minimumvoorwaarden worden vastgesteld voor de afgifte van het rijbewijs.
5 In artikel 1, leden 1 en 2, van richtlijn 91/439 wordt bepaald:
„1. De lidstaten stellen het nationale rijbewijs op volgens het in bijlage I of I bis bedoelde Europese model en overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. [...]
2. De door de lidstaten afgegeven rijbewijzen worden onderling erkend.”
6 Artikel 3 van deze richtlijn stelt:
„1. Met het in artikel 1 bedoelde rijbewijs mogen voertuigen van de volgende categorieën worden bestuurd:
[...]
categorie B:
– motorvoertuigen met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 3 500 kg en met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; [...]
[...]
categorie D:
– motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend; [...]
2. Binnen de categorieën A, B, B+E, C, C+E, D en D+E kan een specifiek rijbewijs worden afgegeven voor het besturen van voertuigen van de volgende subcategorieën [...]”
7 Artikel 5, lid 1, sub a, van die richtlijn bepaalt:
„1. De afgifte van het rijbewijs hangt van de volgende voorwaarden af:
a) het rijbewijs voor de categorieën C en D kan slechts worden afgegeven aan bestuurders die reeds bevoegd zijn voor categorie B”.
8 Artikel 7, lid 1, van die richtlijn luidt:
„De afgifte van het rijbewijs is eveneens aan de volgende voorwaarden onderworpen:
[...]
b) de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven.”
9 Overeenkomstig artikel 7, lid 5, van richtlijn 91/439 kan eenieder slechts houder zijn van één enkel rijbewijs.
10 Artikel 8, lid 2 en lid 4, eerste alinea, van die richtlijn bepaalt:
„2. Onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, kan de lidstaat van gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs.
[...]
4. Een lidstaat kan, wanneer op zijn grondgebied tegen een persoon een van de in lid 2 bedoelde maatregelen is getroffen, weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat aan deze persoon verstrekt rijbewijs te erkennen.”
11 Punt 1, tweede alinea, van deel I, A, van bijlage II bij richtlijn 91/439 stelt dat indien de kandidaat houder is van een rijbewijs voor een andere categorie waarvoor met goed gevolg een theoretisch examen is afgelegd, vrijstelling kan worden verleend van de bepalingen in punt 2, 3 en 4 van deze bijlage die deze rijbewijzen gemeen hebben.
12 Punt 2 van deel I, A, van voormelde bijlage II bepaalt de inhoud van het theoretische examen voor alle categorieën voertuigen. De specifieke voorschriften voor de categorieën A en A1 zijn vastgesteld in punt 3 van deel I, A, en deze voor de categorieën C, C+E, C1, C1+E, D, D+E, D1 en D1+E in punt 4 van deel I, A.
13 Artikel 11, leden 1 en 4, van richtlijn 2006/126 bepaalt:
„1. Indien de houder van een door een lidstaat afgegeven geldig rijbewijs zijn gewone verblijfplaats naar een andere lidstaat heeft overgebracht, kan hij om inwisseling van zijn rijbewijs tegen een gelijkwaardig rijbewijs verzoeken. De lidstaat die tot inwisseling overgaat, moet nagaan voor welke categorie het overgelegde rijbewijs nog geldig is.
[...]
4. Een lidstaat weigert een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbewijs in een andere lidstaat is beperkt, geschorst of ingetrokken.
Een lidstaat weigert de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat door een andere lidstaat aan een persoon is verstrekt, wanneer het rijbewijs van die persoon op het grondgebied van de eerstgenoemde staat is beperkt, geschorst of ingetrokken.
Een lidstaat kan eveneens weigeren een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbewijs in een andere lidstaat nietig is verklaard.”
Nationale regeling
14 In § 28, leden 1 en 4, van de Verordnung über die Zulassung von Personen zum Straßenverkehr (Fahrerlaubnis-Verordnung) [verordening inzake de toelating van personen tot het wegverkeer (verordening rijbevoegdheid)] van 18 augustus 1998 (BGBl. 1998 I, blz. 2214), in de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, wordt bepaald:
„1. De houders van een geldig rijbewijs van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte (EER) die hun gewone verblijfplaats [...] in de Bondsrepubliek Duitsland hebben, mogen – behoudens de in de leden 2 tot en met 4 gestelde beperkingen – op het nationale grondgebied motorrijtuigen besturen voor zover zij daartoe rijbevoegdheid hebben. [...]
4. De in lid 1 bedoelde toelating geldt niet voor de houders van een rijbewijs van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte,
[...]
3. aan wie de rijbevoegdheid op het nationale grondgebied tijdelijk of definitief door de rechter of bij een onmiddellijk uitvoerbare of definitieve bestuurlijke maatregel is ontzegd [...]”
15 In § 21, lid 1, punt 1, van het Straβenverkehrsgesetz (Duitse wet op het wegverkeer), in de versie die van toepassing was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, heet het:
„1. Wordt gestraft met een gevangenisstraf tot één jaar of met een geldboete degene die
1) een voertuig bestuurt ofschoon hij de daartoe vereiste rijbevoegdheid niet heeft of hem het besturen van het voertuig overeenkomstig § 44 van het strafwetboek of § 25 van deze wet is verboden [...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
16 Op 14 december 1998 werd aan Apelt, een Duits onderdaan, door de bevoegde diensten van de Landkreis Verden (Duitsland) een rijbewijs afgegeven voor de categorieën 1a, 1b, 3, 4 en 5.
17 Op 23 januari 2006 werd Apelt in Duitsland betrapt op het rijden onder invloed van alcohol. De dag daarop is zijn rijbewijs door de Duitse politie in beslag genomen („polizeiliche Verwahrung”).
18 Op 31 mei 2006 is Apelt door het Amtsgericht Osterholz-Scharmbeck veroordeeld tot een geldboete wegens rijden onder invloed. Zijn rijbewijs en rijbevoegdheid werden ingetrokken en het werd hem tot 29 november 2006 verboden om een nieuw rijbewijs aan te vragen.
19 Op 1 maart 2006, dus vóór de gerechtelijke intrekking van het door de Duitse autoriteiten aan hem afgegeven rijbewijs, maar na de inbeslagneming van dit rijbewijs door de Duitse politie, werd Apelt door de bevoegde Tsjechische autoriteiten rijbevoegd verklaard voor voertuigen van categorie B. Op grond van die rijbevoegdheid werd hem op dezelfde dag een rijbewijs afgegeven, waarin een in Duitsland gelegen verblijfplaats is vermeld.
20 Op 30 april 2007, dus na het verstrijken van het door het Amtsgericht Osterholz-Scharmbeck aan hem opgelegde verbod om een nieuw rijbewijs aan te vragen, werd Apelt door de Tsjechische autoriteiten rijbevoegd verklaard voor voertuigen van categorie D. Op grond van die rijbevoegdheid werd hem op dezelfde dag een rijbewijs afgegeven dat melding maakt van een in Tsjechië gelegen verblijfplaats alsook van een afgiftedatum voor een rijbewijs voor voertuigen van categorie B, te weten 1 maart 2006.
21 Op 11 juli 2009 is Apelt betrapt op het besturen van een autobus op het grondgebied van de gemeente Achern (Duitsland). Het openbaar ministerie heeft bij het Amtsgericht Achern gevorderd dat Apelt zou worden veroordeeld wegens het opzettelijk besturen van een voertuig zonder rijbevoegdheid. Het Amtsgericht Achern heeft die vordering afgewezen omdat de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie D, die na het verstrijken van de verbodsperiode door de Tsjechische autoriteiten was verleend, geldig was in Duitsland.
22 Het openbaar ministerie heeft tegen die beschikking hoger beroep ingesteld bij het Landgericht Baden-Baden, waarbij het aanvoerde dat de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie B, die in Duitsland niet geldig was, een noodzakelijk bestanddeel is van de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie D.
23 In die omstandigheden heeft het Landgericht Baden-Baden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Mag een lidstaat, rekening houdend met artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439 [...], dat bepaalt dat een rijbewijs voor categorie D enkel mag worden afgegeven aan bestuurders die reeds rijbevoegd zijn voor categorie B, overeenkomstig de artikelen 1 en 8, leden 2 en 4, van deze richtlijn weigeren de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs van de categorieën B en D te erkennen – in het bijzonder wat betreft categorie D – wanneer de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid van categorie B vóór een gerechtelijke ontzegging van de rijbevoegdheid door eerstgenoemde lidstaat had verkregen, en de rijbevoegdheid van categorie D echter pas na de gerechtelijke ontzegging en eveneens na afloop van de gelijktijdig opgelegde verbodstermijn om een nieuw rijbewijs te verkrijgen?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
Mag eerstgenoemde lidstaat de erkenning van dit rijbewijs – in het bijzonder wat de rijbevoegdheid voor categorie D betreft – weigeren overeenkomstig artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126 [...], dat bepaalt dat een lidstaat de erkenning van de geldigheid van een rijbewijs weigert, dat door een andere lidstaat is afgegeven aan een persoon wiens rijbewijs op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat is ingetrokken, wanneer de rijbevoegdheid voor categorie B op 1 maart 2006 en de rijbevoegdheid voor categorie D op 30 april 2007 zijn verleend en het rijbewijs op laatstgenoemde dag is afgegeven?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
24 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, rekening houdend met artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439, dat bepaalt dat een rijbewijs voor categorie D enkel mag worden afgegeven aan bestuurders die reeds rijbevoegd zijn voor categorie B, een lidstaat overeenkomstig de artikelen 1 en 8, leden 2 en 4, van deze richtlijn mag weigeren de geldigheid van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor de categorieën B en D te erkennen – in het bijzonder wat betreft categorie D – wanneer de houder van dat rijbewijs rijbevoegdheid van categorie B had verkregen vóór een gerechtelijke ontzegging van de rijbevoegdheid door eerstgenoemde lidstaat, en de rijbevoegdheid voor categorie D echter pas na de gerechtelijke ontzegging en eveneens na afloop van de gelijktijdig opgelegde verbodstermijn om een nieuw rijbewijs te verkrijgen.
25 Hieraan dient te worden toegevoegd dat de verwijzende rechter preciseert dat het rijbewijs voor voertuigen van categorie B door de Tsjechische autoriteiten is afgegeven voordat de rijbevoegdheid van Apelt in Duitsland gerechtelijk is ontzegd, maar nadat zijn Duits rijbewijs door de Duitse politie in beslag was genomen, en dat zowel deze laatste maatregel als de maatregel van gerechtelijke ontzegging gerechtvaardigd zijn op grond van redenen die bestonden ten tijde van de afgifte door de Tsjechische autoriteiten van het rijbewijs voor voertuigen van categorie B. Bovendien verwijst de verwijzende rechter naar het feit dat de verblijfplaats van Apelt zich volgens dat laatste rijbewijs in Duitsland bevindt.
26 Volgens artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 91/439 geldt voor de afgifte van het rijbewijs onder meer als voorwaarde dat de aanvrager zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs levert dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in deze lidstaat is ingeschreven.
27 Teneinde aan de verwijzende rechter een bruikbaar antwoord te geven, dient de prejudiciële vraag bijgevolg aldus te worden begrepen dat de vraag in wezen is, of de artikelen 1, lid 2, 5, lid 1, sub a, 7, lid 1, sub b, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 eraan in de weg staan dat een gastlidstaat de erkenning weigert van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor voertuigen van de categorieën B en D, wanneer, ten eerste, de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie B heeft verkregen zonder dat was voldaan aan het vereiste van de gewone verblijfplaats en nadat het door de eerste lidstaat afgegeven rijbewijs in beslag was genomen door de politie van die eerste lidstaat maar voordat de rijbevoegdheid in die eerste lidstaat gerechtelijk werd ontzegd, en, ten tweede, de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie D heeft verkregen nadat de rijbevoegdheid gerechtelijk werd ontzegd en na afloop van de verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs.
28 Volgens vaste rechtspraak voorziet artikel 1, lid 2, van richtlijn 91/439 in de onderlinge erkenning zonder enige formaliteit van de door de lidstaten afgegeven rijbewijzen. Deze bepaling legt de lidstaten een duidelijke en nauwkeurige verplichting op, die hun geen enkele beoordelingsmarge laat ter zake van de tot nakoming daarvan te nemen maatregelen (arrest van 19 mei 2011, Grasser, C‑184/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Het staat aan de lidstaat van afgifte, na te gaan of is voldaan aan de door het recht van de Unie gestelde minimumvoorwaarden, vooral aan de in artikel 7, lid 1, van voormelde richtlijn geformuleerde voorwaarden inzake verblijfplaats en rijgeschiktheid, en dus of de afgifte van een rijbewijs gerechtvaardigd is (arrest Grasser, reeds aangehaald, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 Wanneer de autoriteiten van een lidstaat overeenkomstig artikel 1, lid 1, van richtlijn 91/439 een rijbewijs hebben afgegeven, mogen de andere lidstaten niet nagaan of aan de in deze richtlijn gestelde afgiftevoorwaarden is voldaan. Het bezit van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs moet immers worden beschouwd als het bewijs dat de houder van dit rijbewijs op de dag van de afgifte ervan voldeed aan deze voorwaarden (arrest Grasser, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 Uit het arrest van 20 november 2008, Weber (C‑1/07, Jurispr. blz. I‑8571) volgt evenwel dat de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 een lidstaat niet beletten, op zijn grondgebied de erkenning te weigeren van de rijbevoegdheid krachtens een rijbewijs dat in een andere lidstaat is afgegeven aan een persoon aan wie op het grondgebied van eerstgenoemde lidstaat de rijbevoegdheid is ontzegd, ook al is deze ontzegging na de datum van de afgifte van dit rijbewijs uitgesproken, wanneer dit laatste rijbewijs is verkregen in het tijdvak waarin een maatregel tot schorsing van het in de eerstgenoemde lidstaat afgegeven rijbewijs gold en zowel deze schorsing als de ontzegging van de rijbevoegdheid worden gerechtvaardigd door gronden die op de datum van de afgifte van het tweede rijbewijs bestonden.
32 In het hoofdgeding is de rijbevoegdheid gerechtelijk ontzegd nadat aan Apelt door de Tsjechische autoriteiten een rijbewijs voor voertuigen van categorie B was afgegeven. Dit rijbewijs is echter afgegeven terwijl het in Duitsland aan Apelt afgegeven rijbewijs door de Duitse politie in beslag was genomen.
33 Zoals de verwijzende rechter heeft opgemerkt, kan die inbeslagneming worden beschouwd als een schorsingsmaatregel als bedoeld in artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439. Die richtlijn staat er dus niet aan in de weg dat de Duitse autoriteiten het door de Tsjechische autoriteiten aan Apelt afgegeven rijbewijs voor voertuigen van categorie B weigeren op hun grondgebied te erkennen, aangezien zowel de inbeslagneming door de Duitse politie als de gerechtelijke ontzegging maatregelen zijn die worden gerechtvaardigd door gronden die op de datum van de afgifte van dit rijbewijs bestonden.
34 Hoe dan ook blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de op het rijbewijs vermelde verblijfplaats zich in Duitsland bevindt. De niet-naleving van het vereiste van de gewone verblijfplaats in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van richtlijn 91/439 kan op zichzelf reeds rechtvaardigen dat een lidstaat weigert het door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te erkennen.
35 Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat de artikelen 1, lid 2, 7, lid 1, sub b, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 er niet aan in de weg staan dat een gastlidstaat weigert het door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs op zijn grondgebied te erkennen wanneer op grond van de vermeldingen op dit rijbewijs vaststaat dat de in artikel 7, lid 1, sub b, van deze richtlijn gestelde voorwaarde inzake de gewone verblijfplaats niet in acht is genomen (arrest Grasser, punt 33).
36 De Duitse autoriteiten waren dus gerechtigd de erkenning te weigeren van een rijbewijs zoals het rijbewijs voor voertuigen van categorie B dat door de Tsjechische autoriteiten aan Apelt is afgegeven.
37 Wat de vraag betreft, of een lidstaat de erkenning mag weigeren van een rijbewijs zoals het door de Tsjechische autoriteiten aan Apelt afgegeven rijbewijs voor voertuigen van categorie D, dient te worden opgemerkt dat uit artikel 5, lid 1, sub a, van richtlijn 91/439 volgt dat een rijbewijs voor voertuigen van categorie D slechts kan worden afgegeven aan bestuurders die reeds bevoegd zijn voor categorie B.
38 De Commissie betoogt dat, gelet op het feit dat de voorwaarden voor het verkrijgen van een rijbewijs voor voertuigen van categorie D strenger zijn dan de voorwaarden voor het verkrijgen van het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, en dat Apelt een rijbewijs voor voertuigen van categorie D verkreeg na afloop van de periode waarin het hem verboden was een nieuw rijbewijs aan te vragen, de op bedoeld rijbewijs voor voertuigen van categorie D vermelde datum van verkrijging van het rijbewijs voor voertuigen van categorie B, de in richtlijn 91/439 vastgestelde verplichting tot onderlinge erkenning van het rijbewijs onverlet laat.
39 Met dit betoog kan niet worden ingestemd.
40 In overeenstemming met artikel 3, lid 1, van richtlijn 91/439 mogen met een volgens artikel 1 van deze richtlijn verstrekt rijbewijs immers voertuigen van verschillende categorieën worden bestuurd. Binnen die categorieën kan een specifiek rijbewijs worden afgegeven voor het besturen van voertuigen van verschillende subcategorieën, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 2, van die richtlijn.
41 Dienovereenkomstig mogen met een rijbewijs van categorie B motorvoertuigen met een maximaal toegestane massa van ten hoogste 3 500 kg en met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, worden bestuurd. Met een rijbewijs van categorie D mogen daarentegen motorvoertuigen bestemd voor personenvervoer met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, worden bestuurd.
42 Zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft opgemerkt, maakt die verdeling in categorieën en subcategorieën het mogelijk voor elk van deze categorieën en subcategorieën te voorzien in specifieke minimumvoorwaarden voor de afgifte van een rijbewijs.
43 Meer bepaald voorziet richtlijn 91/439 in de bijlagen II en III daarbij in een reeks minimumvoorwaarden die alle categorieën rijbewijzen gemeen hebben. Een rijbewijs kan slechts worden afgegeven wanneer is voldaan aan die gemeenschappelijke minimumvoorwaarden. Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, gaat het bijvoorbeeld om het beheersen van het voertuig teneinde geen gevaarlijke situaties te doen ontstaan en het naar behoren op dergelijke situaties reageren, of om het kennen van de veiligheidsafstanden tussen voertuigen, de remweg en de wegligging van het betrokken voertuig.
44 Naast deze minimumvoorwaarden bestaan er specifieke proeven voor elke categorie, waaronder categorie D.
45 In dat verband zij opgemerkt dat uit deel I, A, punt 1, tweede alinea, van bijlage II bij richtlijn 91/439 volgt dat de houder van een rijbewijs die kandidaat is voor een rijbewijs van een andere categorie kan vrijgesteld worden van het theoretische examen inzake met name de verkeerswetgeving.
46 Zowel uit de bewoordingen als uit de structuur van richtlijn 91/439 volgt dus dat het beschikken over een rijbewijs voor voertuigen van categorie B een noodzakelijke en voorafgaande voorwaarde is voor het verkrijgen van een rijbewijs voor voertuigen van categorie D.
47 Het zou derhalve indruisen tegen de in de eerste en de vierde overweging van de considerans van richtlijn 91/439 vermelde doelstelling van de veiligheid van het wegverkeer wanneer het een gastlidstaat niet zou zijn toegestaan de erkenning te weigeren van een rijbewijs voor voertuigen van categorie D dat is afgegeven op basis van een rijbewijs voor voertuigen van categorie B dat lijdt onder een onregelmatigheid die de niet-erkenning van laatstbedoeld rijbewijs rechtvaardigt.
48 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat wanneer een lidstaat op basis van richtlijn 91/439 kan weigeren de geldigheid te erkennen van een door de autoriteiten van een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor voertuigen van categorie B, het tevens gerechtigd is niet over te gaan tot erkenning van de geldigheid van het rijbewijs voor voertuigen van categorie D dat is afgegeven op basis van voormeld rijbewijs voor voertuigen van categorie B.
49 Aangezien het door de Tsjechische autoriteiten aan Apelt afgegeven rijbewijs voor voertuigen van categorie B onder onregelmatigheden lijdt die de niet-erkenning ervan rechtvaardigen, staan de artikelen 1, lid 2, 5, lid 1, sub a, 7, lid 1, sub b, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 er niet aan in de weg dat de Duitse autoriteiten tevens de erkenning weigeren van het rijbewijs voor voertuigen van categorie D dat door de Tsjechische autoriteiten aan Apelt is afgegeven op basis van zijn rijbewijs van categorie B.
50 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de artikelen 1, lid 2, 5, lid 1, sub a, 7, lid 1, sub b, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 er niet aan in de weg staan dat een gastlidstaat de erkenning weigert van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor voertuigen van de categorieën B en D, wanneer, ten eerste, de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie B heeft verkregen zonder dat was voldaan aan het vereiste van de gewone verblijfplaats en nadat het door de eerste lidstaat afgegeven rijbewijs in beslag was genomen door de politie van die eerste lidstaat maar voordat de rijbevoegdheid in die eerste lidstaat gerechtelijk werd ontzegd, en, ten tweede, de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie D heeft verkregen nadat de rijbevoegdheid gerechtelijk werd ontzegd en na afloop van de verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs.
Tweede vraag
51 Aangezien de feiten van het hoofdgeding hebben plaatsgevonden in 2006 en 2007 en dus voordat artikel 11, lid 4, van richtlijn 2006/126 van toepassing was, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
52 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 1, lid 2, 5, lid 1, sub a, 7, lid 1, sub b, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/56/EG van de Commissie van 14 september 2000, staan er niet aan in de weg dat een gastlidstaat de erkenning weigert van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs voor voertuigen van de categorieën B en D, wanneer, ten eerste, de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie B heeft verkregen zonder dat was voldaan aan het vereiste van de gewone verblijfplaats en nadat het door de eerste lidstaat afgegeven rijbewijs in beslag was genomen door de politie van die eerste lidstaat maar voordat de rijbevoegdheid in die eerste lidstaat gerechtelijk werd ontzegd, en, ten tweede, de houder van dat rijbewijs de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie D heeft verkregen nadat de rijbevoegdheid gerechtelijk werd ontzegd en na afloop van de verbodstermijn voor de afgifte van een nieuw rijbewijs.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy