ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
16 december 2010 (*)
„Niet-nakoming – Richtlijn 2007/44/EG – Prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in financiële sector – Procedureregels en evaluatiecriteria”
In zaak C‑233/10,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 11 mei 2010,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Nijenhuis en H. te Winkel als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door C. Wissels als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: D. Šváby, kamerpresident, G. Arestis en J. Malenovský (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2007/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot wijziging van richtlijn 92/49/EEG van de Raad en de richtlijnen 2002/83/EG, 2004/39/EG, 2005/68/EG en 2006/48/EG wat betreft procedureregels en evaluatiecriteria voor de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in de financiële sector (PB L 247, blz. 1; hierna: „richtlijn”), althans door haar deze bepalingen niet mee te delen, de krachtens artikel 7 van die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Overeenkomstig artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 21 maart 2009 aan deze richtlijn te voldoen en moesten zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen.
3 Aangezien zij van het Koninkrijk der Nederlanden geen informatie had ontvangen over de bepalingen die waren vastgesteld om aan de richtlijn te voldoen, heeft de Commissie op 29 mei 2009 de niet-nakomingsprocedure ingeleid en deze lidstaat een aanmaningsbrief gestuurd met het verzoek om binnen twee maanden zijn opmerkingen te maken.
4 Op 20 juli 2009 heeft het Koninkrijk der Nederlanden op die brief geantwoord dat met de implementatie van de richtlijn, door middel van een wijziging van de Nederlandse wet in kwestie, een aanvang was gemaakt, doch dat in de procedure vertraging was ontstaan, zodat het wetsvoorstel naar verwachting in de zomer van 2010 in werking zou kunnen treden.
5 Op 20 november 2009 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij de bewoordingen van haar aanmaningsbrief herhaalde en het Koninkrijk der Nederlanden verzocht de nodige maatregelen te nemen om dit advies binnen twee maanden na ontvangst ervan op te volgen.
6 Bij schrijven van 29 januari 2010 heeft het Koninkrijk der Nederlanden de Commissie meegedeeld dat het wetsvoorstel tot omzetting van de richtlijn in nationaal recht met vertraging aan het Nederlandse Parlement was toegezonden en dat het naar verwachting voor het einde van 2010 in werking zal kunnen treden. Voorts waren de moeilijkheden om de omzetting in werking te doen treden onder meer te wijten aan het feit dat het plan waarmee de regering wil voldoen aan de bepalingen van de richtlijn, namelijk het terugtreden van de overheid bij de beoordeling van de deelnemingen of overnames bij de vijf grootste banken of verzekeraars, politiek omstreden was.
7 Aangezien zij van het Koninkrijk der Nederlanden geen nadere inlichtingen had ontvangen en dus niet in staat was te concluderen dat de voor de omzetting van de richtlijn noodzakelijke maatregelen definitief door die lidstaat waren vastgesteld, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
8 In zijn verweerschrift erkent het Koninkrijk der Nederlanden dat het niet tijdig heeft voldaan aan de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen. Het geeft aan dat het wetsvoorstel inzake het financieel toezicht ter implementatie van deze richtlijn in behandeling is bij het Nederlandse Parlement en naar verwachting in het eerste kwartaal van 2011 in werking zal kunnen treden.
9 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn (zie onder meer arresten van 27 oktober 2005, Commissie/Italië, C‑525/03, Jurispr. blz. I‑9405, punt 14, en 6 oktober 2009, Commissie/Spanje, C‑562/07, Jurispr. blz. I‑9553, punt 23).
10 In casu staat evenwel vast dat er bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn geen maatregelen waren vastgesteld ter omzetting van de richtlijn in Nederlands recht.
11 Voorts is het tevens vaste rechtspraak van het Hof dat een lidstaat zich niet op bepalingen, praktijken of situaties van zijn interne rechtsorde kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen (zie arrest van 10 januari 2008, Commissie/Portugal, C‑70/06, Jurispr. blz. I‑1, punt 22).
12 Het beroep van de Commissie moet dan ook gegrond worden geacht.
13 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de richtlijn, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
14 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten te worden verwezen.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2007/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot wijziging van richtlijn 92/49/EEG van de Raad en de richtlijnen 2002/83/EG, 2004/39/EG, 2005/68/EG en 2006/48/EG wat betreft procedureregels en evaluatiecriteria voor de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in de financiële sector, is het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy