Gevoegde zaken C‑256/10 en C‑261/10
David Barcenilla Fernández
en
Pedro Antonio Macedo Lozano
tegen
Gerardo García SL
(verzoeken van het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León om een prejudiciële beslissing)
„Richtlijn 2003/10/EG – Blootstellingswaarden – Lawaai – Gehoorbescherming – Nuttige werking”
Samenvatting van het arrest
1. Sociale politiek – Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers –Richtlijn 2003/10 betreffende minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot blootstelling van werknemers aan risico’s van fysische agentia (lawaai)
(Richtlijn 2003/10 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3 en 5‑7)
2. Sociale politiek – Bescherming van veiligheid en gezondheid van werknemers –Richtlijn 2003/10 betreffende minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot blootstelling van werknemers aan risico’s van fysische agentia (lawaai)
(Richtlijn 2003/10 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5)
1. Richtlijn 2003/10 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van fysische agentia (lawaai), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/30, moet aldus worden uitgelegd dat een werkgever in een onderneming waarin de werknemers dagelijks aan lawaai boven 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld, niet voldoet aan de verplichtingen van deze richtlijn door het enkele feit dat hij de werknemers dergelijke gehoorbeschermers ter beschikking stelt door middel waarvan de dagelijkse blootstelling aan lawaai tot onder 80 dB(A) kan worden teruggebracht, aangezien deze werkgever een programma van technische of organisatorische maatregelen moet uitvoeren om deze blootstelling aan lawaai tot onder 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – terug te brengen.
(cf. punt 34, dictum 1)
2. Richtlijn 2003/10 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van fysische agentia (lawaai), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/30, moet aldus worden uitgelegd dat zij niet vereist dat een werkgever een salaristoeslag betaalt aan werknemers die aan lawaai boven 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld, om de enkele reden dat hij geen programma van technische of organisatorische maatregelen heeft uitgevoerd om de dagelijkse blootstelling aan lawaai te beperken. Het nationale recht moet echter voorzien in passende instrumenten die ervoor zorgen dat een werknemer die aan lawaai boven 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met individuele gehoorbeschermers – wordt blootgesteld, de nakoming door de werkgever van de preventieve verplichtingen van artikel 5, lid 2, van die richtlijn kan doen gelden.
(cf. punt 43, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
19 mei 2011 (*)
„Richtlijn 2003/10/EG – Blootstellingswaarden – Lawaai – Gehoorbescherming – Nuttige werking”
In de gevoegde zaken C‑256/10 en C‑261/10,
betreffende twee verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León (Spanje) bij beslissingen van 21 april 2010, ingekomen bij het Hof op 25 mei 2010, in de procedures
David Barcenilla Fernández (C‑256/10),
Pedro Antonio Macedo Lozano (C‑261/10)
tegen
Gerardo García SL,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: D. Šváby, kamerpresident, E. Juhász en T. von Danwitz (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: Y. Bot,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door B. Plaza Cruz als gemachtigde,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne en M. Jacobs als gemachtigden,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door M. Russo als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Rozet en G. Valero Jordana als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 3 en 5 tot en met 7 van richtlijn 2003/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 februari 2003 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van fysische agentia (lawaai) (zeventiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) (PB L 42, blz. 38), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 (PB L 165, blz. 21; hierna: „richtlijn 2003/10”).
2 Die verzoeken zijn ingediend in het kader van twee gedingen tussen Barcenilla Fernández (C‑256/10) en Macedo Lozano (C‑261/10) enerzijds en Gerardo García SL (hierna: „Gerardo”) anderzijds over de krachtens een bepaling van nationaal recht op deze onderneming rustende verplichting om een salaristoeslag te betalen indien de omstandigheden van de werkplek bijzonder zwaar zijn.
Rechtskader
Unierecht
3 Punt 10 van de considerans van richtlijn 2003/10 luidt:
„De blootstelling aan lawaai kan doeltreffender worden verminderd door reeds bij het ontwerpen van werkplekken en arbeidsplaatsen voor preventie te zorgen en arbeidsmiddelen, -procedés en -methoden zodanig te kiezen dat risico’s bij voorrang aan de bron worden bestreden. Maatregelen met betrekking tot arbeidsmiddelen en -methoden leveren derhalve een bijdrage aan de bescherming van de daarvan gebruikmakende werknemers. Overeenkomstig de algemene preventiebeginselen in artikel 6, lid 2, van richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de gezondheid en veiligheid van de werknemers op het werk [PB L 183, blz. 1], hebben maatregelen voor collectieve bescherming voorrang boven individuele beschermingsmethoden.”
4 In punt 12 van de considerans van richtlijn 2003/10 staat:
„[...] De beoordeelde of objectief gemeten waarden moeten beslissend zijn voor het op gang brengen van de maatregelen die zijn vastgesteld op lager en hoger actieniveau. Grenswaarden voor blootstelling zijn noodzakelijk om te voorkomen dat werknemers onherstelbare beschadiging van het gehoor oplopen; het lawaai dat het oor bereikt moet onder de grenswaarden voor blootstelling blijven.”
5 Artikel 3 („Grenswaarden en actiewaarden voor blootstelling”) van die richtlijn bepaalt:
„1. Voor de toepassing van deze richtlijn worden de grenswaarden en actiewaarden voor de dagelijkse niveaus van blootstelling aan lawaai en voor de piekgeluidsdruk vastgesteld op:
a) grenswaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX,8h = 87 dB(A) en ρpiek = 200 Pa [...];
b) bovenste actiewaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX,8h = 85 dB(A) en ρpiek = 140 Pa [...];
c) onderste actiewaarden voor blootstelling: respectievelijk LEX,8h = 80 dB(A) en ρpiek = 112 Pa [...].
2. Bij de toepassing van de grenswaarden voor blootstelling wordt ter bepaling van de daadwerkelijke blootstelling van de werknemer rekening gehouden met de dempende werking van door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers. Bij de toepassing van de actiewaarden voor blootstelling wordt geen rekening gehouden met het effect van gehoorbeschermers.
[...]”
6 In artikel 5 („Maatregelen ter voorkoming of vermindering van de blootstelling”) van die richtlijn is bepaald:
„1. De risico’s van blootstelling aan lawaai worden weggenomen aan de bron of tot een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen om het risico aan de bron te beheersen.
De beperking van deze risico’s geschiedt met inachtneming van de in artikel 6, lid 2, van richtlijn 89/391/EEG vermelde algemene preventieprincipes, waarbij vooral rekening wordt gehouden met:
a) alternatieve werkmethoden die leiden tot minder blootstelling aan lawaai;
b) de keuze van de juiste arbeidsmiddelen, rekening houdend met het te verrichten werk, die zo weinig mogelijk lawaai maken, met inbegrip van de mogelijkheid om de werknemers te laten beschikken over arbeidsmiddelen die voldoen aan communautaire bepalingen en die een beperking van de blootstelling aan lawaai tot doel of als gevolg hebben;
c) het ontwerp en de indeling van de werkplek en de arbeidsplaats;
d) een adequate voorlichting en opleiding om de werknemers te leren hoe arbeidsmiddelen juist te gebruiken teneinde de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken;
e) technische maatregelen ter beperking van lawaai:
i) beperking van het luchtgeluid, bijvoorbeeld door afscherming, omkasting of afdekking met geluidsabsorberend materiaal;
ii) beperking van het constructiegeluid, bijvoorbeeld door demping of isolatie;
f) passende onderhoudsprogramma’s voor de arbeidsmiddelen, de werkplek en de systemen op de werkplek;
g) de organisatie van de werkzaamheden, met het oog op een beperking van het lawaai:
i) beperking van de duur en intensiteit van de blootstelling;
ii) passende werkschema’s met voldoende rustpauzes.
2. Wanneer de bovenste actiewaarden voor blootstelling worden overschreden, gaat de werkgever op basis van de in artikel 4 bedoelde risicobeoordeling over tot de opstelling en uitvoering van een programma van technische en/of organisatorische maatregelen om de blootstelling aan lawaai tot een minimum te beperken, met inachtneming van met name de in lid 1 genoemde maatregelen.
[...]”
7 Artikel 6 („Persoonlijke bescherming”) van richtlijn 2003/10 luidt:
„1. Indien de risico’s die voortvloeien uit blootstelling aan lawaai niet op andere wijze kunnen worden voorkomen, worden passende, naar behoren aangemeten individuele gehoorbeschermers beschikbaar gesteld aan de werknemers, die daarvan op grond van de bepalingen van richtlijn 89/656/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor het gebruik op het werk van persoonlijke beschermingsmiddelen door de werknemers (derde bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG) [PB L 393, blz. 18] en artikel 13, lid 2, van richtlijn 89/391/EEG en in de hieronder omschreven omstandigheden gebruikmaken:
a) Wanneer de blootstelling aan lawaai de onderste actiewaarden voor blootstelling overschrijdt, stelt de werkgever individuele gehoorbeschermers ter beschikking van de werknemers.
b) Wanneer de blootstelling aan lawaai de bovenste actiewaarden voor blootstelling evenaart of overschrijdt, worden individuele gehoorbeschermers gebruikt.
[...]”
8 Artikel 7 („Beperking van de blootstelling”) van richtlijn 2003/10 luidt:
„1. In geen geval mag de blootstelling van de werknemer zoals bepaald volgens artikel 3, lid 2, de grenswaarden overschrijden.
2. Indien, ondanks de maatregelen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn getroffen, toch blootstellingen worden geconstateerd die de desbetreffende grenswaarden overschrijden, worden door de werkgever:
a) onmiddellijk maatregelen genomen om de blootstelling terug te brengen tot een niveau beneden de grenswaarden voor blootstelling,
b) de redenen van de overmatige blootstelling vastgesteld en
c) de beschermings- en preventiemaatregelen aangepast om te voorkomen dat zulks opnieuw gebeurt.”
Nationaal recht
9 Richtlijn 2003/10 is uitgevoerd bij Real Decreto 286/2006 sobre la protección de la salud y la seguridad de los trabajadores contra los riesgos relacionados con la exposición al ruido (koninklijk decreet 286/2006 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan lawaai) van 10 maart 2006 (BOE nr. 60 van 11 maart 2006, blz. 9842).
10 Artikel 5, lid 1, van real decreto 286/2006 maakt een onderscheid tussen actiewaarden en grenswaarden voor blootstelling die in geen geval mogen worden overschreden. De grenswaarde die volgens artikel 8 van dit decreto niet mag worden overschreden, is een dagelijks gemiddelde van 87 dB(A).
11 Volgens artikel 5, lid 2, van real decreto 286/2006 „[wordt b]ij de toepassing van de grenswaarden voor blootstelling ter bepaling van de daadwerkelijke blootstelling van de werknemer aan lawaai rekening gehouden met de dempende werking van door de werknemer gedragen individuele gehoorbeschermers”.
12 De collectieve overeenkomst voor de sector bouw en openbare werken van de provincie Palencia voor het tijdvak 2007‑2011 (hierna: „collectieve overeenkomst”) bepaalt in artikel 27:
„1. Aan personen die in uitzonderlijk zware, giftige of gevaarlijke omstandigheden werken, moet een toeslag van 20 % van het basissalaris worden betaald. Indien zij de helft van de dag of minder werken, bedraagt die toeslag 10 %.
[...]
3. Indien er, ongeacht de reden, niet langer sprake is van uitzonderlijk zware, giftige of gevaarlijke omstandigheden, wordt de betaling van die toeslag stopgezet.
[...]”
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
13 Gerardo, de werkgever van verzoekers in het hoofdgeding, vervaardigt steenmateriaal uit natuursteen. Verzoekers in het hoofdgeding bedienen gewoonlijk een automatische snijmachine.
14 Tijdens hun werkdagen overschrijdt het lawaai op hun arbeidsplaats het dagelijkse gemiddelde van 85 dB(A). Om dit te verhelpen heeft Gerardo hun individuele gehoorbescherming verstrekt. Door de dempende werking van die gehoorbescherming is de dagelijkse blootstelling van verzoekers in het hoofdgeding aan lawaai tot onder de 80 dB(A) teruggebracht.
15 Verzoekers in het hoofdgeding hebben op basis van artikel 27 van de collectieve overeenkomst verzocht om betaling van een salaristoeslag op grond dat de omstandigheden op hun werkplek zwaar zijn omdat zij aan lawaai zijn blootgesteld dat het dagelijkse gemiddelde van 85 dB(A) overschrijdt. De Juzgado de lo Social heeft hun verzoeken afgewezen op grond dat Gerardo voldeed aan real decreto 286/2006, waarbij richtlijn 2003/10 is uitgevoerd. Volgens die rechter dient met de dempende werking van de individuele gehoorbescherming rekening te worden gehouden om te bepalen of de omstandigheden van de werkplek zwaar zijn.
16 Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld.
17 Die rechter merkt op dat de afwijzing door de Juzgado de lo Social van de verzoeken van verzoekers in het hoofdgeding strookt met de recente rechtspraak van het Tribunal Supremo dat de lawaaidempende werking van de individuele gehoorbescherming in aanmerking moet worden genomen om te bepalen of de werknemer op zijn werkplek zware omstandigheden kent. Volgens de verwijzende rechter leidt die rechtspraak, waarbij het begrip „zwaar” tegen de achtergrond van richtlijn 2003/10 en het nationale recht tot uitvoering van deze richtlijn wordt uitgelegd, uit deze richtlijn en dit nationaal recht af dat zij tot doel hebben de werknemer tegen de gezondheidsrisico’s van daadwerkelijke blootstelling aan lawaai te beschermen. Er is dan ook geen sprake van zware omstandigheden wanneer het lawaai dat het oor bereikt, door middel van individuele gehoorbeschermers tot onder de 80 dB(A) kan worden teruggebracht.
18 De verwijzende rechter heeft twijfel over de verenigbaarheid van die rechtspraak van het Tribunal Supremo met richtlijn 2003/10. Weliswaar betreffen de hoofdgedingen de betaling van een salaristoeslag die als dusdanig niet door die richtlijn wordt beheerst, maar de uitlegging van die richtlijn vormt volgens hem een noodzakelijke voorafgaande voorwaarde om te bepalen of verzoekers in het hoofdgeding recht op die toeslag hebben.
19 De verwijzende rechter merkt op dat de in artikel 27 van de collectieve overeenkomst neergelegde verplichting om een salaristoeslag te betalen wanneer de arbeidsomstandigheden zwaar zijn, immers afhangt van de nakoming door de werkgever van de verplichtingen van richtlijn 2003/10 en van real decreto 286/2006. Er zou worden afgedaan aan de nuttige werking van die richtlijn wanneer een werkgever aan de verplichting om die salaristoeslag te betalen kan ontsnappen door het enkele feit dat hij zijn werknemers gehoorbescherming ter beschikking heeft gesteld, ook al heeft hij niet voldaan aan de eisen van die richtlijn betreffende de preventieve verplichtingen van die richtlijn.
20 Daarop heeft het Tribunal Superior de Justicia de Castilla y León de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende, in beide bij hem aanhangige zaken op dezelfde wijze geformuleerde, prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moeten de artikelen 3, 5, lid 2, 6 en 7 van richtlijn 2003/10 [...] aldus worden uitgelegd dat een onderneming waarin de werknemers dagelijks worden blootgesteld aan lawaai boven de 85 dB(A) (gemeten zonder rekening te houden met het effect van gehoorbeschermers), de door deze richtlijn opgelegde verplichtingen tot het vaststellen van preventiemaatregelen op het gebied van materiële arbeidsomstandigheden nakomt door deze werknemers gehoorbeschermers te verstrekken die dermate demping bieden dat het lawaai waaraan zij dagelijks worden blootgesteld, tot onder de 80 dB(A) wordt teruggebracht?
2) Moet artikel 5, lid 2, van richtlijn 2003/10 [...] aldus worden uitgelegd dat het programma van technische en/of organisatorische maatregelen dat moet worden vastgesteld door een onderneming waarin de werknemers dagelijks worden blootgesteld aan lawaai boven de 85 dB(A) (gemeten zonder rekening te houden met het effect van gehoorbeschermers), tot doel heeft de blootstelling aan lawaai tot onder de 85 dB(A) terug te brengen?
3) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet richtlijn 2003/10 [...] dan aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regel of rechtspraktijk volgens welke de onderneming de financiële vergoeding niet hoeft te betalen die in beginsel moet worden betaald aan werknemers die dagelijks worden blootgesteld aan lawaai boven de 85 dB(A), omdat zij deze werknemers gehoorbeschermers verstrekt waarvan de dempende werking ervoor zorgt dat de dagelijkse blootstelling onder de 80 dB(A) blijft?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste en tweede vraag
21 Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2003/10 aldus moet worden uitgelegd dat een werkgever in een onderneming waarin de werknemers dagelijks aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld, voldoet aan de verplichtingen van deze richtlijn door het enkele feit dat hij de werknemers dergelijke gehoorbeschermers ter beschikking stelt door middel waarvan de dagelijkse blootstelling aan lawaai tot onder de 80 dB(A) kan worden teruggebracht, en of artikel 5, lid 2, van die richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het de dagelijkse blootstelling aan lawaai tot onder de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – beoogt terug te brengen.
22 Om die vragen te beantwoorden dient het door richtlijn 2003/10 ingevoerde regelgevingskader in herinnering te worden gebracht.
23 Om te beginnen bepaalt artikel 5, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn dat de risico’s van blootstelling aan lawaai worden weggenomen aan de bron of tot een minimum beperkt, waarbij rekening wordt gehouden met de technische vooruitgang en de beschikbaarheid van maatregelen om het risico aan de bron te beheersen.
24 Daartoe is in artikel 5, lid 1, tweede alinea, bepaald dat de beperking van die risico’s gebeurt met inachtneming van de algemene preventiebeginselen. Die bepaling specificeert ook maatregelen die deze doelstelling kunnen bevorderen.
25 Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van richtlijn 2003/10 wordt door de werkgever een programma van maatregelen om de blootstelling aan lawaai te beperken opgesteld en uitgevoerd wanneer de bovenste actiewaarden voor blootstelling worden overschreden. In dit verband volgt uit artikel 3, leden 1, sub b, en 2, tweede zin, van die richtlijn dat die blootstellingswaarde is vastgesteld op 85 dB(A) en moet worden gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers.
26 Vervolgens worden overeenkomstig artikel 6 van die richtlijn individuele gehoorbeschermers ter beschikking gesteld van de werknemers wanneer de blootstelling aan lawaai de actiewaarden overschrijdt, „[i]ndien de risico’s die voortvloeien uit blootstelling aan lawaai niet op andere wijze kunnen worden voorkomen”.
27 Tot slot bepaalt artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/10 dat de blootstelling van de werknemer in geen geval de grenswaarden mag overschrijden, dat wil zeggen volgens artikel 3, leden 1, sub a, en 2, eerste zin, van deze richtlijn een niveau van 87 dB(A), bij de meting waarvan rekening wordt gehouden met het effect van individuele gehoorbeschermers.
28 Richtlijn 2003/10 bevat dan ook een hiërarchie tussen de op de werkgever rustende verplichtingen.
29 In de eerste plaats moet de werkgever krachtens artikel 5, lid 2, van die richtlijn een programma uitvoeren om de blootstelling aan lawaai te beperken wanneer de werknemers aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld.
30 Artikel 6 van richtlijn 2003/10 voorziet slechts voor zover die blootstelling aan lawaai niet door middel van dat programma kan worden beperkt, in de tweede plaats in de aanvullende verplichting om de werknemers individuele gehoorbeschermers ter beschikking te stellen.
31 In de derde en laatste plaats bepaalt artikel 7 van die richtlijn specifieke verplichtingen voor het geval waarin het gebruik van individuele gehoorbeschermers niet kan voorkomen dat de grenswaarden voor blootstelling worden overschreden.
32 Uit de duidelijke bewoordingen en de opzet van die bepalingen volgt dus dat de werkgever niet aan de krachtens artikel 5, lid 2, van richtlijn 2003/10 op hem rustende verplichtingen voldoet door het enkele feit dat hij de werknemers individuele gehoorbeschermers ter beschikking stelt, maar dat hij een programma om de blootstelling aan lawaai te beperken moet uitvoeren wanneer de werknemers aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld.
33 Die lezing van richtlijn 2003/10 wordt bevestigd door punt 10 van de considerans van deze richtlijn, volgens hetwelk deze richtlijn berust op de notie preventie, zodat risico’s bij voorrang aan de bron worden bestreden en maatregelen voor collectieve bescherming voorrang hebben op individuele beschermingsmethoden.
34 Gelet op het voorgaande dient op de eerste twee vragen te worden geantwoord dat richtlijn 2003/10 aldus moet worden uitgelegd dat een werkgever in een onderneming waarin de werknemers dagelijks aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld, niet voldoet aan de verplichtingen van deze richtlijn door het enkele feit dat hij de werknemers dergelijke gehoorbeschermers ter beschikking stelt door middel waarvan de dagelijkse blootstelling aan lawaai tot onder de 80 dB(A) kan worden teruggebracht, aangezien deze werkgever een programma van technische of organisatorische maatregelen moet uitvoeren om deze blootstelling aan lawaai tot onder de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – terug te brengen.
Derde vraag
35 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of richtlijn 2003/10 aldus moet worden uitgelegd dat zij vereist dat een werkgever die geen programma van technische of organisatorische maatregelen heeft uitgevoerd om de dagelijkse blootstelling aan lawaai te beperken, een salaristoeslag betaalt aan werknemers die aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld, ook al heeft hij die werknemers dergelijke gehoorbeschermers ter beschikking gesteld door middel waarvan de dagelijkse blootstelling aan lawaai tot onder de 80 dB(A) wordt teruggebracht.
36 In verband met die vraag dient in herinnering te worden gebracht dat de collectieve overeenkomst bepaalt dat een salaristoeslag wordt betaald aan personen die in uitzonderlijk zware omstandigheden werken, hetgeen het gevolg kan zijn van de blootstelling aan lawaai.
37 Daartoe merkt de verwijzende rechter op dat volgens de recente rechtspraak van het Tribunal Supremo geen sprake is van dergelijke zware omstandigheden wanneer individuele gehoorbeschermers tot gevolg hebben dat het lawaai dat het oor bereikt, tot onder de 80 dB(A) wordt teruggebracht. Volgens de verwijzende rechter is die rechtspraak gebaseerd op een uitlegging van richtlijn 2003/10 volgens welke de doelstelling van deze richtlijn erin bestaat de werknemer tegen de gezondheidsrisico’s van daadwerkelijke blootstelling aan lawaai te beschermen. Een dergelijke restrictieve uitlegging zou afdoen aan de nuttige werking van richtlijn 2003/10. Een werkgever zou zo kunnen ontsnappen aan de verplichting om die salaristoeslag te betalen door het enkele feit dat hij zijn werknemers individuele gehoorbeschermers ter beschikking heeft gesteld, ook al heeft hij niet voldaan aan de eisen van die richtlijn betreffende de preventieve verplichtingen van die richtlijn.
38 In dit verband moet worden benadrukt, zoals de Europese Commissie opmerkt, dat richtlijn 2003/10 als zodanig geen betrekking heeft op de betaling van een salaristoeslag wegens de zware omstandigheden op een werkplek ten gevolge van de blootstelling aan lawaai, en evenmin op de vraag of het effect van individuele gehoorbescherming in aanmerking kan of moet worden genomen om de drempelwaarde voor blootstelling aan lawaai te bepalen bij overschrijding waarvan die salaristoeslag moet worden betaald.
39 Richtlijn 2003/10 vereist dan ook niet dat de niet-nakoming door de werkgever van de preventieve verplichtingen van deze richtlijn wordt bestraft met de verplichting om een salaristoeslag te betalen.
40 Ten aanzien van de vragen van de verwijzende rechter dient echter te worden gepreciseerd dat die preventieve verplichtingen die de blootstelling aan lawaai zo veel mogelijk aan de bron beogen te verminderen door de uitvoering van een programma van technische of organisatorische maatregelen, aansluiten bij de doelstelling van richtlijn 2003/10 om de gezondheid van de werknemers te beschermen.
41 Verder zij eraan herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat de vrijheid bij de keuze van de middelen en wegen voor de uitvoering van een richtlijn niet afdoet aan de verplichting van elk van de lidstaten waarvoor zij bestemd is, alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de volle werking van de betrokken richtlijn overeenkomstig het ermee beoogde doel te verzekeren (arrest van 15 april 2008, Impact, C‑268/06, Jurispr. blz. I‑2483, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en ervoor te zorgen dat ingeval de betrokken richtlijn rechten voor particulieren in het leven beoogt te roepen, de begunstigden hun rechten zo nodig voor de nationale rechterlijke instanties kunnen doen gelden (arrest van 30 mei 1991, Commissie/Duitsland, C‑361/88, Jurispr. blz. I‑2567, punt 15).
42 Daaruit volgt dat het nationale recht aldus moet worden uitgelegd dat het werknemers in staat stelt de nakoming door hun werkgever van de preventieve verplichtingen van richtlijn 2003/10 die, zoals uit punt 10 van de considerans volgt, juist tot doel heeft bij te dragen tot de bescherming van werknemers, daadwerkelijk te doen gelden.
43 Gelet op het voorgaande dient op de derde vraag te worden geantwoord dat richtlijn 2003/10 aldus moet worden uitgelegd dat zij niet vereist dat een werkgever een salaristoeslag betaalt aan werknemers die aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld, om de enkele reden dat hij geen programma van technische of organisatorische maatregelen heeft uitgevoerd om de dagelijkse blootstelling aan lawaai te beperken. Het nationale recht moet echter in passende instrumenten voorzien die ervoor zorgen dat een werknemer die aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met individuele gehoorbeschermers – wordt blootgesteld, de nakoming door de werkgever van de preventieve verplichtingen van artikel 5, lid 2, van die richtlijn kan doen gelden.
Kosten
44 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
1) Richtlijn 2003/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 februari 2003 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van fysische agentia (lawaai) (zeventiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 89/391/EEG), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007, moet aldus worden uitgelegd dat een werkgever in een onderneming waarin de werknemers dagelijks aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld, niet voldoet aan de verplichtingen van deze richtlijn door het enkele feit dat hij de werknemers dergelijke gehoorbeschermers ter beschikking stelt door middel waarvan de dagelijkse blootstelling aan lawaai tot onder de 80 dB(A) kan worden teruggebracht, aangezien deze werkgever een programma van technische of organisatorische maatregelen moet uitvoeren om deze blootstelling aan lawaai tot onder de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – terug te brengen.
2) Richtlijn 2003/10, zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/30, moet aldus worden uitgelegd dat zij niet vereist dat een werkgever een salaristoeslag betaalt aan werknemers die aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met het effect van individuele gehoorbeschermers – worden blootgesteld, om de enkele reden dat hij geen programma van technische of organisatorische maatregelen heeft uitgevoerd om de dagelijkse blootstelling aan lawaai te beperken. Het nationale recht moet echter in passende instrumenten voorzien die ervoor zorgen dat een werknemer die aan lawaai boven de 85 dB(A) – gemeten zonder rekening te houden met individuele gehoorbeschermers – wordt blootgesteld, de nakoming door de werkgever van de preventieve verplichtingen van artikel 5, lid 2, van die richtlijn kan doen gelden.
ondertekeningen
* Procestaal: Spaans.
Full & Egal Universal Law Academy