Zaak C‑257/10
Försäkringskassan
tegen
Elisabeth Bergström
[verzoek van het Högsta förvaltningsdomstol (voorheen Regeringsrätt) om een prejudiciële beslissing]
„Migrerende werknemers – Sociale zekerheid – Overeenkomst tussen Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Zwitserse Bondstaat, anderzijds, over vrij verkeer van personen – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Staatsburger van lidstaat die beroepsactiviteit in Zwitserland heeft uitgeoefend – Terugkeer naar land van herkomst”
Samenvatting van het arrest
1. Internationale overeenkomsten – Overeenkomst EG-Zwitserland over vrij verkeer van personen – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gezinsbijslag
(Overeenkomst EG-Zwitserland over vrij verkeer van personen, art. 8, sub c; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 72)
2. Internationale overeenkomsten – Overeenkomst EG-Zwitserland over vrij verkeer van personen – Sociale zekerheid van migrerende werknemers – Gezinsbijslag
(Overeenkomst EG-Zwitserland over vrij verkeer van personen, art. 8, sub c; verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 3, lid 1, 23, leden 1 en 2, en 72, bijlage VI, N, punt 1)
1. Artikel 8, sub c, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen en artikel 72 van verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1386/2001, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer de wetgeving van een lidstaat het voordeel van een gezinsbijslag, zoals een ouderschapstoelage, onderwerpt aan de vervulling van tijdvakken van verzekering, van arbeid of van anders dan in loondienst uitgeoefende werkzaamheden, het bevoegde orgaan van die lidstaat voor de toekenning van die gezinsbijslag rekening moet houden met de volledig op het grondgebied van de Zwitserse Bondstaat vervulde tijdvakken.
(cf. punt 45, dictum 1)
2. Artikel 8, sub a, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen en de artikelen 3, lid 1, 23, leden 1 en 2, en 72, van evenals punt 1 van bijlage VI, N, bij verordening nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1386/2001, moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer het bedrag van een gezinsbijslag, zoals een ouderschapstoelage ten belope van het bedrag van de dagvergoeding bij ziekte, moet worden bepaald volgens de regels die gelden voor het ziekengeld, dit bedrag, voor iemand die de voor de verkrijging van dat recht vereiste tijdvakken van beroepsactiviteit volledig op het grondgebied van een andere lidstaat heeft vervuld, moet worden berekend op basis van de inkomsten van een persoon die beschikt over een vergelijkbare beroepservaring en -bekwaamheid en die een vergelijkbare activiteit uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waarin de betrokken bijslag wordt gevraagd.
(cf. punt 53, dictum 2)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
15 december 2011 (*)
„Migrerende werknemers – Sociale zekerheid – Overeenkomst tussen Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en Zwitserse Bondstaat, anderzijds, over vrij verkeer van personen – Verordening (EEG) nr. 1408/71 – Onderdaan van lidstaat die beroepsactiviteit in Zwitserland heeft uitgeoefend – Terugkeer naar land van herkomst”
In zaak C‑257/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Högsta förvaltningsdomstolen (voorheen Regeringsrätten) (Zweden) bij beslissing van 27 april 2010, ingekomen bij het Hof op 25 mei 2010, in de procedure
Försäkringskassan
tegen
Elisabeth Bergström,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, E. Juhász (rapporteur), G. Arestis, T. von Danwitz en D. Šváby, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 4 mei 2011,
gelet op de opmerkingen van:
– E. Bergström, vertegenwoordigd door U. Öberg en I. Otken Eriksson, advokater,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door K. Petkovska en A. Falk als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door E. Jenkinson en L. Seeboruth als gemachtigden, en door R. Palmer, barrister,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en J. Enegren als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 juni 2011,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 3, lid 1, en 72 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 (PB L 187, blz. 1; hierna: „verordening nr. 1408/71”), evenals van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, die op 21 juni 1999 te Luxemburg is ondertekend (PB 2002, L 114, blz. 6; hierna: „overeenkomst”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen E. Bergström, een Zweeds onderdaan, en Försäkringskassan (hierna: „nationaal fonds voor de sociale zekerheid”) over de weigering van laatstgenoemde om bij de berekening van de hoogte van de voor de opvoeding van een kind toegekende ouderschapstoelage rekening te houden met het door verzoekster in Zwitserland vervulde tijdvak in loondienst.
Toepasselijke bepalingen
Wettelijke regeling van de Unie
3 De preambule van de overeenkomst luidt als volgt:
„[De overeenkomstsluitende partijen,]”
Ervan overtuigd zijnde dat het vrije verkeer van personen op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij een belangrijke voorwaarde is voor de harmonieuze ontwikkeling van hun betrekkingen;
Vastbesloten het vrije onderlinge verkeer van personen tot stand te brengen, daarbij uitgaande van de bepalingen die in de Europese Gemeenschap worden toegepast,
[...]”
4 Artikel 1 van de overeenkomst bepaalt:
„Deze overeenkomst beoogt met betrekking tot onderdanen van de lidstaten van de Europese Gemeenschap en van Zwitserland het volgende:
a) het toekennen van het recht op toegang tot het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen en op het verblijf, de toegang tot een economische activiteit in loondienst, de vestiging als zelfstandige, alsmede op voortzetting van het verblijf op dit grondgebied;
[...]
d) het toekennen van dezelfde levensomstandigheden, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden als die welke voor de eigen onderdanen gelden.”
5 Artikel 2 van de genoemde overeenkomst, met het opschrift „Non-discriminatie”, bepaalt dat „onderdanen van een der overeenkomstsluitende partijen die legaal verblijven op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij [...] bij de toepassing van deze overeenkomst en overeenkomstig het bepaalde in de bijlagen I, II en III, geen discriminatie op grond van hun nationaliteit [ondervinden].”
6 Artikel 8 van dezelfde overeenkomst bepaalt:
„De overeenkomstsluitende partijen coördineren overeenkomstig bijlage II hun stelsels voor sociale zekerheid, met name met het oog op:
a) gelijke behandeling;
[...]
c) cumulatie van de perioden die volgens de verschillende nationale wetgevingen bepalend zijn voor het verkrijgen en behouden van het recht op uitkeringen en voor het berekenen van deze uitkeringen;
d) betaling van uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen verblijven;
[...]”
7 Artikel 1 van bijlage II bij de overeenkomst, met het opschrift „Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels” luidt als volgt:
„1. De overeenkomstsluitende partijen komen overeen ten aanzien van de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels onderling de communautaire besluiten toe te passen zoals vermeld in en gewijzigd bij sectie A van deze bijlage, of daarmee gelijkwaardige regels.
2. In de in deze bijlage genoemde besluiten omvat de uitdrukking ‚lidstaat/lidstaten’ niet alleen de staten die vallen onder de desbetreffende communautaire besluiten, maar tevens Zwitserland.”
8 Bijlage II, A, bij de overeenkomst, met het opschrift „Vermelde besluiten”, bepaalt in punt 1:
„371 R 1408 [...]: Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen,
[...]”
9 Artikel 3 van verordening nr. 1408/71, met het opschrift „Gelijkheid van behandeling”, bepaalt in zijn lid 1:
„Personen die op het grondgebied van een der lidstaten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening.”
10 Artikel 13, lid 2, sub f, van de verordening luidt als volgt:
„Op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat wordt onderworpen, [is] de wettelijke regeling van toepassing van de lidstaat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.”
11 Artikel 23 van de verordening, onderdeel van hoofdstuk 1 met het opschrift „Ziekte en moederschap” van titel III houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties, bepaalt:
„1. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen een gemiddelde verdienste dan wel een gemiddelde bijdrage als grondslag wordt genomen, stelt deze gemiddelde verdienste, of gemiddelde bijdrage uitsluitend vast op basis van de verdiensten welke zijn genoten of de bijdragen die zijn toegepast gedurende de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken.
2. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van een in een vast bedrag uitgedrukte verdienste houdt uitsluitend rekening met dit vaste bedrag of, eventueel, met het gemiddelde van deze vaste bedragen voor de krachtens bedoelde wettelijke regeling vervulde tijdvakken.
[...]”
12 Artikel 72 van dezelfde verordening, met als opschrift „Samentelling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid”, in hoofdstuk 7, „Gezinsbijslagen”, onderdeel van titel III, bepaalt:
„Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen van het recht op bijslagen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, houdt daartoe, voor zover nodig, rekening met de op het grondgebied van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, alsof deze tijdvakken waren vervuld krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling.”
13 Artikel 89 van verordening nr. 1408/71 bepaalt:
„In bijlage VI worden de bijzonderheden inzake de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten vermeld.”
14 Punt 1 van bijlage VI, N, met het opschrift „ZWEDEN” van die verordening bepaalt: „Voor de toepassing van artikel 72 van de verordening worden voor de vaststelling van iemands recht op een gezinsbijslag de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat beschouwd als zijnde gebaseerd op dezelfde gemiddelde verdiensten als de Zweedse tijdvakken van verzekering waarbij zij worden samengeteld.” Deze bepaling werd vervolgens ingetrokken bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot wijziging van verordening nr. 1408/71 (PB L 392, blz. 1).
Nationale wettelijke regeling
15 De socialeverzekeringswet (1999:799) [Socialförsäkringslag (1999:799)] bepaalt met name, in hoofdstuk 3 met het opschrift „Socialeverzekeringsbescherming”:
„Artikel 1 – Eenieder die in Zweden woont, heeft recht op de volgende uitkeringen als bepaald bij de [wet (1962:381) inzake de algemene verzekering (Lag om allmän försäkring (1962:381); hierna: ‚wet inzake de algemene verzekering’)]:
1. vergoeding van de kosten van medische zorg, enz., krachtens hoofdstuk 2, voor prestaties die worden vastgesteld door de algemene ziekteverzekeringsorganen;
2. ouderschapstoelage ten belope van het minimum- en het basisbedrag;
3. ziekengeld en uitkering wegens invaliditeit in de vorm van een gegarandeerde uitkering;
[...]
Artikel 4 – Eenieder die in Zweden werkt, heeft recht op de volgende uitkeringen als bepaald bij de [wet inzake de algemene verzekering]:
1. ziekengeld en uitkering wegens zwangerschap;
2. ouderschapstoelage boven het minimumbedrag en tijdelijke ouderschapstoelage;
3. inkomensafhankelijk ziekengeld en inkomensafhankelijke uitkering wegens invaliditeit;
[...]”
16 De wet inzake de algemene verzekering bepaalt met name:
„Hoofdstuk 3 – Ziekengeld
Artikel 2 – De inkomensgrondslag voor ziekengeld is het jaarinkomen in geld dat de verzekerde voor zijn in Zweden verrichte arbeid kan verwachten, hetzij als loontrekkende (loon), hetzij op andere gronden (inkomen uit een andere bezoldigde beroepsactiviteit) [...]. De inkomensgrondslag voor ziekengeld wordt door het ziekteverzekeringsorgaan vastgesteld. [...]”
Indien het ziekteverzekeringsorgaan niet over alle nodige gegevens beschikt wordt de inkomensgrondslag voor ziekengeld berekend op basis van de gegevens die het ziekteverzekeringsorgaan verkrijgt van de verzekerde of van zijn werkgever, of die blijken uit de berekening van de door de verzekerde verschuldigde inkomstenbelasting. Het jaarlijkse vakantiegeld wordt niet in aanmerking genomen voor de inkomensgrondslag voor ziekengeld indien het meer bedraagt dan het bedrag dat als loon zou zijn uitbetaald voor de verrichte arbeid gedurende een overeenkomstige periode.
Hoofdstuk 4 – Ouderschapstoelage
[...]
Artikel 6 – De volledige ouderschapstoelage bedraagt ten minste 60 SEK per dag (minimumbedrag).
Het bedrag van de ouderschapstoelage voor de eerste 180 dagen is gelijk aan het bedrag van het ziekengeld van de ouder, berekend volgens het bepaalde in lid 5, indien de ouder tijdens ten minste 240 opeenvolgende dagen vóór de geboorte of de verwachte geboortedatum recht had op ziekengeld boven het minimumbedrag, of recht had moeten hebben indien het ziekteverzekeringsorgaan met alle omstandigheden bekend was geweest. Het bedrag van de ouderschapstoelage voor de eerste 180 dagen kan evenwel niet lager zijn dan het bedrag van de volledige ouderschapstoelage van 150 SEK per dag (basisbedrag). Voor een ouder die overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 3, artikel 4, van [de socialeverzekeringswet (1999:799)] is gedekt is deze regel toepasselijk op voorwaarde dat de ouder voldoet aan de in de eerste zin vermelde voorwaarden.
Afgezien van de bepalingen van het tweede lid wordt de ouderschapstoelage betaald
– gedurende 210 dagen tot het bedrag dat overeenstemt met het ziekengeld van de ouder berekend overeenkomstig het vijfde lid, maar dat minstens overeenstemt met het basisbedrag, en
– gedurende 90 dagen tot het bedrag dat overeenstemt met het minimumbedrag.
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17 Bergström is een Zweeds onderdaan die vanaf januari 1994 in Zwitserland woonde en daar tot de geboorte van haar dochter op 19 maart 2002 een beroepsactiviteit uitoefende. Zij is vervolgens op 1 september 2002 met haar echtgenoot en dochter teruggekeerd naar Zweden. Haar echtgenoot is in Zweden onmiddellijk begonnen met de uitoefening van een beroepsactiviteit, terwijl Bergström geen beroepsactiviteit heeft aangevat zodat zij voor haar dochter kon zorgen. Zij heeft om een ouderschapstoelage verzocht ten belope van het bedrag van de dagvergoeding bij ziekte (hierna: „OBDZ”), met ingang van 16 maart 2003 op basis van het inkomen uit haar beroepsactiviteit in Zwitserland.
18 Het nationale fonds voor de sociale zekerheid heeft beslist om haar het basisbedrag van de ouderschapstoelage toe te kennen (hierna: „BO”). Volgens het fonds kon zij immers geen aanspraak maken op de OBDZ aangezien zij geen beroepsactiviteit in Zweden had uitgeoefend gedurende de 240 dagen voorafgaand aan haar bevalling, wat haar recht zou hebben gegeven op een hoger bedrag aan ziekengeld dan het basisbedrag.
19 Bergström heeft deze beslissing aangevochten voor Länsrätten i Stockholms län (administratief rechtscollege te Stockholm). Die heeft het beroep echter afgewezen met als argument dat de OBDZ een werkgebonden uitkering was en dat de verzekerde, om daarvoor in aanmerking te komen, zelf in Zweden moest hebben gewerkt in een tijdvak dat voldoende dicht lag bij het tijdvak waarvoor de toelage werd aangevraagd. Het volstond dus niet dat de echtgenoot van de sociaal verzekerde in Zweden een beroepsactiviteit uitoefende.
20 Bergström heeft vervolgens tegen deze beslissing beroep ingesteld bij Kammarrätten i Stockholm (administratief gerechtshof te Stockholm) die, oordelend ten gronde, heeft beslist dat verzoekster wegens haar activiteit in Zwitserland voldeed aan het door de Zweedse wet gestelde vereiste van een beroepsactiviteit van 240 dagen. Bergström kon aanspraak maken op een toelage die hoger was dan de BO, berekend op basis van haar beroepsactiviteit in Zwitserland.
21 Het nationale fonds voor de sociale zekerheid is tegen deze beslissing opgekomen en heeft verzocht om bevestiging van de beslissing van Länsrätten i Stockholms län. Bergström heeft geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek.
22 Voor de verwijzende rechter is onbetwist dat Bergström krachtens artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 onder de werkingsfeer van het Zweedse recht valt, ook al oefent zij in Zweden geen enkele beroepsactiviteit uit. Zij voldoet echter niet aan de door het nationale recht gestelde voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de OBDZ.
23 Aan de voorwaarde dat voorafgaand aan de bevalling gedurende minstens 240 opeenvolgende dagen in Zweden een beroepsactiviteit moet zijn uitgeoefend om aanspraak te kunnen maken op ziekengeld, is niet voldaan. De vraag is of het tijdvak van beroepsactiviteit in Zwitserland als vervulling van die voorwaarde moet worden beschouwd.
24 Bovendien heeft Bergström geen beroepsactiviteit uitgeoefend en geen inkomsten ontvangen op basis waarvan naar nationaal recht het referentie-inkomen voor de toekenning van de dagvergoeding bij ziekte kan worden bepaald. De vraag is of voor de toepassing van deze bepalingen rekening moet worden gehouden met de inkomsten uit haar beroepsactiviteit in Zwitserland.
25 Gelet op deze overwegingen heeft het Högsta förvaltningsdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Kunnen naar het recht van de Unie, in het bijzonder de overeenkomst met Zwitserland inzake vrij verkeer van personen en artikel 72 van verordening nr. 1408/71, de tijdvakken die vereist zijn om in aanmerking te komen voor gezinsbijslag in de vorm van een inkomensafhankelijke compensatie voor de verzorging van kinderen, volledig worden vervuld door arbeid en verzekering in Zwitserland?
2) Moet naar het recht van de Unie, in het bijzonder de overeenkomst met Zwitserland inzake vrij verkeer van personen en de artikelen 3, lid 1, en 72 van verordening nr. 1408/71, in Zwitserland verkregen inkomen worden gelijkgesteld met binnenlands inkomen om het recht op gezinsbijslag in de vorm van een inkomensafhankelijke compensatie voor de verzorging van kinderen vast te stellen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Voorafgaande opmerkingen
26 Het antwoord op de gestelde vragen veronderstelt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie binnen de werkingssfeer van de overeenkomst valt. Bergström is een werkneemster en onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie die, nadat zij op het grondgebied van een andere overeenkomstsluitende partij een beroepsactiviteit heeft uitgeoefend, terugkeert naar haar lidstaat van herkomst waar zij, op basis van deze beroepsactiviteit, de door deze lidstaat ingestelde gezinsbijslag aanvraagt.
27 Wat de werkingssfeer van de overeenkomst betreft moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de tweede zin van de preambule van de overeenkomst bepaalt dat de overeenkomstsluitende partijen „[v]astbesloten [zijn] het vrije onderlinge verkeer van personen tot stand te brengen, daarbij uitgaande van de bepalingen die in de Europese Gemeenschap worden toegepast”.
28 Deze vrijheid wordt belemmerd wanneer een onderdaan van een overeenkomstsluitende partij wordt benadeeld op de enkele grond dat hij zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend.
29 In de tweede plaats moet eraan worden herinnerd dat artikel 8 van de overeenkomst bepaalt dat de overeenkomstsluitende partijen, overeenkomstig bijlage II bij de overeenkomst, hun stelsels voor sociale zekerheid coördineren voor de in dat artikel bepaalde doeleinden. Deze bepaling verwijst noch direct, noch indirect naar enig vereiste met betrekking tot de woon- of verblijfplaats van de personen op wie deze socialezekerheidsbepalingen van toepassing zijn of naar de aanwijzing van de overeenkomstsluitende partij die ze toepast.
30 Onder de door genoemd artikel 8 opgesomde doelstellingen wordt sub a de „gelijke behandeling” vermeld. De expliciete en algemene verwijzing naar dat beginsel toont aan dat het, binnen de werkingssfeer van dat artikel, onafhankelijk van artikel 2 van de overeenkomst moet worden toegepast, dat bepaalt onder welke voorwaarden het discriminatieverbod wordt toegepast op het verblijf van een begunstigde op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij.
31 In de derde plaats voorziet punt 1 van bijlage II, A, van de overeenkomst in de toepassing tussen de overeenkomstsluitende partijen van verordening nr. 1408/71, weliswaar met enkele wijzigingen die echter niet relevant zijn voor de beoordeling van de gestelde vraag. Artikel 1, lid 2, van deze bijlage bepaalt dat de uitdrukking „lidstaat/lidstaten” in de in deze bijlage, A, genoemde besluiten niet alleen de staten betreft die vallen onder de desbetreffende gemeenschapshandelingen, maar tevens Zwitserland.
32 Ten slotte moet eraan worden herinnerd dat verordening nr. 1408/71 niet enkel toepasselijk is op gezinsbijslagen, maar ook op andere categorieën van uitkeringen, waaronder bijvoorbeeld pensioenuitkeringen.
33 Daaruit volgt dat, wanneer na de terugkeer van een werknemer naar zijn land van herkomst de samentellingsregel niet wordt toegepast, de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels tussen de Zwitserse Bondstaat en de lidstaten van de Unie in een niet onaanzienlijk aantal situaties zou worden uitgesloten, onder andere voor de verkrijging van pensioenuitkeringen.
34 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de overeenkomst en verordening nr. 1408/71 van toepassing zijn op de situatie van een werknemer, zoals die welke is beschreven in punt 26 van het onderhavige arrest.
De eerste vraag
35 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of krachtens de overeenkomst en verordening nr. 1408/71, wanneer de wetgeving van een lidstaat de toekenning van een gezinsbijslag zoals aan de orde in het hoofdgeding, onderwerpt aan de vervulling van tijdvakken van verzekering, van arbeid of van anders dan in loondienst uitgeoefende werkzaamheden, het bevoegde orgaan van die lidstaat daarbij rekening moet houden met de volledig op het grondgebied van de Zwitserse Bondstaat vervulde tijdvakken.
36 Uit het bij het Hof ingediende dossier blijkt dat volgens de nationale regelgeving Bergström, om aanspraak te kunnen maken op de toekenning van de OBDZ, moet doen blijken van een beroepsactiviteit gedurende een tijdvak van 240 dagen voorafgaand aan haar bevalling. Bergström heeft dit volledige referentietijdvak van beroepsactiviteiten vervuld op het grondgebied van de Zwitserse Bondstaat.
37 Vaststaat dat de toelage waarom Bergström verzocht een gezinsbijslag in de zin van artikel 1, sub u‑i, van verordening nr. 1408/71 vormt.
38 Voor het antwoord op de gestelde vraag is de uitlegging vereist van artikel 8, sub c, van de overeenkomst en van artikel 72 van verordening nr. 1408/71, die voor de verkrijging van het recht op de betrokken uitkering voorzien in de toepassing van de „samentellingsregel”.
39 Met een beroep op de term „samentelling” hebben sommige belanghebbende partijen die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, aangevoerd dat dit begrip logischerwijs het bestaan van minstens twee vervulde tijdvakken van beroepsactiviteit in verschillende lidstaten omvat. Bijgevolg zou de lidstaat van het bevoegde orgaan voor de toekenning van een uitkering de mogelijkheid hebben daartoe te bepalen dat een tijdvak van beroepsactiviteit op zijn grondgebied moet zijn vervuld, hetgeen voor de verkrijging van een recht op een socialezekerheidsuitkering het gebruik van één enkel, op het grondgebied van een andere lidstaat vervuld tijdvak zou uitsluiten.
40 Deze uitlegging kan niet worden gevolgd.
41 Zowel de bewoordingen van artikel 8, sub c, van de overeenkomst als die van artikel 72 van verordening nr. 1408/71 zijn ondubbelzinnig. Volgens de eerste bepaling omvat de samentelling „de perioden” die door de verschillende nationale wetgevingen worden meegeteld, terwijl de tweede bepaling vereist dat bij de samentelling rekening wordt gehouden „met de op het grondgebied van elke andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid”, alsof deze tijdvakken waren vervuld krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling.
42 Verordening nr. 1408/71 is vastgesteld op grond van artikel 51 van het EEG-Verdrag (nadien artikel 51 van het EG-Verdrag, en vervolgens, na wijziging, artikel 42 EG), waarbij de Raad van de Europese Unie is gemachtigd om maatregelen vast te stellen welke op het gebied van de sociale zekerheid noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers, met name door een stelsel in te voeren waardoor het mogelijk is voor migrerende werknemers en hun rechthebbenden te waarborgen dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, „al die tijdvakken” worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen.
43 Deze uitlegging is in overeenstemming met het doel van de overeenkomst, namelijk het waarborgen van het vrij verkeer van personen tussen de Zwitserse Bondstaat en de Gemeenschap. Zij eerbiedigt eveneens het beginsel van de gelijke behandeling van artikel 8, sub a, van de overeenkomst, aangezien zij ertoe strekt te waarborgen dat de uitoefening van het recht op vrij verkeer er niet toe leidt dat de migrerende werknemers niet in aanmerking komen voor socialezekerheidsvoorzieningen, anders dan andere werknemers die dat recht niet hebben uitgeoefend.
44 Het orgaan van een lidstaat dat bevoegd is voor de toekenning van gezinsbijslagen kan dus niet eisen dat boven op een tijdvak van arbeid of werkzaamheden dat is vervuld in een andere lidstaat, in casu in Zwitserland, een ander tijdvak van verzekering op zijn eigen grondgebied is vervuld.
45 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord dat krachtens artikel 8, sub c, van de overeenkomst en artikel 72 van verordening nr. 1408/71, wanneer de wetgeving van een lidstaat het voordeel van een gezinsbijslag zoals aan de orde in het hoofdgeding, onderwerpt aan de vervulling van tijdvakken van verzekering, van arbeid of van anders dan in loondienst uitgeoefende werkzaamheden, het bevoegde orgaan van die lidstaat voor de toekenning van die gezinsbijslag rekening moet houden met de volledig op het grondgebied van de Zwitserse Bondstaat vervulde tijdvakken.
De tweede vraag
46 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of, indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, de overeenkomst en verordening nr. 1408/71 tot gevolg hebben dat in Zwitserland verkregen inkomsten worden gelijkgesteld met de binnenlandse inkomsten die in Zweden als grondslag dienen voor de berekening van het bedrag van de gezinsbijslag waarom wordt verzocht.
47 Uit het bij het Hof ingediende dossier blijkt dat Bergström om een gezinsbijslag heeft verzocht ten belope van het bedrag van de dagvergoeding bij ziekte (OBDZ). De betrokken gezinsbijslag is verbonden aan het jaarlijkse beroepsinkomen van de sociaal verzekerde.
48 In een dergelijke situatie moet voor de berekening van het bedrag van de gezinsbijslagen van die bijzondere categorie dus rekening worden gehouden met de relevante bepalingen van verordening nr. 1408/71 inzake de afdeling „ziekte” van de sociale zekerheid.
49 Die bepalingen zijn opgenomen in artikel 23 van verordening nr. 1408/71. Los van de vraag of de bepaling van het inkomen waarop de betrokken uitkeringen worden berekend het resultaat is van de toepassing van de bepalingen van lid 1, dan wel van lid 2 van dat artikel, wordt dat inkomen bepaald hetzij overeenkomstig de inkomsten gedurende de onder de wetgeving van het bevoegde orgaan vervulde tijdvakken, hetzij door rekening te houden met forfaitair bepaalde inkomsten of eventueel met het gemiddelde van die forfaitaire inkomsten voor de onder bedoelde wettelijke regeling, in casu de Zweedse wetgeving, vervulde tijdvakken.
50 Een dergelijke oplossing is in overeenstemming met de regel in punt 1 van bijlage VI, N, van verordening nr. 1408/71, die ratione temporis van toepassing is en die bepaalt dat voor de toepassing van artikel 72 van die verordening voor de vaststelling van een recht op gezinsbijslagen de tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens de wetgeving van een andere lidstaat worden geacht te zijn gebaseerd op dezelfde gemiddelde inkomsten als de Zweedse tijdvakken van verzekering.
51 In de zaak die thans aan de orde is heeft Bergström gedurende het referentietijdvak van 240 dagen echter in Zweden geen enkel inkomen ontvangen.
52 In die omstandigheden moet, ter verzekering van het nuttig effect van het in punt 45 van dit arrest uitgelegde artikel 8, sub c, van de overeenkomst en artikel 72 van verordening nr. 1408/71, en om te voldoen aan het in artikel 8, sub a, van de overeenkomst en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 neergelegde vereiste van gelijke behandeling, het referentie-inkomen van Bergström worden berekend op basis van de inkomsten van een persoon die in Zweden een activiteit uitoefent die vergelijkbaar is met die van Bergström en die beschikt over een eveneens vergelijkbare beroepservaring en -bekwaamheid.
53 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord dat artikel 8, sub a, van de overeenkomst en de artikelen 3, lid 1, 23, leden 1 en 2, en 72, evenals punt 1 van bijlage VI, N, van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer het bedrag van een gezinsbijslag, zoals aan de orde in het hoofdgeding, moet worden bepaald volgens de regels die gelden voor het ziekengeld, dit bedrag, voor iemand die de voor de verkrijging van dat recht vereiste tijdvakken van beroepsactiviteit volledig op het grondgebied van een andere lidstaat heeft vervuld, moet worden berekend op basis van de inkomsten van een persoon die beschikt over een vergelijkbare beroepservaring en ‑bekwaamheid en die een vergelijkbare activiteit uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waarin de betrokken bijslag wordt gevraagd.
Kosten
54 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 8, sub c, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, die op 21 juni 1999 te Luxemburg is ondertekend, en artikel 72 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1386/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001, moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer de wetgeving van een lidstaat het voordeel van een gezinsbijslag zoals aan de orde in het hoofdgeding, onderwerpt aan de vervulling van tijdvakken van verzekering, van arbeid of van anders dan in loondienst uitgeoefende werkzaamheden, het bevoegde orgaan van die lidstaat voor de toekenning van die gezinsbijslag rekening moet houden met de volledig op het grondgebied van de Zwitserse Bondstaat vervulde tijdvakken.
2) Artikel 8, sub a, van de overeenkomst en de artikelen 3, lid 1, 23, leden 1 en 2, en 72, evenals punt 1 van bijlage VI, N, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1386/2001, moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer het bedrag van een gezinsbijslag, zoals aan de orde in het hoofdgeding, moet worden bepaald volgens de regels die gelden voor het ziekengeld, dit bedrag, voor iemand die de voor de verkrijging van dat recht vereiste tijdvakken van beroepsactiviteit volledig op het grondgebied van een andere lidstaat heeft vervuld, moet worden berekend op basis van de inkomsten van een persoon die beschikt over een vergelijkbare beroepservaring en ‑bekwaamheid en die een vergelijkbare activiteit uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waarin de betrokken bijslag wordt gevraagd.
ondertekeningen
* Procestaal: Zweeds.
Full & Egal Universal Law Academy