ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
5 mei 2011 (*)
„Niet-nakoming – Verordening (EG) nr. 1907/2006 – Chemische stoffen – Registratie, beoordeling, autorisatie van deze stoffen en beperkingen ten aanzien ervan – REACH-verordening – Artikel 126 – Sanctieregeling bij overtreding van bepalingen van REACH-verordening – Geen omzetting binnen voorgeschreven termijn”
In zaak C‑265/10,
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 28 mei 2010,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Oliver en M. van Beek als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door T. Materne en L. Van den Broeck als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: K. Schiemann, kamerpresident, C. Toader en A. Prechal (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor de toepassing van de sancties op overtredingen van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396, blz. 1, en rectificatie PB 2007, L 136, blz. 3; hierna: „REACH-verordening”), of althans deze bepalingen niet ter kennis van de Europese Commissie te brengen, de krachtens artikel 126 van de REACH-verordening op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Toepasselijke bepalingen
2 De punten 121 en 122 van de considerans van de REACH-verordening luiden:
„(121) Om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd, moeten de lidstaten doeltreffende toezichts‑ en controlemaatregelen nemen. De nodige inspecties moeten worden gepland en uitgevoerd en over het resultaat ervan moet verslag worden uitgebracht.
(122) Met het oog op transparantie, onpartijdigheid en samenhang van de handhavingsactiviteiten van de lidstaten moeten de lidstaten een geschikt kader instellen voor sancties nodig om bij niet-naleving doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen, daar niet-naleving tot schade voor de gezondheid van de mens en voor het milieu kan leiden.”
3 Artikel 125 van de REACH-verordening luidt:
„De lidstaten onderhouden een systeem van officiële controles en andere op de situatie afgestemde activiteiten.”
4 Artikel 126 van deze verordening luidt:
„De lidstaten stellen de sancties vast die van toepassing zijn op schendingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en ontmoedigend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 december 2008 van de desbetreffende bepalingen op de hoogte en stellen haar onverwijld op de hoogte van eventuele latere wijzigingen.”
Precontentieuze procedure
5 Daar het Koninkrijk België de Commissie ondanks verschillende rappels geen kennis gaf van bepalingen in de zin van artikel 126 van de REACH-verordening, verzocht de Commissie deze lidstaat bij aanmaningsbrief van 15 mei 2009 om opmerkingen te maken.
6 Het Koninkrijk België antwoordde daarop bij brieven van 14 juli 2009 voor de Belgische federale regering, van 17 juli 2009 voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van 22 juli 2009 voor het Vlaamse Gewest en van 5 november 2009 voor het Waalse Gewest.
7 Van oordeel dat het Koninkrijk België de krachtens artikel 126 van de REACH-verordening op hem rustende verplichtingen nog steeds niet was nagekomen, zond de Commissie deze lidstaat op 3 november 2009 een met redenen omkleed advies met het verzoek om binnen twee maanden na ontvangst ervan de maatregelen te treffen die nodig zijn om aan dat advies te voldoen.
8 In antwoord daarop deelde het Koninkrijk België de Commissie op 22 december 2009 een brief betreffende het Waalse Gewest mee. Na afloop van de termijn van het met redenen omkleed advies ontving de Commissie van deze lidstaat ook brieven van 12 februari 2010 van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest respectievelijk 25 februari 2010 van de Belgische federale regering. Daarin beschreven de verschillende autoriteiten de vooruitgang bij de uitvoering van artikel 126 van de REACH-verordening in hun respectieve rechtsordes.
9 Daarop heeft de Commissie, van oordeel dat artikel 126 van de REACH-verordening niet binnen de voorgeschreven termijn was uitgevoerd, het onderhavige beroep ingesteld.
Het beroep
Argumenten van partijen
10 In haar verzoekschrift stelt de Commissie niet-nakoming door het Koninkrijk België van de krachtens artikel 126 van de REACH-verordening op hem rustende verplichtingen om in de Belgische rechtsorde sancties op overtredingen van deze verordening in te voeren en ervoor te zorgen dat deze sancties daadwerkelijk worden toegepast, daar:
– de verschillende gewesten en de Belgische federale regering nog geen wetgeving tot omzetting van dit artikel 126 hadden vastgesteld;
– de door het Koninkrijk België aangekondigde nieuwe samenwerkingsovereenkomst tussen de Belgische federale regering en de gewesten tot uitvoering van de REACH-verordening nog niet was gesloten.
11 Volgens de tweede grief van de Commissie moeten de lidstaten krachtens artikel 126 van de REACH-verordening in hun nationale rechtsorde voldoende doelmatige maatregelen ter verwezenlijking van het doel van de verordening nemen, maar ook zorgen voor de mogelijkheid zich voor de nationale rechter daadwerkelijk op deze maatregelen te beroepen met het oog op daadwerkelijke en doeltreffende rechtsbescherming en rechterlijke controle.
12 In zijn memorie van antwoord wijst het Koninkrijk België er, wat de eerste grief inzake beweerdelijke niet-omzetting in Belgisch recht van artikel 126 van de REACH-verordening betreft, op dat op Belgisch federaal niveau is voldaan aan de op het Koninkrijk België rustende verplichtingen aangezien de wet van 10 september 2009 tot wijziging van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie‑ en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid (Belgisch Staatsblad van 19 oktober 2009, blz. 68202) voorziet in de noodzakelijke, zowel strafrechtelijke als administratiefrechtelijke, doeltreffende, evenredige en ontmoedigende sancties op elke schending van de REACH-verordening.
13 Wat artikel 35 van de REACH-verordening betreft, is na een negatief advies van de Raad van State evenwel besloten geen gevolg te geven aan een wetsontwerp tot wijziging van de wet van 28 januari 1999 betreffende de waarborgen die de stoffen en preparaten inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers met het oog op hun welzijn moeten bieden (Belgisch Staatsblad van 14 april 1999, blz. 12236), maar een nieuw wetsontwerp op te stellen, dat wegens de ontbinding van het Parlement nog niet is goedgekeurd.
14 Al voorziet de wet van 21 december 1998 dus nog niet in sancties op overtredingen van artikel 35 van de REACH-verordening, toch kunnen dergelijke sancties thans worden opgelegd op basis van artikel 29 van het koninklijk besluit van 11 maart 2002 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen de risico’s van chemische agentia op het werk (Belgisch Staatsblad van 14 maart 2002, blz. 10865).
15 Het Koninkrijk België herinnert eraan dat de Commissie in het met redenen omkleed advies tot de conclusie kwam dat de wetgeving van het Vlaamse Gewest volledig voldeed aan het vereiste van een sanctieregeling als bedoeld in artikel 126 van de REACH-verordening.
16 Wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, erkent het Koninkrijk België dat weliswaar reeds op 1 december 2008 verschillende bepalingen tot omzetting van artikel 126 van de REACH-verordening in de rechtsorde van dit Gewest zijn vastgesteld, maar dat nog niet alle noodzakelijke bepalingen zijn vastgesteld om alle overtredingen van de bepalingen van deze verordening zoals vereist bij dit artikel 126 te bestraffen. Daartoe is een ontwerpordonnantie opgesteld die naar verwachting in september 2010 zou worden vastgesteld en in november 2010 in werking zou treden.
17 Ten slotte stelde het Waalse Gewest een decreet tot omzetting van artikel 126 van de REACH-verordening vast, dat in september 2010 in werking zou treden.
18 Wat de tweede grief inzake de samenwerkingsovereenkomst tussen de Belgische federale regering en de gewesten ter uitvoering van de REACH-verordening betreft, vereist artikel 126 van deze verordening volgens het Koninkrijk België niet de vaststelling van een dergelijke samenwerkingsovereenkomst, aangezien deze laatste beoogt een oplossing te bieden voor de moeilijkheid om in een stelsel van exclusieve bevoegdheden een gezamenlijk beleid te voeren.
19 De huidige praktijk op het gebied van inspectie zal weldra worden geformaliseerd in de samenwerkingsovereenkomst. Deze kan dus alleen worden gezien als de formele garantie dat de verschillende inspectiediensten ook in de toekomst even goed als nu reeds het geval is, zullen samenwerken.
20 In repliek acht de Commissie het niet langer nodig haar eerste grief over de niet-omzetting van artikel 126 van de REACH-verordening op Belgisch federaal niveau te handhaven. Ook, aldus de Commissie, nam zij reeds bij het geven van haar met redenen omkleed advies aan dat de wetgeving van het Vlaamse Gewest blijkens het antwoord op de aanmaning van het Koninkrijk België reeds in alle vereiste sancties op overtredingen voorzag.
21 De Commissie blijft er evenwel bij dat het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 3 januari 2010, namelijk aan het einde van de termijn van twee maanden van het met redenen omkleed advies, nog niet de bepalingen hadden vastgesteld die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 126 van de REACH-verordening.
22 Wat de tweede grief betreffende de samenwerkingsovereenkomst betreft blijft de Commissie erbij dat artikel 126 van de REACH-verordening vereist dat deze overeenkomst wordt gesloten aangezien deze overeenkomst, zoals het Koninkrijk België in zijn memorie van antwoord zelf erkent, moet dienen om „de tenuitvoerlegging van de REACH-verordening optimaal tot stand te brengen”.
23 In dupliek wijst het Koninkrijk België erop dat het Waalse Gewest inmiddels het programmadecreet van 22 juli 2010 houdende verschillende maatregelen inzake goed bestuur, bestuurlijke vereenvoudiging, energie, huisvesting, fiscaliteit, werkgelegenheid, luchthavenbeleid, economie, leefmilieu, ruimtelijke ordening, plaatselijke besturen, landbouw en openbare werken (Belgisch Staatsblad van 20 augustus 2010, blz. 54384) heeft vastgesteld, dat tien dagen na bekendmaking ervan in werking is getreden. Dit decreet bevat alle noodzakelijke bepalingen voor de omzetting van artikel 126 van de REACH-verordening.
24 Wat de samenwerkingsovereenkomst betreft, stelt het Koninkrijk België om te beginnen dat deze overeenkomst niet tot doel heeft de toepasselijke sancties op overtredingen van de REACH-verordening vast te stellen, maar de informatie-uitwisseling en de wijze van samenwerking tussen de verschillende inspectiediensten regelt. Ook al staan inspecties en sancties met elkaar in verband, onderscheidt de REACH-verordening duidelijk twee verplichtingen van de lidstaten door ze in twee verschillende artikelen, namelijk artikel 125 van de REACH-verordening over inspecties en artikel 126 van deze verordening over sancties, op te nemen.
25 Vervolgens staat de samenwerkingsovereenkomst los van de specifieke wetgeving die voorziet in sancties, de inspectiediensten tot controle machtigt en vaststelt welke middelen en instrumenten daarbij te hunner beschikking staan om de naleving van de voorschriften af te kunnen dwingen, alsook de rechterlijke macht bij de beoordeling van overtredingen van de REACH-verordening bindt.
26 Ten slotte is de samenwerkingsovereenkomst die de reeds bestaande praktijk van samenwerking inzake inspecties gewoon formaliseert, niet een voorwaarde sine qua non voor de daadwerkelijke organisatie van de in België geplande inspecties om de naleving van de REACH-verordening overeenkomstig artikel 126 van deze verordening te garanderen.
Beoordeling door het Hof
27 Volgens vaste rechtspraak moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en kan het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening houden (zie met name arresten van 20 november 2003, Commissie/Frankrijk, C‑296/01, Jurispr. blz. I‑13909, punt 43, en 3 februari 2011, Commissie/België, C‑391/10, punt 8).
28 In casu staat vast dat bij het verstrijken van de termijn van het met redenen omkleed advies niet alle maatregelen tot omzetting van artikel 126 van de REACH-verordening in de Belgische rechtsorde waren genomen.
29 Aan het einde van deze termijn hadden het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest namelijk nog niet de maatregelen tot omzetting van artikel 126 van de REACH-verordening genomen.
30 Op dit punt dient het beroep van de Commissie dus gegrond te worden geacht.
31 De Commissie verwijt het Koninkrijk België ook de krachtens 126 van de REACH-verordening op hem rustende verplichtingen niet te zijn nagekomen op grond dat nog geen samenwerkingsovereenkomst tussen de federale regering en de gewesten tot omzetting van de REACH-verordening is gesloten.
32 Deze grief kan niet worden aanvaard.
33 Blijkens het dossier regelt de ontwerpsamenwerkingsovereenkomst, die, aldus de Commissie, krachtens artikel 126 van de REACH-verordening moet worden gesloten, een informatie-uitwisseling en de wijze van samenwerking tussen de verschillende in deze lidstaat voor overtredingen van de REACH-verordening bevoegde inspectiediensten.
34 Een overeenkomst om ervoor te zorgen dat de verschillende bevoegde inspectiediensten adequaat samenwerken, kan zeker een passend instrument zijn om de daadwerkelijke toepassing te verzekeren van de sancties op de „schendingen van” de REACH-verordening in de zin van artikel 126 van deze verordening.
35 De Commissie toonde evenwel niet aan dat de omzetting van dit artikel 126 deze specifieke maatregel in de nationale rechtsorde vereist.
36 Dienaangaande stelt het Koninkrijk België, overigens door de Commissie onweersproken, dat deze ontwerpovereenkomst slechts de formalisering van bestaande informele regelingen tussen de verschillende inspectiediensten beoogt en de inspecties op de naleving van de bepalingen van de REACH-verordening met deze regelingen in de praktijk reeds bevredigend kunnen worden gecoördineerd.
37 Bovendien blijkt niet uit artikel 126 van de REACH-verordening of uit enige andere bepaling van deze verordening dat de lidstaten voor een correcte omzetting van dit artikel 126 een dergelijke samenwerkingsovereenkomst moeten sluiten.
38 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn voor de toepassing van de sancties op overtredingen van de REACH-verordening, het Koninkrijk België de krachtens artikel 126 van de REACH-verordening op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Kosten
39 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart:
1) Door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn voor de toepassing van de sancties op overtredingen van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, is het Koninkrijk België de krachtens artikel 126 van deze verordening op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
ondertekeningen
* Procestaal: Nederlands.
Full & Egal Universal Law Academy