Zaak C‑294/10
Andrejs Eglītis
en
Edvards Ratnieks
tegen
Latvijas Republikas Ekonomikas ministrija
(verzoek van de Augstākās Tiesas Senāts om een prejudiciële beslissing)
„Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 5, lid 3 – Compensatie van passagiers bij annulering van vlucht – Ontheffing van verplichting om compensatie te betalen in geval van buitengewone omstandigheden – Treffen door luchtvaartmaatschappij van alle redelijke maatregelen om buitengewone omstandigheden te ondervangen – Tijdige planning van middelen om vlucht te kunnen verzekeren na beëindiging van dergelijke omstandigheden”
Samenvatting van het arrest
Vervoer – Luchtvervoer – Verordening nr. 261/2004 – Compensatie en bijstand aan passagiers bij annulering van vlucht – Ontheffing van verplichting om compensatie te betalen in geval van buitengewone omstandigheden – Treffen door luchtvaartmaatschappij van redelijke maatregelen om buitengewone omstandigheden te ondervangen
(Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, art. 5, lid 3, en 6, lid 1)
Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten moet aldus worden uitgelegd dat, aangezien de luchtvaartmaatschappij gehouden is om alle redelijke maatregelen te treffen om buitengewone omstandigheden te ondervangen, zij in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico van vertraging ten gevolge van dergelijke omstandigheden. Daarom dient zij in een bepaalde reservetijd te voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden. De beoordeling van de redelijkheid van de maatregelen die zijn getroffen om in een reservetijd te voorzien, teneinde zo mogelijk te voorkomen dat de vertraging als gevolg van de buitengewone omstandigheden tot de annulering van de vlucht leidt, dient niet te worden verricht op basis van de vertraging die is vastgesteld ten opzichte van het voor het opstijgen van het vliegtuig geplande tijdstip, maar op basis van de vertraging waarvan mogelijkerwijs sprake is aan het einde van de vlucht die onder de nieuwe, uit de buitengewone omstandigheden voortvloeiende voorwaarden is uitgevoerd. Bij deze beoordeling moet dus ook rekening worden gehouden met deze secundaire risico’s, voor zover de factoren die aanleiding kunnen geven tot dergelijke risico’s, voorzienbaar en berekenbaar zijn.
Deze bepaling kan daarentegen niet aldus worden uitgelegd dat zij als redelijke maatregel de verplichting oplegt om op algemene en niet-gedifferentieerde wijze een minimale reservetijd te plannen die zonder onderscheid geldt voor alle luchtvaartmaatschappijen in alle situaties waarin sprake is van buitengewone omstandigheden. Bij de beoordeling of de luchtvaartmaatschappij in staat is om de vlucht volledig uit te voeren onder de nieuwe, uit de buitengewone omstandigheden voortvloeiende voorwaarden, moet erop worden gelet dat geen dermate lange reservetijd wordt verlangd dat de luchtvaartmaatschappij daardoor onaanvaardbare offers dient te brengen uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip.
Artikel 6, lid 1, van die verordening is niet van toepassing in het kader van de beoordeling van de redelijkheid van de maatregelen die door de luchtvaartmaatschappij zijn getroffen om over een reservetijd te beschikken teneinde de vlucht volledig te kunnen uitvoeren. Deze bepaling ziet immers op de verschillende aan de luchtvaartmaatschappij toerekenbare categorieën „vertragingen” die geen verband houden met buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet hadden kunnen worden voorkomen.
(cf. punten 32, 34, 36‑37 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
12 mei 2011(*)
„Luchtvervoer – Verordening (EG) nr. 261/2004 – Artikel 5, lid 3 – Compensatie van passagiers bij vluchtannulering – Vrijstelling van verplichting om compensatie te betalen in geval van buitengewone omstandigheden – Verplichting voor luchtvaartmaatschappij om alle redelijke maatregelen te treffen om buitengewone omstandigheden te kunnen ondervangen – Tijdige planning van middelen om vlucht te kunnen verzekeren na beëindiging van dergelijke omstandigheden”
In zaak C‑294/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Augstākās Tiesas Senāts (Letland) bij beslissing van 9 juni 2010, ingekomen bij het Hof op 15 juni 2010, in de procedure
Andrejs Eglītis,
Edvards Ratnieks
tegen
Latvijas Republikas Ekonomikas ministrija,
in tegenwoordigheid van:
Air Baltic Corporation AS,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, D. Šváby, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász en J. Malenovský (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– het Latvijas Republikas Ekonomikas ministrija, vertegenwoordigd door J. Pūce als gemachtigde,
– de Poolse regering, vertegenwoordigd door K. Rokicka als gemachtigde,
– de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door L. Seeboruth als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Sauka en K. Simonsson als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, lid 3, en 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Eglītis en Ratnieks, twee passagiers op een vlucht van Kopenhagen naar Riga, en de luchtvaartmaatschappij Air Baltic Corporation AS (hierna: „Air Baltic”), naar aanleiding van de weigering van laatstgenoemde om compensatie te betalen aan de passagiers van wie vlucht BT 140, gepland op 14 juli 2006, is geannuleerd.
Rechtskader
3 De punten 1 en 2 van de considerans van verordening nr. 261/2004 luiden als volgt:
„(1) Het optreden van de Gemeenschap [op het gebied van luchtvervoer] moet onder meer gericht zijn op de waarborging van een hoog niveau van bescherming van de passagiers, met volledige inachtneming van de eisen op het gebied van consumentenbescherming in het algemeen.
(2) Instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten brengen voor passagiers ernstige moeilijkheden en ongemak met zich mee.”
4 De punten 13 tot en met 15 van de considerans van deze verordening preciseren:
„(13) Passagiers van wie de vlucht geannuleerd wordt, moeten hun tickets terugbetaald kunnen krijgen of onder bevredigende voorwaarden een andere vlucht naar hun bestemming krijgen, en moeten tijdens het wachten op een latere vlucht voldoende worden verzorgd.
(14) Evenals in het kader van het Verdrag van Montreal dienen de verplichtingen die worden opgelegd aan de luchtvaartmaatschappijen die de vluchten uitvoeren, te worden beperkt of uitgesloten in gevallen waarin een gebeurtenis het gevolg is van buitengewone omstandigheden die zelfs door het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. Dergelijke omstandigheden kunnen zich met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
(15) Er dient te worden geacht sprake te zijn van buitengewone omstandigheden wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt, ook al heeft de betrokken luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen geleverd om de vertragingen of annuleringen te voorkomen.”
5 Artikel 5, lid 1, van diezelfde verordening, met als opschrift „Annulering”, bepaalt:
„In geval van annulering van een vlucht:
a) wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 8;
b) wordt de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert bijstand geboden als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub a, en artikel 9, lid 2, en – in het geval van een andere vlucht die naar redelijke verwachting ten vroegste daags na de geplande vertrektijd van de geannuleerde vlucht zal vertrekken – als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub b, en artikel 9, lid 1, sub c;
c) hebben de betrokken passagiers recht op de in artikel 7 bedoelde compensatie door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, tenzij:
i) de annulering hun ten minste twee weken voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld, of
ii) de annulering hun tussen twee weken en zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan twee uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan vier uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt, of
iii) de annulering hun minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd wordt meegedeeld en hun een andere vlucht naar hun bestemming wordt aangeboden die niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd vertrekt en hen minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming brengt.”
6 Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 luidt als volgt:
„Een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert, is niet verplicht compensatie te betalen als bedoeld in artikel 7 indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.”
7 Artikel 6, lid 1, van deze verordening, met als opschrift „Vertraging”, bepaalt:
„Wanneer een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert redelijkerwijs kan verwachten dat een vlucht een vertraging tot na de geplande vertrektijd oploopt, en wel
a) van twee uur of meer voor alle vluchten van 1 500 km of minder,
b) van drie uur of meer voor alle vluchten binnen de Gemeenschap van meer dan 1 500 km en voor alle andere vluchten tussen 1 500 en 3 500 km, of
c) van vier uur of meer voor alle vluchten die niet onder a of b vallen,
wordt de passagiers door de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, bijstand geboden als bedoeld in
i) artikel 9, lid 1, sub a, en artikel 9, lid 2, en
ii) artikel 9, lid 1, sub b, en artikel 9, lid 1, sub c, ingeval de vertrektijd, naar redelijkerwijs wordt verwacht, ten vroegste daags na de geplande vertrektijd is, en
iii) artikel 8, lid 1, sub a, in geval van een vertraging van ten minste vijf uur.”
8 Artikel 7, lid 1, van diezelfde verordening, met als opschrift „Recht op compensatie”, bepaalt:
„Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, krijgen de passagiers compensatie ten belope van:
a) 250 EUR voor alle vluchten tot en met 1 500 km;
b) 400 EUR voor alle intracommunautaire vluchten van meer dan 1 500 km, en voor alle andere vluchten tussen 1 500 en 3 500 km;
c) 600 EUR voor alle niet onder a of b vallende vluchten.
Bij de bepaling van de afstand wordt gekeken naar de laatste bestemming waar de passagier als gevolg van de instapweigering of annulering na de geplande tijd zal aankomen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
9 Op 14 juli 2006 vanaf 20.30 uur was Zweedse het luchtruim van de regio Malmö gesloten wegens stroomonderbrekingen die tot het uitvallen van de radar- en luchtvaartsystemen hadden geleid. Het vertrek van de door Air Baltic gecharterde vlucht van Kopenhagen naar Riga was op die dag voorzien om 20.35 uur.
10 De passagiers zijn aan boord van het vliegtuig gegaan en daar in afwachting van het opstijgen iets langer dan 2 uur gebleven, te weten tot ongeveer 22.45 uur. Om 22.45 uur is de passagiers meegedeeld dat de vlucht werd geannuleerd en is hun dan ook verzocht het vliegtuig te verlaten.
11 Omdat zij van mening waren dat zij wegens de annulering van hun vlucht recht hadden op compensatie door Air Baltic hebben twee passagiers, Eglītis en Ratnieks, een verzoek ingediend bij de Patērētāju tiesību aizsardzības centrs (Bureau voor de bescherming van de rechten van de consumenten, hierna: „Bureau”).
12 Het Bureau heeft hun vordering afgewezen. Deze afwijzing is bevestigd bij beslissing van 22 maart 2007 van het Latvijas Republikas Ekonomikas ministrija (ministerie van Economie van de Republiek Letland, hierna: „ministrija”).
13 Verzoekers in het hoofdgeding hebben beroep tegen deze beslissing van het ministrija ingesteld, eerst bij de Administratīvā rajona tiesa (administratieve rechtbank in eerste aanleg), vervolgens bij de Administratīvā apgabaltiesa (administratieve rechtbank in hoger beroep). Aangezien hun beroepen zijn verworpen, hebben zij bij de verwijzende rechter beroep in cassatie ingesteld.
14 Zowel het Bureau en het ministrija als nadien de Administratīvā rajona tiesa en de Administratīvā apgabaltiesa hebben geoordeeld dat overeenkomstig artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 Air Baltic verzoekers geen schadevergoeding hoefde te betalen, aangezien de annulering van de vlucht moest worden geacht te hebben plaatsgevonden in buitengewone omstandigheden die niet van de wil van de betrokken luchtvaartmaatschappij afhingen.
15 Verzoekers in het hoofdgeding stellen hunnerzijds dat de vlucht niet is geannuleerd wegens de sluiting van het Zweedse luchtruim, maar omdat de toegestane duur van de werkdag voor de vluchtbemanning was bereikt. Zij betwisten niet dat de sluiting van het Zweedse luchtruim wegens stroomonderbrekingen als buiten de controle van de luchtvaartmaatschappij vallende „buitengewone omstandigheden” kan worden aangemerkt. Volgens hen verklaart deze gebeurtenis enkel de aanvankelijke vertraging van de vlucht, te weten van 20.35 uur tot 22.45 uur. Het besluit om de vlucht te annuleren is om 22.45 uur genomen op basis van het feit dat de toegestane arbeidstijd van de bemanning afliep vóór het einde van de totale vlucht.
16 De verwijzende rechter is zijnerzijds van mening dat kan worden erkend dat zich om 20.35 uur, juist op het geplande tijdstip van vertrek, buitengewone omstandigheden voordeden, te weten in casu de sluiting van het luchtruim van de regio Malmö, en dat de luchtvaartmaatschappij deze buitengewone omstandigheden niet kon voorkomen. Hij voegt daar echter aan toe dat luchtvaartmaatschappijen in de praktijk doorgaans geen vluchten annuleren telkens wanneer het niet mogelijk is om precies op het geplande tijdstip te vertrekken. Gelet op de eigenaardigheden van het luchtvervoer, doordat de passagiers niet gemakkelijk kunnen kiezen voor alternatieve vervoermiddelen, routes en vluchten, en een luchtvaartmaatschappij – in het bijzonder in buitenlandse luchthavens – niet gemakkelijk de aanwending van haar middelen kan wijzigen, bundelen de luchtvaartmaatschappij en de luchthaven volgens hem gewoonlijk hun krachten om de geplande vlucht desondanks zo spoedig mogelijk te laten vertrekken.
17 De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af of de onmogelijkheid om op te stijgen precies op het geplande tijdstip een voldoende reden is om de vlucht te annuleren. Inzonderheid vraagt hij zich af of, indien de onmogelijkheid om wegens buitengewone omstandigheden op het voorziene tijdstip op te stijgen van korte duur is, deze buitengewone omstandigheden een reden kunnen zijn om de vlucht te annuleren.
18 Derhalve rijst zijns inziens de vraag of uit artikel 5, lid 3, van de verordening, dat bepaalt dat de luchtvaartmaatschappij alleen dan niet verplicht is om schadevergoeding te betalen wanneer alle redelijke maatregelen ter voorkoming van de buitengewone omstandigheden werden getroffen, voor de luchtvaartmaatschappij de verplichting voortvloeit om haar middelen, waaronder de bemanning, zo te organiseren dat in geval van dergelijke onvoorziene omstandigheden de vlucht binnen een bepaalde tijd kan worden uitgevoerd.
19 Betreffende de definitie van dit begrip „een bepaalde tijd” zijn verzoekers in het hoofdgeding van mening dat voldoende middelen beschikbaar moeten worden gemaakt opdat de vlucht minstens binnen twee uur na de aanvankelijk geplande vertrektijd kan worden uitgevoerd. Voor de verwijzende rechter baseren zij zich dienaangaande op de bepalingen van de verordening houdende de verplichtingen van de luchtvaartmaatschappij in geval van vertraging. Artikel 6, lid 1, sub a, van verordening nr. 261/2004 bepaalt dat wanneer een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert redelijkerwijs kan verwachten dat een vlucht een vertraging tot na de geplande vertrektijd oploopt van twee uur of meer voor alle vluchten van 1 500 km of minder, de passagiers bijstand als bedoeld in deze verordening wordt geboden. Verzoekers leiden hieruit af dat een vertraging van twee uur in casu „normaal” is, dat wil zeggen dat de onmogelijkheid om gedurende deze twee uur de vlucht uit te voeren op zich geen omstandigheid was die de annulering van deze vlucht rechtvaardigde.
20 De verwijzende rechter is evenwel van oordeel dat de rechtstreekse doelstelling van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 261/2004 niet is deze aangelegenheden te regelen zoals verzoekers in het hoofdgeding dit zien, maar dat het niet kan worden uitgesloten dat deze bepaling toepassing kan vinden bij een systematische uitlegging van artikel 5, lid 3, van deze verordening.
21 In die omstandigheden heeft de Augstākās Tiesas Senāts de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Moet artikel 5, lid 3, van [verordening nr. 261/2004] aldus worden uitgelegd dat de luchtvaartmaatschappij, om te kunnen aannemen dat zij alle redelijke maatregelen ter voorkoming van de buitengewone omstandigheden heeft getroffen, verplicht is om haar middelen aldus naar behoren te organiseren dat de geplande vlucht kan worden uitgevoerd na het einde van de onverwachte buitengewone omstandigheden, dat wil zeggen binnen een bepaalde tijd na de geplande vertrektijd?
2) Zo ja, geldt artikel 6, lid 1, van verordening [nr. 261/2004] dan om de minimale reservetijd te bepalen waarin de luchtvaartmaatschappij bij een goede organisatie van haar middelen moet voorzien als eventueel te verwachten vertraging voor het geval dat zich buitengewone omstandigheden voordoen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
22 Met haar twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus moet worden uitgelegd dat een luchtvaartmaatschappij verplicht is om uit hoofde van de redelijke maatregelen die zij dient te treffen om buitengewone omstandigheden te kunnen ondervangen, haar middelen tijdig aldus moet organiseren dat zij over een bepaalde minimale „reservetijd” na het voorziene vertrekuur van de vlucht beschikt, zodat de vlucht kan worden uitgevoerd nadat de buitengewone omstandigheden zijn beëindigd. Inzonderheid vraagt zij zich af of deze „reservetijd” op basis van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 261/2004 kan worden vastgesteld.
23 Vooraf zij gepreciseerd dat artikel 5, lid 1, van verordening nr. 261/2004 bepaalt dat in geval van annulering van een vlucht de betrokken passagiers door de luchtvaartmaatschappij – onder de in dit lid 1 genoemde voorwaarden – in de eerste plaats bijstand wordt geboden als bedoeld in artikel 8, te weten dat zij recht op terugbetaling of op een andere vlucht hebben. In de tweede plaats worden de passagiers overeenkomstig artikel 9 van deze verordening maaltijden en hotelaccommodatie aangeboden en worden hun telefoongesprekken terugbetaald. In de derde plaats hebben zij volgens de voorwaarden van artikel 7 van diezelfde verordening recht op een forfaitaire compensatie, tenzij zij tijdig van de annulering van de vlucht op de hoogte zijn gebracht.
24 Volgens artikel 5, lid 3, van deze verordening is de luchtvaartmaatschappij evenwel in afwijking van het bepaalde in lid 1 van dit artikel vrijgesteld van een van haar verplichtingen, namelijk betaling van een compensatie aan de passagiers, indien zij kan aantonen dat de annulering het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.
25 In dit verband heeft het Hof in punt 40 van het arrest van 22 december 2008, Wallentin-Hermann (C‑549/07, Jurispr. blz. I‑11061), geoordeeld dat aangezien niet alle buitengewone omstandigheden aanleiding geven tot vrijstelling, degene die zich op dergelijke omstandigheden wil beroepen bovendien moet aantonen dat de genoemde omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen, dat wil zeggen maatregelen die op het tijdstip van de buitengewone omstandigheden met name voldoen aan voor de betrokken luchtvaartmaatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden. Zoals het Hof in punt 41 van dat arrest heeft gepreciseerd, dient de vervoerder aan te tonen dat hij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële, financiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot annulering van de vlucht leidden.
26 Dienaangaande moet worden onderstreept dat buitengewone omstandigheden het uitvoeren van de vlucht volgens de voorziene dienstregeling heel dikwijls moeilijk zo niet onmogelijk maken. Het risico op vertraging van de vlucht, die uiteindelijk ook tot de annulering ervan kan leiden, vormt voor de passagiers het typische nadelige gevolg van buitengewone omstandigheden, en is dus wel degelijk voorzienbaar.
27 Hieruit volgt dat de luchtvaartmaatschappij, aangezien zij volgens artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 verplicht is om alle redelijke maatregelen te treffen om buitengewone omstandigheden te kunnen opvangen, in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging dat uit eventuele buitengewone omstandigheden kan voortvloeien.
28 Inzonderheid dient een redelijke luchtvaartmaatschappij, teneinde te voorkomen dat elke – zelfs minieme – vertraging die het gevolg is van buitengewone omstandigheden onvermijdelijk tot annulering van de vlucht leidt, haar middelen aldus naar behoren te organiseren dat zij over een bepaalde buffer beschikt om de vlucht na het einde van de buitengewone omstandigheden te kunnen uitvoeren. Indien een luchtvaartmaatschappij in een dergelijke situatie over geen enkele reservetijd beschikt, kan niet worden geconcludeerd dat zij alle in artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 bedoelde redelijke maatregelen heeft getroffen.
29 Wat in de eerste plaats de – algemene – vaststelling betreft van de minimale reservetijd waarvan de verwijzende rechter gewaagt, dient eraan te worden herinnerd dat het Hof in punt 42 van het reeds aangehaalde arrest Wallentin-Hermann heeft geoordeeld dat diende te worden nagegaan of de betrokken luchtvaartmaatschappij aan de situatie aangepaste maatregelen had getroffen, dat wil zeggen maatregelen die op het tijdstip van de aangevoerde bijzondere omstandigheden waarvan zij het bewijs leverde, met name voldeden aan voor de genoemde maatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden.
30 Het Hof heeft dus een soepel en geïndividualiseerd concept inzake redelijke maatregelen uitgewerkt waarbij het aan de nationale rechterlijke instantie wordt overgelaten om uit te maken of – in de omstandigheden van het concrete geval – de luchtvaartmaatschappij kan worden geacht, aan de situatie aangepaste maatregelen te hebben genomen.
31 Bijgevolg kan artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 niet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling de verplichting oplegt om – als redelijke maatregel – op algemene en niet-gedifferentieerde wijze een minimale reservetijd te plannen die zonder onderscheid geldt voor alle luchtvaartmaatschappijen in alle situaties waarin sprake is van buitengewone omstandigheden.
32 Wat in de tweede plaats de beoordeling betreft van de redelijkheid van de maatregelen die zijn getroffen om in een buffer te voorzien, teneinde zo mogelijk te voorkomen dat de vertraging als gevolg van de buitengewone omstandigheden tot de annulering van de vlucht leidt, moet vooraf worden geconstateerd dat deze beoordeling niet, zoals de verwijzende rechterlijke instantie lijkt te suggereren, dient te worden verricht op basis van de vertraging die is vastgesteld ten opzichte van het tijdstip waarop het opstijgen van het vliegtuig was gepland, maar op basis van de vertraging waarvan mogelijkerwijs sprake is aan het einde van de vlucht die onder de nieuwe, uit de buitengewone omstandigheden voortvloeiende voorwaarden is uitgevoerd.
33 Voor deze beoordeling is immers enkel van belang of de luchtvaartmaatschappij in staat is om de geplande vlucht volledig te volbrengen, als „onderdeel” van de luchtvervoerhandeling die wordt uitgevoerd door een luchtvaartmaatschappij die het traject ervan vaststelt (zie in die zin arrest van 10 juli 2008, Emirates Airlines, C‑173/07, Jurispr. blz. I‑5237, punt 40), ondanks de buitengewone omstandigheden die tot een bepaalde vertraging hebben geleid. De initiële vertraging, vastgesteld bij de beëindiging van de betrokken buitengewone omstandigheden of ten opzichte van het tijdstip waarop het vertrek van het vliegtuig was voorzien, kan nadien immers toenemen door een opeenstapeling van diverse bijkomende complicaties die verband houden met het feit dat de betrokken vlucht niet meer stipt volgens de dienstregeling kan worden uitgevoerd, zoals moeilijkheden wegens een herschikking van de toegewezen luchtwegen of inzake de toegankelijkheid van de luchthaven van bestemming, waaronder ook de eventuele totale of gedeeltelijke sluiting van deze luchthaven gedurende bepaalde uren van de nacht. Een en ander kan ertoe leiden dat de vlucht na afloop uiteindelijk een beduidend grotere vertraging heeft opgelopen dan de vertraging waarvan aanvankelijk sprake was.
34 Om uit te maken of de door de luchtvaartmaatschappij in het kader van de planning van de vlucht getroffen maatregelen redelijk zijn, moet dus ook met deze secundaire risico’s rekening worden gehouden, voor zover de factoren die aanleiding tot dergelijke risico’s kunnen geven, voorzienbaar en berekenbaar zijn.
35 De vraag of de luchtvaartmaatschappij in staat is om de vlucht onder die voorwaarden volledig uit te voeren, moet worden beoordeeld aan de hand van de door het Hof in het voornoemde arrest Wallentin-Hermann ontwikkelde criteria. Daarbij moet erop worden gelet dat geen dermate lange reservetijd wordt verlangd dat de luchtvaartmaatschappij daardoor op het relevante tijdstip uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming onaanvaardbare offers dient te brengen.
36 Bovendien moet er eveneens op worden gewezen dat bij de beoordeling van de redelijkheid van de maatregelen die zijn getroffen om over een dergelijke reservetijd te beschikken, artikel 6, lid 1, van verordening nr. 261/2004 niet van toepassing is. Deze bepaling ziet immers op de verschillende aan de luchtvaartmaatschappij toerekenbare categorieën „vertragingen” die geen verband houden met buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.
37 Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 aldus dient te worden uitgelegd dat, aangezien de luchtvaartmaatschappij gehouden is om alle redelijke maatregelen te treffen om buitengewone omstandigheden te kunnen ondervangen, zij in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging die het gevolg kan zijn van zulke omstandigheden. Daarom dient zij in een bepaalde reservetijd te voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden. Deze bepaling kan daarentegen niet aldus worden uitgelegd dat zij uit hoofde van redelijke maatregelen de verplichting oplegt om op algemene en niet-gedifferentieerde wijze een minimale reservetijd te plannen die zonder onderscheid geldt voor alle luchtvaartmaatschappijen in alle situaties waarin sprake is van buitengewone omstandigheden. Bij de beoordeling van de vraag of de luchtvaartmaatschappij in staat is om de vlucht volledig uit te voeren onder de nieuwe, uit de buitengewone omstandigheden voortvloeiende voorwaarden, moet erop worden gelet dat geen dermate lange reservetijd wordt verlangd dat de luchtvaartmaatschappij daardoor op het relevante tijdstip uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming onaanvaardbare offers dient te brengen. Artikel 6, lid 1, van verordening nr. 261/2004 is in het kader van deze beoordeling niet van toepassing.
Kosten
38 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, moet aldus worden uitgelegd dat, aangezien de luchtvaartmaatschappij gehouden is om alle redelijke maatregelen te treffen om buitengewone omstandigheden te kunnen ondervangen, zij in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening moet houden met het risico op vertraging die het gevolg kan zijn van eventuele buitengewone omstandigheden. Daarom dient zij in een bepaalde reservetijd te voorzien om de vlucht zo mogelijk volledig te kunnen uitvoeren na afloop van de buitengewone omstandigheden. Deze bepaling kan daarentegen niet aldus worden uitgelegd dat zij uit hoofde van redelijke maatregelen de verplichting oplegt om op algemene en niet-gedifferentieerde wijze een minimale reservetijd te plannen die zonder onderscheid geldt voor alle luchtvaartmaatschappijen in alle situaties waarin sprake is van buitengewone omstandigheden. Bij de beoordeling van de vraag of de luchtvaartmaatschappij in staat is om de vlucht volledig uit te voeren onder de nieuwe, uit de buitengewone omstandigheden voortvloeiende voorwaarden, moet erop worden gelet dat geen dermate lange reservetijd wordt verlangd dat de luchtvaartmaatschappij daardoor op het relevante tijdstip uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming onaanvaardbare offers dient te brengen. Artikel 6, lid 1, van voornoemde verordening is in het kader van deze beoordeling niet van toepassing.
ondertekeningen
* Procestaal: Lets.
Full & Egal Universal Law Academy