Zaak C‑361/10
Intercommunale Intermosane SCRL
en
Fédération de l’industrie et du gaz
tegen
Belgische Staat
[verzoek van de Raad van State (België) om een prejudiciële beslissing]
„Interne markt – Normen en technische voorschriften – Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij – Minimale voorschriften inzake veiligheid van bepaalde oude elektrische installaties op arbeidsplaatsen”
Samenvatting van het arrest
Harmonisatie van wetgevingen – Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij – Richtlijn 93/34 – Technisch voorschrift – Begrip
(Richtlijn 98/34 van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48, art. 1, punt 11)
Artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48, moet aldus worden uitgelegd dat normen die algemene eisen stellen voor de uitvoering van elektrische installaties, voor de bouw van elektrisch materieel en voor de beschermingsinrichtingen bij dit materieel om de bescherming van de werknemers te garanderen, als die welke zijn vervat in de Belgische regeling betreffende de minimale voorschriften inzake veiligheid van bepaalde oude elektrische installaties op arbeidsplaatsen, geen technische voorschriften in de zin van die bepaling vormen, waarvan de ontwerpen overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn moeten worden meegedeeld.
(cf. punt 22 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)
9 juni 2011 (*)
„Interne markt – Normen en technische voorschriften – Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende diensten van informatiemaatschappij – Minimale voorschriften inzake veiligheid van bepaalde oude elektrische installaties op arbeidsplaatsen”
In zaak C‑361/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissing van 9 juli 2010, ingekomen bij het Hof op 19 juli 2010, in de procedure
Intercommunale Intermosane SCRL,
Fédération de l’industrie et du gaz
tegen
Belgische Staat,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: D. Šváby, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur) en G. Arestis, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– Intercommunale Intermosane SCRL, vertegenwoordigd door J. Bourtembourg, advocaat,
– de Belgische regering, vertegenwoordigd door J.‑C. Halleux en T. Materne als gemachtigden,
– de Republiek Oostenrijk, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Patakia en G. Zavvos als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1 en 8 van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 204, blz. 37), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 (PB L 217, blz. 18; hierna: „richtlijn 98/34”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Intercommunale Intermosane SCRL en Fédération de l’industrie et du gaz, een vereniging zonder winstoogmerk, enerzijds, en de Belgische Staat, anderzijds, over een regeling betreffende de minimale voorschriften inzake veiligheid van bepaalde oude elektrische installaties op arbeidsplaatsen.
Toepasselijke bepalingen
Regeling van de Unie
3 Artikel 1 van richtlijn 98/34 bepaalt:
„In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1) ‚product’: alle producten die industrieel worden vervaardigd, en alle landbouwproducten, met inbegrip van visproducten;
[...]
3) ‚technische specificatie’: een specificatie die voorkomt in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveau, prestaties, veiligheid of afmetingen, met inbegrip van de voor het product geldende voorschriften inzake verkoopbenaming, terminologie, symbolen, beproeving en beproevingsmethoden, verpakking, het merken of etiketteren, en de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures.
[...]
4) ‚andere eis’: een eis die, zonder een technische specificatie te zijn, ter bescherming van met name de consument of het milieu wordt opgelegd en betrekking heeft op de levenscyclus van het product nadat dit in de handel is gebracht, zoals voorwaarden voor gebruik, recycling, hergebruik of verwijdering van het product, wanneer deze voorwaarden op significante wijze de samenstelling, de aard of de verhandeling van het product kunnen beïnvloeden;
[...]
11) ‚technisch voorschrift’: een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de iure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 10, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden.
[...]
[...]
Deze richtlijn is niet van toepassing op de maatregelen die de lidstaten in het kader van het Verdrag nodig achten om de bescherming van personen, met name van werknemers, bij het gebruik van producten te waarborgen, voor zover deze maatregelen geen gevolgen hebben voor de producten.”
4 Artikel 8, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 98/34 luidt als volgt:
„Onverminderd artikel 10 delen de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee, tenzij het een integrale omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval louter met een mededeling van de betrokken norm kan worden volstaan; zij geven de Commissie tevens kennis van de redenen waarom de vaststelling van dit technisch voorschrift nodig is, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp zelf blijken.”
Nationale regeling
5 De artikelen 8 tot en met 13 van het koninklijk besluit van 2 juni 2008 betreffende de minimale voorschriften inzake veiligheid van bepaalde oude elektrische installaties op arbeidsplaatsen (Belgisch Staatsblad van 19 juni 2008, blz. 31631; hierna: „koninklijk besluit”) luiden als volgt:
„Art. 8. De elektrische installatie is zodanig uitgevoerd dat de werknemers beschermd zijn tegen de risico’s van rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking, tegen de gevolgen van overspanningen te wijten aan inzonderheid isolatiefouten, schakelingen en atmosferische invloeden, tegen brandwonden en andere gezondheidsrisico’s alsmede tegen de niet elektrische risico’s te wijten aan het gebruik van elektriciteit.
Wanneer het niet mogelijk blijkt om voormelde risico’s uit te schakelen door maatregelen inzake het ontwerp of door collectieve beschermingsmaatregelen, dient de toegang tot deze installatie uitsluitend te worden voorbehouden aan de werknemers waarvan de bekwaamheid gekenmerkt is door de code BA4 of BA5 zoals bepaald in artikel 47 van het [algemeen reglement op de elektrische installaties].
Art. 9. De elektrische installatie is zodanig uitgevoerd dat:
1° gevaarlijke lichtbogen en gevaarlijke oppervlaktetemperaturen worden vermeden;
2° oververhitting, brand en ontploffing worden vermeden.
Art. 10. § 1. Elke stroombaan is beschermd door minstens één beschermingsinrichting, die een overbelastingsstroom onderbreekt vooraleer een opwarming kan ontstaan die schadelijk is voor de isolatie, de verbindingen, de geleiders of de omgeving.
Elke stroombaan is beschermd door een beschermingsinrichting die een kortsluitstroom onderbreekt vooraleer gevaarlijke effecten ontstaan.
§ 2. In afwijking van de bepalingen van § 1, is het toegelaten bepaalde stroombanen niet te beschermen tegen overstroom, mits de voorwaarden en nadere regels bepaald in de artikelen 119, 123 en 126 van het [algemeen reglement op de elektrische installaties] nageleefd worden.
Art. 11. § 1. Met het oog op het uitvoeren van werkzaamheden buiten spanning, moet de scheiding van de elektrische installatie of van individuele stroombanen op een veilige en betrouwbare wijze uitgevoerd kunnen worden.
§ 2. De functionele besturing gebeurt op een veilige en betrouwbare wijze.
§ 3. De gevolgen van spanningsdalingen of van het wegvallen van de spanning en het wederopkomen ervan brengt de werknemers niet in gevaar.
Art. 12. De elektrische installatie is opgebouwd met elektrisch materieel, dat zodanig gebouwd is dat het bij een correcte installatie en correct onderhoud, en bij gebruik volgens zijn bestemming, de veiligheid van personen niet in gevaar brengt.
In voorkomend geval voldoet het materieel aan de bepalingen van de besluiten genomen in uitvoering van de communautaire richtlijnen die ter zake van toepassing zijn.
Art. 13. Het gebruikte elektrisch materieel is ofwel door zijn constructie ofwel door een bijkomende bescherming, aangepast aan de aanwezige en redelijkerwijze te verwachten uitwendige invloeden en gebruiksomstandigheden.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
6 Bij een op 18 augustus 2008 bij de verwijzende rechter ingediend verzoekschrift hebben verzoeksters in het hoofdgeding om nietigverklaring van het koninklijk besluit verzocht.
7 Ter ondersteuning van hun verzoek voeren verzoeksters in het hoofdgeding met name aan dat richtlijn 98/34 is geschonden omdat het koninklijk besluit technische voorschriften bevat die overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn aan de Commissie hadden moeten worden meegedeeld.
8 In die omstandigheden heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Vormen nationale normen als de artikelen 8 tot en met 13 van [het koninklijk besluit], die eisen stellen voor de uitvoering van elektrische installaties, voor de bouw van elektrisch materieel en voor de beschermingsinrichtingen bij dit materieel om de bescherming van de werknemers te garanderen, technische voorschriften in de zin van artikel 1, punt 11, van richtlijn [98/34], waarvan de ontwerpen overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn moeten worden meegedeeld?
2) Vormen nationale normen als de artikelen 8 tot en met 13 van [het koninklijk besluit] maatregelen in de zin van artikel 1, in fine, van richtlijn [98/34] die de lidstaten nodig achten om de bescherming van personen, met name van werknemers, bij het gebruik van producten te waarborgen, en die geen nadelige gevolgen hebben voor de producten?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
De eerste vraag
9 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34 aldus moet worden uitgelegd dat nationale bepalingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, technische voorschriften in de zin van die bepaling vormen, waarvan de ontwerpen overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn moeten worden meegedeeld.
10 Het is vaste rechtspraak dat richtlijn 98/34 door middel van een preventieve controle het vrije verkeer van goederen beoogt te beschermen, dat een van de grondslagen van de Europese Unie vormt, en dat deze controle nuttig is omdat onder deze richtlijn vallende technische voorschriften het handelsverkeer tussen de lidstaten kunnen belemmeren en dergelijke belemmeringen alleen kunnen worden toegestaan indien zij noodzakelijk zijn om te voldoen aan dwingende eisen verband houdend met een doelstelling van algemeen belang (zie arresten van 30 april 1996, CIA Security International, C‑194/94, Jurispr. blz. I‑2201, punten 40 en 48, en 8 september 2005, Lidl Italia, C‑303/04, Jurispr. blz. I‑7865, punt 22).
11 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak uit artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34 voortvloeit dat het begrip „technisch voorschrift” uit drie categorieën bestaat, te weten, ten eerste, de „technische specificatie” in de zin van artikel 1, punt 3, van deze richtlijn, ten tweede, de „andere eis” zoals omschreven in artikel 1, punt 4, van deze richtlijn, en ten derde, het in artikel 1, punt 11, van deze richtlijn bedoelde verbod om een product te vervaardigen, in te voeren, te verhandelen of te gebruiken (zie arresten van 21 april 2005, Lindberg, C‑267/03, Jurispr. blz. I‑3247, punt 54, en 8 november 2007, Schwibbert, C‑20/05, Jurispr. blz. I‑9447, punt 34).
12 Voor het geval dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde elektrische installaties als „product” in de zin van artikel 1, punt 1, van richtlijn 98/34 kunnen worden aangemerkt, dient te worden onderzocht of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen onder een van deze drie categorieën vallen.
13 In de eerste plaats kan dienaangaande meteen al worden opgemerkt dat deze bepalingen niet onder de in artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34 bedoelde derde categorie van technische voorschiften vallen, omdat zij geen verbod van vervaardiging, invoer, verhandeling of gebruik van een product in de zin van deze bepaling bevatten.
14 In de tweede plaats dient te worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen onder de in artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34 bedoelde eerste categorie van technische voorschiften, namelijk onder het begrip „technische specificatie”, vallen.
15 Uit de rechtspraak volgt dat dit in artikel 1, punt 3, omschreven begrip vooronderstelt dat de nationale maatregel noodzakelijkerwijze betrekking heeft op het product of de verpakking daarvan als zodanig en dus een van de vereiste kenmerken van het product vaststelt (zie arrest Schwibbert, reeds aangehaald, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16 Opgemerkt zij dat de minimale voorschriften voor de uitvoering van bepaalde elektrische installaties waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen voorzien, de veiligheid van deze installaties beogen te verzekeren ter bescherming van de werknemers die deze installaties gebruiken.
17 Vaststaat dus dat deze minimale voorschiften algemene eisen en doelstellingen inzake veiligheid en bescherming bevatten zonder noodzakelijkerwijze betrekking te hebben op het betrokken product of de verpakking daarvan als zodanig en dus zonder een van de vereiste kenmerken van dit product vast te stellen.
18 Bijgevolg bevatten de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale bepalingen geen technische specificaties in de zin van richtlijn 98/34.
19 In de derde plaats dient te worden nagegaan of deze bepalingen onder de in artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34 bedoelde tweede categorie van technische voorschiften, namelijk onder het begrip „andere eis”, vallen.
20 Volgens de rechtspraak kunnen de minimale voorschriften waarin die bepalingen voorzien, slechts als „andere eis[en]” in de zin van artikel 1, punt 4, van richtlijn 98/34 worden aangemerkt indien zij „voorwaarden” vormen die de samenstelling, de aard of de verhandeling van het betrokken product op significante wijze kunnen beïnvloeden (zie in die zin arrest Lindberg, reeds aangehaald, punt 72).
21 Die voorschriften kunnen wegens het algemene karakter ervan echter geen dergelijke voorwaarden vormen en dus niet als „andere eis[en]” in de zin van artikel 1, punt 4, van richtlijn 98/34 worden aangemerkt.
22 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34 aldus moet worden uitgelegd dat nationale bepalingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, geen technische voorschriften in de zin van die bepaling vormen, waarvan de ontwerpen overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn moeten worden meegedeeld.
De tweede vraag
23 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
24 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998, moet aldus worden uitgelegd dat nationale bepalingen als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, geen technische voorschriften in de zin van die bepaling vormen, waarvan de ontwerpen overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn moeten worden meegedeeld.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy