Zaak C‑381/10
Astrid Preissl KEG
tegen
Landeshauptmann von Wien
(verzoek van de Unabhängiger Verwaltungssenat Wien om een prejudiciële beslissing)
„Industriebeleid – Levensmiddelenhygiëne – Verordening (EG) nr. 852/2004 – Installatie van wasbak in toiletruimte van etablissement waar levensmiddelen worden verhandeld”
Samenvatting van het arrest
Bescherming van volksgezondheid – Levensmiddelenhygiëne – Installatie van wasbak in toiletruimte van etablissement waar levensmiddelen worden verhandeld
(Verordening nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad, bijlage II, hoofdstuk I, punt 4)
Bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van verordening nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne moet aldus worden uitgelegd dat een wasbak in de zin van die bepaling niet uitsluitend bestemd hoeft te zijn voor het reinigen van de handen en dat niet vereist is dat de kraan en het materiaal voor het drogen van de handen zonder handcontact kunnen worden gebruikt.
(cf. punt 31 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
6 oktober 2011 (*)
„Industriebeleid – Levensmiddelenhygiëne –Verordening (EG) nr. 852/2004 − Installatie van wasbak in toiletruimte van etablissement waar levensmiddelen worden verhandeld”
In zaak C‑381/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Unabhängige Verwaltungssenat Wien (Oostenrijk) bij beslissing van 22 juli 2010, ingekomen bij het Hof op 29 juli 2010, in de procedure
Astrid Preissl KEG
tegen
Landeshauptmann von Wien,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: K. Schiemann, kamerpresident, A. Prechal (rapporteur) en E. Jarašiūnas, rechters,
advocaat-generaal: J. Mazák,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Schima en A. Marcoulli als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139, blz. 1, en rectificatie in PB L 226, blz. 3; hierna: „verordening”).
2 Dat verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen Astrid Preissl KEG en de Landeshauptmann von Wien (regeringshoofd van het Land Wien) betreffende een besluit over de installatie van een wasbak in de toiletruimte van het door verzoekster in het hoofdgeding beheerde etablissement, waar levensmiddelen worden verhandeld.
Toepasselijke bepalingen
Wettelijke regeling van de Unie
3 Punt 7 van de considerans van de verordening luidt als volgt:
„De nieuwe algemene en specifieke hygiënevoorschriften hebben in hoofdzaak ten doel een hoog niveau van consumentenbescherming op het vlak van de voedselveiligheid te garanderen.”
4 Artikel 1 van de verordening, met als titel „Toepassingsgebied”, bepaalt in lid 1:
„In deze verordening worden de algemene hygiënevoorschriften op het gebied van levensmiddelen voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vastgesteld, waarbij met name rekening wordt gehouden met de volgende beginselen:
a) de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid berust in eerste instantie bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf;
[...]
d) algemene toepassing van procedures die gebaseerd zijn op de beginselen van het HACCP-systeem [beginselen van gevarenanalyse en kritische controlepunten], wat, samen met goede hygiënepraktijken, resulteert in een grotere verantwoordelijkheid voor de exploitanten van levensmiddelenbedrijven;
[...]”
5 Artikel 2, lid 3, van de verordening luidt:
„In de bijlagen wordt verstaan onder ‚indien nodig’, ‚indien geschikt’, ‚passend’ en ‚voldoende’ respectievelijk indien nodig, indien geschikt, passend en voldoende om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken.”
6 Artikel 4 van de verordening, met het kopje „Algemene en specifieke hygiënevoorschriften”, bepaalt in lid 2:
„Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die zich bezighouden met enigerlei stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen dat volgt op de stadia waarop lid 1 van toepassing is, houden zich aan de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II [...]”
7 Artikel 5 van de verordening, getiteld „Risicoanalyse en kritische controlepunten”, bepaalt in de leden 1 en 2 het volgende:
„1. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven dragen zorg voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen.
2. De in lid 1 bedoelde HACCP-beginselen betreffen:
a) het onderkennen van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden;
[...]”
8 In bijlage II bij de verordening, getiteld „Algemene hygiënevoorschriften voor alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven (behalve indien bijlage I van toepassing is)”, bevat hoofdstuk I, onder het kopje „Algemene eisen voor bedrijfsruimten voor levensmiddelen (anders dan vermeld in hoofdstuk III)”, het volgende punt 4:
„Er moet een voldoende aantal goed geplaatste en gemarkeerde wasbakken voor het reinigen van de handen aanwezig zijn. De wasbakken voor het reinigen van de handen moeten voorzien zijn van warm en koud stromend water en van middelen voor het reinigen en hygiënisch drogen van de handen. Voor zover dat nodig is moeten de voorzieningen voor het wassen van de levensmiddelen gescheiden zijn van de wasbakken voor het reinigen van de handen.”
Nationale regeling
9 Blijkens de verwijzingsbeslissing dient volgens § 39, lid 1, punt 13, van het Lebensmittelsicherheits‑ und Verbraucherschutzgesetz (Wet inzake voedselveiligheid en consumentenbescherming; BGBl. I, 13/2006), wanneer wordt geconstateerd dat inbreuk is gemaakt op voorschriften inzake voedselveiligheid, de Landeshauptmann, afhankelijk van de aard van de overtreding en rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om een gebrek te verhelpen of een risico te verminderen, waarbij hij in voorkomend geval een passende termijn bepaalt en de in acht te nemen vereisten of voorwaarden vastlegt. Die maatregelen kunnen onder meer betrekking hebben op de uitvoering van verbeteringen op het gebied van architectuur, techniek en installaties. De kosten van die maatregelen komen voor rekening van de ondernemer.
10 Volgens § 90, lid 3, punt 1, van voormelde wet is niet-inachtneming van de §§ 96 en 97 van die wet een bestuurlijke overtreding, die kan worden bestraft met een bestuurlijke boete tot 20 000 EUR, maar die in geval van recidive tot 40 000 EUR kan bedragen en, in geval van niet-betaling van die boete, met vervangende hechtenis van maximaal zes weken.
Hoofdgeding en de prejudiciële vragen
11 Bij besluit van 10 maart 2010 heeft de Landeshauptmann von Wien verzoekster in het hoofdgeding gelast, in het personeelstoilet van het door haar gevoerde bedrijf een wasbak te installeren voorzien van warm en koud stromend water, een zeepdispenser en een papierdispenser voor het hygiënisch drogen van de handen. Ook werd voorgeschreven dat de kranen van de wasgelegenheid moesten kunnen worden bediend zonder aanraking met de hand.
12 De verwijzende rechterlijke instantie, waarbij beroep tegen dat besluit is ingesteld, heeft de uitlegging door de Oostenrijkse autoriteiten volgens welke alleen een in de toiletruimte geïnstalleerde wasbak een wasbak in de zin van bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van de verordening is, verworpen. Naar haar oordeel ontbreekt die aanvullende voorwaarde in die bepaling.
13 Zij wijst er echter op dat deze constatering niet volstaat om het geschil definitief te beslechten, daar zij als instantie die een nieuwe beslissing moet geven bovendien zelf dient te bepalen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde installaties aan de vereisten van voormeld punt 4 voldoen.
14 Dienaangaande merkt de verwijzende rechterlijke instantie op dat in het betrokken etablissement, een bar, waar behalve toastjes zo goed als geen levensmiddelen worden bereid, een spoelbak met warmwatertoevoer aanwezig is waarin op elk moment de handen kunnen worden gereinigd, maar die ook voor de afwas wordt gebruikt. Zij vraagt zich af of die spoelbak voldoet aan de uit bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van de verordening voortvloeiende vereisten.
15 De verwijzende rechterlijke instantie preciseert dat, aangezien in het door verzoekster in het hoofdgeding beheerde etablissement nagenoeg geen verse levensmiddelen worden bereid, mag worden aangenomen dat het in de laatste volzin van bedoeld punt 4 gestelde vereiste in een dergelijk geval geen toepassing vindt.
16 De verwijzende rechterlijke instantie vraagt zich echter af of het begrip wasbak in de zin van bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van de verordening betrekking heeft op iedere van warmwatertoevoer voorziene installatie voor het reinigen van de handen, of dat op grond van deze bepaling, gelet op de Duitse taalversie van punt 4, die de term „Handwaschbecken” bevat, de wasbak uitsluitend bestemd moet zijn voor het reinigen van de handen. Bovendien is het de vraag of op grond van punt 4 een wasbak en materiaal voor het drogen van de handen dat zonder handcontact bediend kan worden mogen worden verlangd.
17 Van oordeel dat voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding de uitlegging van voormeld punt 4 noodzakelijk is, heeft de Unabhängige Verwaltungssenat Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Moet het vereiste van bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, bij [de verordening], dat ‚een voldoende aantal [...] wasbakken voor het reinigen van de handen [...] voorzien [...] van warm en koud stromend water [aanwezig moet zijn]’, in die zin worden uitgelegd dat onder het in de Duitse taalversie gebruikte begrip ‚Handwaschbecken’ elke (van warmwatertoevoer voorziene) gelegenheid voor het wassen van de handen moet worden begrepen, of moet onder het begrip ‚wasbak voor het reinigen van de handen’ enkel een wasbak worden begrepen die uitsluitend voor het wassen van de handen dient?
2) Op basis van welke criteria moet worden bepaald wanneer is voldaan aan het in bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, bij [de verordening] aan de geboden hygiëne gestelde vereiste, zoals dit tot uitdrukking komt in de zinsnede ‚de wasbakken [...] moeten voorzien zijn [...] van middelen voor het reinigen en hygiënisch drogen van de handen’? Moet deze bepaling in die zin worden uitgelegd dat een apparaat voor het drogen van de handen of een waterkraan alleen dan aan de hygiënevereisten van bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van [de verordening] voldoet, wanneer dit apparaat of die kraan kan worden gebruikt zonder dat het apparaat of de kraan met de hand hoeft te worden aangeraakt?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
18 Met haar vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechterlijke instantie in hoofdzaak te vernemen of bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, bij de verordening aldus moet worden uitgelegd dat op grond daarvan een wasbak in de zin van deze bepaling uitsluitend bestemd moet zijn voor het reinigen van de handen en de kraan en het materiaal voor het drogen van de handen zonder handcontact moet kunnen worden gebruikt.
19 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat bedoeld punt 4 een algemene hygiëneregel bevat die de in artikel 4, lid 2, van de verordening genoemde exploitanten van levensmiddelenbedrijven op grond van die bepaling in acht moeten nemen.
20 Op grond van hetzelfde punt 4 juncto artikel 4, lid 2, van de verordening dienen die exploitanten dus bepaalde nauwkeurige vereisten op het gebied van de aanwezigheid en de uitrusting van wasbakken in hun etablissementen in acht te nemen.
21 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de bewoordingen zelf van bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van de verordening niet de conclusie wettigen dat volgens die bepaling een wasbak in de zin van deze laatste uitsluitend bestemd moet zijn voor het reinigen van de handen en dat de kraan en het materiaal voor het drogen van de handen moeten kunnen worden gebruikt zonder dat zij met de hand hoeven te worden aangeraakt.
22 Zo bepaalt de laatste volzin van bedoeld punt 4 dat „[v]oorzover dat nodig is [...] de voorzieningen voor het wassen van de levensmiddelen gescheiden [moeten] zijn van de wasbakken voor het reinigen van de handen”. Zoals de Tsjechische regering en de Europese Commissie terecht opmerken, heeft deze zin slechts betekenis indien a priori de in die bepaling bedoelde wasbakken niet alleen bestemd zijn voor het reinigen van de handen, maar ook kunnen dienen voor het wassen van levensmiddelen.
23 Overigens betekent de uitdrukking „voor zover dat nodig is” blijkens de definitie in artikel 2, lid 3, van de verordening, voor zover dat nodig is „om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken”, zodat zij, anders dan inzonderheid door Ierland wordt betoogd, niet aldus kan worden begrepen dat steeds een voorziening voor het reinigen van de handen aanwezig moet zijn wanneer het etablissement over een voorziening voor het wassen van levensmiddelen beschikt.
24 Hieruit volgt dat de term „Handwaschbecken”, in de door de verwijzende rechterlijke instantie in haar eerste vraag bedoelde Duitse taalversie van dat punt, welke term, anders dan de in de overige taalversies van die bepaling gebruikte terminologie, uitdrukkelijk doelt op het reinigen van de handen, in de gehele context van dat punt niet aldus kan worden uitgelegd dat daarmee wordt gedoeld op een voorziening die noodzakelijkerwijs uitsluitend bestemd moet zijn voor het reinigen van de handen.
25 Voorts hebben de Tsjechische regering en de Commissie terecht opgemerkt dat de bewoordingen van bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van de verordening niet verlangen dat de kraan en het materiaal om de handen te drogen, moeten kunnen worden gebruikt zonder dat zij met hand hoeven te worden aangeraakt. Inzonderheid brengt het in dit voorschrift gebruikte begrip „hygiënisch” niet mee dat het hier een algemeen vereiste betreft ongeacht de omstandigheden van het betrokken geval.
26 In de tweede plaats moet aangaande de meer algemene context van bedoeld punt 4, die voor de uitlegging mede in aanmerking moet worden genomen (zie in die zin arrest van 22 december 2010, Feltgen en Bacino Charter Company, C‑116/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak), artikel 5 van de verordening in de beschouwing worden betrokken, zoals de Tsjechische regering en de Commissie terecht opmerken.
27 Volgens lid 1 van bedoeld artikel 5 dienen de exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorg te dragen voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van één of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de HACCP-beginselen. Tot die beginselen behoort het beginsel bedoeld in artikel 5, lid 2, sub a, van de verordening, dat het onderkennen verlangt van elk gevaar dat voorkomen, geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau gereduceerd moet worden.
28 Zoals blijkt uit onder meer artikel 1, lid 1, sub a en d, van de verordening, brengt de in artikel 5, lid 1, van deze laatste neergelegde verplichting het streven van de wetgever van de Unie tot uiting, de verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid in eerste instantie bij de exploitanten van de levensmiddelenbedrijven te leggen.
29 Stellig kunnen zich in voorkomend geval naast de vereisten die uitdrukkelijk uit bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van de verordening voortvloeien aanvullende vereisten opdringen ter bereiking van het voornaamste doel dat de wetgever met de vaststelling van de verordening nastreefde, te weten, volgens punt 7 van de considerans daarvan, „een hoog niveau van consumentenbescherming op het vlak van de voedselveiligheid te garanderen”.
30 Gelet op het doel dat diezelfde wetgever voor ogen had door artikel 5 in de verordening op te nemen, zoals dat in punt 28 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet echter moeten worden geconstateerd dat dergelijke aanvullende vereisten in voorkomend geval veeleer voortvloeien uit de toepassing van dat artikel in een individueel geval, rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van dat geval, dan algemeen – en zonder dat die omstandigheden in de beschouwing worden betrokken – uit bijlage II, hoofdstuk I, punt 4.
31 Op de gestelde vragen moet dus worden geantwoord dat bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van de verordening aldus moet worden uitgelegd dat een wasbak in de zin van die bepaling niet uitsluitend bestemd hoeft te zijn voor het reinigen van de handen en dat niet vereist is dat de kraan en het materiaal voor het drogen van de handen zonder handcontact kunnen worden gebruikt.
Kosten
32 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:
Bijlage II, hoofdstuk I, punt 4, van verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne, moet aldus worden uitgelegd dat een wasbak in de zin van die bepaling niet uitsluitend bestemd hoeft te zijn voor het reinigen van de handen en dat niet vereist is dat de kraan en het materiaal voor het drogen van de handen zonder handcontact kunnen worden gebruikt.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy