ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
19 januari 2012 ( *1 )
„Verordening (EG) nr. 800/1999 — Artikel 15, leden 1 en 3 — Landbouwproducten — Stelsel van uitvoerrestituties — Gedifferentieerde uitvoerrestitutie — Voorwaarden voor toekenning — Invoer van product in derde land van bestemming — Betaling van invoerrechten”
In zaak C-392/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) bij beslissing van 8 juli 2010, ingekomen bij het Hof op 4 augustus 2010, in de procedure
Suiker Unie GmbH — Zuckerfabrik Anklam
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Levits, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, J.-J. Kasel en M. Berger (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
—
Suiker Unie GmbH — Zuckerfabrik Anklam, vertegenwoordigd door P. N. Söhngen, Rechtsanwältin,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Rossi en B.-R. Killmann als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15, leden 1 en 3, van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 102, blz. 11), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 444/2003 van de Commissie van 11 maart 2003 (PB L 67, blz. 3, hierna: „verordening nr. 800/1999”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Duitse vennootschap Suiker Unie GmbH — Zuckerfabrik Anklam (hierna: „Suiker Unie”), rechtsopvolgster van de vennootschap Danisco Zucker GmbH (hierna: „Danisco Zucker”), en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas (hoofddouanekantoor te Hamburg-Jonas, hierna: „Hauptzollamt”) over de terugvordering van een uitvoerrestitutie die het Hauptzollamt bij wijze van voorschot aan Danisco Zucker had betaald.
Toepasselijke bepalingen
Verordening (EEG) nr. 3665/87
3
Artikel 17, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 351, blz. 1), bepaalde dat een landbouwproduct waarvoor was verzocht om toekenning van een gedifferentieerde uitvoerrestitutie „als ingevoerd [wordt] beschouwd wanneer de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld”.
Verordening nr. 800/1999
4
In de ten tijde van de feiten van het hoofdgeding geldende versie ervan bepaalde verordening nr. 800/1999, die in de plaats is gekomen van verordening nr. 3665/87, in punt 17 van de considerans dat „het bewijs moet worden geleverd dat het betrokken product in een derde land is ingevoerd [en] dat de vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer met name bestaat in het betalen van de invoerrechten die gelden om het product op de markt van het betrokken derde land te kunnen afzetten”.
5
Artikel 15 van die verordening is in de volgende bewoordingen gesteld:
„1. Het product moet binnen twaalf maanden na de datum waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in het derde land of in een van de derde landen waarvoor de restitutie is vastgesteld, in ongewijzigde staat zijn ingevoerd; onder de in artikel 49 vastgestelde voorwaarden kunnen evenwel aanvullende termijnen worden toegekend.
2. Als producten die in ongewijzigde staat zijn ingevoerd, worden aangemerkt producten ten aanzien waarvan op geen enkele manier blijkt dat be- of verwerking heeft plaatsgevonden.
Evenwel geldt dat:
—
[...]
—
wanneer een product, alvorens het is ingevoerd, een be- of verwerking heeft ondergaan, het toch wordt geacht in ongewijzigde staat te zijn ingevoerd, op voorwaarde dat die be- of verwerking is gebeurd in het derde land waar alle bij de be- of verwerking verkregen producten zijn ingevoerd.
3. Het product wordt geacht te zijn ingevoerd wanneer de douaneformaliteiten bij invoer in het derde land, en met name de douaneformaliteiten voor de inning van de rechten bij invoer in dit land, zijn vervuld.
[...]”
6
Artikel 16, lid 1, van die verordening luidt als volgt:
„1. Het bewijs dat de douaneformaliteiten voor invoer zijn vervuld, wordt geleverd door overlegging van een van de volgende documenten naar keuze van de exporteur:
a)
het douanedocument, een kopie of een fotokopie daarvan; [...]
b)
een verklaring van lossing en invoer die [...] is opgesteld overeenkomstig de bepalingen in bijlage VI, hoofdstuk III, volgens het model in bijlage VII. In de betrokken verklaring moeten de datum en het nummer van het douanedocument van invoer worden vermeld.”
7
Hoofdstuk III van bijlage VI bij voormelde verordening bepaalt in punt 2 met name dat, voor in artikel 16, lid 1, sub b, van die verordening bedoelde verklaringen van lossing en invoer, „de certificering ook de verificatie [moet] omvatten dat de goederen door de douanediensten voor definitieve invoer zijn ingeklaard”.
8
In artikel 20 van verordening nr. 800/1999, dat is opgenomen in afdeling 3 („Specifieke maatregelen ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap”) van hoofdstuk 1 van titel II van die verordening, is bepaald:
„1. Wanneer:
a)
ernstige twijfel bestaat over de werkelijke bestemming van het product,
of
b)
het product opnieuw in de Gemeenschap zou kunnen worden ingevoerd wegens een verschil tussen het bedrag van de restitutie voor het uitgevoerde product en het bedrag van de niet-preferentiële rechten bij invoer voor eenzelfde product op de dag waarop de aangifte ten uitvoer wordt aanvaard,
of
c)
het concrete vermoeden bestaat dat het product in ongewijzigde staat of na be- of verwerking in een derde land opnieuw in de Gemeenschap zal worden ingevoerd met vrijstelling of verlaging van dat recht,
wordt de niet-gedifferentieerde restitutie of het in artikel 18, lid 2, bedoelde gedeelte van de restitutie slechts betaald indien het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten overeenkomstig artikel 7, en
i)
bij een niet-gedifferentieerde restitutie, het product binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in een derde land is ingevoerd of daar binnen die termijn een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92 [van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1, hierna: ‚douanewetboek’)] heeft ondergaan;
ii)
bij een naar bestemming gedifferentieerde restitutie, het product binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard, in ongewijzigde staat in een nader bepaald derde land is ingevoerd.
Voor de invoer in een derde land geldt het bepaalde in artikel 15 en artikel 16.
Voor alle restituties kunnen de bevoegde diensten van de lidstaten bovendien aanvullende bewijzen eisen waaruit ten genoegen van de bevoegde autoriteiten moet blijken dat het product daadwerkelijk op de markt is gebracht in een derde land van invoer of daar een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van [het douanewetboek] heeft ondergaan.
[...]
4. Het bepaalde in lid 1 wordt toegepast voordat de restitutie wordt betaald.
De restitutie wordt evenwel beschouwd als niet verschuldigd en moet worden terugbetaald wanneer de bevoegde autoriteiten, zelfs na betaling van de restitutie, vaststellen dat:
a)
het product is vernietigd of ernstig beschadigd voordat het in een derde land op de markt is gebracht of in een derde land een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van [het douanewetboek] heeft ondergaan, tenzij de exporteur ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan aantonen dat de uitvoer onder zodanige economische voorwaarden heeft plaatsgevonden dat het product redelijkerwijze op de markt van een derde land kon worden afgezet, onverminderd het bepaalde in artikel 21, lid 2, tweede alinea;
b)
het product twaalf maanden na de datum van uitvoer uit de Gemeenschap in een derde land nog steeds onder een rechtenopschortende regeling is geplaatst zonder in een derde land een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van [het douanewetboek] te hebben ondergaan, en de uitvoer niet heeft plaatsgevonden in het kader van een normale handelstransactie;
c)
het uitgevoerde product opnieuw in de Gemeenschap wordt ingevoerd zonder dat het een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van [het douanewetboek] heeft ondergaan, en het niet-preferentiële recht bij invoer lager is dan de toegekende restitutie, en de uitvoer niet heeft plaatsgevonden in het kader van een normale handelstransactie;
d)
de in bijlage V bedoelde uitgevoerde producten opnieuw in de Gemeenschap worden ingevoerd:
—
nadat zij in een derde land een be- of verwerking hebben ondergaan zonder het in artikel 24 van [het douanewetboek] bedoelde niveau van be- of verwerking te hebben bereikt, en
—
daarbij in aanmerking komen voor de toepassing van een nulrecht of van een recht bij invoer dat lager is dan het niet-preferentiële recht.
[...]”
Douanewetboek
9
Artikel 24 van het douanewetboek bepaalt:
„Goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
10
Door middel van een aangifte ten uitvoer van 16 mei 2003 heeft Danisco Zucker de uitvoer van 23 000 kilogram witte suiker naar Litouwen aangegeven en het Hauptzollamt daarvoor verzocht om betaling van een uitvoerrestitutie in de vorm van een voorschot. Bij beschikking van 2 juni 2003 heeft het Hauptzollamt het verzoek ingewilligd.
11
Bij brief van 29 augustus 2003 heeft Danisco Zucker aan het Hauptzollamt Litouwse douanedocumenten in verband met de litigieuze uitvoer toegezonden. Daarop stond in vak 37 code 5100 vermeld, die staat voor „tijdelijke invoer met wederuitvoer in veredelde vorm” zonder betaling van invoerrechten. De witte suiker werd in Litouwen in frisdranken verwerkt en vervolgens naar Letland en Estland uitgevoerd.
12
Bij wijzigingsbeschikking van 25 november 2003 heeft het Hauptzollamt de bij wijze van voorschot aan Danisco Zucker betaalde uitvoerrestitutie, vermeerderd met 10 %, voor een totaal van 12180,18 EUR teruggevorderd, op grond dat de witte suiker niet in Litouwen in het vrije verkeer was gebracht en daarom niet was voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van een gedifferentieerde restitutie.
13
Nadat haar bezwaar was afgewezen, heeft Danisco Zucker op 2 november 2007 beroep ingesteld bij het Finanzgericht Hamburg. Zij heeft opgemerkt dat het product overeenkomstig artikel 15, lid 1, van verordening nr. 800/1999 weliswaar in ongewijzigde staat in het derde land moet zijn ingevoerd, maar dat het volgens artikel 15, lid 3, van deze verordening wordt geacht te zijn ingevoerd wanneer de douaneformaliteiten bij invoer en met name de formaliteiten in verband met inning van de invoerrechten in het betrokken derde land zijn vervuld. Hoewel artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87 bepaalde dat het product pas werd geacht te zijn ingevoerd na vervulling van de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het betrokken derde land, verwijst artikel 15 van verordening nr. 800/1999 niet naar de invoer tot verbruik, zodat daaruit volgens haar dient te worden geconcludeerd dat de gemeenschapswetgever welbewust heeft afgezien van het vereiste van een dergelijke invoer.
14
Danisco Zucker heeft betoogd dat aangezien de term „invoer” niet wettelijk is gedefinieerd en de uitvoerrestitutie tot doel heeft de Uniemarkt voor de betrokken producten te ontlasten, uitsluitend van belang is of de douaneformaliteiten zijn vervuld. Of ook douanerechten zijn betaald, is daarentegen niet relevant.
15
Ten slotte heeft Danisco Zucker aangevoerd dat het geen verschil uitmaakt of de goederen in het derde land worden geplaatst onder een regeling van actieve veredeling in het systeem van terugbetaling van douanerechten dan wel — zoals in een situatie als die van het hoofdgeding — van schorsing van douanerechten. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat het ten bewijze van de invoer voldoende is dat de goederen onder de regeling van actieve veredeling in het systeem van terugbetaling van de douanerechten zijn geplaatst. Verzoekster, als rechtsopvolger van Danisco Zucker, heeft dan ook geconcludeerd tot nietigverklaring van de wijzigingsbeschikking van 25 november 2003 alsmede van de beschikking op bezwaar van 1 oktober 2007.
16
Het Hauptzollamt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Het heeft erop gewezen dat de witte suiker, die enkel onder een regeling van actieve veredeling zonder inning van invoerrechten was geplaatst, zich in casu onder douanetoezicht had bevonden vanaf de plaatsing onder deze regeling tot en met de beëindiging van de actieve veredeling door uitvoer van de veredelde producten. De witte suiker had dus niet vrij kunnen worden afgezet op de markt van het derde land.
17
Daarop heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Is voldaan aan de voorwaarde voor toekenning van een gedifferentieerde restitutie zoals geregeld in artikel 15, lid 1, juncto lid 3, van verordening [...] nr. 800/1999 [...], namelijk dat de douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld, wanneer het product in het derde land van bestemming na plaatsing onder een regeling van actieve veredeling zonder inning van invoerrechten een ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 24 van [het douanewetboek] ondergaat, en het bij deze be- of verwerking verkregen product in een derde land wordt uitgevoerd?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
18
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, leden 1 en 3, van verordening nr. 800/1999 aldus dient te worden uitgelegd dat is voldaan aan de in deze bepaling neergelegde voorwaarde voor toekenning van een gedifferentieerde restitutie, namelijk dat de douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld, wanneer het product in het derde land van bestemming na plaatsing onder een regeling van actieve veredeling zonder inning van invoerrechten een „ingrijpende [...] verwerking of bewerking” ondergaat in de zin van artikel 24 van het douanewetboek, en het bij deze be- of verwerking verkregen product in een derde land wordt uitgevoerd.
19
In dat verband moet worden vastgesteld dat het begrip „invoer” niet wordt gedefinieerd in verordening nr. 800/1999, zoals verzoekster in het hoofdgeding terecht benadrukt. Bijgevolg moet de draagwijdte van dat begrip in de context van artikel 15 van die verordening worden bepaald, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de zogenoemde „gedifferentieerde” uitvoerrestitutie en met de bewoordingen van verordening nr. 800/1999.
20
Wat de doelstelling van de gedifferentieerde uitvoerrestituties betreft, volgt uit vaste rechtspraak dat zij tot doel hebben de markten van de betrokken derde landen voor exporten uit de Europese Unie toegankelijk te maken of te houden, waarbij de differentiatie van de restitutie berust op de wens rekening te houden met de bijzondere kenmerken van iedere invoermarkt waarop de Unie zich wil doen gelden (zie arrest van 18 maart 2010, SGS Belgium e.a., C-218/09, Jurispr. blz. I-2373, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
Uit deze rechtspraak volgt dat aan het stelsel van gedifferentieerde restituties de bestaansgrond zou komen te ontvallen wanneer het ter verkrijging van een restitutie zou volstaan dat de uitgevoerde waar in het derde land eenvoudig werd gelost in de toestand waarin zij zich bevindt (arrest SGS Belgium e.a., reeds aangehaald, punt 39). Het stelsel van gedifferentieerde restituties vereist integendeel, zoals de Commissie benadrukt, dat het betrokken product de markt van bestemming daadwerkelijk en definitief bereikt en dus daar in de handel kan worden gebracht. Dat stelsel onderscheidt zich aldus van het stelstel van de niet-gedifferentieerde restitutie.
22
Het is juist dat, anders dan in artikel 15, leden 1 en 3, van verordening nr. 800/1999, in — het in casu niet toepasselijke — artikel 17, lid 3, van verordening nr. 3665/87 dienaangaande nog uitdrukkelijk was bepaald dat „de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land” moesten zijn vervuld. Punt 17 van de considerans van verordening nr. 800/1999 luidt evenwel dat de vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer in het derde land met name bestaat in het betalen van de invoerrechten die gelden om het product op de markt van het betrokken derde land te kunnen afzetten.
23
Voorts bepaalt artikel 15, lid 3, van verordening nr. 800/1999 dat het betrokken product slechts kan worden geacht te zijn ingevoerd in een derde land wanneer de douaneformaliteiten bij invoer, „en met name de douaneformaliteiten voor de inning van de rechten bij invoer in dit land, zijn vervuld”. Ten slotte bepaalt bijlage VI bij die verordening in hoofdstuk III, punt 2, dat voor de in artikel 16, lid 1, sub b, bedoelde verklaringen van lossing en invoer, de certificering ook de verificatie moet omvatten dat de goederen door de douanediensten „voor definitieve invoer” zijn ingeklaard.
24
Gelet op het voorgaande blijkt dus niet dat de gemeenschapswetgever door de vaststelling van artikel 15 van verordening nr. 800/1999 de voorwaarde heeft laten vallen dat het ingevoerde product definitief de markt van het betrokken derde land moet hebben bereikt om er in de handel te worden gebracht.
25
De inklaring van een product onder een douaneregeling van „actieve veredeling” heeft niet tot doel dit product in het betrokken derde land op de markt te brengen. Een dergelijke regeling strekt er integendeel juist toe, van douanerechten enkel vrij te stellen de goederen die slechts tijdelijk in het nationale grondgebied worden gebracht om er te worden bewerkt, hersteld of verwerkt, en daarna weer te worden uitgevoerd (zie arrest van 4 juni 2009, Pometon, C-158/08, Jurispr. blz. I-4695, punt 24).
26
De loutere inklaring in het betrokken derde land, onder een douaneregeling van „actieve veredeling”, van een product waarvoor een gedifferentieerde uitvoerrestitutie is aangevraagd, kan dus niet worden beschouwd als een „invoer” in dat derde land in de zin van artikel 15, lid 3, van verordening nr. 800/1999.
27
Aan die conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat het betrokken product in het derde land ingrijpend is verwerkt in de zin van artikel 24 van het douanewetboek. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling dat de keuze voor de douaneregeling van de „actieve veredeling” meebrengt dat noch het product zelf noch het daaruit verkregen veredelde product in het betrokken land in de handel zullen worden gebracht.
28
Evenmin wordt aan die conclusie afgedaan door het argument dat die uitlegging van artikel 15 van verordening nr. 800/1999 in strijd is met artikel 20 van deze verordening, aangezien dit laatste artikel bepaalt dat het bewijs van de ingrijpende verwerking van een product in de zin van artikel 24 van het douanewetboek in bepaalde gevallen de twijfels aangaande de vervulling van de voorwaarden voor de toekenning van de uitvoerrestitutie kan wegnemen.
29
Zoals de Commissie heeft benadrukt, heeft artikel 20 van verordening nr. 800/1999 als antimisbruikclausule immers een andere doelstelling dan artikel 15 van deze verordening. Artikel 20 maakt het mogelijk een ongerechtvaardigd verzoek om terugbetaling van een terecht toegekende restitutie te voorkomen, maar roept geen nieuwe — of zelfs maar andere — voorwaarden voor het verkrijgen van een uitvoerrestitutie in het leven. Het vindt dus geen toepassing in een geval waarin, zoals in het hoofdgeding, van meet af aan blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van een uitvoerrestitutie.
30
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 15, leden 1 en 3, van verordening nr. 800/1999 aldus moet worden uitgelegd dat niet is voldaan aan de in deze bepaling neergelegde voorwaarde voor toekenning van een gedifferentieerde restitutie, namelijk dat de douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld, wanneer het product in het derde land van bestemming na plaatsing onder een regeling van actieve veredeling zonder inning van invoerrechten een „ingrijpende [...] verwerking of bewerking” in de zin van artikel 24 van het douanewetboek ondergaat, en het bij deze be- of verwerking verkregen product in een derde land wordt uitgevoerd.
Kosten
31
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 15, leden 1 en 3, van verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie van 15 april 1999 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 444/2003 van de Commissie van 11 maart 2003, moet aldus worden uitgelegd dat niet is voldaan aan de in deze bepaling neergelegde voorwaarde voor toekenning van een gedifferentieerde restitutie, namelijk dat de douaneformaliteiten bij invoer zijn vervuld, wanneer het product in het derde land van bestemming na plaatsing onder een regeling van actieve veredeling zonder inning van invoerrechten een „ingrijpende [...] verwerking of bewerking” in de zin van artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek ondergaat, en het bij deze be- of verwerking verkregen product in een derde land wordt uitgevoerd.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy