Zaak C‑507/10
X
tegen
Y
(verzoek van de met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter bij het Tribunale di Firenze om een prejudiciële beslissing)
„Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2001/220/JBZ – Status van slachtoffers in strafzaken – Bescherming van kwetsbare personen – Horen van minderjarigen als getuige – Incidentele procedure tot vervroegde bewijsvoering – Weigering van openbaar ministerie om met gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter om verhoor te verzoeken”
Samenvatting van het arrest
1. Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Status van slachtoffer in strafprocedure – Kaderbesluit 2001/220 – Bijzonder kwetsbaar slachtoffer – Begrip – Jong kind, vermeend slachtoffer van handelingen van seksuele aard – Daaronder begrepen
(Kaderbesluit 2001/220 van de Raad, art. 2, lid 2, en 8, lid 4)
2. Europese Unie – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Status van slachtoffer in strafprocedure – Kaderbesluit 2001/220 – Bescherming van bijzonder kwetsbare slachtoffers – Modaliteiten
(Art. 34 EU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47; kaderbesluit 2001/220 van de Raad, art. 2, 3 en 8)
1. Hoewel kaderbesluit 2001/220 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure geen definitie geeft van het begrip kwetsbaarheid van het slachtoffer in de zin van de artikelen 2, lid 2, en 8, lid 4, van dat besluit, kan niet worden betwist dat wanneer een jong kind beweert herhaaldelijk het slachtoffer te zijn geweest van door zijn vader verrichte handelingen van seksuele aard, dit kind kennelijk in aanmerking komt voor een dergelijke kwalificatie, in het bijzonder gelet op de leeftijd van het kind en de aard en gevolgen van de strafbare feiten waarvan het stelt het slachtoffer te zijn geweest, om in aanmerking te komen voor de specifieke bescherming die voornoemde bepalingen van het kaderbesluit voorschrijven.
(cf. punt 26)
2. De artikelen 2, 3 en 8, lid 4, van kaderbesluit 2001/220 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen die niet voorzien in een verplichting voor het openbaar ministerie om het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is, te verzoeken een bijzonder kwetsbaar slachtoffer toe te laten om tijdens het vooronderzoek van de strafprocedure te worden gehoord en een verklaring af te laten leggen volgens de regels van de procedure van het bewijsincident, en evenmin voorzien in de mogelijkheid voor bedoeld slachtoffer om bij een rechter op te komen tegen de afwijzing door het openbaar ministerie van het verzoek om overeenkomstig bedoelde regels te worden gehoord en een verklaring af te leggen.
Geen van deze bepalingen van het kaderbesluit voorziet immers in concrete maatregelen ter verwezenlijking van de daarin vermelde doelstellingen. Bij ontbreken van nadere preciseringen in deze bepalingen en gelet op artikel 34 EU moet worden vastgesteld dat het kaderbesluit de nationale autoriteiten een ruime beoordelingsmarge laat inzake deze maatregelen.
In dit verband kan de omstandigheid dat volgens het nationale recht het openbaar ministerie bevoegd is om te beslissen of aan de rechter waarbij de zaak aanhangig is, het verzoek wordt voorgelegd om de procedure van het bewijsincident te gebruiken, worden beschouwd als overeenstemmend met de logica van een systeem waarin het openbaar ministerie een rechterlijke instantie is die met de uitoefening van de strafvervolging is belast. In het licht van de noodzaak om de fundamentele rechten te eerbiedigen moeten de nationale autoriteiten echter in elke zaak waarborgen dat de toepassing van een dergelijke procedure er niet toe leidt dat de strafprocedure, in haar geheel beschouwd, onbillijk wordt.
Voorts moet, om te verzekeren dat het slachtoffer daadwerkelijk en adequaat kan deelnemen aan de strafprocedure, zijn recht om te worden gehoord hem dus, naast de mogelijkheid om een objectieve beschrijving te geven van het feitenverloop, de gelegenheid bieden zijn zienswijze daarover te geven. Dit neemt evenwel niet weg dat noch de bepalingen van het kaderbesluit, noch artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het slachtoffer van een strafbaar feit een recht garanderen om tegen een derde een strafvervolging te laten instellen om diens veroordeling te verkrijgen.
(cf. punten 27‑28, 33, 37‑38, 42‑44 en dictum)
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
21 december 2011 (*)
„Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit 2001/220/JBZ – Status van slachtoffers in strafzaken – Bescherming van kwetsbare personen – Horen van minderjarigen als getuige – Incidentele procedure tot vervroegde bewijsvoering – Weigering van openbaar ministerie om met gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter om verhoor te verzoeken”
In zaak C‑507/10,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter bij het Tribunale di Firenze (Italië) bij beslissing van 8 oktober 2010, ingekomen bij het Hof op 25 oktober 2010, in de strafzaak tegen
X
in tegenwoordigheid van:
Y,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), kamerpresident, U. Lõhmus, A. Rosas, A. Ó Caoimh en A. Arabadjiev, rechters,
advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– X, vertegenwoordigd door F. Bagattini, avvocato,
– Y, vertegenwoordigd door G. Vitiello en G. Paloscia, avvocati,
– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Arena, avvocato dello Stato,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door T. Henze als gemachtigde,
– Ierland, vertegenwoordigd door D. O’Hagan als gemachtigde,
– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels en M. de Ree als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Recchia en R. Troosters als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 oktober 2011,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2, 3 en 8 van het kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (PB L 82, blz. 1; hierna: „kaderbesluit”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen X, die ervan wordt verdacht handelingen van seksuele aard te hebben verricht bij zijn minderjarige dochter Y.
Toepasselijke bepalingen
Het kaderbesluit
3 Volgens artikel 1, sub a, van het kaderbesluit wordt voor de toepassing van dat besluit onder het begrip „slachtoffer” verstaan „de natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden”.
4 Artikel 2 van het kaderbesluit, met als opschrift „Respect en erkenning”, luidt als volgt:
„1. Elke lidstaat ruimt in zijn strafrecht een reële en passende rol in voor het slachtoffer. Hij blijft al het nodige doen om te waarborgen dat het slachtoffer tijdens de procedure met het gepaste respect voor zijn persoonlijke waardigheid wordt bejegend, en erkent de rechten en rechtmatige belangen van het slachtoffer, in het bijzonder in de strafprocedure.
2. Elke lidstaat waarborgt dat bijzonder kwetsbare slachtoffers een specifieke behandeling kunnen krijgen die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt.”
5 Artikel 3 van het kaderbesluit, met als opschrift „Hoor en bewijslevering”, bepaalt:
„Elke lidstaat waarborgt het slachtoffer de mogelijkheid om tijdens de procedure gehoord te worden en bewijselementen aan te dragen.
Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voor zover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.”
6 Artikel 8 van het kaderbesluit, met als opschrift „Recht op bescherming”, luidt als volgt:
„1. Elke lidstaat waarborgt een passend niveau van bescherming voor het slachtoffer en, in voorkomend geval, diens familieleden of gelijkgestelde personen, met name wat betreft hun veiligheid en de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer, wanneer er naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een ernstige dreiging van wraakacties bestaat of er sterke aanwijzingen zijn dat de persoonlijke levenssfeer ernstig en opzettelijk wordt aangetast.
2. Daartoe waarborgt elke lidstaat onverminderd lid 4 de mogelijkheid tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de goede naam van het slachtoffer, diens familieleden of gelijkgestelde personen, indien nodig in het kader van een rechterlijke procedure.
3. Elke lidstaat waarborgt tevens dat contact tussen slachtoffers en daders in gerechtsgebouwen vermeden kan worden, tenzij dit contact in het kader van de strafprocedure noodzakelijk is. Zo nodig rust elke lidstaat de gerechtsgebouwen daartoe geleidelijk uit met afzonderlijke wachtkamers voor slachtoffers.
4. Elke lidstaat waarborgt dat wanneer slachtoffers, vooral de kwetsbaarste, beschermd moeten worden tegen de gevolgen van hun verklaringen ter terechtzitting, zij op grond van een rechterlijke beslissing hun verklaringen kunnen afleggen onder omstandigheden waaronder dat doel bereikt kan worden, met behulp van elk middel dat verenigbaar is met de grondbeginselen van zijn recht.”
Nationale wettelijke regeling
7 Artikel 392, lid 1 bis, van het Italiaanse wetboek van strafvordering (hierna: „CPP”), dat is opgenomen in boek V van dat wetboek, met het opschrift „Gerechtelijk vooronderzoek en preliminaire zitting”, bepaalt:
„In procedures met betrekking tot de strafbare feiten als bedoeld in de artikelen [...] 609 quater van het strafwetboek, kan het openbaar ministerie, ook op verzoek van het slachtoffer, dan wel de persoon tegen wie het onderzoek is gericht, verzoeken dat bij wege van een bewijsincident wordt overgegaan tot het afnemen van een getuigenverklaring van een minderjarige persoon of een meerderjarig slachtoffer, ook buiten de in lid 1 genoemde gevallen.”
8 Artikel 394 CPP bepaalt:
„1. Het slachtoffer kan het openbaar ministerie verzoeken de procedure van het bewijsincident te openen.
2. Indien het openbaar ministerie dit verzoek niet inwilligt, geeft het een met redenen omkleed besluit, waarvan het slachtoffer in kennis wordt gesteld.”
9 Artikel 398, lid 5 bis, CPP luidt als volgt:
„Wanneer in het vooronderzoek met betrekking tot strafbare feiten van de artikelen [...] 609 quater [...] van het strafwetboek, een bij het bewijsonderzoek betrokken persoon minderjarig is, beslist de rechter bij beschikking vermeld in lid 2 over de plaats, het tijdstip en de bijzondere voorwaarden voor het bewijsonderzoek bij wege van incident, indien de situatie van de minderjarige zulks opportuun en noodzakelijk maakt. Daartoe kan het horen elders plaatsvinden dan in het gerechtsgebouw, in eventuele gespecialiseerde instellingen of, bij gebreke daarvan, ten huize van de minderjarige. De getuigenverklaringen moeten integraal worden vastgelegd door middel van geluidsregistratie of met audiovisuele middelen. Indien de benodigde opnameapparatuur of het benodigde technisch personeel niet beschikbaar zijn, schakelt de rechter deskundigen of technische adviseurs in. Voorts wordt een samenvattend proces-verbaal van de ondervraging opgemaakt. Transscriptie van de opnamen vindt slechts plaats op verzoek van partijen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
10 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Z een klacht heeft ingediend tegen X wegens het in 2007 herhaaldelijk verrichten van handelingen van seksuele aard, die strafbaar zijn krachtens artikel 609 quater van het strafwetboek (hierna: „CP”) juncto artikel 81 van datzelfde wetboek, bij hun dochter Y, die toen vijf jaar was.
11 Die klacht heeft geleid tot de opening van een vooronderzoek, tijdens hetwelk Y meermaals door verschillende deskundigen in de psychologie en de pediatrie werd gehoord. Na deze maatregelen heeft het openbaar ministerie op 8 mei 2008 verzocht om de zaak te seponeren.
12 Omdat Y bezwaar heeft gemaakt tegen dit sepotverzoek heeft de met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter, overeenkomstig de toepasselijke procesregels, een zitting in raadkamer gelast om de partijen toe te laten zich over de gegrondheid van dit verzoek uit te spreken en om, in voorkomend geval, om een aanvullend onderzoek of de verwijzing naar een gerecht te vragen. Tijdens die zitting heeft Y, overeenkomstig artikel 394 CPP, het openbaar ministerie verzocht te worden gehoord als getuige in een incidentele procedure van vervroegde bewijslevering, ook bekend als de „procedure van het bewijsincident”.
13 Nadat hij het akkoord had verkregen van het openbaar ministerie over het verzoek tot opening van de procedure van het bewijsincident heeft de verwijzende rechter overeenkomstig artikel 398, lid 5 bis, CPP het verhoor van de minderjarige volgens bijzondere maatregelen gelast. Tijdens dat verhoor heeft Y bevestigd dat haar vader handelingen van seksuele aard bij haar heeft verricht.
14 Op 27 mei 2010 heeft de Corte suprema di cassazione de beslissing van de verwijzende rechter om de procedure van het bewijsincident toe te passen, vernietigd.
15 Op 14 juli 2010 heeft het openbaar ministerie opnieuw verzocht de zaak te seponeren. Het slachtoffer heeft zich tegen dit verzoek verzet.
16 De verwijzende rechter heeft een nieuwe zitting in raadkamer gelast, tijdens welke Y het openbaar ministerie heeft verzocht opnieuw om een verhoor in het kader van de procedure van het bewijsincident te verzoeken. Het openbaar ministerie heeft zich niet uitgesproken over dit verzoek en opnieuw verzocht de zaak te seponeren.
17 De met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter bij het Tribunale di Firenze, die zich de vraag stelt of de procedure voor minderjarige slachtoffers als geregeld in de artikelen 392, lid 1 bis, 394 en 398 CPP, verenigbaar is met de artikelen 2, 3 en 8 van het kaderbesluit, in die zin dat die regeling, enerzijds, het openbaar ministerie niet verplicht om gevolg te geven aan het verzoek van het slachtoffer om de procedure van het bewijsincident te gebruiken en, anderzijds, het slachtoffer niet toestaat om bij de rechter tegen de afwijzing van het verzoek door het openbaar ministerie op te komen, heeft beslist om de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken zich over de strekking van de genoemde artikelen van het kaderbesluit uit te spreken.
Bevoegdheid van het Hof
18 Volgens artikel 9 van het aan het VWEU gehechte protocol betreffende de overgangsbepalingen (nr. 36) worden de rechtsgevolgen van het kaderbesluit, dat is aangenomen op grond van titel VI EU-Verdrag vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, gehandhaafd zolang dat kaderbesluit niet krachtens de verdragen is ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd.
19 Bovendien bepaalt artikel 10, lid 1, van datzelfde protocol dat de bevoegdheden van het Hof voor wat betreft de handelingen van de Unie op het gebied van de politiële samenwerking en de justitiële samenwerking in strafzaken die voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon krachtens titel VI EU-Verdrag zijn vastgesteld, ongewijzigd blijven, ook in die gevallen waarin deze krachtens artikel 35, lid 2, EU zijn aanvaard. Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van dat protocol houdt de overgangsmaatregel van lid 1 op effect te sorteren vijf jaar na 1 december 2009, datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon.
20 Uit de informatie betreffende de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 1 mei 1999 (PB L 114, blz. 56), blijkt dat de Italiaanse Republiek een verklaring in de zin van artikel 35, lid 2, EU heeft afgelegd waarbij zij de bevoegdheid van het Hof heeft aanvaard om uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van de in artikel 35 EU bedoelde handelingen volgens de voorwaarden van lid 3, sub b, van dat artikel.
21 Vaststaat dat het op de artikelen 31 EU et 34 EU gebaseerde kaderbesluit onder de in artikel 35, lid 1, EU bedoelde handelingen valt waarover het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak kan doen, en het is evenmin betwist dat de met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter, handelend in het kader van een procedure als die in het hoofdgeding, moet worden aangemerkt als een rechterlijke instantie van een lidstaat in de zin van artikel 35 EU (zie met name arrest van 28 juni 2007, Dell’Orto, C‑467/05, blz. I‑5557, punt 35).
22 In die omstandigheden moeten de gestelde vragen worden beantwoord.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
23 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 2, 3 en 8, lid 4, van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale bepalingen, zoals die van de artikelen 392, lid 1 bis, 398, lid 5 bis, en 394 CPP, die, enerzijds, niet voorzien in een verplichting voor het openbaar ministerie om het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is te verzoeken een bijzonder kwetsbaar slachtoffer toe te laten om tijdens het vooronderzoek van de strafprocedure te worden gehoord en een verklaring af te laten leggen volgens de maatregelen van de procedure van het bewijsincident, en anderzijds bedoeld slachtoffer niet toelaten bij een rechter op te komen tegen de beslissing van het openbaar ministerie tot afwijzing van het verzoek om te worden gehoord en een verklaring af te leggen met toepassing van bedoelde maatregelen.
24 Volgens artikel 3 van het kaderbesluit waarborgt elke lidstaat alle slachtoffers de mogelijkheid om tijdens de procedure te worden gehoord en bewijselementen aan te dragen, en neemt hij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voor zover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure door de autoriteiten wordt ondervraagd.
25 De artikelen 2 en 8, lid 4, van het kaderbesluit verplichten elke lidstaat al het nodige te doen om te waarborgen dat alle slachtoffers tijdens de procedure met het gepaste respect voor hun persoonlijke waardigheid worden bejegend, er over te waken dat bijzonder kwetsbare slachtoffers een specifieke behandeling kunnen krijgen die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt, en te waarborgen dat slachtoffers, vooral de kwetsbaarste, wanneer zij moeten worden beschermd tegen de gevolgen van hun verklaringen ter terechtzitting, op grond van een rechterlijke beslissing hun verklaringen kunnen afleggen onder omstandigheden waaronder dat doel kan worden bereikt, met behulp van elk middel dat verenigbaar is met de grondbeginselen van zijn recht.
26 Hoewel het kaderbesluit geen definitie geeft van het begrip kwetsbaarheid van het slachtoffer in de zin van de artikelen 2, lid 2, en 8, lid 4, van dat besluit, kan niet worden betwist dat wanneer, zoals in het hoofdgeding, een jong kind beweert herhaaldelijk het slachtoffer te zijn geweest van door zijn vader verrichte handelingen van seksuele aard, dit kind kennelijk in aanmerking komt voor een dergelijke kwalificatie, in het bijzonder wanneer rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en de aard en gevolgen van de strafbare feiten waarvan het stelt het slachtoffer te zijn geweest, om in aanmerking te komen voor de specifieke bescherming die voornoemde bepalingen van het kaderbesluit voorschrijven (zie in die zin arrest van 16 juni 2005, Pupino, C‑105/03, Jurispr. blz. I‑5285, punt 53).
27 Geen van de drie door de verwijzende rechter aangehaalde bepalingen van het kaderbesluit voorziet in concrete maatregelen ter verwezenlijking van de daarin vermelde doelstellingen, die er in het bijzonder in bestaan te garanderen dat alle slachtoffers „met het gepaste respect voor [hun] persoonlijke waardigheid worden bejegend”, dat zij de mogelijkheid krijgen om tijdens de procedure „gehoord te worden” en „bewijselementen aan te dragen”, dat zij „slechts voor zover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure word[en] ondervraagd”, dat „bijzonder kwetsbare slachtoffers een specifieke behandeling kunnen krijgen die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt” en dat de slachtoffers in voorkomend geval worden beschermd „tegen de gevolgen van hun verklaringen ter terechtzitting”, zodat zij „op grond van een rechterlijke beslissing hun verklaringen kunnen afleggen onder omstandigheden waaronder dat doel bereikt kan worden, met behulp van elk middel dat verenigbaar is met de grondbeginselen van zijn recht” (zie in die zin het reeds aangehaalde arrest Pupino, punt 54).
28 Bij ontbreken van nadere preciseringen in de bepalingen zelf van het kaderbesluit en gelet op artikel 34 EU, dat aan de nationale instanties de bevoegdheid laat om vorm en middelen te kiezen om het door de kaderbesluiten gewenste resultaat te bereiken, moet worden vastgesteld dat het kaderbesluit de nationale autoriteiten een ruime beoordelingsmarge laat inzake de concrete maatregelen om de door het kaderbesluit beoogde doelstellingen te verwezenlijken (zie in die zin arresten van 9 oktober 2008, Katz, C‑404/07, Jurispr. blz. I‑7607, punt 46; 21 oktober 2010, Eredics en Sápi, C‑205/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 37 en 38, en 15 september 2011, Gueye en Salmerón Sánchez, C‑483/09 en C‑1/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 57, 72 en 74).
29 Volgens de litigieuze regelgeving in het hoofdgeding moet de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaring normaal in openbare terechtzitting worden herhaald om bewijskracht te krijgen. In sommige gevallen is het niettemin toegestaan deze verklaring slechts eenmaal en met dezelfde bewijskracht tijdens het vooronderzoek af te leggen, doch onder andere voorwaarden dan die welke in openbare terechtzitting gelden (arrest Pupino, reeds aangehaald, punt 55).
30 Wat die regelgeving betreft heeft het Hof geoordeeld dat de verwezenlijking van de met voornoemde bepalingen van het kaderbesluit beoogde doelstellingen vereist dat een nationale rechterlijke instantie over de mogelijkheid beschikt om voor bijzonder kwetsbare slachtoffers een bijzondere procedure toe te passen, zoals de in het Italiaanse recht voorziene incidentele procedure van vervroegde bewijsgaring en de aldaar eveneens geldende bijzondere maatregelen voor het afleggen van een verklaring, wanneer die procedure het best beantwoordt aan de situatie van die slachtoffers en noodzakelijk is om het verlies van bewijsmateriaal te voorkomen, de herhaling van ondervragingen zo veel mogelijk te beperken en de nadelige gevolgen van het afleggen van een verklaring ter openbare terechtzitting voor deze slachtoffers te voorkomen (arrest Pupino, reeds aangehaald, punt 56).
31 Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Pupino, behoort het strafbaar feit in het hoofdgeding tot de strafbare feiten waarop de genoemde procedure in beginsel kan worden toegepast.
32 De verwijzende rechter meent echter dat het ontbreken van een verplichting voor het openbaar ministerie om een tijdens het vooronderzoek door een bijzonder kwetsbaar slachtoffer geformuleerd verzoek in te willigen, om het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is te verzoeken om de genoemde procedure te gebruiken en het slachtoffer te horen volgens de maatregelen van de procedure van het bewijsincident, indruist tegen de reeds aangehaalde bepalingen van het kaderbesluit. De met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter zou, in geval van een weigering van het openbaar ministerie en bij ontstentenis van een verzoek in die zin door de persoon die het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, in de onmogelijkheid verkeren de genoemde procedure te gebruiken terwijl anderzijds diezelfde rechter het openbaar ministerie wel zou kunnen dwingen om vervolging in te stellen om de verdachte voor de strafrechter te brengen.
33 Zoals is opgemerkt in de punten 27 en 28 van onderhavig arrest voorziet geen van de drie door de verwijzende rechter aangehaalde bepalingen van het kaderbesluit in concrete maatregelen om de in die bepalingen genoemde doelstellingen te verwezenlijken. Gelet op de bewoordingen van die bepalingen, en gelet op artikel 34 EU, moet dus worden erkend dat de nationale autoriteiten een ruime beoordelingsbevoegdheid hebben wat die maatregelen betreft.
34 Hoewel de lidstaten, zoals hiervóór is vastgesteld, in specifieke maatregelen moeten voorzien ten gunste van bijzonder kwetsbare slachtoffers, moet dit, ter verwezenlijking van de door het kaderbesluit beoogde doelstellingen, niet noodzakelijk ertoe leiden dat die slachtoffers te allen tijde aanspraak hebben op de toepassing van een stelsel zoals dat van de procedure van het bewijsincident tijdens het vooronderzoek.
35 Artikel 8, lid 4, van het kaderbesluit verplicht de lidstaten met name om te waarborgen dat slachtoffers, vooral de kwetsbaarste, wanneer zij moeten worden beschermd „tegen de gevolgen van hun verklaringen ter terechtzitting”, „op grond van een rechterlijke beslissing hun verklaringen kunnen afleggen onder omstandigheden waaronder dat doel bereikt kan worden”, zulks „met behulp van elk middel dat verenigbaar is met de grondbeginselen van zijn recht”.
36 Zoals ook de advocaat-generaal in de punten 53 tot en met 58 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt de beoordelingsmarge waarover de lidstaten bij de verwezenlijking van die doelstelling beschikken echter niet overschreden wanneer een nationale wetgeving, in een rechtsstelsel zoals dat aan de orde in het hoofdgeding, voorziet in procedureregels krachtens welke het openbaar ministerie beslist over de inwilliging van het verzoek van het slachtoffer om een procedure zoals die van het bewijsincident te gebruiken.
37 Zoals is overwogen in punt 9 van de considerans van het kaderbesluit, verplicht dit de lidstaten niet de slachtoffers een behandeling te garanderen die gelijkwaardig is aan die van de procespartijen (zie met name het reeds aangehaalde arrest Gueye en Salmerón Sánchez, punt 53). De omstandigheid dat in het Italiaanse strafrecht het openbaar ministerie bevoegd is om te beslissen of aan de rechter waarbij de zaak aanhangig is het verzoek wordt voorgelegd om tijdens de onderzoeksfase de procedure van het bewijsincident te gebruiken, die afwijkt van het beginsel dat de bewijzen tijdens de behandeling van de zaak worden verzameld, kan bovendien ook worden beschouwd als overeenstemmend met de logica van een systeem waarin het openbaar ministerie een rechterlijke instantie vormt die met de uitoefening van de strafvervolging is belast.
38 Uit het bovenstaande volgt enerzijds dat de litigieuze nationale bepalingen voortvloeien uit fundamentele beginselen van het strafrecht van de betrokken lidstaat die, overeenkomstig artikel 8, lid 4, van het kaderbesluit, moeten worden geëerbiedigd. Anderzijds moet bij de beoordeling van het verzoek van een slachtoffer om de procedure van het bewijsincident te gebruiken, rekening worden gehouden met de noodzaak het kaderbesluit aldus uit te leggen dat de fundamentele rechten worden geëerbiedigd. In het licht van die noodzaak moeten de nationale autoriteiten in elke zaak waarborgen dat de toepassing van een dergelijke procedure er niet toe leidt dat de strafprocedure, in haar geheel beschouwd, onbillijk wordt in de zin van de reeds aangehaalde bepalingen.
39 Hoewel naar Italiaans recht de met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter het openbaar ministerie kan verplichten een strafvordering in te leiden, hoewel het openbaar ministerie de zaak wenste te seponeren, lijkt vast te staan dat ook in een dergelijk geval het openbaar ministerie een verzoek kan voorleggen, zelfs aan de rechter die moet beslissen over het verdere verloop van de zaak, om een procedure zoals die van het bewijsincident te gebruiken.
40 Bovendien is, zoals ook de Italiaanse regering heeft uiteengezet, met betrekking tot de behandeling voor de bevoegde rechterlijke instantie in het geval dat de zaak voor uitspraak voor de strafrechter wordt gebracht, de bescherming van het slachtoffer gewaarborgd door verschillende bepalingen van de CPP, die met name voorzien in behandeling met gesloten deuren en in de mogelijkheid om de maatregelen van artikel 398, lid 5 bis, CPP te nemen, namelijk precies de maatregelen waarvan de verwijzende rechter het gebruik tijdens het vooronderzoek wenselijk achtte.
41 Aan de conclusie in punt 36 van onderhavig arrest wordt evenmin afgedaan door de omstandigheid dat de weigeringsbeslissing van het openbaar ministerie, die met redenen moet zijn omkleed, niet kan worden getoetst door een rechter, aangezien een dergelijke omstandigheid het gevolg is van een systeem waarin de strafvervolging, in beginsel, aan het openbaar ministerie is voorbehouden.
42 Het is juist dat, zoals het Hof heeft geoordeeld (zie met name het reeds aangehaalde arrest Gueye en Salmerón Sánchez, punten 58 en 59), de artikelen 3, eerste alinea, en 2, lid 1, van het kaderbesluit met name inhouden dat het slachtoffer in het kader van de strafprocedure een verklaring kan afleggen en dat die verklaring in aanmerking kan worden genomen als bewijselement. Om te verzekeren dat het slachtoffer daadwerkelijk en adequaat kan deelnemen aan de strafprocedure, moet zijn recht om te worden gehoord hem dus, naast de mogelijkheid om een objectieve beschrijving te geven van het feitenverloop, de gelegenheid bieden zijn zienswijze daarover te geven.
43 Dit neemt evenwel niet weg dat noch de bepalingen van het kaderbesluit, noch artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie met betrekking tot artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, met name EHRM, arrest Asociación de Víctimas del Terrorismo/Spanje van 29 maart 2001) het slachtoffer van een strafbaar feit een recht garanderen om tegen een derde een strafvervolging te laten instellen om diens veroordeling te verkrijgen.
44 Gelet op een en ander, moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat de artikelen 2, 3 en 8, lid 4, van het kaderbesluit aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen, zoals die van de artikelen 392, lid 1 bis, 398, lid 5 bis, en 394 CPP, die niet voorzien in een verplichting voor het openbaar ministerie om het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is te verzoeken een bijzonder kwetsbaar slachtoffer toe te staan om tijdens het vooronderzoek van de strafprocedure te worden gehoord en een verklaring af te laten leggen volgens de regels van de procedure van het bewijsincident, en evenmin voorzien in de mogelijkheid voor bedoeld slachtoffer om bij een rechter op te komen tegen de afwijzing door het openbaar ministerie van het verzoek om overeenkomstig bedoelde regels te worden gehoord en een verklaring af te leggen.
Kosten
45 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:
De artikelen 2, 3 en 8, lid 4, van kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen, zoals die van de artikelen 392, lid 1 bis, 398, lid 5 bis, en 394 van het wetboek van strafvordering, die niet voorzien in een verplichting voor het openbaar ministerie om het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is te verzoeken een bijzonder kwetsbaar slachtoffer toe te staan om tijdens het vooronderzoek van de strafprocedure te worden gehoord en een verklaring af te laten leggen volgens de regels van de procedure van het bewijsincident, en evenmin voorzien in de mogelijkheid voor bedoeld slachtoffer om bij een rechter op te komen tegen de afwijzing door het openbaar ministerie van het verzoek om overeenkomstig bedoelde regels te worden gehoord en een verklaring af te leggen.
ondertekeningen
* Procestaal: Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy