13.3.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 63/40
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) op 11 januari 2010 — The Number Ltd en Conduit Enterprises Ltd/Office of Communications and British Telecommunications PLC
(Zaak C-16/10)
2010/C 63/63
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: The Number Ltd en Conduit Enterprises Ltd
Verwerende partij: Office of Communications and British Telecommunications PLC
Prejudiciële vragen
1)
Moet de bevoegdheid die aan de lidstaten wordt verleend krachtens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2002/22/EG (1) (universeledienstrichtlijn) om één of meer ondernemingen aan te wijzen teneinde de aanbieding van de universele dienst, of verschillende onderdelen daarvan, als omschreven in de artikelen 4, 5, 6, 7 en 9, lid 2, van die richtlijn te waarborgen, gelezen in samenhang met artikel 8 van richtlijn 2002/21/EG (2) (kaderrichtlijn), de artikelen 3, lid 2, en 6, lid 2, van richtlijn 2002/20/EG (3) (machtigingsrichtlijn) en artikel 3, lid 2, van de universeledienstrichtlijn en andere materiële bepalingen van gemeenschapsrecht, aldus worden uitgelegd dat:
a)
de lidstaat, wanneer hij besluit overeenkomstig deze bepaling een onderneming aan te wijzen, die onderneming alleen specifieke verplichtingen kan opleggen op grond waarvan de onderneming zelf de universele dienst of het onderdeel daarvan waarvoor zij is aangewezen, aan eindgebruikers dient aan te bieden, dan wel dat
b)
de lidstaat, wanneer hij besluit overeenkomstig deze bepaling een onderneming aan te wijzen, de aangewezen onderneming de specifieke verplichtingen kan opleggen die hij het meest efficiënt, geschikt en evenredig acht om de aanbieding van de universele dienst of het onderdeel daarvan aan eindgebruikers te waarborgen, ongeacht of de aangewezen onderneming op grond van die verplichtingen de universele dienst of het onderdeel daarvan zelf aan eindgebruikers dient aan te bieden?
2)
Kunnen de lidstaten op grond van de genoemde bepalingen, eveneens gelezen in het licht van artikel 3, lid 2, van de universeledienstrichtlijn, in het geval dat een onderneming overeenkomstig artikel 8, lid 1, van de universeledienstrichtlijn wordt aangewezen ter voldoening aan artikel 5, lid 1, sub b, van die richtlijn (volledige telefooninlichtingendienst) zonder dat zij de daarin genoemde dienst rechtstreeks aan eindgebruikers dient aan te bieden, aan die aangewezen onderneming specifieke verplichtingen opleggen om:
a)
een volledige database met abonnee-informatie aan te leggen en bij te werken;
b)
de inhoud van een volledige database met abonnee-informatie, die regelmatig wordt bijgewerkt, in machineleesbare vorm beschikbaar te stellen aan eenieder die openbare telefooninlichtingendiensten of telefoongidsen wil aanbieden (ongeacht of het al dan niet de bedoeling is een volledige telefooninlichtingendienst aan eindgebruikers aan te bieden), en
c)
de inhoud van de database aan een dergelijke derde te verstrekken op billijke, objectieve, kostengeoriënteerde en niet-discriminerende voorwaarden?
(1) Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51).
(2) Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33).
(3) Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn) (PB L 108, blz. 21).
Full & Egal Universal Law Academy