27.2.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 51/27
Beroep ingesteld op 25 januari 2010 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-40/10)
2010/C 51/43
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall, G. Berscheid en J.-P. Keppenne, gemachtigden)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
—
verordening (EU, Euratom) nr. 1296/2009 van de Raad van 23 december 2009 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2009 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (1), met uitzondering van de artikelen 1 en 3 ervan, nietig verklaren, maar met handhaving van de gevolgen ervan totdat de Raad een nieuwe verordening zal hebben vastgesteld waarin de artikelen 64 en 65 van het Statuut en bijlage XI daarbij correct worden toegepast.
—
de Raad verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie vordert gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EU) nr. 1296/2009 op grond dat de Raad daarin de bedragen van de bezoldigingen en pensioenen zoals die door de Commissie waren voorgesteld op basis van een aanpassingspercentage van 3,70 % — het resultaat van het aanpassingsmechanisme van artikel 65 van het Statuut en bijlage XI daarbij — om redenen van politieke opportuniteit heeft vervangen door bedragen die overeenkomen met de — onjuiste — coëfficiënt 1,85 %. Volgens de Raad is die vervanging gerechtvaardigd gelet op de financiële en economische crisis en als een onderdeel van het economische en sociale beleid van de Unie.
Aangaande de artikelen 2 en 4 tot en met 17 van de bestreden verordening voert de Commissie één middel aan, dat zij ontleent aan schending van artikel 65 van het Statuut en van de artikelen 1 en 3 van bijlage XI daarbij. Volgens de Commissie heeft de Raad terzake een gebonden bevoegdheid, in de huidige versie van het Statuut — waarin de methode voor de aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen gedetailleerd is geregeld in bijlage XI bij het Statuut — nog meer dan in het verleden, waarrin het Hof op basis van enkel artikel 65 van het Statuut reeds heeft verklaard dat de beoordelingsbevoegdheid van de Raad beperkt is. De Commissie beroept zich voorts op schending van het vertrouwensbeginsel en van het „patere legem quam ipse fecisti”-beginsel.
Artikel 18 van de bestreden verordening druist op zijn beurt in tegen de artikelen 3 tot en met 7 van bijlage XI bij het Statuut doordat het de mogelijkheid opent dat een tussentijdse aanpassing van de bezoldigingen plaatsvindt, naast de jaarlijkse aanpassing op basis van artikel 65 van het Statuut en buiten de in de artikelen 4 tot en met 7 van bijlage XI bij het Statuut bepaalde voorwaarden.
(1) PB L 348, blz. 10.
Full & Egal Universal Law Academy