17.4.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 100/28
Beroep ingesteld op 11 februari 2010 — Europese Commissie/Helleense Republiek
(Zaak C-80/10)
2010/C 100/43
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Jimeno Fernández en A. Markouli)
Verwerende partij: Helleense Republiek
Conclusies
—
vaststellen dat ministerieel besluit nr. 552 van de Helleense Republiek van 25 augustus 2004, zoals gewijzigd tot en met 8 september 2008, en inzonderheid artikel 4, leden 2, 4, 5 en 7, artikel 5, leden 4, 5, 6, en 7, en artikel 6, lid 2, in strijd zijn met de bepalingen van artikel 3, leden 1 en 6, artikel 15, lid 1, artikel 16, leden 1 en 2, en artikel 18 van verordening (EG) nr. 882/2004;
—
de Helleense Republiek verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie is van mening dat het betrokken ministerieel besluit betreffende de officiële controles bij de invoer van graan uit derde landen niet verenigbaar is met bepaalde voorschriften van verordening (EG) nr. 882/2004.
Meer bepaald voorziet het Griekse ministerieel besluit, met betrekking tot de frequentie van de fysieke controles op partijen diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong van herkomst uit derde landen, in algemene regels, die de door de bevoegde autoriteit verrichte fysieke controles niet de flexibiliteit en differentiatie verlenen die nodig is voor de tenuitvoerlegging van het stelsel van artikel 16, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 882/2004.
Bovendien voorziet het in algemene regels voor de officiële inbewaringneming van dergelijke partijen, die bepalen dat de officiële inbewaringneming ook in het geval van routinecontroles plaatsvindt. Een dergelijke ongedifferentieerde inbewaringneming van partijen, zonder dat er een vermoeden van non-conformiteit of twijfel bestaat, is in strijd met artikel 18 van verordening (EG) nr. 882/2004. Bovendien staat het ministerieel besluit het vrijgeven van alle partijen na zeven werkdagen toe, ook indien er een vermoeden van non-conformiteit of twijfel bestaat, hetgeen eveneens in strijd is met artikel 18 van de betrokken verordening.
Het ministerieel besluit voorziet in specifieke regels voor de controles op partijen uit derde landen, wat de aanwezigheid van niet-toegelaten genetisch gemodificeerde organismen betreft. Dergelijke controles moeten worden verricht met een frequentie van 50 % voor partijen tarwe en 100 % voor partijen maïs. De Commissie is van mening dat de concrete percentages uitzonderlijke hoog zijn en onverenigbaar met het stelsel van verordening (EG) nr. 882/2004, inzonderheid artikel 16, leden 1 en 2, aangezien die percentages het gevolg zijn van een onjuiste beoordeling van de risico’s en een gebrek aan differentiatie.
In hetzelfde besluit wordt bepaald dat de controles op partijen maïs uit Bulgarije en Roemenië, wat de aanwezigheid van niet-toegelaten genetisch gemodificeerde organismen betreft, met een frequentie van 100 % worden verricht. De Commissie is van mening dat controles met een dergelijke frequentie strijdig zijn met de bepalingen van verordening (EG) nr. 882/2004, volgens welke de controles op partijen uit andere lidstaten op het bestaan van risico’s moeten berusten en onpartijdig en evenredig moeten zijn.
De Helleense Republiek heeft geen voldoende uitleg en gegevens verstrekt die de vaststelling rechtvaardigen van de voormelde bepalingen van het ministerieel besluit betreffende de officiële controles op granen bij de invoer uit derde landen en uit andere lidstaten van de Europese Unie.
Full & Egal Universal Law Academy