19.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/14
Hogere voorziening ingesteld op 1 maart 2010 door Solvay SA tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 17 december 2009 in zaak T-57/01, Solvay/Commissie
(Zaak C-109/10 P)
2010/C 161/21
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Solvay SA (vertegenwoordigers: P.-A. Foriers, R. Jafferali, F. Louis, A. Vallery, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
het bestreden arrest van 17 december 2009 vernietigen;
—
dienovereenkomstig het beroep op de vernietigde punten opnieuw onderzoeken en de beschikking van de Commissie van 13 december 2000 geheel of ten dele, afhankelijk van de omvang van de middelen, nietig verklaren;
—
de geldboete van 19 miljoen euro nietig verklaren, zo niet deze boete in zeer aanzienlijke mate verlagen ter vergoeding van de ernstige schade die rekwirante door de extreem lange duur van de procedure heeft geleden;
—
de Commissie veroordelen in de kosten van de procedure in hogere voorziening en in de kosten van de procedure voor het Gerecht
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante negen middelen aan.
Met haar eerste middel, dat bestaat uit vijf onderdelen, voert rekwirante schending aan van het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht, daar beschikking 2003/6/EG van de Commissie van 13 december 2000 (1) is vastgesteld meer dan tien jaar na het begin van de vervolging of in elk geval na de inleiding van de procedure door de mededeling van de punten van bezwaar door de Commissie aan rekwirante. Rekwirante verwijt het Gerecht vooral, de duur van de procedure niet globaal te hebben beoordeeld, dat wil zeggen van de administratieve tot en met de gerechtelijke procedure (eerste onderdeel), geen rekening te hebben gehouden met de duur van de voor het Gerecht gevoerde procedure (tweede onderdeel), aan de sanctie van overschrijding van de redelijke termijn de voorwaarde te hebben verbonden dat een concrete aantasting van haar rechten van de verdediging wordt aangetoond, terwijl het hier gaat om twee onafhankelijke, afzonderlijke beginselen (derde onderdeel), te hebben geoordeeld dat van een dergelijke aantasting in casu geen sprake is (vierde onderdeel), en de feiten onjuist te hebben voorgesteld door te overwegen dat rekwirante ervan had afgezien, subsidiair een verlaging van de geldboete te vorderen wegens overschrijding van een redelijke termijn (vijfde onderdeel), ofschoon zij uitdrukkelijk nietigverklaring althans verlaging van de geldboete op die grond had gevorderd.
Met haar tweede middel, dat drie onderdelen omvat, klaagt rekwirante over schending van de artikelen 14 en 20 van verordening nr. 17/62 van de Raad (2), doordat het Gerecht heeft aanvaard dat de Commissie in het kader van een op grond van artikel 102 VWEU ingeleide procedure gebruik maakt van documenten die in beslag zijn genomen bij verificaties betreffende een eventuele deelneming aan mededingingsregelingen en/of onderling afgestemde gedragingen krachtens artikel 101 VWEU (eerste onderdeel). Rekwirante verwijt het Gerecht voorts, te hebben aanvaard dat de Commissie toevallig in haar bezit gekomen documenten tegen rekwirante gebruikt, terwijl de Commissie destijds bij gebreke van verdenkingen geen verificaties had kunnen verrichten om dergelijke documenten in haar bezit te krijgen (tweede onderdeel). Tot slot verwijt zij het Gerecht, de feiten onjuist te hebben voorgesteld door te oordelen dat de feiten die met de verificatiebeschikking moesten worden vastgesteld dezelfde waren als de feiten waarop haar veroordeling is gebaseerd (derde onderdeel).
Met haar derde middel, dat uit zes onderdelen bestaat, klaagt rekwirante over schending van de rechten van de verdediging door het Gerecht, met het betoog dat haar is gevraagd aan te tonen dat stukken in het dossier die bij de Commissie verloren zijn gegaan van nut hadden kunnen zijn voor haar verweer (eerste onderdeel). Zonder enig voorlopig onderzoek van het dossier is het immers niet bij voorbaat uitgesloten dat de bewuste documenten de door de Commissie gegeven beschikking hebben beïnvloed (tweede en derde onderdeel). Zij verwijt het Gerecht voorts, in het bestreden arrest te hebben geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat de stukken die verloren zijn gegaan van nut hadden kunnen zijn voor haar verweer met betrekking tot het bestaan van een machtspositie (vierde onderdeel), de aan de groep Saint-Gobain verleende korting (vijfde onderdeel) en de afbakening van de geografisch relevante markt (zesde onderdeel).
Met haar vierde middel geeft Solvay te kennen dat de rechten van de verdediging, de regels inzake de bewijslast en het vermoeden van onschuld zijn geschonden, daar het Gerecht heeft verklaard dat de verloren gegane stukken niet van nut waren voor haar verweer, terwijl het reeds volstaat dat zij aan de hand van die stukken reeds geformuleerde middelen had kunnen onderbouwen in plaats van nieuwe middelen aan te voeren (eerste onderdeel), en dat zij een — zij het ook geringe — kans hadden geboden de inhoud van de aangevochten beschikking te beïnvloeden (tweede deel).
Met haar vijfde middel beroept rekwirante zich op schending van haar recht te worden gehoord na de nietigverklaring door het Gerecht van een eerste beschikking waarbij haar een geldboete is opgelegd en voordat de Commissie de bestreden beschikking gaf. In het bestreden arrest wordt niet volledig ingegaan op haar beroep tot nietigverklaring, terwijl niet de verplichting van de Commissie wordt erkend, de betrokken onderneming te horen wanneer in een eerder arrest van het Gerecht is vastgesteld dat een onregelmatigheid in de procedure de voorbereidende maatregelen heeft beïnvloed.
Volgens het zesde middel heeft het Gerecht artikel 102 VWEU en de motiveringsplicht geschonden door een alternatieve definitie van de geografisch relevante markt — of het nu gaat om een markt van communautaire dimensie of om nationale markten — rechtmatig te achten.
Met haar zevende middel klaagt rekwirante onder verwijzing naar de motiveringsplicht en artikel 102 VWEU over de beoordeling door het Gerecht in het bestreden arrest van de machtspositie, of de relevante markt nu van communautaire dimensie is (eerste onderdeel) of van nationale (tweede onderdeel). Voorts verwijt zij het Gerecht, geen rekening te hebben gehouden met de buitengewone omstandigheden die het ontbreken van een machtspositie aantonen (derde onderdeel).
Het achtste middel is ontleend aan schending van artikel 102 VWEU en gebrek aan motivering, doordat het Gerecht de aan de groep Saint-Gobain toegekende korting van 1,5 % heeft aangemerkt als een getrouwheidskorting die de mededingingsvoorwaarden beïnvloedt.
Volgens het negende middel is sprake van een motiveringsgebrek en schending van artikel 102 VWEU, doordat het Gerecht uit het stelsel van de aan handelspartners toegekende kortingen een discriminerende praktijk afleidt, zonder ook maar te hebben onderzocht of deze praktijk een concurrentienadeel voor bepaalde klanten van de hoofdleverancier heeft veroorzaakt (eerste onderdeel). Tot slot verwijt Solvay het Gerecht, niet in de beschouwing te hebben betrokken dat natriumcarbonaat een gering aandeel in de productiekosten van haar klanten vormt (tweede onderdeel).
(1) Beschikking 2003/6/EG van de Commissie van 13 december 2000 in een procedure op grond van artikel 82 van het EG-Verdrag (IV/33.133 — C: Natriumcarbonaat — Solvay) (PB 2003 L 10, blz. 10).
(2) Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81EG] en [82 EG ] (PB 13, blz. 204).
Full & Egal Universal Law Academy