19.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/16
Hogere voorziening ingesteld op 8 maart 2010 door Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 15 december 2009 in zaak T-156/04, Électricité de France (EDF)/Commissie
(Zaak C-124/10 P)
2010/C 161/23
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Gippini Fournier, B. Stromsky en D. Grespan, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Électricité de France (EDF), Franse Republiek, Iberdrola SA
Conclusies
—
het op 16 december 2009 aan de Commissie betekende arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Derde kamer) van 15 december 2009, in zaak T-156/04, Électricité de France (EDF)/Commissie, nietig verklaren voor zover daarin:
—
de artikelen 3 en 4 van beschikking (C 2003/4637) van de Commissie van 16 december 2003 betreffende de aan EDF en de elektriciteits- en gasindustrie toegekende steunmaatregelen (C 68/2002, N 504/2003 en C 25/2003) nietig worden verklaard;
—
de Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van Électricité de France (EDF);
—
de zaak naar het Gerecht verwijzen voor een nieuw onderzoek;
—
de beslissing over de kosten aanhouden.
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Europese Commissie twee middelen aan.
Met haar eerste middel betoogt zij dat het Gerecht een onjuiste voorstelling heeft gegeven van de aan het geding ten grondslag liggende feiten. Anders dan in het bestreden arrest is vermeld, heeft de Franse Republiek immers geen belastingschuld omgezet in kapitaal, maar slechts steun verleend aan EDF in de vorm van een vrijstelling van vennootschapsbelasting. De herkapitalisatie van EDF als zodanig werd in de nietigverklaarde beschikking niet als staatssteun aangemerkt. Alleen de fiscale gevolgen ervan zijn door de Commissie als staatssteun aangemerkt.
Met haar tweede middel, dat uit vier onderdelen bestaat, betoogt rekwirante dat het Gerecht blijkt heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Franse regering in deze zaak is opgetreden als een bedachtzame particuliere investeerder in een markteconomie.
In de eerste plaats betwist rekwirante de vaststelling van het Gerecht dat het onderscheid tussen de staat als aandeelhouder en de staat in de uitoefening van de openbare macht hoofdzakelijk afhangt van de door de lidstaat nagestreefde doelstelling — in casu de herkapitalisatie van EDF —, en niet van objectieve en controleerbare elementen. Enerzijds heeft het Hof immers bij herhaling erop gewezen dat artikel 87, lid 1, EG geen onderscheid maakt naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten. Anderzijds zou een criterium waarbij wordt gezien naar de bedoeling van de staat zeer ongeschikt zijn om het bestaan van staatsteun te beoordelen, aangezien een dergelijk criterium naar zijn aard subjectief en vatbaar voor interpretatie is.
In de tweede plaats verwijt de Commissie het Gerecht dat het zijn onderzoek niet heeft gebaseerd op de vergelijking tussen, enerzijds, de wijze waarop een bedachtzaam particulier marktdeelnemer zonder voorrechten in soortgelijke omstandigheden zou zijn opgetreden, en anderzijds, de wijze waarop de Franse Republiek, met haar voorrechten van openbare macht, in casu is opgetreden.
In de derde plaats betoogt rekwirante dat het bestreden arrest inbreuk maakt op het beginsel van gelijke behandeling tussen overheidsbedrijven en particuliere ondernemingen, en aldus een gunstigere fiscale behandeling van de staat, met inbegrip van de vennootschappen waarvan de staat niet de enige aandeelhouder is, mogelijk heeft gemaakt.
Ten slotte heeft het Gerecht volgens de Commissie inbreuk gemaakt op de voorschriften inzake de verdeling van de bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid van het beginsel van de bedachtzame particuliere investeerder in een markteconomie, en heeft het rekening gehouden met elementen die dateren van na de vaststelling van de nietigverklaarde beschikking.
Full & Egal Universal Law Academy