19.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/18
Beroep ingesteld op 15 maart 2010 — Europese Commissie/Koninkrijk België
(Zaak C-134/10)
2010/C 161/25
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Nijenhuis en C. Vrignon, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk België
Conclusies
—
vaststellen dat het Koninkrijk België, door artikel 31 van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) (1) niet correct om te zetten, de krachtens deze richtlijn en artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;
—
het Koninkrijk België verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Europese Commissie voert drie middelen aan ter ondersteuning van haar beroep waarbij zij aan de kaak stelt dat de bestreden nationale wettelijke regeling onevenredig is, met name wat betreft de procedure en de criteria voor de toekenning van radio- en televisiekanalen die in aanmerking komen voor de zogeheten „must-carry”-omroepregeling.
In de eerste plaats verwijt zij verweerder de doelstellingen van algemeen belang op grond waarvan deze regeling kan worden toegekend, niet duidelijk en voorspelbaar te hebben vastgesteld. Radio-omroeporganisaties kunnen op die manier de aard en de strekking van de te vervullen voorwaarden en de op hen rustende openbare-dienstverplichtingen niet op voorhand kennen.
In de tweede plaats hekelt de Commissie zowel het gebrek aan doorzichtigheid van het verloop van de machtigingsprocedure, de grotere discretionaire bevoegdheid van de autoriteiten doordat de betrokken organisaties op grond van de nationale wettelijke regeling alle kanalen lijken te moeten uitzenden die zij uitzenden, en niet enkel de kanalen die de gewenste doelstellingen van algemeen belang nastreven, als het discriminerende karakter van de eis dat deze organisaties zich op het nationale grondgebied vestigen.
In de derde plaats wijst verzoekster er ten slotte op dat de werkingssfeer van artikel 31 van de Universeledienstrichtlijn niet is nageleefd met name wat betreft het afhankelijk stellen van het uitzenden van het bestaan van een significant aantal eindgebruikers van de communicatienetwerken.
(1) PB L 108, blz. 51.
Full & Egal Universal Law Academy