5.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 148/16
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 15 maart 2010 — DP Grup EOOD/Direktor na Agentsia „Mitnitsi”
(Zaak C-138/10)
2010/C 148/25
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: DP Grup EOOD
Verwerende partij: Direktor na Agentsia „Mitnitsi”
Prejudiciële vragen
1.
Moet artikel 63 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, in die zin worden uitgelegd dat het de douaneautoriteit verplicht slechts één controle uit te voeren of de douaneaangifte voldoet aan de vereisten van artikel 62 van deze verordening, door enkel over te gaan tot een controle van documenten in de in artikel 68 van de verordening genoemde omvang, enkel op grond van de overgelegde documenten te beslissen over de aanvaarding van de douaneaangifte, indien wordt getwijfeld aan de juistheid van de tariefcode van de goederen en een deskundigenonderzoek ter bepaling van deze code nodig is?
2.
Moet de beslissing van de douaneautoriteit tot onmiddellijke aanvaarding van de douaneaangifte overeenkomstig artikel 63 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, onder de omstandigheden van het hoofdgeding als beschikking van een douaneautoriteit in de zin van artikel 4, punt 5, juncto artikel 8, lid 1, eerste streepje, van het douanewetboek worden beschouwd, en wel voor de volledige inhoud van de aangegeven douaneaangifte, indien zich tevens de volgende omstandigheden voordoen:
a)
de beslissing van de douaneautoriteit tot de aanvaarding van de douaneaangifte is enkel op grond van de samen met de douaneaangifte overgelegde documenten genomen;
b)
bij het verrichten van de nodige controles vóór de aanvaarding ontstond het vermoeden dat de aangegeven tariefcode van de goederen onjuist was;
c)
bij het verrichten van de nodige controles vóór de aanvaarding van de douaneaangifte was de informatie over de inhoud van de aangegeven goederen, die van belang is voor de juiste bepaling van de tariefcode, onvolledig;
d)
bij de controle vóór de aanvaarding van de douaneaangifte werd een monster genomen voor deskundigenonderzoek om de tariefcode van de goederen juist te bepalen?
3.
Moet artikel 63 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, onder de omstandigheden van het hoofdgeding in die zin worden uitgelegd,
a)
dat het toestaat dat de rechtmatigheid van de aanvaarding van de douaneaangifte na het in het vrije verkeer brengen van de goederen in rechte wordt aangevochten, dan wel,
b)
dat de aanvaarding van de douaneaangifte niet kan worden aangevochten, omdat die aanvaarding enkel vastlegt dat de goederen bij de douaneautoriteiten zijn aangegeven en op welk tijdstip een douaneschuld bij invoer is ontstaan, en geen beschikking van een douaneautoriteit inzake de juiste tariefindeling en de hoogte van de op grond van deze aangifte verschuldigde douanerechten is?
Full & Egal Universal Law Academy