19.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 161/23
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom (Verenigd Koninkrijk) op 2 april 2010 — Williams e.a./British Airways plc
(Zaak C-155/10)
2010/C 161/32
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Supreme Court of the United Kingdom
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Williams e.a.
Verwerende partij: British Airways plc
Prejudiciële vragen
1)
Gelet op a) de artikelen 7 van richtlijn 93/104/EG en van richtlijn 2003/88 van de Raad en b) van clausule 3 van de overeenkomst die aan richtlijn 2000/79/EG van de Raad is gehecht, (1) in hoeverre, zo al, definieert of stelt het Europese recht vereisten met betrekking tot de aard en/of de hoogte van de betalingen die moeten worden verricht voor periodes van jaarlijkse vakantie met behoud van loon; en (2) in hoeverre, zo al, kunnen de lidstaten vaststellen hoe dergelijke betalingen moeten worden berekend?
2)
Is hiervoor in het bijzonder voldoende dat de betaling die krachtens nationaal recht en/of nationale praktijk en/of krachtens collectieve arbeidsovereenkomsten en/of individuele overeenkomsten tussen werkgevers en werknemers wordt verricht, de betrokken werknemer in staat stelt en aanzet om zijn of haar jaarlijkse vakantie op te nemen en in de volste zin des woords te genieten, zodat er geen redelijke kans bestaat dat de werknemer dat niet zal doen?
3)
Of is het noodzakelijk dat het betrokken loon a) precies overeen komt met, dan wel b) in grote lijnen vergelijkbaar is met het „normale” loon van de werknemer?
Indien vraag 3) a) of b) bevestigend moet worden beantwoord:
4)
Is de relevante vergelijkingsmaatstaf a) het loon dat de werknemer gedurende die specifieke vakantieperiode zou hebben verdiend indien hij of zij geen vakantie had opgenomen maar zou hebben gewerkt, of b) het loon dat hij of zij heeft verdiend gedurende een ander tijdvak waarin hij of zij heeft gewerkt, en zo ja, welk tijdvak?
5)
Hoe moet een „normaal” of „vergelijkbaar” loon worden vastgesteld in een geval waarin a) de bezoldiging van een werknemer, wanneer hij of zij werkt, wordt aangevuld indien en in de mate waarin hij of zij een bepaalde activiteit verricht, b) er een jaarlijkse of andere limiet geldt voor de omvang waarin of de tijd gedurende welke de werknemer die activiteit mag uitoefenen, en die limiet reeds is, of bijna is, overschreden op de tijdstippen waarop het jaarlijks verlof wordt opgenomen, en de werknemer deze activiteit dus niet had mogen verrichten indien hij/zij geen vakantie had gehad maar had gewerkt?
Full & Egal Universal Law Academy