5.6.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 148/21
Hogere voorziening ingesteld op 6 april 2010 door Karen Goncharov tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 21 januari 2010 in zaak T-34/07, Karen Goncharov/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: DSB
(Zaak C-156/10 P)
2010/C 148/32
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Karen Goncharov (vertegenwoordigers: A. Späth en G. N. Hasselblatt, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), DSB
Conclusies
Rekwirant verzoekt:
1.
het arrest van het Gerecht van 21 januari 2010 in zaak T-34/07 te vernietigen,
2.
de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 4 december 2006 (zaak R 1330/2005-3) te vernietigen, en
3.
het BHIM te verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof, het Gerecht en de kamer van beroep alsmede in de kosten van rekwirant.
Middelen en voornaamste argumenten
Het arrest van het Gerecht van 21 januari 2010 in zaak T-34/07 moet worden vernietigd op grond van schending van de bepaling inzake weigering van inschrijving wegens een relatieve weigeringsgrond van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk [thans vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk].
Het Gerecht heeft de algemene beginselen inzake de beoordeling van het verwarringsgevaar onjuist toegepast. Het Gerecht heeft met name de omstandigheden van het concrete geval niet globaal beoordeeld, aangezien het geen rekening heeft gehouden met het feit dat de betrokken merken in casu uit letterwoorden bestaan.
Het Gerecht heeft zijn oordeel ten slotte uitsluitend gebaseerd op de stelregel dat de consument gewoonlijk meer aandacht schenkt aan het eerste deel van een woord. In die mate is het vormelijke verschil van de letter „W” in het aangevochten merk geen voldoende grond om aan te nemen dat er geen visuele en auditieve overeenstemming is.
Het Gerecht heeft daarbij over het hoofd gezien dat het in het geval van de conflicterende merken niet gaat om woorden, doch om letterwoorden. Uit de motivering van het arrest blijkt dat het Gerecht niet globaal heeft beoordeeld of er sprake kon zijn van verwarringsgevaar, maar zich alleen op en stelregel heeft gebaseerd, die overigens helemaal niet van toepassing is op het te beslechten geding.
De consument is er immers aan gewend om bij letterwoorden aandacht te besteden aan elke letter afzonderlijk. Stelregels die gelden voor woordmerken die uit woorden bestaan, kunnen daarom niet zonder meer worden toegepast op woordmerken die uit letterwoorden bestaan.
Full & Egal Universal Law Academy