3.7.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 179/26
Hogere voorziening ingesteld op 6 mei 2010 door Lufthansa AirPlus Servicekarten GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 3 maart 2010 in zaak T-321/07, Lufthansa AirPlus Servicekarten GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-216/10 P)
2010/C 179/42
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Lufthansa AirPlus Servicekarten GmbH (vertegenwoordigers: R. Kunze, G. Würtenberger, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Applus Servicios Tecnológicos, SL
Conclusies
—
vernietigen het arrest van het Gerecht van 3 maart 2010 in zaak T-321/07, Lufthansa AirPlus Servicekarten GmbH/BHIM — Applus Servicios Tecnológicos, SL (het litigieuze arrest), waarbij het Gerecht het beroep heeft verworpen tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 7 juni 2007 houdende bevestiging van de beslissing van de oppositieafdeling tot afwijzing van de oppositie tegen gemeenschapsmerkaanvraag nr. 002 933 356;
—
na de sluiting van de schriftelijke behandeling een datum voor een terechtzitting voor het Hof van Justitie vaststellen;
—
geïntimeerde verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert aan dat het arrest van het Gerecht moet worden vernietigd op de volgende gronden:
—
het Gerecht heeft ten onrechte de beoordeling van de kamer van beroep met betrekking tot de criteria voor verwarringsgevaar overeenkomstig artikel 8, lid 1, sub b, van de gemeenschapsmerkverordening (1) bevestigd;
—
het Gerecht heeft ten onrechte de oppositie van rekwirante op grond van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 40/94 niet onderzocht;
—
het Gerecht heeft artikel 75 van verordening nr. 40/94 geschonden door te stellen dat de kamer van beroep niet verplicht was om een volledig onderzoek van rekwirantes overige argumenten te verrichten, in het bijzonder die inzake het onderscheidend vermogen van rekwirantes oudere merkinschrijving, „om redenen van proceseconomie”;
—
het litigieuze arrest schendt artikel 76 van verordening nr. 40/94;
—
het Gerecht heeft ten onrechte aanvaard dat rekwirantes recht om te worden gehoord niet op ernstige wijze is geschonden door het feit dat het BHIM rekwirante niet in kennis heeft gesteld van de wijziging in het houderschap van de gemeenschapsmerkaanvragen, waardoor zij niet in de gelegenheid is gesteld om opmerking te formuleren over de wijziging van de partij;
—
het Gerecht heeft een veroordeling in de kosten uitgesproken die niet in overeenstemming was met de relevante bepalingen van het Unierecht.
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy