31.7.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 209/16
Beroep ingesteld op 7 mei 2010 — Europese Commissie/Republiek Estland
(Zaak C-227/10)
2010/C 209/24
Procestaal: Ests
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Oliver en J.-B. Laignelot, bijgestaan door A. Salumets, Vandeadvokaat)
Verwerende partij: Republiek Estland
Conclusies
—
vaststellen dat de Republiek Estland haar verplichtingen op grond van richtlijn 2001/42/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s niet is nagekomen, doordat zij de wettelijke voorschriften die voor de uitvoering van artikel 2, sub a, en artikel 6, leden 1 en 3, van deze richtlijn noodzakelijk zijn, niet regelmatig heeft vastgesteld;
—
de Republiek Estland verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Onvolledige omzetting van artikel 2, sub a, eerste streepje
De Commissie is van mening dat de definitie in § 31 van de Estse wet inzake de gevolgen voor het milieu en het milieumanagement (Keskkonnamõju hindamise ja keskkonnajuhtimise seaduse, KeHJS) ruimer is dan die in de richtlijn wat artikel 2, sub a, tweede streepje van de richtlijn betreft, maar strikter is, wat het eerste streepje betreft, wegens de uitzondering van plannen en programma’s (met mogelijke milieueffecten) die de autoriteiten vaststellen, maar niet bij algemene handeling zijn vastgesteld. Daarmee is het naar intern Ests recht mogelijk dat plannen en programma’s die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen moesten worden opgesteld (hoewel de Estse wet deze in de richtlijn vervatte voorwaarde niet stelt), niet op milieueffecten worden getoetst.
Tekortkomingen bij de omzetting van artikel 6, lid 1, van de richtlijn
De Commissie is van mening dat het in § 37, lid 2, nr. 3, van de KeHJS vervatte vereiste om hetzij het ontwerpplan, hetzij uitsluitend de belangrijkste parameters openbaar te maken, niet met de richtlijn verenigbaar is. In het algemeen zijn de belangrijkste parameters van het strategische planningsdocument te algemeen omschreven en kunnen de gevolgen voor het milieu en de gezondheid van de mens op grond daarvan niet worden vastgesteld en beoordeeld.
Onvolledige omzetting van artikel 6, lid 3, van de richtlijn
Artikel 6, lid 3, van de richtlijn bevat de duidelijke verplichting om de instanties aan te wijzen, die met de milieueffecten van de uitvoering van plannen of programma's te maken kunnen krijgen. Ook in de artikelen 3, lid 6, 5, lid 4, en artikel 6, leden 1 en 2, wordt naar deze bepaling verwezen. In § 36, lid 3, en § 35, lid 4, van de KeHJS worden dezelfde te raadplegen autoriteiten opgesomd (het ministerie van sociale zaken, het ministerie van cultuur, het ministerie van milieuzaken, de milieudienst of een orgaan van de plaatselijke zelfreguleringcolleges), maar de Estse wet legt geen raadpleging van andere autoriteiten op. Dat betekent dus dat geen algemene verplichting bestaat om alle autoriteiten te raadplegen, die wegens hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied met de milieueffecten van de uitvoering van plannen en programma’s te maken kunnen krijgen. Bovendien is op grond van de aangevoerde paragrafen van de KeHJS niet duidelijk, welke autoriteiten naast de genoemde autoriteiten geraadpleegd moeten worden. Volgens de Commissie is de Estse wet onduidelijk en bestaat te veel keuzevrijheid bij de bepaling van de autoriteiten overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de richtlijn. Het is mogelijk dat andere autoriteiten te maken krijgen met de milieueffecten ten gevolge van de uitvoering van plannen of programma's. Ook al bepaalt de Estse wet dat in voorkomend geval andere autoriteiten kunnen worden geraadpleegd, bestaat de mogelijkheid dat zij ook dan niet geraadpleegd worden, wanneer zij te maken kunnen krijgen met de milieueffecten ten gevolge van de uitvoering van plannen of programma’s, omdat het in dergelijk geval niet verplicht is te raadplegen.
(1) PB L 197, blz. 30.
Full & Egal Universal Law Academy