31.7.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 209/16
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice (Chancery Division) (Verenigd Koninkrijk) op 10 mei 2010 — Union of European Football Associations (UEFA), British Sky Broadcasting Ltd/Euroview Sport Ltd
(Zaak C-228/10)
2010/C 209/25
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice (Chancery Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Union of European Football Associations (UEFA), British Sky Broadcasting Ltd
Verwerende partij: Euroview Sport Ltd
Prejudiciële vragen
1. Illegale uitrusting
a)
Wanneer uitrusting voor voorwaardelijke toegang wordt geproduceerd door of met toestemming van een dienstverrichter, en wordt verkocht met de beperking dat de uitrusting alleen onder bepaalde omstandigheden mag worden gebruikt om toegang te verkrijgen tot de beschermde dienst, wordt die uitrusting een „illegale uitrusting” in de zin van artikel 2, sub e, van richtlijn 98/84/EG indien zij wordt verstrekt om toegang te verschaffen tot die beschermde dienst op een plaats, op een manier of door een persoon waarvoor de dienstverrichter geen toestemming heeft gegeven?
b)
Wat is de betekenis van het begrip „ontworpen of aangepast” in artikel 2, sub e, van de richtlijn?
2. Procesbelang
Wanneer een dienstverrichter programma-inhoud in een gecodeerde vorm verzendt naar een andere dienstverrichter die deze inhoud uitzendt op basis van voorwaardelijke toegang, welke factoren moeten dan in aanmerking worden genomen om te bepalen of de belangen van de eerste verrichter van een beschermde dienst worden geschaad in de zin van artikel 5 van richtlijn 98/84/EG?
Meer specifiek:
Wanneer een onderneming programma-inhoud (bestaande uit beelden, omgevingsgeluid en Engelstalig commentaar) in gecodeerde vorm verzendt naar een andere onderneming, die op haar beurt de programma-inhoud (waaraan zij haar logo en bij gelegenheid een geluidsspoor met aanvullend audiocommentaar heeft toegevoegd) aan het publiek uitzendt:
a)
vormt de verzending door de eerste onderneming een beschermde dienst op het gebied van „televisieomroep” in de zin van artikel 2, sub a, van richtlijn 98/84/EG en artikel 1, sub a, van richtlijn 89/552/EEG?
b)
moet de eerste onderneming een omroeporganisatie zijn in de zin van artikel 1, sub b, van richtlijn 89/552/EEG om te worden beschouwd als verrichter van een beschermde dienst op het gebied van „televisieomroep” in de zin van artikel 2, sub a, eerste streepje, van richtlijn 98/84/EG?
c)
moet artikel 5 van richtlijn 98/84/EG aldus worden uitgelegd dat het de eerste onderneming een recht verleent om een civiele rechtsvordering in te stellen met betrekking tot illegale uitrusting die toegang verschaft tot het programma zoals het door de tweede onderneming wordt uitgezonden:
i)
omdat dergelijke uitrusting moet worden geacht door middel van het uitgezonden signaal toegang te verschaffen tot de eigen dienst van de eerste onderneming, of
ii)
omdat de eerste onderneming de verrichter van een beschermde dienst is wiens belangen worden geschaad door een inbreuk (omdat dergelijke uitrusting ongeoorloofde toegang verschaft tot de door de tweede onderneming verrichte beschermde dienst)?
d)
is het voor het antwoord op (c) van belang of de eerste en de tweede dienstverrichter verschillende systemen voor decodering en voorwaardelijke toegang gebruiken?
3. Artikel 6 van richtlijn 2001/29/EG — technische voorzieningen
Wanneer
i)
een satellietuitzending auteursrechtelijk beschermde werken omvat,
ii)
deze uitzending in gecodeerde vorm wordt verzonden
iii)
en alleen toegankelijk is voor abonnees van de satellietomroeporganisatie, terwijl
iv)
abonnees een decoderkaart ontvangen die hen toegang tot de uitzending verschaft,
a)
vormt de codering dan een „technische voorziening” in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG? Zo ja, is deze dan ook „doeltreffend” in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn 2001/29/EG?
b)
levert het gebruik van een decoderkaart, die uit hoofde van een abonnementsovereenkomst in een lidstaat aan een klant is verstrekt door de organisatie die de satellietuitzending verzorgt, met het oogmerk om in een andere lidstaat toegang te verkrijgen tot de uitzending en de in die uitzending opgenomen auteursrechtelijk beschermde werken, een „omzeilen” van zulke technische voorzieningen op, indien de organisatie die de uitzending verzorgt geen toestemming geeft voor zodanig gebruik van de decoderkaart?
c)
moet een handelaar die decoderkaarten in de tweede lidstaat importeert en reclame maakt voor de verkoop en het gebruik ervan in die lidstaat, geacht worden producten in te voeren of te adverteren, of diensten te verrichten die
i)
gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om de bescherming te omzeilen, in de zin van artikel 6, lid 2, sub a, van de richtlijn?
ii)
naast de omzeiling van de bescherming slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben, in de zin van artikel 6, lid 2, sub b, van de richtlijn?
iii)
in het bijzonder ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn met het doel de omzeiling mogelijk of gemakkelijker te maken, in de zin van artikel 6, lid 2, sub c, van de richtlijn?
d)
zijn de bovenstaande omstandigheden uitgesloten van de werkingssfeer van artikel 6 van richtlijn 2001/29/EG omdat zij meer specifiek worden bestreken door richtlijn 98/84/EG?
4. Vraag 4: Reproductierecht
Wanneer opeenvolgende fragmenten van een film, een uitzending, een literair werk, een muziekwerk of een geluidsopname (in dit geval „frames” van digitale video en audio) worden gecreëerd (i) in het geheugen van een decoder of (ii) in het geval van een film, een uitzending of een literair werk: op een televisiescherm, en wanneer het gehele werk wordt gereproduceerd indien de opeenvolgende fragmenten tezamen worden beschouwd, maar er op een willekeurig moment slechts een beperkt aantal fragmenten bestaat:
a)
wordt het antwoord op de vraag of die werken in hun geheel of gedeeltelijk zijn gereproduceerd, dan bepaald door de nationale regel van auteursrecht waarin is vastgelegd wat een inbreukmakende reproductie van een auteursrechtelijk beschermd werk vormt, of is dat een kwestie van uitlegging van artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG?
b)
indien het een kwestie van uitlegging van artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG is, moet de nationale rechter dan alle fragmenten van elk werk als geheel in aanmerking nemen, of alleen het beperkte aantal fragmenten dat op een willekeurig moment bestaat? Indien het laatste het geval is, welk criterium moet de nationale rechter dan toepassen om te bepalen of een wezenlijk deel van de werken is gereproduceerd in de zin van dat artikel?
c)
geldt het reproductierecht in artikel 2 van richtlijn 2001/29/EG ook voor het creëren van beelden van voorbijgaande aard op een televisiescherm?
5. Vraag 5: Zelfstandige economische waarde
a)
Moeten kopieën van voorbijgaande aard van een werk die worden gecreëerd in een satelliettelevisiedecoder of op een televisiescherm dat aan de decoder is gekoppeld, en waarvan het enige doel is het mogelijk te maken om het werk te gebruiken op een manier die niet op andere wijze bij wet is beperkt, worden geacht „zelfstandige economische waarde” in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG te hebben, omdat dergelijke kopieën de enige basis bieden op grond waarvan de rechthebbende een vergoeding voor het gebruik van zijn rechten kan verkrijgen?
b)
Is het voor het antwoord op vraag 5(a) van belang (i) of de kopieën van voorbijgaande aard inherente waarde hebben; (ii) of de kopieën van voorbijgaande aard een klein onderdeel zijn van een verzameling werken en/of een andere materie die anderszins mag worden gebruikt zonder dat het auteursrecht wordt geschonden; dan wel (iii) of de houder van een exclusieve licentie van de rechthebbende in een andere lidstaat reeds een vergoeding heeft gekregen voor het gebruik van het werk in die lidstaat?
6. Vraag 6: Mededeling aan het publiek per draad of draadloos
a)
Wordt een auteursrechtelijk beschermd werk per draad of draadloos aan het publiek meegedeeld in de zin van artikel 3 van richtlijn 2001/29/EG wanneer een satellietuitzending wordt ontvangen in een bedrijfsruimte, zoals een café, en in die ruimte via een enkel televisiescherm en luidsprekers wordt meegedeeld of vertoond aan daar aanwezige leden van het publiek?
b)
Is het voor het antwoord op vraag 6(a) van belang of:
i)
de aanwezige leden van het publiek nieuw publiek vormen dat de omroeporganisatie niet had voorzien (in dit geval omdat een particuliere decoderkaart voor gebruik in de ene lidstaat wordt gebruikt voor een commercieel publiek in een andere lidstaat)?
ii)
de leden van het publiek naar nationaal recht geen betalend publiek zijn?
c)
indien het antwoord op enig deel van (b) bevestigend is, welke factoren moeten dan in aanmerking worden genomen bij de bepaling of er sprake is van mededeling van het werk aan publiek dat niet op de plaats van oorsprong van de mededeling aanwezig is?
7. Vastleggingsrecht
Wanneer opeenvolgende fragmenten van een uitzending (in dit geval „frames” van digitale video en audio) worden gecreëerd (i) in het geheugen van een decoder of (ii) op een televisiescherm, en een groot deel van de uitzending wordt gereproduceerd indien de opeenvolgende fragmenten tezamen worden beschouwd, maar er op enig willekeurig moment slechts een beperkt aantal fragmenten bestaat:
a)
wordt het antwoord op de vraag of die opeenvolgende fragmenten een vastlegging van de uitzending vormen, dan bepaald door de nationale regel van auteursrecht waarin is vastgelegd wat een inbreukmakende reproductie van een auteursrechtelijk beschermd werk vormt, of is dat een kwestie van uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2006/115/EG?
b)
indien het een kwestie van uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2006/115/EG is, kunnen dergelijke kopieën van voorbijgaande aard dan wel als een „vastlegging” worden beschouwd en zo ja, moet de nationale rechter dan alle fragmenten van elk werk als geheel in aanmerking nemen, of alleen het beperkte aantal fragmenten dat op enig willekeurig moment bestaat? Indien het laatste het geval is, welk criterium moet de nationale rechter dan toepassen om te bepalen of er sprake is van vastlegging van de uitzending in de zin van dat artikel?
c)
geldt het vastleggingsrecht in artikel 7 van richtlijn 2006/115 ook voor het creëren van beelden van voorbijgaande aard op een televisiescherm?
8. Verweer op basis van richtlijn 93/83
Is het verenigbaar met richtlijn 93/83/EEG of met de artikelen 34 VWEU en 36 VWEU of 56 VWEU indien het nationale auteursrecht bepaalt dat, wanneer kopieën van voorbijgaande aard in een satellietuitzending of van de uitzending zelf worden gecreëerd in een decoder of op een televisiescherm, er sprake is van een inbreuk op een auteursrecht naar het recht van het land van ontvangst van de uitzending?
Is het hiervoor van belang of de uitzending wordt gedecodeerd met behulp van een satellietdecoderkaart die is verstrekt door de aanbieder van een satellietomroepdienst in een andere lidstaat onder de voorwaarde dat de satellietdecoderkaart alleen voor gebruik in die andere lidstaat is toegelaten?
9. De vraag of de UEFA een omroeporganisatie is in de zin van richtlijn 93/83
Wanneer een organisatie (de „eerste organisatie”) via een gecodeerd multilaterale signaal per satelliet voor eigen rekening beeld- en geluidsmateriaal van een live sportevenement verzendt of heeft verzonden aan een groep door haar geautoriseerde omroeporganisaties in verschillende landen, en deze organisaties vervolgens (hetzij per grond-televisiesignalen hetzij per satelliet) rechtstreekse programma’s van dat live sportevenement uitzenden met dezelfde beelden en hetzelfde geluid, maar bovendien voorzien van het logo van hun eigen station alsmede (volgens hun eigen redactionele vrijheid) hun eigen audiocommentaar en hun eigen programmamateriaal tijdens, voor en na de wedstrijd en tijdens de rustperiodes (de zogenoemde „downstream programma’s”)
a)
vormt het gecodeerde multilaterale signaal dan een „mededeling aan het publiek per satelliet” in de zin van artikel 1, lid 2, sub a en c, van richtlijn 93/83, indien de middelen voor decodering van het signaal zelf niet ter beschikking van het publiek worden gesteld, maar wel middelen voor decodering van de per satelliet verzonden signalen die de downstream programma’s omvatten, en de downstream programma’s worden gedecodeerd wanneer deze met grondzendmateriaal worden verzonden?
b)
is er sprake van invoering door de eerste omroeporganisatie in haar multilaterale signaal van „programmadragende signalen voor ontvangst door het publiek […] in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt”?
c)
waar artikel 1, lid 2, sub a, spreekt van zulke invoering „onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie”, is de eerste organisatie in dit verband dan als de of een relevante omroeporganisatie te beschouwen, of kunnen de signalen geacht worden in het multilaterale signaal te worden ingevoerd onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie die de downstream programma’s uitzendt?
10. Verweer op basis van de artikelen 34 VWEU en/of 56 VWEU
a)
Indien het antwoord op vraag 1 luidt dat door of met toestemming van een dienstverrichter geproduceerde uitrusting voor voorwaardelijke toegang „illegale uitrusting” in de zin van artikel 2, lid 2, van richtlijn 98/84/EG wordt, indien zij buiten de grenzen van de toestemming van de dienstverrichter wordt gebruikt om toegang te verschaffen tot een beschermde dienst, wat is dan het specifieke voorwerp van het recht in het licht van de wezenlijke functie die dat recht door de voorwaardelijketoegangrichtlijn is toegekend?
b)
Verzet artikel 34 VWEU of artikel 56 VWEU zich tegen de handhaving van een bepaling van nationaal recht van een lidstaat die de invoer of verkoop verbiedt van een satellietdecoderkaart die is verstrekt door de aanbieder van een satellietomroepdienst in een andere lidstaat onder de voorwaarde dat de satellietdecoderkaart alleen voor gebruik in die andere lidstaat is toegelaten?
c)
Is het voor het antwoord van belang of de satellietdecoderkaart in die andere lidstaat alleen is toegelaten voor particulier en huishoudelijk gebruik, maar in de eerste lidstaat wordt gebruikt voor commerciële doeleinden?
d)
Indien het antwoord op de derde vraag luidt dat het gebruik van een decoderkaart onder de in die vraag genoemde omstandigheden omzeiling van een doeltreffende technische voorziening is, sluit artikel 34 VWEU of artikel 56 VWEU dan niettemin de toepassing uit van een nationaalrechtelijke bepaling waardoor artikel 6 van richtlijn 2001/29/EG wordt omgezet?
11. De vraag of de bescherming voor muzikale en literaire werken ruimer kan zijn dan die voor de rest van de uitzending
a)
Verzetten de artikelen 34 VWEU, 36 VWEU of 56 VWEU zich tegen de handhaving van een bepaling van nationaal auteursrecht die het verbiedt om een muziekwerk publiekelijk uit te voeren of af te spelen, wanneer dat werk is opgenomen in een beschermde dienst waartoe toegang wordt verkregen en die publiekelijk wordt afgespeeld met behulp van een satellietdecoderkaart, en die kaart is verstrekt door de dienstverrichter in een andere lidstaat onder de voorwaarde dat de decoderkaart alleen voor gebruik in die andere lidstaat is toegelaten? Is het van belang of het muziekwerk een onbelangrijk onderdeel van de beschermde dienst als geheel is en dat de publieke vertoning en het publiekelijk afspelen van de andere onderdelen van de dienst niet worden beschermd door het nationale auteursrecht?
b)
Verzetten de artikelen 34 VWEU, 36 VWEU of 56 VWEU zich tegen de handhaving van een bepaling van nationaal auteursrecht die het verbiedt om literaire werken publiekelijk uit te voeren of af te spelen, wanneer die werken zijn opgenomen in een beschermde dienst waartoe toegang wordt verkregen en die publiekelijk wordt afgespeeld met behulp van een satellietdecoderkaart, en die kaart is verstrekt door de dienstverrichter in een andere lidstaat onder de voorwaarde dat de decoderkaart alleen voor gebruik in die andere lidstaat is toegelaten? Is het van belang of de literaire werken een onbelangrijk onderdeel van de beschermde dienst als geheel zijn en dat de publieke vertoning of het publiekelijk afspelen van de andere onderdelen van de dienst niet worden beschermd door het nationale auteursrecht?
12. Verweer op basis van artikel 101 VWEU
Wanneer een aanbieder van programma-inhoud een aantal exclusieve licentieovereenkomsten aangaat, elk voor het grondgebied van een of meer lidstaten, op grond waarvan de omroeporganisatie de programma-inhoud alleen in dat geografische gebied mag uitzenden (met inbegrip van uitzending per satelliet), en elke licentie een contractuele verplichting voor de omroeporganisatie bevat om te voorkomen dat haar satellietdecoderkaarten, die het mogelijk maken om de in licentie gegeven programma-inhoud te ontvangen, buiten het in licentie gegeven geografische gebied worden gebruikt, welk juridisch criterium moet de nationale rechter dan toepassen en welke omstandigheden moet hij in aanmerking nemen bij de beoordeling of de contractuele beperking in strijd is met het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU?
In het bijzonder:
a)
moet artikel 101, lid 1, VWEU aldus worden uitgelegd dat het op die verplichting van toepassing is, louter omdat deze wordt geacht tot doel te hebben de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen?
b)
zo ja, moet dan tevens worden aangetoond dat de contractuele verplichting de mededinging merkbaar verhindert, beperkt of vervalst, om onder het verbod van artikel 101, lid 1, VWEU te vallen?
Full & Egal Universal Law Academy