11.9.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 246/16
Hogere voorziening ingesteld op 21 mei 2010 door Centre de coordination Carrefour SNC tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 18 maart 2010 in zaak T-94/08, Centre de coordination Carrefour/Commissie
(Zaak C-254/10 P)
2010/C 246/28
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Centre de coordination Carrefour SNC (vertegenwoordigers: X. Clarebout, C. Docclo en M. Pittie, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
—
de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond verklaren,
—
dientengevolge het bestreden arrest vernietigen,
—
dientengevolge:
—
de zaak voor beslissing terugverwijzen naar het Gerecht of;
—
de zaak zelf definitief afdoen door de in eerste aanleg geformuleerde vorderingen van rekwirante toe te wijzen bij wege van nietigverklaring van de bestreden beschikking (1);
—
de Europese Commissie verwijzen in alle kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert in haar hogere voorziening vijf middelen aan.
Met haar eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door te oordelen dat rekwirante geen procesbelang heeft bij betwisting van de bestreden beschikking omdat zij niet over een naar Belgisch recht geldige erkenning beschikt, en voorts dat zij voor de ontvankelijkheid van haar beroep niet over een geldige erkenning moest beschikken. Die motivering is derhalve tegenstrijdig, aangezien het Gerecht niet gelijktijdig kan besluiten tot het ontbreken van procesbelang bij gebrek aan een geldige erkenning en tot de irrelevantie van deze erkenning voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep.
Met haar tweede middel betoogt rekwirante dat het Gerecht de hem uiteengezette feiten onjuist heeft uitgelegd door voorbij te gaan aan de structuur van de Belgische wetgeving betreffende coördinatiecentra door een onjuiste uitlegging te geven aan koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (2), door de reikwijdte ervan te verdraaien en de hiërarchie van Belgische rechtsbronnen niet in acht te nemen. Het betrokken koninklijk besluit is immers een volmachtenbesluit dat in het Belgische recht dezelfde juridische waarde als een wet heeft en steeds toepasselijk is op rekwirante, die bijgevolg over een erkenning voor tien jaar beschikt.
Met haar derde middel voert verzoekster schending door het Gerecht aan van het gezag van gewijsde van het arrest van het Hof van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie (C-182/03 en C-217/03), voor zover erin wordt geoordeeld dat de vernietiging van de bestreden beschikking door dit arrest tot gevolg had dat de verlenging van de erkenningen van de coördinatiecentra werd verboden vanaf de kennisgeving van de bestreden beschikking. Bij het arrest van het Hof werd de bestreden beschikking echter juist nietig verklaard omdat zij niet voorzag in geschikte overgangsperiodes voor de coördinatiecentra waarvan de aanvraag tot verlenging van de erkenning hangende was op de datum van deze kennisgeving of waarvan de erkenning op de datum van de kennisgeving van de bestreden beschikking of korte tijd daarna verstreek.
Met haar vierde middel verwijt rekwirante het Gerecht te zijn voorbijgegaan aan het begrip „procesbelang” door te oordelen dat de uitslag van het door rekwirante ingestelde beroep niet in haar voordeel kon zijn, omdat het niet zeker was dat de Belgische autoriteiten de handhaving van de status van coördinatiecentrum van rekwirante na 31 december 2005 zouden aanvaarden in geval van nietigverklaring van de bestreden beschikking. De Belgische autoriteiten beschikten in casu echter niet over enige beoordelingsvrijheid, aangezien de erkenning voor tien jaar moest worden verleend indien was voldaan aan de criteria van koninklijk besluit nr. 187. Voorts is het Gerecht zelf in het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat de Belgische autoriteiten niet hadden uitgesloten de betrokken regeling na 31 december 2005 aan rekwirante toe te kennen en dat zij hadden besloten haar geen sanctie op te leggen zolang niet onherroepelijk over haar beroep was beslist.
Met haar vijfde en laatste middel voert rekwirante ten slotte aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat een overgangsmaatregel niet met terugwerkende kracht kan gelden. Het is immers niet ongewoon, in het bijzonder op fiscaal gebied, dat een overgangsperiode op een eerdere datum ingaat.
(1) Beschikking 2008/283/EG van de Commissie van 13 november 2007 betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra en tot wijziging van beschikking 2003/757/EG (PB 2008, L 90, blz. 7).
(2) Belgisch Staatsblad van 13 januari 1983, blz. 502.
Full & Egal Universal Law Academy