31.7.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 209/29
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door The Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (Verenigd Koninkrijk) op 26 mei 2010 — Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs/The Rank Group PLC
(Zaak C-260/10)
2010/C 209/40
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
The Upper Tribunal (Tax and Chancery Chamber) (Verenigd Koninkrijk)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Commissioners for Her Majesty's Revenue and Customs
Verwerende partij: The Rank Group PLC
Prejudiciële vragen
1.
Wanneer een lidstaat in de uitoefening van zijn beoordelingsvrijheid volgens artikel 13B, sub f, van de Zesde btw-richtlijn (1) bepaalde voor gokactiviteiten gebruikte automaten („deel III-speelautomaten”) aan de btw heeft onderworpen, met handhaving van een vrijstelling voor andere voor dat doel gebruikte automaten (waaronder fixed odds betting terminals, „FOBT’s”), en gesteld wordt dat de lidstaat daarmee het beginsel van belastingneutraliteit heeft geschonden: is het dan
(i) doorslaggevend of (ii) relevant voor de vergelijking van deel III-speelautomaten met FOBT’s, dat
a)
FOBT’s activiteiten aanboden die volgens de nationale wetgeving neerkwamen op „het aangaan van weddenschappen” (of op activiteiten die het bevoegde regelgevende orgaan in de uitoefening van zijn regelgevende bevoegdheid bereid was te behandelen als „het aangaan van weddenschappen” naar nationaal recht), en
b)
deel III-speelautomaten activiteiten aanboden die volgens de nationale wetgeving anders werden aangemerkt, namelijk als „beoefening van een kansspel”,
en dat voor de beide activiteiten verschillende regelingen golden in overeenstemming met de wetgeving van die lidstaat inzake de beheersing en de regulering van gokken? Zo ja, welke verschillen tussen de betrokken regelingen moet de nationale rechter dan in aanmerking nemen?
2.
Op welk abstractieniveau moet de nationale rechter bij de beoordeling van de vraag of het beginsel van belastingneutraliteit een gelijke fiscale behandeling vereist van de in de eerste vraag genoemde typen van automaten (FOBT’s en deel III-speelautomaten), bepalen of dit soortgelijke goederen zijn? In hoeverre zijn met name de volgende factoren daarbij relevant:
a)
overeenkomsten en verschillen tussen FOBT’s en deel III-speelautomaten met betrekking tot de toegestane hoogte van de inzet en de prijzen;
b)
het feit dat FOBT’s alleen gebruikt mochten worden in bepaalde ruimtes met een vergunning voor het aangaan van weddenschappen, en dat dit andere ruimtes waren dan die met een vergunning voor de beoefening van kansspelen, terwijl voor de verschillende ruimtes verschillende wettelijke beperkingen golden (hoewel FOBT’s en ten hoogste twee deel III-speelautomaten in ruimtes met een vergunning voor het aangaan van weddenschappen naast elkaar mochten worden gebruikt);
c)
dat op FOBT’s de kans op het winnen van een prijs rechtstreeks was gerelateerd aan de gepubliceerde vaste winstratio, terwijl de winstkans op deel III-speelautomaten in sommige gevallen kon worden gewijzigd door middel van een mechanisme (een „compensator”), dat op den duur zowel de exploitant als de speler van een bepaald winstpercentage verzekerde;
d)
overeenkomsten en verschillen in de op de automaten aanwezige formats;
e)
overeenkomsten en verschillen tussen FOBT’s en deel III-speelautomaten met betrekking tot de interactie die mogelijk was tussen de speler en de automaat;
f)
of de bovenstaande factoren al of niet bekend waren bij de meerderheid van de gebruikers van deze automaten en of zij die wel of niet als relevant of belangrijk beschouwden;
g)
of het verschil in de behandeling door een van bovenstaande factoren gerechtvaardigd wordt?
3.
Wanneer een lidstaat in de uitoefening zijn beoordelingsvrijheid volgens artikel 13B, sub f, van de Zesde btw-richtlijn gokken heeft vrijgesteld van de btw, maar een bepaald omschreven categorie gokautomaten heeft onderworpen aan de btw:
a)
komt een lidstaat tegen een vordering wegens schending van het beginsel van belastingneutraliteit dan in beginsel het verweer toe, dat hij met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld, en
b)
zo ja, welke factoren zijn dan relevant bij de beoordeling of de lidstaat zich al dan niet met succes op dat verweer kan beroepen?
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy