18.12.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 346/23
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Regensburg (Duitsland) op 11 juni 2010 — G/Cornelius de Visser
(Zaak C-292/10)
2010/C 346/38
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Regensburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: G
Verwerende partij: Cornelius de Visser
Prejudiciële vragen
a)
Staan artikel 6, lid 1, eerste alinea, eerste zinsdeel, van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de versie van het Verdrag van Lissabon (hierna: EU-Verdrag) juncto artikel 47, lid 2, eerste zin, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) (1) of andere Europese bepalingen in de weg aan een zogenoemde openbare betekening naar nationaal recht (conform §§ 185 tot en met 188 van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, door de kennisgeving van de betekening voor de duur van één maand te afficheren op het daarvoor bestemde bord bij de rechterlijke instantie die de betekening beveelt), indien de verweerder in een (beginnende) civiele procedure weliswaar op zijn website een adres binnen het grondgebied van de Europese Unie (hierna: grondgebied van de Unie) opgeeft, maar een betekening aan dat adres niet mogelijk is bij gebreke van een verblijfplaats van verweerder aldaar en ook overigens niet kan worden vastgesteld waar de verweerder op dit moment verblijft?
b)
Voor het geval dat de vraag sub a bevestigend wordt beantwoord:
Is de nationale rechter dan gehouden de nationale bepalingen die een openbare betekening toestaan, conform de bestaande rechtspraak van het Hof (laatstelijk arrest van 12 januari 2010, C-341/08, Petersen, nog niet gepubliceerd in de Jurispr.) buiten toepassing te laten, ook indien het nationale recht de bevoegdheid daartoe slechts toekent aan het Duitse Bundesverfassungsgericht (constitutionele rechter)?
en
Moet verzoekster, om haar rechten te kunnen uitoefenen, aan de rechterlijke instantie een nieuw adres van de verweerder meedelen voor een nieuwe betekening van het gedinginleidende stuk, aangezien naar nationaal recht de procedure zonder openbare betekening en zonder informatie over de verblijfplaats van de verweerder niet kan plaatsvinden?
c)
Voor het geval dat de vraag sub a ontkennend wordt beantwoord: Staat artikel 26, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „verordening nr. 44/2001”) (2) in casu in de weg aan het wijzen van een verstekvonnis overeenkomstig § 331 van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering, dus aan de afgifte een executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen in de zin van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (hierna: „verordening nr. 805/2004”), voor zover de veroordeling tot betaling van smartengeld ten bedrage van ten minste 20 000,00 EUR wordt gevorderd, vermeerderd met rente, en advocatenkosten ten bedrage van 1 419,19 EUR vermeerderd met rente?
Voor de onderstaande vragen geldt telkens de voorwaarde dat verzoekster het geding op grond van de antwoorden van het Hof op de vragen sub a tot en met c kan voortzetten:
d)
Is verordening nr. 44/2001, gezien artikel 4, lid 1, en artikel 5, punt 3, van deze verordening, ook van toepassing in situaties waarin de verweerder in een civiele procedure, tegen wie wegens het beheer van een website een vordering is ingesteld tot staking, informatieverstrekking en betaling van smartengeld, weliswaar (vermoedelijk) burger van de Unie is als bedoeld in artikel 9, tweede zin, EU-Verdrag, maar zijn verblijfplaats onbekend is en het om die reden ook denkbaar, maar geenszins zeker is, dat hij zich thans bevindt buiten het grondgebied van de Unie en tevens buiten het overige toepassingsgebied van het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano op 16 september 1988 (hierna: „Verdrag van Lugano”), en tevens de precieze standplaats van de server waarop de website is opgeslagen, onbekend is, maar het voor de hand ligt dat deze zich binnen het grondgebied van de Unie bevindt?
e)
Indien verordening nr. 44/2001 in deze situatie van toepassing is: Moet de uitdrukking „plaats waar het schadebrengende feit zich kan voordoen” in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 in het geval van (dreigende) schendingen van persoonlijkheidsrechten door de inhoud van een website aldus worden uitgelegd,
dat de betrokkene (hierna: „verzoekster”) tegen de beheerder van de website (hierna: „verweerder”), ongeacht waar (binnen of buiten het grondgebied van de Unie) deze gevestigd is, ook een vordering tot staking, informatieverstrekking en schadevergoeding kan instellen bij de gerechten van elke lidstaat waar die website kan worden opgeroepen,
of
is voor de bevoegdheid van de gerechten van een lidstaat waarin de verweerder niet is gevestigd, of indien er geen aanwijzingen zijn voor een verblijf van verweerder op het grondgebied van deze lidstaat, naast de louter technische mogelijkheid om die website op te roepen ook vereist dat er tussen de gelaakte inhoud of de website en de forumstaat een bijzondere band bestaat?
f)
Indien een dergelijke bijzondere band vereist is: Welke criteria zijn bepalend voor die band?
Is het beslissend dat de website door de beheerder ervan doelbewust (ook) is gericht tot de internetgebruikers in de forumstaat, of volstaat het dat de op de website te raadplegen informatie objectief een band heeft met die staat, in die zin dat een conflict tussen tegenstrijdige belangen — het belang van verzoekster bij de eerbiediging van haar persoonlijkheidsrecht en het belang van de beheerder bij de vormgeving van zijn website — in de omstandigheden van het concrete geval, met name op grond van de inhoud van de website, zich in de forumstaat daadwerkelijk kan hebben voorgedaan of zich kan voordoen respectievelijk zich heeft voorgedaan doordat één of meer bekenden van degene wiens persoonlijkheidsrecht wordt geschonden, kennis hebben genomen van de inhoud van de website?
g)
Is het voor de vaststelling van de bijzondere band van belang hoe vaak de website in de forumstaat is opgeroepen?
h)
Voor het geval dat de verwijzende rechter na bovenstaande vragen bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen: Zijn de rechtsbeginselen van het arrest van het Hof van 7 maart 1995 (Shevil e.a., zaak C-68/93, Jurispr. blz. I-415) tevens van toepassing op de boven geschetste situatie?
i)
Indien voor de bevoegdheid geen bijzondere band vereist is, of indien daarvoor volstaat dat de gelaakte informatie objectief een band heeft met de forumstaat, in die zin dat een conflict tussen de tegenstrijdige belangen in de omstandigheden van het concrete geval, met name op grond van de inhoud van de website, zich in de forumstaat daadwerkelijk kan hebben voorgedaan of zich kan voordoen respectievelijk zich heeft voorgedaan doordat één of meer bekenden van degene wiens persoonlijkheidsrecht wordt geschonden, kennis hebben genomen van de inhoud van de website, en voor een dergelijke band niet vereist is dat de betrokken website in de forumstaat een minimumaantal keren is opgeroepen, of indien verordening nr. 44/2001 niet van toepassing is op de onderhavige casus:
Moet artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (hierna: „richtlijn inzake elektronische handel”) (3) aldus worden uitgelegd, dat aan die bepalingen een conflictenrechtelijke betekenis moet worden toegekend, in die zin dat zij ook in het burgerlijk recht de verplichting meebrengen om uitsluitend het recht van het land van herkomst toe te passen, waarbij de nationale collisieregels opzij worden geschoven,
of
vormen die bepalingen een correctief op materieelrechtelijk vlak, waardoor het materieelrechtelijke resultaat van het overeenkomstig de nationale collisieregels toepasselijke recht inhoudelijk gewijzigd wordt en wordt gereduceerd tot de vereisten van het land van herkomst?
j)
Indien artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn inzake elektronische handel een conflictenrechtelijk karakter heeft:
Verplichten die bepalingen enkel tot de uitsluitende toepassing van het materiële recht van het land van herkomst of ook tot de toepassing van de aldaar geldende collisieregels, zodat terugverwijzing door het recht van het land van herkomst naar het recht van het land van bestemming mogelijk blijft?
k)
Indien artikel 3, leden 1 en 2, van de richtlijn inzake elektronische handel een conflictenrechtelijk karakter heeft:
Is voor de bepaling van de vestigingsplaats van de aanbieder van de dienst van belang de (vermoedelijke) actuele verblijfplaats, de verblijfplaats bij het begin van de publicatie van de foto’s van verzoekster of de (vermoedelijke) standplaats van de server waarop de website is opgeslagen?
(1) PB L 303, blz. 1.
(2) PB L 12, blz. 1.
(3) PB L 178, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy