11.9.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 246/23
Hogere voorziening ingesteld op 29 juni 2010 door Union Investment Privatfonds GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 27 april 2010 in zaak T-392/06, Union Investment Privatfonds GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen); andere partij in de procedure: Unicre-Cartão International De Crédito SA
(Zaak C-308/10 P)
2010/C 246/40
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Union Investment Privatfonds GmbH (vertegenwoordiger: J. Zindel, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure:
—
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
—
Unicre Cartão International De Crédito SA
Conclusies
Rekwirante verzoekt:
1.
vernietiging van het arrest van het Gerecht van 27 april 2010 in zaak T-392/06;
2.
vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 10 oktober 2006 in zaak R 442/2004-2 en toewijzing van de door rekwirante ingestelde oppositie tegen inschrijving van gemeenschapsmerk nr. 1871896 „unibanco”.
Middelen en voornaamste argumenten
De hogere voorziening berust op een onjuiste toepassing van artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/49. Het Gerecht is ten onrechte ervan uitgegaan dat rekwirante bewijselementen betreffende het gebruik van het oppositiemerk te laat heeft overgelegd. De in het kader van artikel 74, lid 2, van verordening nr. 40/94 noodzakelijke discretionaire beoordeling van de oppositieafdeling van het BHIM voldoet trouwens niet aan de voorwaarden die zijn gesteld in het arrest van het Hof van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C-29/05 P.
Bij een correcte uitoefening van de discretionaire bevoegdheid had ook rekening moeten worden gehouden met de bewijsmiddelen van rekwirante betreffende het gebruik van het oppositiemerk wanneer zij die daadwerkelijk te laat zou hebben overgelegd. De procedure zou als gevolg van de beoordeling van de bewijselementen geen vertraging hebben opgelopen aangezien de oppositieafdeling van het BHIM pas 15 maanden na overlegging van de bewijselementen heeft beslist. De bewijselementen waren ook direct juridisch relevant. Bovendien liggen fouten in de brieven van de oppositieafdeling van het BHIM mede aan de oorzaak ervan dat rekwirante de bewijselementen pas na afloop van de termijn heeft overgelegd.
Voorts heeft het Gerecht geen acht geslagen op de vaststelling van de oppositieafdeling van het BHIM dat de andere partijen in de procedure hun argumenten en bewijzen hebben aangedragen binnen de gestelde termijn. De oppositieafdeling van het BHIM is dus niet ervan uitgegaan dat de argumenten en bewijzen te laat waren aangedragen. Onder die omstandigheden kon de kamer van beroep van het BHIM niet veronderstellen dat zij te laat waren aangedragen. De kamer van beroep had veeleer de overgelegde bewijselementen inhoudelijk moeten onderzoeken.
De kamer van beroep noch het Gerecht kan een eigen oordeel in de plaats stellen van de onjuiste discretionaire beslissing van de oppositieafdeling. De kamer van beroep had, doordat geen gebruik was gemaakt van de discretionaire bevoegdheid, de zaak overeenkomstig artikel 62, lid 2, van verordening nr. 40/94 moeten terugwijzen naar de oppositieafdeling.
Bovendien zijn er talrijke redenen die verklaren waarom rekwirante de bewijselementen in verband met het gebruik van het oppositiemerk niet te laat heeft overgelegd. Ten eerste vormen de dagelijkse publicaties in de financiële katern van landelijke kranten, waardoor het gebruik van het oppositiemerk en van andere seriemerken door de aanduiding van het investeringsfonds van rekwirante is aangetoond, algemeen bekende feiten. Daarmee had het BHIM ambtshalve rekening moeten houden. Ten tweede heeft de aanvrager van het merk het gebruik van het oppositiemerk en de seriemerken niet betwist. Ten derde heeft de oppositieafdeling van het BHIM rekwirante ten onrechte belet, andere bewijselementen in verband met het gebruik van het merk over te leggen. Het BHIM heeft rekwirante immers gemeld dat zij enkel over de argumenten van de aanvrager van het merk een standpunt kon innemen. Met nieuwe bewijzen zou het BHIM geen rekening houden. Derhalve was het niet relevant of rekwirante andere bewijzen in verband met het gebruik voorlegde of niet. Ten vierde zijn termijnen op ontoelaatbare wijze verkort geworden. Op deze wijze heeft het BHIM ook regel 80 van de toepassingsverordening nr. 2868/95 geschonden.
Full & Egal Universal Law Academy