6.11.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 301/5
Beroep ingesteld op 8 juli 2010 — Republiek Hongarije/åSlowaakse Republiek
(Zaak C-364/10)
2010/C 301/07
Procestaal: Slowaaks
Partijen
Verzoekende partij: Republiek Hongarije (vertegenwoordigers: M. Fehér en E. Orgován als gemachtigden)
Verwerende partij: Slowaakse Republiek
Conclusies
—
vaststellen dat de Slowaakse Republiek, door op 21 augustus 2009 in strijd met richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (1) (hierna: „richtlijn 2004/38”) aan de president van de Republiek Hongarije, László Sólyom, de toegang tot haar grondgebied te weigeren, de krachtens die richtlijn en artikel 18, eerste alinea, VEG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
—
bovendien, vaststellen dat het recht van de Europese Unie, met name artikel 3, lid 2, VEU en artikel 21, lid 1, VWEU, in de weg staat aan de door de Slowaakse Republiek op het tijdstip van de instelling van het onderhavige beroep nog steeds verdedigde stelling dat zij op grond van richtlijn 2004/38 de toegang tot het Slowaakse grondgebied mag verbieden aan een vertegenwoordiger van de Republiek Hongarije, in casu de president van de Republiek, zodat een dergelijke inbreuk opnieuw kan worden begaan;
—
vaststellen dat de Slowaakse Republiek de regels van de Unie verkeerd heeft toegepast doordat haar autoriteiten met een beroep op richtlijn 2004/38 de president van de Republiek Hongarije, Lázló Sólyom, niet tot het Slowaakse grondgebied hebben toegelaten;
—
voor het geval dat het Hof van Justitie, anders dan de Republiek Hongarije hierboven heeft gevorderd, zou verklaren dat een specifieke bepaling van internationaal recht de personele werkingssfeer van richtlijn 2004/38 kan beperken, wat volgens de Republiek Hongarije niet het geval is, de draagwijdte en de werkingssfeer van die beperking aangeven;
—
de Slowaakse Republiek verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Bij verbaal van 21 augustus 2009 heeft de minister van Buitenlandse zaken van de Slowaakse Republiek zijn Hongaarse ambtgenoot met betrekking tot het bezoek dat de president van de Republiek Hongarije, László Sólyom, diezelfde dag zou brengen, meegedeeld dat de bevoegde autoriteiten van de Slowaakse Republiek hadden besloten deze laatste de toegang tot het Slowaakse grondgebied te verbieden.
De Hongaarse regering verklaart dat de Slowaakse Republiek, door president László Sólyom de toegang tot haar grondgebeid te weigeren, artikel 18 VEG en richtlijn 2004/38 heeft geschonden. Volgens de Republiek Hongarije vormde het gedrag van de president van de Republiek, László Sólyom, in het algemeen noch in de context van het betrokken bezoek een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving die de vaststelling van een beperkende maatregel kon rechtvaardigen. De Hongaarse regering is van mening dat, al zou een beperkende maatregel gerechtvaardigd zijn geweest — wat volgens haar niet het geval was —, een maatregel als die welke in het onderhavige geval is getroffen, namelijk een inreisverbod voor de president van de Republiek, niet in overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel en verder ging dan het nagestreefde doel, dat de Slowaakse Republiek met minder beperkende maatregelen kon bereiken.
De Slowaakse Republiek zou ook de vormvoorschriften van richtlijn 2004/38 niet in acht hebben genomen daar het inreisverbod voor president László Sólyom niet op grond van een richtlijnconform besluit is genomen en niet officieel ter kennis is gebracht; het verbaal deelde het inreisverbod mee, maar bevatte geen afdoende motivering en gaf evenmin aan, bij welke bestuurlijke of rechterlijke instantie en binnen welke termijn een beroep kon worden ingesteld.
De Hongaarse regering vreest een nieuwe inbreuk door de Slowaakse Republiek, die verklaart dat zij nog steeds van mening is dat het inreisverbod voor president László Sólyom gerechtvaardigd was.
Volgens de Hongaarse regering levert niet alleen de toepassing van het recht door de Slowaakse autoriteiten een schending van richtlijn 2004/38 op, maar is ook de verwijzing zelf naar de richtlijn niet gerechtvaardigd, omdat de Slowaakse autoriteiten niet de bedoeling hadden, de doelstellingen van die richtlijn te verwezenlijken, maar onder dat voorwendsel zuiver politieke doelstellingen hebben nagestreefd. Uit de verklaringen van de Slowaakse regering kan worden afgeleid dat deze president László Sólyom de toegang tot het grondgebied van de Slowaakse Republiek niet heeft geweigerd om veiligheidsredenen of om redenen van openbare orde, zoals die welke in de regels van de Unie en inzonderheid in richtlijn 2004/38 worden genoemd, maar om zuiver politieke redenen en vooral om redenen van buitenlandse politiek.
Volgens de Hongaarse regering zou de Europese Commissie tijdens de regelgevingsprocedure ten onrechte hebben verklaard dat op officiële bezoeken van staatshoofden van de lidstaten de nationale bepalingen moeten worden toegepast en niet het recht van de Unie. Volgens haar is richtlijn 2004/38 zonder onderscheid van toepassing op om het even welke groep van personen en op bezoeken van om het even welke aard, zowel op officiële bezoeken als op privé-bezoeken. Die richtlijn verleent algemeen aan alle burgers van de Unie het fundamentele recht om het grondgebied van om het even welke lidstaat binnen te komen, als een door het primaire recht aan iedere burger afzonderlijk verleend recht. Richtlijn 2004/38 bepaalt ook algemeen en limitatief in welke gevallen het vrije verkeer van burgers van de Unie kan worden beperkt. Zij bevat geen bepaling volgens welke de staatshoofden of een andere categorie van burgers van de lidstaten van de werkingssfeer van de algemene regel kunnen worden uitgesloten. Indien de Raad en het Europees Parlement de uitoefening van het recht van vrij verkeer afhankelijk hadden willen stellen van een regel van internationaal recht, daaronder begrepen internationaal gewoonterecht, zouden zij dit zeker reeds bij de vaststelling van de richtlijn hebben gedaan.
De Hongaarse regering is van mening dat er in het internationale recht, zowel het gecodificeerde internationale recht als het internationale gewoonterecht, geen rechtsregel bestaat die op een geval als het onderhavige van toepassing is, en dat, zelfs al zou een dergelijke regel bestaan, de lidstaten door toetreding tot de Unie aan deze laatste de bevoegdheid hebben verleend om het vrije verkeer van personen te regelen en ermee hebben ingestemd dat deze de bevoegdheden uitoefent die hun ter zake in overeenstemming met de besluiten en het recht van de Unie zijn ontnomen. Indien een bepaling van internationaal recht de personele werkingssfeer van richtlijn 2004/38 ter zake van het inreizen van een burger van een lidstaat in een andere lidstaat zou kunnen beperken, dient het Hof van Justitie de draagwijdte van die beperking nauwkeurig te bepalen en daarbij rekening te houden met het feit dat richtlijn 2004/38 niet in een dergelijke uitzondering of afwijking voorziet.
(1) PB L 158, blz. 77.
Full & Egal Universal Law Academy