9.10.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 274/19
Hogere voorziening ingesteld op 10 augustus 2010 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 9 juni 2010 in zaak T-237/05, Éditions Odile Jacob SAS/Commissie
(Zaak C-404/10 P)
2010/C 274/30
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Smulders, O. Beynet, en P. Costa de Oliveira, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Éditions Odile Jacob SAS, Lagardère SCA
Conclusies
—
vernietiging van het arrest van het Gerecht van 9 juni 2010, zaak T-237/05, Éditions Jacob/Commissie, voor zover daarbij de beschikking van de Commissie van 7 april 2005 waarbij de toegang is geweigerd tot een aantal documenten betreffende de procedure voor de controle op concentraties nr. COMP/M.2978 nietig is verklaard;
—
verwerping van het door de in hogere voorziening verwerende partij bij het Gerecht ingestelde beroep tot nietigverklaring en afdoening van de punten waartegen de onderhavige hogere voorziening is gericht;
—
verwijzing van de in eerste aanleg verzoekende partij in de kosten, zowel die in eerste aanleg als die in deze hogere voorziening door de Commissie gemaakt.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie voert voor haar hogere voorziening twee middelen aan.
Met haar eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht verordening (EG) nr. 1049/2001 (1) onjuist heeft uitgelegd door bij de uitlegging van de uitzonderingen op het recht van toegang tot documenten geen rekening te houden met het bepaalde in verordening (EEG) nr. 4064/89 (2) van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen. De algemene regels inzake toegangsrechten dienen immers rekening te houden met de specifieke kenmerken van procedures op mededingingsgebied en met de vertrouwelijkheidsgaranties die aan de bij een concentratie betrokken ondernemingen worden gegeven.
Met haar tweede middel, dat bestaat uit vijf onderdelen, verwijt de Commissie het Gerecht een onjuiste uitlegging van artikel 4, leden 2 en 3, van genoemde verordening nr. 1049/2001, voor zover het heeft geoordeeld dat rekwirante verplicht was, over te gaan tot een concreet en individueel onderzoek van elk document waarvan inzage was verzocht, ook in gevallen waarvoor een duidelijke uitzondering gold (eerste onderdeel). De Commissie betwist tevens de restrictieve uitlegging die door het Gerecht is gegeven aan de uitzondering inzake de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits, welke uitlegging inhoudt dat deze uitzondering niet kan worden gehanteerd nadat de Commissie haar beschikking tot afsluiting van de administratieve procedure voor controle op een concentratie heeft gegeven (tweede onderdeel). Rekwirante stelt ook dat het Gerecht het recht kennelijk onjuist heeft toegepast door in de eerste plaats van de Commissie te eisen dat zij de documenten concreet en individueel onderzoekt, met een beschrijving van de inhoud van elk document, en in de tweede plaats de raadpleging van derden te eisen, ondanks dat overduidelijk de uitzondering voor bescherming van commerciële belangen van toepassing was (derde onderdeel). Voorts stelt de Commissie dat het Gerecht het recht onjuist heeft toegepast door haar weigering van toegang tot interne documenten nietig te verklaren, terwijl die documenten onder de in artikel 4, lid 3, tweede alinea, genoemde uitzondering voor het „besluitvormingsproces” vielen (vierde onderdeel). Ten slotte is volgens rekwirante artikel 4, lid 6, van eerdergenoemde verordening onjuist uitgelegd (vijfde onderdeel).
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
(2) Verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 395, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy