23.10.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 288/24
Hogere voorziening ingesteld op 23 augustus 2010 door Herhof-Veraltungsgesellschaft mbH tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 7 juli 2010 in zaak T-60/09, Herhof-Verwaltungsgesellschaft mbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Stabilator sp z oo
(Zaak C-418/10 P)
2010/C 288/42
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Herhof-Veraltungsgesellschaft mbH (vertegenwoordigers: A. Zinnecker en S. Müller, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Stabilisator sp. z o.o.
Conclusies
1)
vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 7 juli 2010 in zaak T-60/09;
2)
afdoening van de zaak en toewijzing van de door rekwirante in eerste aanleg geformuleerde vorderingen;
3)
subsidiair, vernietiging van het in punt 1 vermelde arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerecht;
4)
verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
1)
Ten eerste is de motivering van het bestreden arrest in se tegenstrijdig. Het Gerecht heeft enerzijds erkend dat de kamer van beroep alleen heeft onderzocht welke soort ondernemingen de betrokken diensten en waren aanbiedt en daardoor de kring van ondernemingen mogelijk ten gevolge van een te enge uitlegging van de lijst van waren en diensten van de oudere merken onjuist heeft beoordeeld. Anderzijds kan de vraag of de kamer van beroep beoordelingsfouten heeft gemaakt eerst worden beantwoord na een beoordeling van „de door de kamer van beroep indertijd gedane beoordeling van elk van de in de aanvraag opgegeven waren en diensten”, waarbij het Gerecht zelf deze — niet door de kamer van beroep gedane — afzonderlijke beoordelingen uitvoert teneinde tot het besluit te komen dat de kamer van beroep blijkbaar geen fouten heeft gemaakt. Deze inconsequentie speelt in het nadeel van rekwirante, aangezien in het kader van de door het Gerecht uitgevoerde afzonderlijke vergelijkingen steeds wordt verwezen naar de door de kamer van beroep uitgevoerde „globale vergelijking” op basis van de sectoren, zodat de enge uitlegging van de lijst van waren en diensten waarop de oudere merken betrekking hebben, ook in dit opzicht haar neerslag vindt.
2)
Ten tweede heeft het Gerecht artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 geschonden doordat het bij elke afzonderlijke vergelijking de lijst van waren en diensten waarop de conflicterende merken betrekking hebben, te eng heeft uitgelegd in het licht van de door de kamer van beroep als globale vergelijking uitgevoerde classificatie in sectoren en daardoor de inhoud van deze lijsten onjuist heeft opgevat en bijgevolg de daaruit afgeleide kenmerken zoals aard, gebruik, toepassing en doelpubliek van de betrokken waren en diensten eveneens onjuist heeft opgevat.
3)
Ten derde heeft het Gerecht artikel 65 van verordening (EG) nr. 207/2009 en zijn eigen Reglement voor de procesvoering, inzonderheid het daarin vervatte gemeenschapsrechtelijke beginsel van de rechten van verdediging, geschonden doordat het bepaalde schriftelijke stukken heeft geweerd hoewel het rekwirante niet mogelijk was deze stukken reeds voor het BHIM over te leggen daar zij niet kon voorzien dat het BHIM de afzonderlijke waren en diensten waarop de tekens betrekking hebben, niet onderling zou vergelijken maar in plaats daarvan deze slechts globaal zou vergelijken.
Full & Egal Universal Law Academy