6.11.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 301/14
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 2 september 2010 — Hristo Gaydarov/Direktor na Glavna direktsia „Ohranitelna politsia” pri Ministerstvo na vatreshnite raboti
(Zaak C-430/10)
2010/C 301/21
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Hristo Gaydarov
Verwerende partij: Direktor na Glavna direktsia „Ohranitelna politsia” pri Ministerstvo na vatreshnite raboti
Prejudiciële vragen
1.
Moet artikel 27, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 0/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (1), in de omstandigheden van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is, wanneer het een onderdaan van een lidstaat verboden wordt het grondgebied van zijn eigen staat te verlaten omdat hij in een derde land een strafbaar feit inzake verdovende middelen heeft gepleegd, voor zover tegelijkertijd sprake is van de volgende omstandigheden:
1.1.
de genoemde richtlijnbepalingen zijn in de lidstaat niet uitdrukkelijk omgezet wat diens eigen onderdanen betreft;
1.2.
de door de nationale wetgever gegeven motivering voor de vaststelling van de toelaatbare doelen die met een beperking van het vrij verkeer van Bulgaarse onderdanen worden nagestreefd, is gebaseerd op verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (2), en
1.3.
de oplegging van bestuurlijke maatregelen vindt plaats in samenhang met artikel 71 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord van 14 juni 1985, alsmede met inaanmerkingneming van de punten 5 en 20 van de considerans van verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)?
2.
Volgt uit de beperkingen en voorwaarden die gelden bij de uitoefening van het recht van vrij verkeer van de burgers van de Unie, alsmede uit de ter uitvoering ervan krachtens het unierecht vastgestelde bepalingen, waaronder artikel 71, leden 1, 2 en 5, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, gelezen in verband met de punten 5 en 20 van de considerans van verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), dat in de omstandigheden van het hoofdgeding een nationale regeling rechtmatig is, volgens welke een lidstaat aan een eigen onderdaan wegens het plegen van een strafbaar feit inzake verdovende middelen de bestuurlijke dwangmaatregel oplegt „niet het land te verlaten”, wanneer deze onderdaan door een rechter van een derde land wegens dit feit is veroordeeld?
3.
Moeten de beperkingen en voorwaarden die gelden bij de uitoefening van het recht van vrij verkeer van de burgers van de Unie en de ter uitvoering ervan krachtens het unierecht vastgestelde bepalingen, waaronder artikel 71, leden 1, 2 en 5, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, gelezen in verband met de punten 5 en 20 van de considerans van verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), in de omstandigheden van het hoofdgeding aldus worden uitgelegd dat de veroordeling van de onderdaan van een lidstaat door een rechter van een derde land wegens een handeling die in het recht van die lidstaat een zwaar strafbaar feit inzake verdovende middelen vormt, voldoende grond oplevert voor de vaststelling dat, om redenen van generale en speciale preventie, met name het waarborgen van een hogere mate van de bescherming van de gezondheid van anderen overeenkomstig het voorzorgsbeginsel, het persoonlijk gedrag van die onderdaan een werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging oplevert waardoor een fundamenteel belang van de samenleving wordt aangetast gedurende een toekomstige, wettelijk nauwkeurig bepaalde periode die geen verband houdt met de duur van de opgelegde straf, maar wel binnen de duur van de proeftijd blijft?
(1) PB L 158, blz. 77.
(2) PB L 105, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy