20.11.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 317/16
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 6 september 2010 — Peter Aladzhov/Zamestnik direktor na Stolichna direktsia na vatreshnite raboti kam Ministerstvo na vatreshnite raboti
(Zaak C-434/10)
2010/C 317/31
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Peter Aladzhov
Verwerende partij: Zamestnik direktor na Stolichna direktsia na vatreshnite raboti kam Ministerstvo na vatreshnite raboti
Prejudiciële vragen
1)
Dient in de omstandigheden van het hoofdgeding het verbod om het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie te verlaten, dat is opgelegd aan een onderdaan van die lidstaat in zijn hoedanigheid van directielid van een naar het recht van die staat ingeschreven handelsvennootschap wegens niet-vereffende schulden van die vennootschap aan de staat, te worden beschouwd als een beperking om redenen van „openbare orde”, als neergelegd in artikel 27, lid 1, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, voor zover tegelijkertijd sprake is van de volgende omstandigheden:
1.1.
in de grondwet van de betrokken lidstaat is niet voorzien in een beperking van het vrije verkeer van natuurlijke personen om redenen van bescherming van de openbare orde;
1.2.
de grond „openbare orde”, als grondslag voor de oplegging van het genoemde verbod, is opgenomen in een nationale wet die is vastgesteld om een andere handeling van de Europese Unie om te zetten in nationaal recht;
1.3.
de grond „openbare orde”, in de zin van genoemde bepaling van de richtlijn, omvat tevens de grond „bescherming van de rechten van andere onderdanen” wanneer een maatregel is genomen om de begrotingsinkomsten van de lidstaat door invordering van schulden te waarborgen?
2)
Staan de beperkingen en voorwaarden die gelden bij de uitoefening van het recht van vrij verkeer van de burgers van de Unie, alsmede de ter uitvoering ervan krachtens het unierecht vastgestelde bepalingen, in de omstandigheden van het hoofdgeding een nationale wettelijke regeling toe, krachtens welke de betrokken lidstaat aan een van zijn onderdanen, in zijn hoedanigheid van directielid van een naar het recht van die lidstaat ingeschreven handelsvennootschap, wegens schulden aan die staat die naar diens recht als „aanzienlijke” schulden worden beschouwd, de bestuurlijke dwangmaatregel „verbod het land te verlaten” oplegt, wanneer die schuld kan worden ingevorderd onder toepassing van de procedure van samenwerking tussen de lidstaten overeenkomstig richtlijn 2008/55/EG van de Raad van 26 mei 2008 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen, alsmede verordening nr. 1179/2008 van de Commissie van 28 november 2008 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften voor sommige bepalingen van richtlijn 2008/55/EG?
3)
Dienen het evenredigheidsbeginsel en de beperkingen en voorwaarden die gelden bij de uitoefening van het recht van vrij verkeer van de burgers van de Unie, alsmede de ter uitvoering ervan krachtens het unierecht vastgestelde bepalingen, meer bepaald de criteria van artikel 27, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, in de omstandigheden van het hoofdgeding aldus te worden uitgelegd dat zij in geval van schulden aan de schatkist van een in die staat ingeschreven handelsvennootschap, die naar diens recht als „aanzienlijke” schulden worden beschouwd, er niet aan in de weg staan dat het een natuurlijke persoon die directielid van de betrokken vennootschap is, verboden wordt die lidstaat te verlaten, voor zover tegelijkertijd sprake is van de volgende omstandigheden:
3.1.
er is sprake van een „aanzienlijke” schuld aan de staat die als een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving wordt beschouwd en die voor de wetgever aanleiding was de specifieke bestuurlijke maatregel „verbod het land te verlaten” in te voeren;
3.2.
er vindt geen toetsing plaats van omstandigheden die verband houden met het persoonlijke gedrag van het directielid en een beperking van zijn grondrechten, zoals zijn recht op uitoefening, in het kader van een andere rechtsverhouding, van een beroepsactiviteit die met reizen naar het buitenland gepaard gaat;
3.3.
er vindt na de oplegging van het verbod geen beoordeling plaats van de gevolgen voor de commerciële activiteit van de schuldplichtige vennootschap en de mogelijkheden tot vereffening van de schuld aan de staat;
3.4.
het verbod wordt opgelegd naar aanleiding van een verzoek dat bindend is indien hierin wordt vastgesteld dat sprake is van een „aanzienlijke” schuld van een bepaalde handelsvennootschap, dat geen zekerheid is gesteld voor het hoofdbedrag en de rente en dat de persoon waartegen om oplegging van het verbod wordt verzocht, deel uitmaakt van de directie van die handelsvennootschap;
3.5.
het verbod is van kracht totdat de schuld aan de staat volledig is vereffend of daarvoor zekerheid is gesteld, zonder dat de adressaat bij de instantie die het verbod heeft opgelegd om toetsing van dit verbod kan verzoeken en zonder dat rekening wordt gehouden met de termijnen voor de verjaring van de schuld?
Full & Egal Universal Law Academy