20.11.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 317/23
Hogere voorziening ingesteld op 20 september 2010 door Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 8 juli 2010 in zaak T-396/08, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Europese Commissie
(Zaak C-459/10 P)
2010/C 317/41
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwiranten: Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt (vertegenwoordigers: A. Rosenfeld en I. Liebach, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
1)
het arrest dat het Gerecht van de Europese Unie op 8 juli 2010 in zaak T-396/08, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Europese Commissie, heeft gewezen op het beroep strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2008/878/EG van de Commissie van 2 juli 2008 betreffende de steunmaatregel die Duitsland voornemens is toe te kennen ten gunste van DHL, vernietigen en artikel 1, lid 1, van beschikking 2008/878/EG van de Commissie van 2 juli 2008 nietig verklaren;
2)
subsidiair, het sub 1 genoemde arrest van het Gerecht van de Europese Unie vernietigen en de zaak naar het Gerecht van de Europese Unie terugwijzen;
3)
verweerster verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
De hogere voorziening is gericht tegen het arrest waarbij het Gerecht het door rekwiranten ingestelde beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2008/878/EG van de Commissie van 2 juli 2008 heeft verworpen. Bij deze beschikking had de Commissie een groot deel van de aangemelde opleidingssteun die Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt aan DHL wilden verlenen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard.
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening stellen rekwiranten dat het Gerecht het recht van de Unie op de volgende punten heeft geschonden:
—
Het Gerecht heeft verordening nr. 68/2001, het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG en het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat ten onrechte de noodzaak van de steun is onderzocht. De schending van verordening (EG) nr. 68/2001 blijkt uit het feit dat niet de in die verordening vastgestelde inhoudelijke criteria zijn gehanteerd, wat slechts is toegestaan in uitzonderlijke gevallen waarin de bijzonderheden van het concrete geval dit rechtvaardigen. Het voormalige artikel 87, lid 3, EG is geschonden omdat het Gerecht ten onrechte niet heeft aanvaard dat opleidingssteun de doelstellingen van het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG diende of kon dienen, en dat de Commissie daarmee rekening dient te houden bij de afweging die zij op grond van artikel 87, lid 3, EG verricht. Ten slotte is het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat de Commissie in eerdere beschikkingen met betrekking tot vergelijkbare feiten de noodzaak van opleidingssteun niet heeft onderzocht of vastgesteld. Een objectieve rechtvaardigingsgrond voor deze ongelijke behandeling valt niet te ontwaren.
—
Zelfs wanneer dient te worden aangenomen dat het criterium van de noodzaak terecht is aangewend, is er sprake van een onjuiste rechtsopvatting. Rekwiranten stellen in dit verband dat het Gerecht verordening nr. 68/2001, de richtsnoeren van de Commissie inzake regionale steunmaatregelen en het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG heeft geschonden omdat het bij het onderzoek van de noodzaak ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stimuli die van die steun uitgaan voor de keuze van de locatie. Uit de tekst van verordening nr. 68/2001 blijkt immers dat opleidingssteun op zijn minst ook regionale aspecten kan hebben. Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat slechts regionale steun mag worden gebruikt voor de subsidiëring van ondernemingen in achtergebleven gebieden en voor het aantrekken van nieuwe ondernemingen in dergelijke gebieden.
—
Verder heeft het Gerecht verordening nr. 68/2001, het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG en het gelijkheidsbeginsel ook geschonden door ten onrechte niet ter zake dienende criteria te hanteren bij de beoordeling van de noodzaak van de steun. Enerzijds had het daarbij geen rekening mogen houden met de bedrijfspraktijk en de bedrijfsstrategie van de begunstigde van de steun omdat daardoor ondernemingen die op grond van interne normen een hoog opleidingsniveau opzetten, uit steunrechtlijk oogpunt worden benadeeld ten opzichte van ondernemingen die een minder hoog opleidingsniveau opzetten. Anderzijds had de steun niet als niet-noodzakelijk mogen worden aangemerkt op de enkele grond dat hij in nationale bepalingen was voorgeschreven. Dit heeft immers tot gevolg dat ondernemingen uit lidstaten waarin bij wet een hoog opleidingsniveau is voorgeschreven, worden benadeeld ten opzichte van ondernemingen uit lidstaten met een, relatief gezien, lager opleidingsniveau.
—
Ten slotte heeft het Gerecht het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG ook geschonden doordat het ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de positieve externe effecten van de betrokken opleiding.
Full & Egal Universal Law Academy